Groepsaccommodatie, wel of geen geurgevoelig object?

Groepsaccommodatie, wel of geen geurgevoelig object?groepsaccommodatie

De Bruidsschat is niet meer dan overgangsrecht. Veel bestaande milieuregels zijn nu opgenomen in de Bruidsschat. In juridisch opzicht is de Bruidsschat een speciale vorm van overgangsrecht. Van gemeenten wordt verwacht dat ze kritisch kijken naar deze regels. Gemeenten moeten een selectie maken voor het nieuwe omgevingsplan. Welke artikelen nemen we mee uit de Bruidsschat en welke niet? Welke instructieregels zijn er in het Bkl geregeld over het nieuwe omgevingsplan?

Nieuwe milieubegrippen voor nieuw deel omgevingsplan, grote gevolgen?

In de Bruidsschat en het Bkl worden verschillende begrippen gebruikt over bepaalde onderwerpen, zoals bijvoorbeeld over geur. De wetgever geeft in de toelichtingen vaak aan dat er ‘geen inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd‘. Hoe pakt dat in de praktijk uit? De begrippen zijn toch verschillend. Kunnen we de bestaande jurisprudentie blijven gebruiken?

  • Geurgevoelig object

Dit begrip komt uit het voormalige Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij. Over wat een geurgevoelig object is, is al veel jurisprudentie verschenen. Op 13 maart 2024 deed de Raad van State een uitspraak over een groepsaccommodatie. Is dat nu wel of geen geurgevoelig object?

In dit geval ging het om de huisvesting van tijdelijke werknemers in een groepsaccommodatie op een recreatieterrein. In beroep tegen de omgevingsvergunning gaf een veehouder aan te vrezen voor belemmering van zijn bedrijfsvoering. Het doel van de begripsomschrijving van ‘geurgevoelig object’ is bescherming bieden aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Het is dus van belang om na te gaan of de geldende bestemming aangeeft of de accommodatie bedoeld is voor langdurig verblijf.

De Afdeling geeft aan: “De rechtbank heeft terecht overwogen dat de planwetgever met het begrip ‘recreatiewoning’ iets anders heeft bedoeld dan met het begrip ‘groepsaccommodatie’. De Afdeling volgt echter niet het oordeel van de rechtbank dat dit verschil de gevolgtrekking rechtvaardigt dat een recreatiewoning wel als geurgevoelig object moet worden aangemerkt, maar een groepsaccommodatie als bedoeld in de planregels niet.” Lees meer in r.o. 6 e.v.

Hoe zit dat voor het nieuwe omgevingsplan?

  • Geurgevoelig gebouw

In artikel 5.91 Bkl zie je een opsomming van wat de wetgever in elk geval onder een geurgevoelig gebouw verstaat. De gemeente mag voor het nieuwe omgevingsplan ook meer gebouwen aanwijzen als gevoelig. Het moet wel gaan om een legaal gebouw waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Dus gedurende een groot deel van de dag. Volgens de toelichting is er hier geen sprake van als het verblijf van mensen een ondergeschikte rol speelt, zoals bij stallen, kassen en opslagloodsen.

Nieuw ten opzichte van de hiervoor geldende wetgeving is dat de gemeente de geurregels ook kan toepassen op locaties waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen, dus geen gebouwen, maar bijvoorbeeld een camping, voetbalveld of evenementen in de open lucht.

Stemgeluid kinderdagverblijf en betrouwbaar onderzoek

Stemgeluid kinderdagverblijf en betrouwbaar onderzoekstemgeluid kinderdagverblijf

Over het algemeen willen bewoners niet in de buurt wonen van een kinderdagverblijf. De kindertjes zijn leuk, maar het stemgeluid vinden de meeste mensen schel en storend. Meestal komt dat omdat het geluid weerkaatst in bebouwde omgeving. In een uitspraak van ABRS 28 februari 2024, no. 202106805/1/R3 van de Afdeling komt iets dergelijks aan de orde.

