deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan bewijzen

Bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan bewijzenbedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan

De gemeente heeft een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld. Eén van de appellanten stelt dat zijn perceel ten onrechte is bestemd als Wonen. Hij voert in beroep aan dat hij sinds 1970 een agrarisch loonbedrijf ter plaatse uitoefent. Die activiteiten waren ook in voorgaande bestemmingsplannen als zodanig bestemd.

De gemeente stelt dat er niet langer bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend. Ook ontbreekt volgens de gemeente een concreet zicht op een op een ruimtelijk aanvaardbare manier opnieuw gebruiken van het perceel ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie. Volgens de raad wordt voldaan aan de kwalificatie ‘bedrijfsmatig’ wanneer er sprake is van een meer dan symbolische vergoeding en wordt deelgenomen aan het normaal economisch verkeer. Daarbij heeft de raad aansluiting gezocht bij de criteria voor een onderneming die door de Kamer van Koophandel worden gehanteert. Volgens de gemeente horen verder melkwagens niet meer bij het bedrijf. Er is ook geen sprake van een aanvraag voor een milieuvergunning of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is het bedrijf uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kvk.

De Afdeling overweegt: “dat de raad zich voor zijn standpunt heeft gebaseerd op de uitschrijving uit het handelsregister van de Kamer van koophandel, op de bevindingen van een milieucontrole (…) en op het ontbreken van een nieuwe aanvraag voor een milieuvergunning of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit het verslag van de milieucontrole blijkt dat de twee melkvrachtwagens geen deel meer uitmaken van de bedrijfsmiddelen, maar dat rechtvaardigt nog niet de conclusie dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse geheel zouden zijn gestaakt. Daarbij betrekt de Afdeling dat de controle ongeveer 10 jaar voor de vaststelling van het plan plaatsvond. Om aan te tonen dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten op het perceel heeft appellant in het kader van de zienswijzeprocedure bij brief (…) 9 verklaringen van cliënten over verrichte diensten overgelegd en ook een opsomming van machines die door appellant worden ingezet, een verklaring over een intentie tot samenwerking en een bouwtekening van een nog aan te vragen omgevingsvergunning voor een nieuw te bouwen bedrijfshal/loods. Uit de overgelegde verklaringen, die de raad niet betwist, volgt dat door appellant reparatie- en herstelwerkzaamheden worden verricht aan land- en tuinbouwmachines. Met de overgelegde stukken heeft appellant naar het oordeel van de Afdeling een begin van bewijs geleverd dat op zijn perceel bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. (…)”. (bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan)

Lees meer in r.o. 4.3 van uitspraak ABRS 18 december 2019, no. 201807048/1/R1.

Benieuwd of uw activiteiten wel bedrijfsmatig zijn? Bel 010 – 268 0689 of mail. 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Afwijken Activiteitenbesluit geluid windpark mits onderbouwd!

Afwijken Activiteitenbesluit geluid windpark mag, mits onderbouwdafwijken activiteitenbesluit

De raad van een gemeente in Limburg heeft besloten de bestemmingsplannen voor een windpark niet vast te stellen. Mede naar aanleiding van een turbulente voorgeschiedenis, zoals volgens de raad onvoldoende draagvlak bij de bewoners heeft de raad daartoe besloten. Daar wordt in de uitspraak verder op ingegaan, maar wordt hier niet verder besproken. Eén van de andere redenen om geen medewerking te verlenen is volgens de raad het aspect geluid.

Volgens de raad bieden de geluidnormen in artikel 3.14a, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer onvoldoende bescherming tegen geluidhinder. Volgens appellant is dit ten onrechte omdat uit de verrichte geluidonderzoeken blijkt dat aan de geluidnormen van 47 dB Lden en 41 db Lnight op gevoelige objecten kan worden voldaan na het treffen van geluidbeperkende maatregelen.

