deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

cumulatieve geluidbelasting en woon- en leefklimaat

Cumulatieve geluidbelasting in kader van (goed) woon- en leefklimaatcumulatieve geluidbelasting

In de praktijk zorgt het nogal eens voor verwarring. Geluid dat onderzocht dient te worden op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) en geluid dat onderzocht dient te worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening, in het bijzonder een goed woon- en leefklimaat. In de meeste gevallen wordt er door akoestische adviesbureus prima onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ingevolge de Wgh. Jammer genoeg onvoldoende naar het ‘restputje’ van geluid in het kader van een goed woon- en leefklimaat.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt onder meer de doortrekking mogelijk van de tramlijn vanuit Amstelveen naar Uithoorn. Appellanten vrezen als gevolg hiervan geluidsoverlast. Ze hebben een second opinion uit laten voeren met betrekking tot het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd namens de gemeente.

In beroep stellen appellanten onder meer dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de cumulatieve effecten van het geluid als gevolg van de trambaan en het vliegverkeer van Schiphol. Zij stellen dat dit in het kader van een goede ruimtelijke ordening ten onrechte niet is uitgevoerd.

De Afdeling overweegt als volgt: “De Afdeling stelt vast dat geen akoestisch onderzoek is verricht naar de gecumuleerde geluidbelasting van het geluid van de tramlijn en het geluid van het vliegverkeer. De Afdeling stelt voorop dat in dit geval op grond van de Wgh geen verplichting bestaat tot het verrichten van een onderzoek naar de cumulatieve effecten van het geluid van de tramlijn en het geluid van het vliegverkeer. Artikel 110f van de Wgh is alleen van toepassing als voor een woning of ander geluidgevoelig object een hogere waarde wordt vastgesteld en daarnaast sprake is van meerdere geluidzones, waarbij de voorkeursgrenswaarde door minstens twee geluidbronnen wordt overschreden. Daarvan is bij de woningen van appellanten geen sprake (…). 

Niettemin kunnen zich ook buiten de gevallen waarin de Wgh voorschrijft onderzoek te verrichten naar de cumulatieve geluidbelasting, gevallen voordoen waarin rekening moet worden gehouden met een negatieve invloed van cumulatieve geluidbelasting op het woon- en leefklimaat ter plaatse van bepaalde woningen. Teneinde een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening bestond in het onderhavige geval aanleiding daartoe. Daarbij betrekt de Afdeling dat de woningen van appellanten binnen de zogenaamde 20 Ke-contour liggen. Voorts is van belang dat het plan verschillende functies toelaat en leidt tot een toename van verkeer. Gelet op het vorenstaande is de cumulatie ten onrechte niet onderzocht en afgewogen (…).”

Lees meer in r.o. 10 en verder van uitspraak ABRS 17 juli 2019, no. 201803709/1/R1.

Bel voor meer informatie over cumulatieve geluidbelasting in kader van woon- en leefklimaat met 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidwerende voorzieningen woning uitgesloten

Geluidwerende voorzieningen woning uitgeslotengeluidwerende voorzieningen

Het college van B&W heeft een woning binnen de gemeente uitgesloten voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen. Appellant heeft hier tegen bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld.

De gevel van de woning wordt belast door het wegverkeerslawaai. Door het college is onderzocht of de woning in aanmerking komt voor geluidwerende voorzieningen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat in de woning de daarvoor geldende geluidnorm uit de Wet geluidhinder van 43 dB niet wordt overschreden. Appellant stelt dat er zonder voorzieningen niet aan de vereiste binnenwaarde van 43 dB kan worden voldaan.