Een ondernemer wil een bestaand kinderdagverblijf uitbreiden voor maximaal 10 kinderen in de leeftijd van 0 tot 13 jaar. Eerst is de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Het bezwaar is echter gegrond verklaard en daarna is de vergunning alsnog verleend. In de uitspraak is vooral interessant dat de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek naar stemgeluid expliciet genoemd worden:

In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van berekeningen en modellen om de geluidsuitstraling van de kinderopvang inzichtelijk te maken. De waarden voor het maximale bronvermogen van het stemgeluid van spelende kinderen op de buitenspeelplaats zijn ontleend aan de publicatie ‘Average Speech Levels and Spectra in Various Speaking/Listening Conditions: A Summary of the Pearson (…) en de Duitse VDI-richtlijn (…)’. De Afdeling is van oordeel dat het college hiermee is uitgegaan van betrouwbare publicaties om de geluidsproductie, veroorzaakt door stemgeluid, in kaart te brengen. 

Voor het rijden van de personenauto’s van personeel bij de zuidelijke inrit en ouders/verzorgers ten noorden van het perceel is een equivalente bronsterkte van 90 dB(A) aangehouden. Voor de 9-persoons bus van appellante is rekening gehouden met een bronsterkte van 95 dB(A) op het noordelijke deel van het terrein. Lees meer in r.o. 6.4 van deze uitspraak. (stemgeluid kinderdagverblijf). 

 

Hoveniersbedrijf niet beperken in bedrijfsvoering

Hoveniersbedrijf niet beperken in bedrijfsvoering door woningenhoveniersbedrijf

Met een nieuw bestemmingsplan wordt de bouw van 18 ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk gemaakt. Een nabij gelegen hoveniersbedrijf is er niet blij mee. De eigenaar vreest voor beperkingen in de bedrijfsvoering van zijn boomkwekerij. Het versnipperen van hout en tuinafval kan volgens hem hinder opleveren voor de nieuwe bewoners.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende onderzocht of ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Volgens de Afdeling heeft de raad onvoldoende onderzocht wat het aspect geluid voor gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Hierbij gaat het vooral om het versnipperen van hout en tuinafval. Volgens de raad is een strook van 15 meter voldoende tussen de kadastrale grens van het bedrijf en de woningen. Binnen die strook mogen geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Lees de details in r.o. 8 e.v. van uitspraak ABRS 7 februari 2024, no. 202200542/1/R2.

Noot: Nog afgezien van de juridische details is het belangrijk dat een gemeente bij nieuwe woningen goed onderzoekt of er wel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nieuwe bewoners. In de praktijk wordt veel te krap bekeken of de bedrijfsvoering van een ondernemer nog wel acceptabel is door de komst van woningen. Bedrijven hebben ruimte nodig voor een normale bedrijfsvoering. Dat is niet altijd een kwestie van keurig naar de richtafstanden kijken van de VNG-brochure. Het is ook gezond verstand. Verkeer van en naar een bedrijfslocatie in de vroege ochtend, laden en lossen, piekgeluiden, etc. Het hoort er bij. Om die reden is het belangrijk – voor beide partijen – om woningen niet te dicht bij een bedrijfslocatie te situeren. Dat is vragen om problemen.

 

 

 

Voorwaardelijke verplichting onderzoek water in uitwerkingsplan

Voorwaardelijke verplichting onderzoek water in uitwerkingsplan 

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van woningen. De aanvraag is getoetst aan een uitwerkingsplan. In het uitwerkingsplan is een bouwregel als voorwaardelijke bepaling opgenomen:

Op de percelen met de bestemming ‘Wonen’ mag alleen worden gebouwd indien dit geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden‘.

Het gaat in deze casus om meerdere aanvragen, met verschillende uitwerkingsplannen waarin dezelfde voorwaarde in een bepaling is opgenomen. Voor het gemak gaan we uit van een enkele aanvraag.

De cursief aangegeven regel wordt ook wel voorwaardelijke verplichting genoemd. Eerst moet aangetoond worden dat het bouwplan geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden. Hoe moet nu deze bepaling worden uitgelegd? Dienen ook cumulatieve effecten te worden meegenomen in onderzoek?