De raad stelt dat de omstandigheid dat het windpark kan voldoen aan de geluidnormen van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit, niet betekent dat de raad het gewenste bestemmingsplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening dient te achten, laat staan dat hij in een dergelijk geval verplicht is tot vaststelling van het bestemmingsplan over te gaan. In het weigeringsbesluit staat dat in recente wetenschappelijke publicaties wordt beschreven dat aan de hinder van windturbinegeluid wellicht meer gewicht moet worden toegekend dan in het verleden is gebeurd. (…) De steeds grotere ashoogten, grotere diameters van de wieken en het feit dat boven de 120 m de windprofielen sterk kunnen afwijken van de standaarden die men voor lagere hoogten hanteert, kunnen bijdragen aan een wellicht veranderd milieutechnisch inzicht van het beoordelen van de hinderlijkheid van het windturbinegeluid. Daarbij wordt als suggestie genoemd het mogelijk toepassen van een straffactor (plus 5 dB) voor de hinderlijkheid van het geluid. (…)

De Afdeling overweegt: “(…) Het bestuursorgaan mag andere, stengere normen hanteren, mits de keuze hiervoor deugdelijk is onderbouwd. Aan die onderbouwing moeten zwaardere eisen worden gesteld nu het gaat om een afwijking van de voor windturbines specifiek gegeven geluidnormering die in een algemeen verbindend voorschrift is vastgelegd.” (…) Lees meer in r.o. 24.3 van uitspraak ABRS 18 december 2019, no. 201805972/1/R1. (Afwijken Activiteitenbesluit mag, mits onderbouwd)

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

blaftijd honden in hondenpension 5% of 2,5%?

Blaftijd honden in hondenpension stellen op 2,5% of 5%?blaftijd honden

De gemeente heeft een bestemmingsplan opgesteld om een hondenpension mogelijk te maken voor ongeveer 50 honden. Op zo’n 40 meter van het plangebied woont appellant die vreest voor beperkingen in zijn woon- en leefklimaat vanwege geluid.

In het opgestelde akoestisch onderzoek is uitgegaan van 2,5% blaftijd bij een hondenpension met toezicht. Volgens hem moet er van 5% blaftijd worden uitgegaan. Hij stelt dat bij die blaftijd in de avondperiode niet aan het langtijdgemiddelde geluidniveau van 45 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan bij het hondenpension.

De Afdeling overweegt het volgende: “(…) dat een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension als representatief kan worden aangemerkt. Nu de raad tevens heeft onderzocht wat de geluidbelasting is bij een blaftijd van 5%, wordt hierna uitgegaan van een situatie waarbij is gerekend met een blaftijd van 5%. In de planregels (…) is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het gebruik van het hondenpension slechts is toegestaan als er een geluidscherm geplaatst wordt. De Afdeling overweegt dat de raad op basis van het advies van de ODR (…) aannemelijk heeft gemaakt dat na het plaatsen van een geluidscherm ook bij een blaftijd van 5% aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan.”

Noot MH: De Afdeling houdt vast aan een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension. Wat erg belangrijk is bij akoestische onderzoeken is te kijken naar de feitelijke activiteiten van het beoogde pension, hondentrainingscentrum of hondenuitlaatservice. Daar zitten aanzienlijke verschillen tussen. Ook de blaftijd van honden verschilt per locatie, het aantal honden en de activiteiten. Het blaffen van honden verschilt aanzienlijk per situatie waar ze zich in bevonden. Ga daar in onderbouwingen goed op in en ga dus niet zonder meer uit van 5% blaftijd.

