deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Impulstoeslag tennisbaan meenemen in akoestisch onderzoek

Impulstoeslag tennisbaan meenemen in akoestisch onderzoekimpulstoeslag tennisbaan

In een bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het mogelijk maken van een tennisbaan. Het perceel van appellant grenst direct aan het wijzigingsgebied en zijn woning ligt op zo’n 4 meter afstand tot de grens van het aanduidingsvlak. Hij stelt dat het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De toepassing ervan zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege lichthinder en geluidshinder.

Volgens hem is in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening gehouden met een straffactor van 5 dB(A) voor impulsgeluid veroorzaakt door het slaan tegen een tennisbal. Bij de berekening van de geluidimmissies is een correctie van 5 dB(A) buiten beschouwing gelaten. In het akoestisch onderzoek staat dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau ter plaatse van de woning van appellant voldoet aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De grenswaarden die volgens het onderzoek moeten worden gehanteerd uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau, worden ter plaatse van de woning echter overschreden. Daarbij is ook het stemgeluid van bezoekers in aanmerking genomen. In geval van een oprichting van een gesloten scherm ter afscherming van het geluid met een hoogte van 2,5 m (…) kan aan de grenswaarden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening worden voldaan. Indien gerekend wordt met een impulscorrectie van 5 dB(A) (impulstoeslag tennisbaan), wordt bij de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook na afscherming de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde met 1-2 dB(A) overschreden bij de woning van appellant.

Maatregelen treffenNaar het oordeel van de Afdeling stelt appellant terecht dat uit de rapporten (…) kan worden afgeleid dat om een aanvaardbaar akoestisch (…) klimaat ter plaatse van het perceel van appellant te kunnen waarborgen maatregelen ter afscherming van het geluid zullen moeten worden getroffen. Lees meer in r.o. 4.4 van uitspraak ABRS 16 januari 2019, no. 201803367/1/R1. [impulstoeslag tennisbaan].

Laat een akoestisch onderzoek uitvoeren of checken. Lees meer…

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Goed woon- en leefklimaat nabij gezondheidscentrum?

Goed woon- en leefklimaat nabij gezondheidscentrum?goed woon- en leefklimaat

De gemeente Heerlen heeft een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van een gezondheidscentrum. Hierin zijn onder meer een huisartsenpraktijk en een apotheek gevestigd.

Appellanten betogen dat vanwege het parkeerterrein er geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd bij hun woningen. Ze vrezen geluidsoverlast vanwege dichtslaande portieren, draaiende motoren en stemgeluid van bezoekers aan het gezondheidscentrum.

De Afdeling overweegt als volgt: “Niet in geschil is dat de inrichting die met de vergunning wordt uitgebreid een type A inrichting is als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat voor de inrichting, waartoe ook het parkeerterrein behoort, de geluidsgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit gelden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) geldt ook bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º van de Wabo, dat slechts omgevingsvergunning kan worden verleend als het aangevraagde project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Die strijd doet zich onder meer voor als een goed woon- en leefklimaat als gevolg van het project niet is gewaarborgd of als op voorhand reden bestaat om aan het nemen dat het project niet uitvoerbaar is. Of het gezondheidscentrum met de bijbehorende parkeerplaats kan voldoen aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit is zowel van belang voor de vraag of het project uitvoerbaar is als voor de vraag of een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Bij die laatste vraag kan overigens niet worden volstaan met een toets aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Ook geluid waarop die grenswaarden geen betrekking hebben, zoals het stemgeluid van bezoekers van het bij de inrichting behorende parkeerterrein, dient betrokken te worden bij de vraag of een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Voorafgaand aan het nemen van het besluit (…) diende dan ook voldoende inzicht te bestaan in het door het gezondheidscentrum veroorzaakte geluidsniveau. Zowel wat de geluidbronnen betreft waarop de geluidwaarden uit het Activiteitenbesluit betrekking hebben als andere geluidbronnen.”

Lees meer in r.o. 5.4 van uitspraak ABRS 18 juli 2018, no. 201701258/1/A1.

