Bebouwingscontour geur in omgevingsplan – tips

Bebouwingscontour geur in omgevingsplan – hoe te bepalen?

Voor een omgevingsplan moet in beginsel een bebouwingscontour geur worden bepaald door de gemeente, zie artikel 5.97 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

De vraag is allereerst, wat is een bebouwingscontour geur?

De meeste gemeenten zullen deze contour samen met de omgevingsdienst gaan bepalen. We zijn er door praktijkervaringen bij gemeenten achter gekomen dat dit niet zo eenvoudig is als het lijkt. Waar moet je rekening mee houden? Wat zijn de grenzen? Is er relevante jurisprudentie?

In hoofdstuk 5 van het Bkl staan instructieregels opgenomen voor het omgevingsplan over geur. Deze instructieregels zijn gericht op grenswaarden voor:bebouwingscontour geur

  • zuiveringtechnische werken
  • houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf
  • andere agrarische activiteiten

De instructieregels zijn erop gericht dat gemeenten in hun omgevingsplan tenminste een adequate bescherming van woningen en andere geurgevoelige gebouwen of locaties bewerkstelligen. Dit geldt in beginsel niet voor gebouwen of locaties die niet zijn toegelaten op grond van een bestemmingsplan of via een omgevingsvergunning, tijdelijke gebouwen en tijdelijke geurgevoelige locaties en bedrijfswoningen.

Een bebouwingscontour geur is volgens het Bkl een contour rond stedelijk gebied waar een hoger niveau van bescherming tegen geur geldt dan het overige gebied in de gemeente.

Als definitie hanteert het Bkl:

het in het omgevingsplan of bij afwijkactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Voor stedelijk groen aan de rand van bebouwing en voor lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen kan de gemeente zelf bepalen of dit wel of niet binnen de bebouwingscontour valt.” (Stb. 2018, 292, p. 371).  

Deze definitie lijkt erg op die van het begrip ‘bestaand stedelijk gebied’ uit artikel 1.1.1, eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Ook hierin wordt gesproken van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. We kunnen dus als hulpmiddel jurisprudentie raadplegen over dit artikel.

Bijvoorbeeld uitspraak ABRS 27 oktober 2021, no. 202005854/1/R1. In deze uitspraak wordt ook een overzichtsuitspraak genoemd die handig is. In r.o. 7.1 staat het volgende:

Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, dan wel of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing (…).  Wanneer het voorgaande plan een zodanig samenstel van bebouwing mogelijk maakt, of het gebied als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt, ziet het nieuwe plan op een gebied dat als bestaand stedelijk gebied (…) van het Bro is aan te merken. Daaraan doet niet af dat de bebouwing waarin het voorgaande plan voorzag ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan nog niet was gerealiseerd.”

Begrip ‘bebouwde kom’ is verlaten. De bebouwingscontour geur kan er anders uitzien dan de grenzen van de bebouwde kom van een gemeente. Of een perceel of locatie binnen de bebouwde kom ligt is voor deze definitie dus niet relevant. De wetgever merkt ook uitdrukkelijk op in de MvT van het Bkl (Stb. 2018, 292, p. 371) dat ervoor gekozen is om het begrip ‘bebouwde kom’ te verlaten.

Tips uit de praktijk, voor de praktijk

Zoals hiervoor al werd aangegeven is het bepalen van de grenzen van een contour niet eenvoudig. Onze tips:

  • teken eerst los uit de pols een contour op kalkpapier (over een kaart van de gemeente), deze contour op papier is een ‘praatplaat’.
    We hebben gemerkt dat schetsen op papier erg goed werkt. De meeste mensen krijgen zoveel digitale documenten te zien, dat ze op een scherm niet meer goed kunnen beoordelen of een contour bruikbaar is. De meeste mensen zijn behoorlijk ‘digi-moe’ en vermoeid van alle digitale vergaderingen.
  • leg de schets van de contour voor aan collega’s milieu en omgevingsdienst: bij voorkeur via een fysieke afspraak. Je kunt zo beter sparren en overleggen. Een werkwandeling is ook aan te bevelen.
  • bespreek of het ook nodig is om voor alle gebieden in de getekende contour een hogere bescherming te bieden. Hier kan verschil tussen zitten. Elk gebied is anders.
  • Besef dat het een leerproces is voor iedereen en durf fouten te maken. Het belangrijkste is een start te maken.

De uitkomst kun je vervolgens digitaal delen. We hebben gemerkt dat de combinatie schetsen op papier, fysieke afspraak en daarna digitale contour goed werkt. Dus een hybride benadering in plaats van alleen digitaal. De concept-kaart vormt weer een basis voor voorschriften en het werkingsgebied. Vervolgens ga je verfijnen.

Geen tijd?

Wij ontlasten gemeenten bij de voorbereidingen en praktische uitvoering van een start-omgevingsplan. Dit doen we met een eigen praktische methode en aanpak. We denken mee, doen voorstellen en maken een start-omgevingsplan. Op maat gemaakt en vooral praktisch uitvoerbaar!

Bel voor meer informatie 010 – 307 2273 of vul onderstaand formulier in:

Neem contact op

  • Dit veld is voor validatie doeleinden en moet ongewijzigd blijven.

 

Wat is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving?

Wat is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving volgens de Omgevingswet? veilige en gezonde fysieke leefomgeving

De gemeenteraad moet volgens de Omgevingswet voor het gehele grondgebied een omgevingsplan vaststellen. In dit plan moeten regels worden opgenomen over de fysieke leefomgeving. Dit nieuwe criterium bevat een breed scala aan onderwerpen, in elk geval een stuk meer dan ‘een goede ruimtelijke ordening’ uit de Wro. Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. In de praktijk is het niet zo eenvoudig om vast te stellen wat daar onder valt.

Artikel 1.2 Ow somt een aantal onderwerpen op waar de fysieke leefomgeving in elk geval betrekking op heeft: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed.

Artikel 2.1 Ow geeft onder meer aan waar de bevoegdheden van gemeente, provincie of Rijk betrekking op moeten hebben: waarborgen van de veiligheid, beschermen van de gezondheid, beschermen van het milieu, duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening, het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het behoud van cultureel erfgoed, de natuurbescherming, het tegengaan van klimaatverandering, de kwaliteit en het gebruik van bouwwerken, het beheer van natuurgebieden, etc. etc.

Volgens de MvT is de Ow in elk geval gericht op veiligheid en gezondheid van de mens: “Het omgevingsrecht heeft een belangrijke functie bij het voorkomen van ongewone voorvallen en rampen en de gevolgen daarvan. Het gaat om aspecten van de fysieke veiligheid zoals externe veiligheid, veiligheid tegen overstromingen, brandveiligheid en constructieve veiligheid. Bij gezondheid van de mens gaat het om bescherming tegen invloeden vanuit het milieu, zoals geluid en luchtverontreiniging.

Het is nogal wat voor met name gemeenten waar het omgevingsplan aan moet voldoen. Op zich kun je per aspect een project of plan gaan toetsen, maar de crux zit in de afweging van al die belangen. Hoe weegt een gemeente nu al die belangen af? Hoe maak je die inzichtelijk? Wat weegt zwaarder? Als ambtenaar heb je daar een zekere verbeeldingskracht en lef voor nodig: uit- en inzoomen in een gebied, groot durven denken, gezond verstand gebruiken en de knoop doorhakken voor het gemeentebestuur.