De buurman is niet blij met de komst van de woningen. Hij vreest wateroverlast op zijn perceel. Volgens hem voldoen de aanvragen niet aan de voorwaardelijke verplichting.

Een onderzoeksbureau heeft 4 maatregelen voorgesteld om verstoring van de waterhuishouding te voorkomen. Dit is onderbouwd in een memo. Volgens het college voldoet het bouwplan aan de voorwaarden die zijn gesteld.

De Raad van State beoordeelt het hoger beroep als volgt:

De Afdeling is van oordeel dat artikel (…) van de uitwerkingsplannen zo moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of een aanvraag voor een bouwplan voldoet aan de voorwaardelijke verplichting, niet alleen de hydrologische gevolgen van dat bouwplan op omliggende gronden op zichzelf moeten worden beschouwd, maar in samenhang met de hydrologische gevolgen op omliggende gronden als gevolg van het realiseren van andere al geplande of al gebouwde woningen of andere bouwwerken. Voor die uitleg vindt de Afdeling van belang dat wanneer alleen acht zou worden geslagen op de hydrologische gevolgen van het bouwplan waarover een individuele vergunningaanvraag gaat, en het plan in zoverre niet op bezwaren stuit, dit onverlet laat dat door cumulatieve effecten met andere ontwikkelingen in de omgeving toch negatieve hydrologische effecten op een perceel kunnen optreden. De Afdeling acht het in strijd met de planregel, en het belang dat deze beoogt te beschermen, als dat wordt toegelaten.”

Lees meer in r.o. 13.1 van uitspraak ABRS 10 januari 2024, no. 202105148/1/R1.

meerdere milieueffectrapportages

Hondengeblaf in paardenweide?

Hondengeblaf in paardenweide?hondengeblaf

Geblaf van honden is voor veel mensen een bron van irritatie. Een hondenpension in de buurt van woningen wordt dan ook niet met open armen ontvangen. In het buitengebied lijkt zoiets kansrijker. Maar ook daar zitten mensen niet te wachten op hondenpensions. Dat blijkt maar weer eens uit deze zaak.

Het is de bedoeling om op een voormalige varkenshouderij een hondenpension te vestigen, voor maximaal 40 honden. Daarnaast worden er akkerbouw werkzaamheden uitgevoerd. Op het bedrijf zijn verder paardenweides aanwezig en paardenbakken voor het hobbymatig houden van paarden.

Het plan voldoet ruimschoots aan de richtafstand uit de VNG-brochure van 100 meter tot aan woningen. Ondanks dat heeft de gemeente toch een akoestisch onderzoek uit laten voeren. Volgens het onderzoek wordt zowel voldaan aan de normering uit het Activiteitenbesluit als ook aan het strengere gemeentelijk geluidbeleid. So far so good.

Helaas zijn niet de paardenweides betrokken in het akoestisch onderzoek. Volgens het bestemmingsplan zijn honden toegestaan in de paardenweides. Dat gebruik is niet uitgesloten. De raad had dit moeten uitsluiten in het bestemmingsplan.

Uit ervaring weet ik dat het voor een gemeente bijna ondoenlijk om ook hier aan te denken. Het uitsluiten van honden in de paardenweides is vooral een ‘papieren oplossing’. Uit deze uitspraak blijkt echter dat het wel nodig is om dat te doen.

Lees de uitspraak over hondengeblaf, hondpension in buitengebied ABRS 28 juni 2023, 202103688/1/R2.

 

Geluid muziekschool en VNG-brochure

Geluid muziekschool en VNG-brochuregeluid muziekschool

De gemeente Oegstgeest heeft een omgevingsvergunning verleend voor een inpandige verbouwing. Er komen 10 appartementen in het gebouw. De naast gelegen muziekschool is minder blij met dit besluit en geeft aan dat er ter plaatse geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Volgens de muziekschool voldoet het bouwplan niet aan de richtafstanden van de VNG-brochure. Er geldt volgens hen een richtafstand van 30 meter in plaats van 10 meter. Ze betogen dat het college niet van deze afstand had mogen afwijken zonder een akoestisch onderzoek. Volgens het college is er sprake van een gemengd gebied en wordt er in de muziekschool uitsluitend onversterkte muziek uitgevoerd.