Vragen over geluid en een goed woon- en leefklimaat? Bel de specialist over dit onderwerp! Bel 010 – 268 0689 of mail uw vraag naar info@omgevingsjurist.nl.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluid bewoners woonzorgcomplex en omwonenden

Geluid bewoners woonzorgcomplex en omwonendengeluid bewoners woonzorgcomplex

  • geluid bewoners woonzorgcomplex
  • geluidwaarden rustige woonwijk
  • planologisch nieuwe situatie of bestaande situatie en toepassing VNG-brochure

Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning hebben betrekking op een deel van een woonzorgcomplex. Eén van de omwonenden vreest onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van het plan. Zij wijst erop dat de bewoners van het zorgcomplex hard en ongecontroleerd kunnen schreeuwen en krijsen. De woning van appellant bevindt zich op een afstand van ongeveer 20 meter vanaf de in het plan voorziene dierenweide.

In het geluidrapport is de omgeving aangemerkt als omgevingstype rustige woonwijk. Daarvoor gelden toetswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,LT) van 45 dB(A), en voor het maximale geluidniveau (LAmax) van 65 dB(A) gedurende de dagperiode. In het geluidrapport is onderkend dat de bewoners van het woonzorgcomplex kunnen schreeuwen. Voor het schreeuwen is in het geluidrapport een bronvermogen Lwr gehanteerd van 80 dB(A) en een maximaa geluidsniveau LwA max van 95 dB(A). Deze waarde kan volgens het geluidrapport voorkomen op het gehele terrein van de kinderboerderij.

Planologisch nieuwe situatie? Volgens appellant mag de raad niet de VNG-brochure toepassen omdat deze slechts van toepassing is op planologisch nieuwe situaties en niet op een bestaande situatie waarbij sprake is van een herordening van activiteiten. Volgens de Afdeling gaat het om een planherziening, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad voor de beoordeling van de geluidsituatie ter plaatse van de woning van appellant geen gebruik heeft mogen maken van de VNG-brochure. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de bedoelde brochure, als handreiking weliswaar bedoeld is voor nieuwe situaties, maar ook in bestaande situaties en daardoor tevens in geval van een ruimtelijke herontwikkeling, een indicatie kan geven van de aanvaardbaarheid van het plan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Lees meer in uitspraak ABRS 18 april 2018, no. 201701010/1/R3.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Gemengd gebied of afstand tot woningen?

Gemengd gebied of afstand tot woningen?gemengd gebied

Functies in steden worden steeds meer vermengd met elkaar vanwege het streven naar verdichting, meer woningen en gemengde gebieden. Bijv. bij de transformatie van een bedrijventerrein tot een gemengde woonomgeving. Bij kleinschalige bedrijvigheid kan dit prachtige nieuwe woonomgevingen opleveren met karakter. Gemengd gebied is dan ook erg gewild.

Wonen, wonen en nog eens wonen

De praktijk is echter weerbarstig. Door de nadruk op nieuwe woningen te leggen worden vaak zittende bedrijven, zoals bedrijven met een hogere geluidbelasting dan wenselijk bij wonen, benadeeld in hun bedrijfsvoering. Zoals bijv. bedrijven die buiten slijpwerkzaamheden uitvoeren, ook al is het incidenteel. Of bij het laden en lossen. Nieuwe bewoners gaan er vaak over klagen bij de gemeente. Ook kan het woon- en leefklimaat van de bewoners behoorlijk in de knel komen door bedrijvigheid die eigenlijk niet past bij woningen. Een aspect dat naar mijn mening onvoldoende aandacht krijgt in de praktijk omdat nieuwe woningen nu eenmaal meer priorteit hebben bij bestuurders. Gemeenten moeten echter ook voor zittende bedrijven opkomen!

Geluid ook bij kruimelgevallen afwegen – Bij de vaststelling van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen die gemengde gebieden mogelijk maken, moeten de aspecten ‘een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ en de ‘bedrijfsvoering van zittende bedrijven’ uitvoerig aandacht krijgen. Het onderdeel geluid moet ook afgewogen worden bij kruimelafwijkingen en kan niet door gemeentelijk kruimelgevallenbeleid opzij worden gezet, zie hiervoor de volgende uitspraak van ABRS 28 februari 2018

Omdat de nadruk vaak op het bouwen van woningen ligt, dreigen voorgaande aspecten in de verdrukking te komen. Ook voor de gezondheid van de toekomstige  bewoners, is het niet goed om te dicht bij bedrijven te wonen die geluid veroorzaken. De afweging die in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden gemaakt, biedt daar juist mogelijkheden voor. Vaak kunnen hier aspecten aan de orde komen die bijv. niet afgedekt worden in formele wetgeving, zoals de Wet geluidhinder of het Activiteitenbesluit milieubeheer. De uitspraak van 21 maart 2018 van de Afdeling is hier een goed voorbeeld van.