Het onderzoeksbureau heeft voor iedere beschouwde ruimte in de woning een geluidbijdrage aan het totale binnenniveau berekend voor de kieren en de naden. Daarbij is een kierdichtingskwaliteit/kierdichtingsterm van 24,3 dB per strekkende meter gehanteerd. Overeenkomstig de Handreiking gevelisolatie en saneringssubsidie (…) dient een kierdichtingsterm van bijv. 25 of 30 dB te worden aangehouden indien in de bestaande constructie geen kierdichting is aan te brengen. Vastgesteld is dat er geen kierdichting aanwezig is op de aanslag en bij de dorpel van de stolpdeuren in slaapkamer 2. Kierdichting is hier volgens het deskundigenbericht echter wel aan te brengen. Omdat voor de stolpdeuren in de gevel van slaapkamer 2 kierdichting is aan te brengen, waardoor volgens de Handreiking in ieder geval een kierdichtingsterm hoger dan 25 dB kan worden aangehouden, is de door het bureau gehanteerde kierdichtingsterm van 24,3 dB niet onderschat.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport van een kierdichting in slaapkamer 2 mocht worden uitgegaan. Appellant stelt dat dit niet mogelijk is en dat daarom bij de berekening van de binnenwaarde een lagere kierdichtingsterm van 20 dB had moeten worden aangehouden.

Volgens het deskundigenbericht is in de constructie zoals aangetroffen kierdichting aan te brengen. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde uit de Handreiking voor het aanhouden van een hogere kierdichtingsterm dan 25 dB voldaan. Dat het aanbrengen van een duurzame kierdichting voor een particulier niet mogelijk is, volgt naar het oordeel van de Afdeling niet uit het deskundigenbericht en heeft ook het contra-advies niet aannemelijk gemaakt. Lees meer in r.o. 4.2 van uitspraak ABRS 30 mei 2018, no. 201704713/1/R2.

Akoestisch onderzoek nodig? Of een 2nd opinion? Bel 010-2680689 voor meer informatie of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Impulstoeslag tennisbaan meenemen in akoestisch onderzoek

Impulstoeslag tennisbaan meenemen in akoestisch onderzoekimpulstoeslag tennisbaan

In een bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het mogelijk maken van een tennisbaan. Het perceel van appellant grenst direct aan het wijzigingsgebied en zijn woning ligt op zo’n 4 meter afstand tot de grens van het aanduidingsvlak. Hij stelt dat het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De toepassing ervan zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege lichthinder en geluidshinder.

Volgens hem is in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening gehouden met een straffactor van 5 dB(A) voor impulsgeluid veroorzaakt door het slaan tegen een tennisbal. Bij de berekening van de geluidimmissies is een correctie van 5 dB(A) buiten beschouwing gelaten. In het akoestisch onderzoek staat dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau ter plaatse van de woning van appellant voldoet aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De grenswaarden die volgens het onderzoek moeten worden gehanteerd uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau, worden ter plaatse van de woning echter overschreden. Daarbij is ook het stemgeluid van bezoekers in aanmerking genomen. In geval van een oprichting van een gesloten scherm ter afscherming van het geluid met een hoogte van 2,5 m (…) kan aan de grenswaarden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening worden voldaan. Indien gerekend wordt met een impulscorrectie van 5 dB(A) (impulstoeslag tennisbaan), wordt bij de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook na afscherming de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde met 1-2 dB(A) overschreden bij de woning van appellant.

Maatregelen treffenNaar het oordeel van de Afdeling stelt appellant terecht dat uit de rapporten (…) kan worden afgeleid dat om een aanvaardbaar akoestisch (…) klimaat ter plaatse van het perceel van appellant te kunnen waarborgen maatregelen ter afscherming van het geluid zullen moeten worden getroffen. Lees meer in r.o. 4.4 van uitspraak ABRS 16 januari 2019, no. 201803367/1/R1. [impulstoeslag tennisbaan].

Laat een akoestisch onderzoek uitvoeren of checken. Lees meer…

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Terras horeca specifiek regelen in bestemmingsplan

Terras horeca specifiek regelen in bestemmingsplanterras horeca

  • terras horeca specifiek aanduiden
  • akoestisch onderzoek

Op een voormalig bedrijventerrein ligt een accommodatie voor sociale, culturele en recreatieve doeleinden voor kinderen, gehandicapten, ouderen en volwassenen. Het bestemmingsplan maakt onder meer uitbreiding van horeca mogelijk.