De Raad van State overweegt onder meer dat er sprake is van een gemengd gebied. De richtafstand kan in dat geval in beginsel met 1 afstandsstap worden verkort. Omdat het pand van de woningen grenst aan de muziekschool wordt ook niet voldaan aan de afstand van 10 meter, passend in een gemengd gebied. De Raad van State motiveert dit als volgt:

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de geluidbelasting bij de nieuwe appartementen als gevolg van het dorpscentrum vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zal zijn. De Afdeling neemt daarbij in overweging dat het college is uitgegaan van de feitelijke situatie ter sprake van het dorpscentrum en niet van de maximale planologische mogelijkheden ter plaatse. Daarbij heeft het college ten onrechte als uitgangspunt genomen dat in de muziekschool niet permanent en uitsluitend onversterkte muziek wordt uitgevoerd, nu permanent gebruik van de muziekschool en het uitvoeren van versterkte muziek in het bestemmingsplan niet zijn uitgesloten en ook feitelijk mogelijk zijn. Ook heeft het college ten onrechte de situering van de muziekschool in het dorpscentrum zelf in zijn afweging betrokken. De richtafstanden volgens de VNG-brochure gelden immers tussen enerzijds de grens van de bestemming die milieubelastende functies toelaat, in dit geval het dorpscentrum, en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. (…)”.

Zie uitspraak ABRS 28 december 2022, no. 202103155/1/R3. (geluid muziekschool)

Verplichte gewasrotatie in Omgevingswet

Verplichte gewasrotatie in Omgevingswetverplichte gewasrotatie

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn onder meer voorschriften opgenomen over het op of in de bodem brengen van meststoffen. Via een recente wijziging wordt een deel van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn geïmplementeerd in het Bal.

Eén van de wijzigingen gaat over de verplichte gewasrotatie met rustgewassen op zand- en lössgronden. Een andere wijziging is de uitrijperiode. Voor grasland en bouwland wordt de uitrijperiode van vaste strorijke mest met 1 maand verruimd. De periode wordt nu van 1 januari tot en met 1 september. Volgens de Nota van Toelichting (NvT) heeft vaste stroorijke mest een positief effect op de bodemkwaliteit.

Verplichte gewasrotatie – De NvT geeft verder aan dat op alle percelen landbouwgrond op zand- en lössgronden een rotatieschema geldt. Eens in de 4 jaar wordt een rustgewas toegepast. Daarmee wordt aangesloten bij de looptijd van het 7e actieprogramma. Het geldt voor alle percelen op bovengenoemde bodemsoorten, dus ook bij graasdieren.

De maatregel is gericht op duurzaamheid. De beoogde gewasrotatie moet zorgen voor een betere bodemkwaliteit en leiden tot biodiversiteit. Rustgewassen zijn niet-uitspoelingsgevoelige gewassen. Deze wortelen dieper en kunnen daardoor dieper in de bodem voedingsstoffen opnemen.

Het jaar  geldt als referentiejaar. Dat jaar is het eerste jaar van de telling. Uiterlijk in 2026 moet dan een rustgewas te zijn ingeteeld op ieder perceel. Eén van de kritiekpunten op deze maatregel is de achteruitgang in inkomen voor de boer. In de NvT wordt hierover het volgende aangegeven:

(…) Iedereen moet een bijdrage leveren aan de grote opgave waarvoor we staan. Hierdoor is er geen uitzondering voor kleinere bedrijven mogelijk. Er is geen bezwaar om vaker dan 4x per jaar een rustgewas te telen.”

Tegenwoordig doen we ‘alles samen’ en worden er steeds meer verplichtingen doorgevoerd. Dit gebeurt heel subtiel en in kleine stapjes. Het zal je inkomen maar raken. Alles voor een betere wereld. Wie is daar nu op tegen? Kritiekpunten: Weten ‘we’ het allemaal zo zeker? Moet alles in wetgeving worden vastgelegd? Waarom wordt er niet meer gestimuleerd via inspirerende visies? Visies waar mensen enthousiast van worden en uit zichzelf maatregelen gaan treffen. Helaas vraagt dat tijd, bezinning en inspirerend leiderschap. Dat is niet populair maar wel nodig!