Bel 010 – 268 0689 of mail voor meer informatie over akoestische onderzoeken en onderbouwingen over hondengeblaf.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerd

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerdomgevingsvergunning bedrijfswoning

Het komt regelmatig voor dat men wil wonen in een bedrijfspand op een bedrijventerrein. Het lijkt aantrekkelijk: de prijs is lager dan een reguliere woning. Ook ondernemers zelf proberen vaak een voormalige bedrijfswoning te verkopen aan iemand die niet bij het bedrijf betrokken is. Hoewel dat uit financiële reden wel te begrijpen ben ik blij dat er gemeenten zijn die hierop handhaven of de vergunning weigeren. Op de lange termijn blijkt vaak dat de combinatie wonen op een bedrijventerrein niet werkt. De bewoners gaan meestal klagen over geluidsoverlast en de ondernemers ter plaatse (kunnen) worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Het is de laatste paar jaar zo dat alle aandacht uit gaat naar woningen, woningen en nog eens woningen. Er moeten aantallen bijkomen omdat de vraag naar woningen zo groot is. Ik vind dit korte termijn politiek. Bedrijven hebben namelijk ruimte nodig. Ruimte voor de bedrijfsactiviteiten.

In deze casus heeft de gemeente een omgevingsvergunning geweigerd voor woningen in een bestaand bedrijfsverzamelgebouw op een bedrijventerrein. De geldende bestemming ‘Bedrijventerrein’ laat geen (bedrijfs)woningen toe. Appellanten zijn het niet eens met de weigering en stellen in hoger beroep dat de combinatie milieucategorieën 1 en 2 en woningen goed kunnen samengaan. Het bedrijventerrein is volgens hen in transformatie naar een gebied met zowel woningen als bedrijven. Volgens het college kan bij de gewenste woningen geen goed woon- en leefklimaat gerealiseerd worden en geldt niet voor alle bedrijven die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan dat zij niet in hun bedrijfsvoering kunnen worden gehinderd vanwege woningen.

De Afdeling overweegt onder meer het volgende: “(…) Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat regels waaraan bedrijfsactiviteiten moeten voldoen. Het bevat grenswaarden voor geluid die gelden voor geluidgevoelige objecten. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dienen woningen, ook als zij tot een bedrijf behoren, als een geluidgevoelig object te worden aangemerkt voor andere bedrijven dan het bedrijf waartoe de woningen behoren. De bedrijfsunits (…) grenzen aan bedrijfsunits van anderen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij realisering van woningen in de directe omgeving van de bedrijfsunits, de bedrijven in de bedrijfsverzamelgebouwen beperkingen in hun bedrijfsvoering kunnen ondervinden. Het college heeft dit, mede gezien de gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen, ongewenst kunnen achten.” 

Lees meer in uitspraak ABRS 11 december 2019, no. 201900853/1/A1. (omgevingsvergunning bedrijfswoning)

De Omgevingsjurist is tegen woningen op bedrijventerreinen en voor ruimte voor bedrijven. Bel 010 – 2680689 voor meer informatie.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hogere milieucategorie VNG-brochure of niet?

Hogere milieucategorie VNG-brochure of niet?hogere milieucategorie

In de praktijk komt het vaak voor dat bedrijfsactiviteiten niet geheel in de pas lopen met de milieucategorieën zoals die zijn genoemd in de VNG-brochure. Dit kan ook niet anders omdat dit een nogal grove indeling is om enigszins onderscheid te kunnen maken. Dit staat ook uitdrukkelijk aangegeven in de VNG-brochure. Het is een hulpmiddel, niet meer en niet minder. In de praktijk wordt er uit onzekerheid helaas nogal zwart-wit mee omgegaan.

In deze casus heeft het college van B&W een omgevingsvergunning geweigerd voor het oprichten van een inrichting en het aanpassen van een magazijn. Het bedrijf handelt in kleurstoffen en bewerkt en mengt kleurstoffen. De bewerking houdt volgens de aanvraag in dat de concentratie van de kleurstoffen wordt veranderd door het toevoegen van hulpstoffen zodat de kleur minder intens dan wel donker is. Het geschil gaat over de gevolgen die de bewerkingen hebben voor de kwalificatie van het bedrijf. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan.