Appellanten wonen in de directe omgeving van het plangebied en vrezen nadelige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat. Ze vrezen met name geluidsoverlast. Het gaat hen met name om het geluid dat wordt geproduceerd in de zalen en het stemgeluid van bezoekers van de zalen, ook wanneer deze buiten verblijven. Volgens de raad is het niet nodig onderzoek te doen naar het geluid van een terras en/of buitenruimte, omdat het vorige bestemmingsplan dit ook al mogelijk maakte. Verder is volgens de raad een tuin geen geluidgevoelig object en hoefde dat niet in het akoestisch onderzoek te worden betrokken.

De Afdeling zegt er het volgende over: “Uitgangspunt is dat de raad bij de vaststelling van een plan steeds opnieuw moet beoordelen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De raad kan daarbij niet slechts verwijzen naar de omstandigheid dat het vorige plan een bepaalde ontwikkeling ook mogelijk maakte. (…) Appellanten voeren terecht aan dat in het kader van de beoordeling of sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat het stemgeluid op het terrein ook had moeten worden onderzocht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de evenementen en de reguliere activiteiten ook overal op het buitenterrein mogen plaatsvinden. Zodra de raad ter zitting heeft toegelicht is ook een terras in principe overal mogelijk. Een specifieke aanduiding daarvoor in het plan ontbreekt. Te verwachten valt dat ook terrassen tijdens evenementen door meer mensen zullen worden gebruikt, zodat ook daarom onderzoek naar het geluid van het gebruik van terrassen niet achterwege had mogen blijven.” (terras horeca).

Lees meer in r.o. 8.1 e.v. van uitspraak ABRS 27 juni 2018, no. 201706335/1/R1

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Akoestisch onderzoek effect klinkers meenemen

Akoestisch onderzoek: effect klinkers wegdek meenemen

Het blijft voor de gemeente oppassen geblazen bij het onderzoek naar geluidbelasting voor woningen en een goede ruimtelijke ordening. Zeker bij gebieden waar een 30 km/u zone geldt. Hoewel de Wet geluidhinder niet van toepassing is voor dergelijke gebieden dient er in het kader van het onderzoek naar een goede ruimtelijke ordening wel het aspect geluid te worden onderzocht.

In dit geval was de gemeente vergeten om het besluit dat was genomen om op de betreffende weg klinkers in plaats van asfalt te gebruiken mee te nemen in het akoestisch onderzoek in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Uit de uitspraak van 25 september 2013, no. 201301032/1/R2 blijkt hoe belangrijk dat is. Zie r.o. 11.2.

De Omgevingsjuristspecialist in de doorwerking van milieu in het bestemmingsplan

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

akoestisch onderzoek niet uitgaan van geluidafschermende werking van gebouw waarvan onzeker is of die wordt gebouwd

akoestisch onderzoek: niet uitgaan van geluidafschermende werking van gebouw waarvan onzeker is of die wordt gebouwd

Het bestemmingsplan dat in deze uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013, no. 201301032/1/R2 ter sprake komt, maakt de bouw van een woning mogelijk. Appellanten betogen dat de ten hoogst toelaatbare waarde voor geluid wordt overschreden, als bedoeld in de Wet geluidhinder. Zij stellen onder meer dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte rekening is gehouden met de geluidafschermende werking van een appartementencomplex. Volgens hen is in verband met de economische crisis onzeker of dat gebouw wel wordt gerealiseerd.

De Afdeling overweegt het volgende: “Nu het plan voorziet in een woning en het plangebied binnen een geluidzone van een spoorweg ligt, staat vast dat de Wet geluidhinder van toepassing is. Dit betekent dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de gevel van de woning vanwege de spoorweg maximaal 55 dB mag bedragen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting op de gevel van de in het plan voorziene woning na realisatie van het appartementencomplex (…) 52 dB zal bedragen. Bij besluit van (…) is de bouw van het appartementengebouw vergund. Vaststaat dat ten tijde van de vaststelling van het plan onzeker was of het appartementencomplex zou worden gerealiseerd. (…). Gelet op het voorgaande heeft de raad er niet van mogen uitgaan dat het appartementencomplex binnen de planperiode zal worden gerealiseerd en heeft hij niet van de geluid afschermende werking hiervan mogen uitgaan. De omstandigheid dat de raad verwacht dat anderszins maatregelen om geluidoverlast te beperken zullen worden getroffen maakt het voorgaande, (…), niet anders nu niet is verzekerd dat die maatregelen inderdaad worden getroffen. Dit betekent dat niet vaststaat dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 55 dB niet zal worden overschreden. (…). Het betoog slaagt.”