Houden van paarden bij woning is hobbymatig

Houden van paarden bij woning is hobbymatighouden van paarden

Is het houden van paarden bij een woning nu bedrijfsmatig of hobbymatig? Vaak komen deze vragen aan de orde bij handhavingsverzoeken. Buren ervaren geur- of vliegenoverlast en bellen met de gemeente. In dit geval ging het ook om een verzoek om handhaving. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente ter legalisatie een omgevingsvergunning verleend voor een mestput.

Appellante ervaart overlast van de activiteiten met de paarden en heeft om handhaving verzocht bij de gemeente. Volgens haar had de gemeente de vergunning niet mogen verlenen. Op de locatie geldt gedeeltelijk een woonbestemming.

De Afdeling overweegt als volgt: “Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 28 oktober 2020 (…) heeft overwogen, hangt het van de specifieke omstandigheden van het geval af of het houden van paarden in overeenstemming is met de woonbestemming. Daarbij is bepalend of de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft, van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het betrokken perceel. Of de activiteit een inrichting in de zin van (…) de Wm is, is daarvoor niet bepalend. Het enkele feit dat de mestput een inrichting is, is dus geen reden om te oordelen dat er strijd met de woonbestemming is. 

Weliswaar zijn er op het perceel diverse voorzieningen aanwezig voor het houden van paarden, maar dit betekent op zichzelf nog niet dat er sprake is van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie en bedrijfsmatige commerciële activiteiten. Het betekent ook niet dat er strijd is met de woonbestemming. Ook de advertentie van een weekendhulp duidt hier niet op, net als de omstandigheid dat een groot deel van het perceel wordt gebruikt voor het houden van paarden en de daarbij komende werkzaamheden. Op de zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat zij op dit moment 2 paarden en een pony op het perceel heeft, maximaal 4 dieren tegelijk op het perceel heeft gehouden en nooit meer dan 2 paarden op het perceel heeft bereden. Ook heeft zij toegelicht dat er geen rijlessen op het perceel worden aangeboden, maar dat kennissen incidenteel gebruik maken van de rijbak.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat vergunninghouder haar bedrijven vanaf het perceel exploiteert.” Lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 14 september 2022, no. 202004879/1/R2.

Hoogte windturbines vastleggen in natuurvergunning

Hoogte windturbines vastleggen in natuurvergunninghoogte windturbines

Het college van GS heeft een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming verleend voor de bouw van 3 windturbines. De realisatie van het windpark leidt tot stikstofdepositie. Op 370 meter van de planlocatie ligt een Natura-2000 gebied. Tegen het besluit van GS is beroep ingesteld. In een eerdere uitspraak heeft de Afdeling de verleende omgevingsvergunningen en het bestemmingsplan vernietigd.

In de uitspraak geeft de Afdeling onder meer het volgende aan: “De Afdeling volgt appellant (…) in hun betoog dat de hoogte van de windturbines wel gevolgen zou kunnen hebben voor de beoordeling van de cumulatieve effecten op het punt van aanvaringsslachtoffers. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de Wnb-vergunning betrekking heeft op de realisatie van windturbines met een tiphoogte van 185 meter, een rotordiameter van 120 meter en een ashoogte van 125 meter. De Afdeling stelt vast dat in de onderzoeken wel van deze hoogten is uitgegaan, maar dat die hoogte niet is vermeld in de aanvraag en ook niet is vastgelegd in de verleende vergunning. Omdat de hoogte van de windturbines, anders dan bij de funderingen, invloed kan hebben op de mogelijke effecten als gevolg van het project, was het in dit geval nodig om de omvang van het project te borgen in het besluit. Gelet hierop is het besluit in zoverre in strijd met de rechtszekerheid.