Volgens het college volgt uit de aanvraag dat het bouwplan ten dienste staat van een bedrijf dat meer is dan alleen een groothandel in chemische producten. Er is namelijk niet alleen een vergunning aangevraagd voor het opslaan van kleurstoffen maar ook voor het mengen en bewerken van die stoffen. Daarnaast is er volgens het college geen sprake van een bedrijf dat valt onder de algemene milieucategorie die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. De aanvraag is ingediend voor een milieucategorie 4.1 en 4.2. Het bestemmingsplan laat ten hoogste milieucategorie 3.1 en voor een ander deel 3.2 toe.

Hogere milieucategorie of niet ? – (…) Volgens het college kan het bedrijf niet slechts worden aangemerkt als een groothandel in chemische producten dan wel een bedrijf als ten hoogste milieucategorie 3.1 of 3.2. Volgens het college houden de mengactiviteiten in dat de kleurstoffen uit de verpakking worden gehaald en in verschillende mengtanks worden gedeponeerd. In deze tanks worden grondstoffen en hulpstoffen met elkaar vermengd. Lees meer in r.o. 3 van uitspraak ABRS 11 december 2019, no. 201809033/1/A1.

Bel of mail De Omgevingsjurist voor:

  • onderbouwingen en adviezen voor passende milieucategorieën
  • onderbouwingen en adviezen voor een passende afstand tussen gevoelige functies en bedrijven
deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidzone niet meetellen bij oppervlakte bedrijventerrein mer

Geluidzone telt niet mee bij oppervlakte berekening voor m.e.r.-beoordelingsplichtgeluidzone

De raad heeft een bestemmingsplan voor een bedrijventerrein vastgesteld. In het kader van het vastgestelde bestemmingsplan is een vormvrije milieueffectbeoordeling uitgevoerd. De uitkomst van die beoordeling is dat voor het plan geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Door het plan wordt tevens het gezoneerde industrieterrein aangepast.

Appellanten voeren aan dat het plan valt onder categorie 11.3 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Gelet op de aanwezigheid van bedrijven met een hoge milieucategorie, de aanwezigheid van risico’s, de hinder die al aanwezig is, de ontwikkelingen die negatieve milieugevolgen kunnen veroorzaken en de omliggende woningen, de nabij gelegen natuurgebieden, de cumulatie met de nabij gelegen industrie en woningbouwprojecten, is het plan volgens appellanten plan-m.e.r. plichtig. Appellanten stellen dat het plangebied de drempelwaarde van 75 hectare (…) niet overschrijdt, maar dat de geluidzone wel een dergelijk oppervlak beslaat.

De Afdeling overweegt: “dat bij de berekening van de oppervlakte van een bedrijventerrein in het kader van de m.e.r.-(beoordelings)plicht slechts de oppervlakte van een bedrijventerrein zelf in aanmerking moet worden genomen en niet een eventuele geluidzone rondom dat terrein, nu deze geen deel uitmaakt van het bedrijventerrein (…). Verder overweegt de Afdeling dat de door (appellanten…) genoemde aspecten zoals de aanwezigheid van bedrijven met een hoge milieucategorie, de aanwezigheid van risico’s, de hinder die al aanwezig is, de ontwikkelingen die negatieve milieugevolgen kunnen veroorzaken en de omliggende woningen, de nabije natuurgebieden, de cumulatie met de nabijgelegen industrie en woningbouwprojecten, aspecten zijn die meegenomen kunnen worden bij de beoordeling, maar niet bij de berekening van de oppervlakte van het bedrijventerrein. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten concluderen dat er sprake is van een plan dat plan-m.e.r.-plichtig is.”

Lees meer in r.o. 7.5 van uitspraak ABRS 4 december 2019, no. 201805678/1/R1.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Camouflage geluid van windpark door snelweg

Camouflage geluid van windpark door snelwegcamouflage geluid

Het college van B&W heeft een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer vastgesteld voor een windpark vanwege een bedrijfswoning. Het windpark bestaat uit vier windturbines langs de snelweg.