omgevingsjurist

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Akoestisch onderzoek veehandelstransportbedrijf uitgaan van representatieve invulling van maximale mogelijkheden bestemmingsplan

Akoestisch onderzoek: bij berekening geluid (veehandelstransport)bedrijf uitgaan van representatieve invulling van maximale mogelijkheden bestemmingsplan

Het bestemmingsplan in kwestie maakt de vestiging mogelijk van een veehandel- en transportbedrijf. In de directe omgeving liggen zowel burgerwoningen als bedrijven. De hoofdactiviteit van het bedrijf is transport. Daarnaast zullen er telkens gemiddeld 100 varkens in een stal worden gehuisvest in afwachting van transport.

Volgens appellant wordt er niet voldaan aan de aanbevolen richtafstand van 100 meter (aspect geluid) en heeft de gemeente onvoldoende gemotiveerd waarom van deze afstand kan worden afgeweken. De woning van appellant ligt op 67 meter van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ dat het veehandelstransportbedrijf mogelijk maakt.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat de aanbevolen richtafstand van 100 meter niet haalbaar is, omdat binnen deze afstand reeds burgerwoningen staan. Voor de vraag of er ter plaatse van deze woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is, heeft de gemeente aansluiting gezocht bij de Handreiking Industrielawaai 1998. Voor de vraag of er kan worden voldaan aan de genoemde normen in de Handreiking heeft de gemeente akoestisch onderzoek laten opstellen. In het akoestische onderzoek is vermeld dat de piekgeluiden afkomstig zijn van optrekkende en afremmende vrachtwagens bij de poort en de weg nabij de oprit. Los van het aantal vrachtwagens dat de inrichting aandoet zal het piekgeluidniveau hetzelfde zijn.

De gemeente is van mening dat bij het bepalen van de piekgeluiden van de feitelijke bedrijfsvoering dient te worden uitgegaan en dat daarom is uitgegaan van de vrachtwagens van het bedrijf die een bronvermogen van 105 dB(A) hebben.

De Afdeling overweegt als volgt: “In het kader van het beoordelen van de gevolgen van een bestemmingsplan dient in dit geval evenwel te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. In het deskundigenbericht is vermeld dat het bronvermogen van een gemiddelde vrachtwagen 108 dB(A) is. Nu de raad is zoverre niet is uitgegaan van een representatieve invulling van het plan en de gevolgen hiervan, is het bestreden besluit in zoverre niet zorgvuldig voorbereid.”

Zie uitspraak ABRS 4 september 2013, no. 201202652/1/R3.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluid en bestemmingsplan Toename van 1 dB ten opzichte van feitelijke situatie bij woningen

Geluid en bestemmingsplan: toename van 1 dB ten opzichte van feitelijke situatie bij bouwplan voor woningen kan leiden tot strijd met een goede ruimtelijke ordening 

Het bestemmingsplan in kwestie voorziet in de bouw van een nieuwe woonwijk, waar naast woningen ook enkele maatschappelijke voorzieningen zullen worden gerealiseerd. In de woonwijk zal een 30 km-zone worden ingesteld. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient daarom te worden onderzocht of ter plaatse wat betreft de geluidbelasting sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Uit het akoestische onderzoek blijkt dat de hoogste geluidbelasting ter plaatse van al bestaande woningen 61 dB bedraagt.