Rechtszekerheid is een belangrijk beginsel in het Nederlandse recht. In het omgevingsrecht lijkt de werking van dit beginsel steeds meer af te vlakken door vage bepalingen en open begrippen. Niet alles is op voorhand vast te leggen, maar in vergunningen is rechtszekerheid erg belangrijk. Zowel voor de vergunninghouder als voor omwonenden. In het omgevingsplan zal het aantal open begrippen in planregels alleen maar toenemen. De eerder bekritiseerde methode van ‘beschrijving in hoofdlijnen’ uit het bestemmingsplan lijkt weer terug te keren in het omgevingsplan. Het is voor de praktijk heel lastig om daar mee om te gaan. Die methode hoort ook niet thuis in omgevingsplannen. In beleid is het prima om wat open einden te hebben en het globaal te houden. In besluiten en omgevingsplannen niet.

 

 

Extended stay is milieugevoelig in Schipholgebied?

Extended stay is milieugevoelig in Schipholgebied?extended stay

Voor buitenstaanders zal het vreemd in de oren klinken. Hoezo is Extended stay geen wonen? Bij de toepassing van milieuregelgeving zitten er belangrijke verschillen tussen ‘normaal wonen’ of ‘extended stay’, oftewel tijdelijk ergens wonen. Tijdelijk wonen wordt meestal niet als milieugevoelig aangemerkt. In gemeenten rondom Schiphol worden nogal eens aanvragen om omgevingsvergunning ingediend voor extended stay in leegstaande bedrijfspanden of kantoorgebouwen. Dit is voor een projectontwikkelaar of investeerder een interessante optie: als extended stay niet als regulier wonen wordt aangemerkt dan is de meeste milieuwetgeving niet van toepassing en kunnen er in principe kleine appartementen worden gerealiseerd.

In dit geval gaat het om de realisatie van 2500 studentenwoningen en 1580 kamers voor extended stay in een leegstaand kantoorgebouw. Het project wordt met een bestemmingsplan mogelijk gemaakt. De minister heeft beroep ingesteld omdat volgens hem het plan in strijd is met het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB). Volgens hem moeten de mogelijk gemaakte kamers voor extended stay worden aangemerkt als woningen in de zin van het LIB. In principe geldt er een bouwverbod in het gebied vanwege de nabijheid van Schiphol en zijn er geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan.

Over het bepaalde in het LIB overweegt de Raad van State onder meer: “In de nota van toelichting staat verder dat de regeling voor het beperkingengebied (…) tot doel heeft ernstige hinder en ernstige slaapverstoring door vliegtuiglawaai te beperken, omdat dit kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten van inwoners en gebruikers van dit gebied. (…) Vanwege de relatief hoge (potentiële) geluidbelasting in dit gebied, zijn nieuwe woningen en andere gebouwen met een geluidgevoelige functie in principe niet toegestaan. De wijzigingen in de regels voor dit beperkingengebied zijn erop gericht om gemeenten meer flexibiliteit te bieden met het oog op het aanpakken van lokale leefbaarheidsproblemen. Binnen de gestelde beperkende regels krijgen gemeenten meer eigen verantwoordelijkheid voor de afweging van de belangen ten aanzien van kleinschalige projecten die noodzakelijk worden geacht voor de lokale leefbaarheid. (…). 

(…) Uit het voorgaande volgt dat een gemeentebestuur binnen de grenzen van de in het LIB aangegeven uitzonderingsmogelijkheden kan beslissen om geluidgevoelige gebouwen in het beperkingengebied LIB-4 toe te staan. De besluitgever heeft daarbij kleinschalige projecten voor ogen gehad en niet een grootschalig project als de toevoeging van 2500 studentenwoningen, als door het plan mogelijk gemaakt. (..).

Extended stay – “De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan mogelijk gemaakte kamers voor extended stay niet zijn aan te merken als woningen in de zin van het LIB. Uit (…) de planregels blijkt dat het om logies en kortstondig verblijf moet gaan. Verder wijst de raad erop dat het LIB geen duidelijke begrenzing in de maximale verblijfsduur kent, zodat hij heeft kunnen kiezen voor een dynamische verwijzing in artikel  (…) naar een beleidsregel. 

Lees meer in r.o. 22 en verder van uitspraak ABRS 18 mei 2022.