De eigenaar van een intensieve veehouderij is op een afstand van minder dan 200 meter van het windpark voornemens een bedrijfswoning te bouwen. Door deze korte afstand tot de windturbine overschrijdt het geluid van het windpark de op grond van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit geldende geluidsgrenswaarden van 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van de te bouwen bedrijfswoning.

De Afdeling stelt voorop dat “het college beoordelingsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag of zich bijzondere lokale omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid van het Activiteitenbesluit. (…) Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet aannemelijk is dat de situering van een windturbine en een woning zoals hier aan de orde, nagenoeg nergens in Nederland voorkomt. In hoger beroep heeft zij het door haar opgestelde rapport GIS-analyse (…) overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat er in Nederland slechts 47 woningen op een vergelijkbare afstand van een snelweg en windturbine staan. Daarvan is volgens het rapport slechts bij twee woningen de situatie daadwerkelijk vergelijkbaar, rekening houdend met de situering van de woning ten opzichte van de snelweg en de windturbine en met de omvang van de windturbine. (…) De rechtbank heeft het ten onrechte niet aannemelijk geacht dat een dergelijke situering nagenoeg ergens in Nederland voorkomt. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte niet de motivering van het college over de bijzondere ontstaansgeschiedenis betrokken, waaruit blijkt dat deze situatie onder normale omstandigheden niet zo was ontstaan. 

(…) In het rapport (…) is berekend dat de geluidbelasting vanwege de A58 op de te bouwen bedrijfswoning hoger is dan de geluidbelasting vanwege het windpark, waarbij het verschil in de dagperiode… lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 4 december 2019, no. 201902270/1/A1. (camouflage geluid windpark)

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidhinder horeca en representatieve planologische situatie

Geluidhinder horeca en representatieve planologische mogelijkhedengeluidhinder horeca

In een voormalig kasteel is een horecagelegenheid mogelijk gemaakt inclusief een terras. In beide neerhuizen is groepsaccomodatie toegestaan. Hier is slaapruimte voor 32 personen. Daarnaast kunnen er huwelijksvoltrekkingen plaatsvinden en vergaderingen. Appellant woont naast het complex is vreest voor geluidsoverlast.

Volgens appellant is er in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet van uit gegaan dat de activiteiten gelijktijdig kunnen plaatsvinden. Verder is volgens hem niet onderzocht of er sprake is van geluidsoverlast in zijn tuin.

De Afdeling overweegt als volgt: “De raad mocht naar het oordeel van de Afdeling bij het onderzoek naar geluid uitgaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een invulling waarbij alle mogelijke activiteiten waarin het plan voorziet gelijktijdig plaatsvinden niet aannemelijk en niet representatief is. Daarbij is in aanmerking genomen dat, gezien de omvang van het neerhuis, het feitelijk onmogelijk is om gelijktijdig een huwelijksvoltrekking en een vergadering of workshop te houden en dat dit gebouw aan niet meer dan ongeveer 80 mensen ruimte kan bieden, zodat ook het aantal mensen dat die activiteiten kan bijwonen tot dat aantal beperkt is.(…)

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat enkel het maximale geluidniveau van 70 dB(A) etmaalwaarde ter hoogte van de locatie met 5 dB(A) wordt overschreden. Deze overschrijding wordt met name veroorzaakt door het optrekkende en remmende bevoorradingsverkeer dat ten hoogste één keer per etmaal het terrein zal bezoeken. (…) Gelet op het beperkt aantal bewegingen van het bevoorradingsverkeer en de vrijstelling van de piekbelasting voor laad- en losactiviteiten in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer of dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in het plan nadere voorwaarden hadden moeten worden opgenomen. (geluidhinder horeca)

Lees meer in uitspraak ABRS 20 november 2019, no. 201810349/1/R2

Meer weten over geluid en horeca? Bel 010 – 268 0689

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

aantal asielzoekers is ruimtelijk relevant

Aantal asielzoekers in bestemmingsplan in ruimtelijk relevantaantal asielzoekers

De raad van de gemeente Apeldoorn heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor het mogelijk maken van een AZC. Appellanten zijn van mening dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij geven onder meer aan dat er ten onrechte geen maximum in het bestemmingsplan is opgenomen voor het aantal te huisvesten asielzoekers. Zij vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de komst van de asielzoekers op de gekozen locatie.