De Afdeling overweegt: “Ongeacht of de in de Wgh genoemde aftrek van 5 dB plaatsvindt, blijft de geluidbelasting weliswaar onder de door de raad gehanteerde maximale grenswaarde van 63 dB, maar overschrijdt deze de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Omdat er sprake is van een toename van maximaal 1 dB ten opzichte van de huidige feitelijke situatie, kan volgens de raad niet gesproken worden van een relevante verandering van de geluidbelasting. Nu in de huidige feitelijke situatie de geluidbelasting ter plaatse reeds 60 dB bedraagt, heeft de raad met de enkele stelling dat de geluidbelasting slechts 1 dB toeneemt, naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende gemotiveerd dat deze geluidbelasting niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad geen rekening heeft gehouden met de binnenwaarde van de bestaande woningen, de aanvaardbaarheid van deze binnenwaarde, en of eventueel aanvullende geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn.”

zie uitspraak ABRS 14 augustus 2013, no. 201110192/1/R2

omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

akoestisch onderzoek parkeerterrein – vrachtwagentrailer kan niet worden ingezet als geluidscherm om te voldoen aan Activiteitenbesluit milieubeheer

Akoestisch onderzoek parkeerterrein – vrachtwagentrailer kan niet worden ingezet als geluidscherm om te voldoen aan Activiteitenbesluit

Een op zich wat merkwaardige titel van een artikel waarin een uitspraak van de Afdeling wordt behandeld. In een bestemmingsplan dat woningen mogelijk moet maken stelt appellant in beroep dat het voorziene gebruik van een parkeerterrein in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege de geluidbelasting van het parkeerterrein.

Volgens appellant is de raad in het akoestisch onderzoek ten onrechte uitgegaan van twee vrachtwagen trailers als geluidscherm. Volgens hem zijn de werkelijke afschermingseffecten van de trailers meettechnisch niet bepaald en niet vergelijkbaar met een geheel gesloten object.

Volgens het akoestisch onderzoek kan door het treffen van maatregelen, waaronder de toepassing van twee vrachtwagentrailers als geluidscherm, het gebruik van het parkeerterrein in overeenstemming met het Activiteitenbesluit worden gebracht. Verder wordt door onder meer deze maatregel aan de binnenwaarden voldaan. Vaststaat dat de trailers een open onderzijde hebben. Om aan de eisen uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (massa per eenheid van oppervlakte moet tenminste 10 kg/m2 bedragen). Volgens de gemeente moeten de trailers in dat geval worden beladen. Volgens de Afdeling is niet vast komen te staan dat de trailers voldoen aan deze eis: “Gelet hierop heeft de raad zich niet in redelijkheid op het akoestisch onderzoek kunnen baseren voor zover vrachtwagentrailers worden ingezet als geluidscherm.”

Voor meer informatie over deze interessante uitspraak zie ABRS 26 juni 2013, no. 201107874/1/R1.

omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

30 km-zone en goede ruimtelijke ordening

30 km-zone en goede ruimtelijke ordening – Indien sprake is van een 30 km-zone wil dit nog niet zeggen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening30 km-zone en goede ruimtelijke ordening

Het blijft oppassen bij bestemmingsplannen waarin een 30 km-zone weg en woningen mogelijk worden gemaakt. Hierbij wordt vaak gedacht dat er geen akoestisch onderzoek nodig is, omdat op een dergelijke weg de Wet geluidhinder niet van toepassing is, en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Uit de uitspraak van 13 februari 2013 van de Afdeling blijkt dat er wel degelijk onderzoek nodig kan zijn voor 30 km-wegen.

De Afdeling overweegt: “Dat hoewel de Wet geluidhinder daartoe niet verplicht, ook in het geval een 30 km-zone is ingesteld, moet worden nagegaan of de geluidbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daargelaten of voor de Van Poelgeestlaan en Vronkenlaan reeds een verkeersbesluit is genomen om de wegen als 30 km-zone in te richten, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich, gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek, niet zonder meer op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op voornoemde wegen bij een rijsnelheid van 30 km/uur tot een zodanige afname van de geluidbelasting zal leiden op de nieuwbouw (…) dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet zal worden overschreden, dan wel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kan worden geacht. Dat de geluidbelasting blijft onder de maximale ontheffingswaarde op grond van de Wet geluidhinder, doet hier niet aan af.”

Zie uitspraak ABRS 13 februari 2013, no. 201004275/1/R4.

omgevingsjurist