De Afdeling overweegt onder meer: “Of voldoende draagvlak voor het plan bij de omwonenden bestaat is niet van doorslaggevende betekenis. Dat betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het voorziene AZC dient te maken. (…) De Afdeling stelt voorop dat de gebruiksmogelijkheden beperkt worden door de in het plan opgenomen bouwvlakken. De Afdeling is niet gebleken van wettelijke voorschriften met betrekking tot de omvang van de woonruimte van een asielzoeker. Dat betekent dat het plan zich niet verzet tegen opvang van meer dan 600 asielzoekers. Uit hetgeen de raad (…) ter zitting hebben verklaard, blijkt dat vooralsnog een opvang van meer dan 600 asielzoekers niet is beoogd. (…) De Afdeling gaat er vanuit dat de raad door een maximum van 600 asielzoekers niet te vermelden in het plan, met het plan meer mogelijk heeft gemaakt dan beoogd. Dit is in strijd met het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. (…)”

Lees meer in uitspraak 20 november 2019, no. 201809013/1/R1.

Wat is nu ruimtelijk relevant en wat niet? Voor vragen bel 010 – 268 0689.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

milieugevolgen aardgas ruimtelijk niet relevant

Milieugevolgen aardgas ruimtelijk niet relevant

De raad van de gemeente Smallingerland heeft een herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld. De herziening heeft betrekking op gaswinning. De gemeente heeft de ambitie om de huidige energie-infrastructuur met aardgas te transformeren naar een infrastructuur met duurzame energiebronnen. Gelet op deze ambitie is het winnen van gas niet langer gewenst in de gemeente.

De minister voert in beroep aan dat het plan is ingegeven door de beleidsambities van de gemeente op het vlak van verduurzaming. In de toelichting staat dat de gemeente wil overschakelen op meer duurzame energiebronnen en het winnen van gas binnen haar grenzen als gevolg daarvan niet langer gewenst vindt. Het gaat volgens de minster dan om gemeentelijk energiebeleid. Een dergelijk energiebeleid is volgens de minister geen ruimtelijk beleid en kan daarom niet worden gerealiseerd met een bestemmingsplan.

De Afdeling oordeelt als volgt: “De Afdeling is van oordeel dat, voor zover hij met de verwezenlijking van de doelen van zijn energiebeleid bepaalde onderzoeksactiviteiten heeft uitgesloten, geen ruimtelijk relevant doel nastreeft. (…) De Afdeling stelt voorop dat het doel dat de raad nastreeft, te weten duurzaamheid, op zichzelf een milieuaspect betreft. Het gaat de raad in het kader van de verduurzaming echter niet om milieugevolgen van het verkennings- en opsporingsonderzoek dat hij in het plan heeft uitgesloten, maar om de milieugevolgen van het gebruik van aardgas door de samenleving. Dit gebruik wordt door de raad vanuit duurzaamheidsoverwegingen onwenselijk geacht. Het gebruik van aardgas als brandstof door de samenleving is als zodanig geen ruimtegebruik van de gronden in het plangebied. Voorzover de planregeling bepaalde onderzoeksactiviteiten in het plangebied uitsluit om de milieugevolgen van het gebruik van aardgas als brandstof door de samenleving te beperken, heeft deze dan ook niet tot doel het ruimtegebruik van de gronden in het plangebied of de invloed van dat ruimtegebruik op de omliggende gronden te regelen, zodat de planregeling in zoverre een ruimtelijk relevant doel ontbeert. (…)”

Lees meer in uitspraak ABRS 6 november 2019, no. 201807035/1/R3.  (milieugevolgen aardgas)