Zoals ik al aangaf kunnen woningen in gemengde gebieden hele mooie woongebieden opgeleveren met karakter. Denk daarbij echter wel aan de belangen van de zittende bedrijven!

Woningen mogelijk maken op voormalige bedrijventerreinen?

Bel ons voor:

  • quick scans, onderbouwingen en adviezen inzake juridische en technische aspecten van geluid, zoals akoestisch onderzoek;
  • quicks scans, onderbouwingen en adviezen inzake milieuzonering (welke afstand tussen woningen en bedrijven is haalbaar?)
  • bestemmingsplannen voor gemengde gebieden

Bel 010 – 268 0689 voor meer informatie.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluid supermarkt en woon- en leefklimaat

Geluid supermarkt en woon- en leefklimaatgeluid supermarkt

Het onlangs vastgesteld bestemmingsplan en voorziet in een nieuwe locatie voor een dorpshuis met een bibliotheek, een sportaccomodatie, een dorpsplein en een uitbreiding van een supermarkt. Volgens appellant is onder meer geen rekening gehouden met geluidhinder vanwege winkelwagens en zware voertuigen (laden en lossen).

De raad stelt onder meer dat uit akoestisch onderzoek naar voren komt dat de geluidbelasting van de totale indirecte hinder ten hoogste 52 dB(A) bedraagt. Dat is ter plaatse van een woning. Weliswaar is dat meer dan de voorkeursgrenswaarde, maar die waarde is lager dan de maximaal vast te stellen grenswaarde. Gelet hierop acht de raad de akoestische situatie aanvaardbaar.

Voor de beoordeling van de geluidbelasting heeft de raad aansluiting gezocht bij de regeling in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, de brochure Bedrijven en milieuzonering van de VNG en de Circulaire indirecte hinder.

De Afdeling overweegt het volgende [geluid supermarkt]: “In het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting op de zuidwestelijke gevel van appellant aanvaardbaar geoordeeld. (…) Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat zich ter plaatse van de zuidoostelijke gevel van zijn woning een zodanige geluidbelasting zal voordoen dat de raad gehouden was hier onderzoek naar te verrichten. De Afdeling stelt vast dat de raad dit heeft nagelaten. Het gaat in het bijzonder om de gevel die op dan wel nagenoeg op de perceelsgrens is gelegen. De aan die gevel aansluitende gronden zijn bestemd voor de ontsluiting van het achter het bouwvlak van de Lidl voorziene parkeerterrein, parkeren, alsmede laad- en losactiviteiten. Tevens moet worden geconstateerd niet is uitgesloten dat van die route gebruik wordt gemaakt door winkelend publiek met winkelwagentjes. Weliswaar is de ingang van de Lidl gedacht aan de achterzijde van het voorziene gebouw, maar het plan maakt ook een ingang aan de voorzijde mogelijk. Ook maakt het plan het mogelijk dat niet alleen inpandig, maar ook buiten wordt geladen en gelost. Nu de raad de geluidbelasting ter plaatse van de zuidoostelijke gevel van de woning van appellant onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, is het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. 

Met het oog op nadere besluitvorming van de raad wijst de Afdeling erop dat bij ongewijzigde vaststelling van het plan rekening moet worden gehouden met de maximale planologische mogelijkheden. Dit houdt in dat er dan van moet worden uitgegaan dat de ingang van de Lidl ook aan de voorzijde kan komen en dat er buiten wordt geladen en gelost. De Afdeling tekent tevens nog aan dat voor zover piekgeluiden als gevolg van laad- en losactiviteiten bij toepassing van het Activiteitenbesluit milieubeheer buiten beschouwing blijven, daarover in het kader van een goede ruimtelijke ordening een standpunt dient te worden bepaald.” Lees meer in uitspraak ABRS 7 februari 2018, no. 201702345/1/R1. [geluid supermarkt]

Vragen over geluid en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat? Oplossing nodig voor uw bouwplan? Bel 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

boshuis niet geluidgevoelig wel toetsing woon- en leefklimaat

Boshuis niet geluidgevoelig in gevolge Wet geluidhinder, wel woon-en leefklimaat onderzoekenboshuis niet geluidgevoelig

De gemeenteraad heeft een bestemmingsplan vastgesteld dat een verdubbeling van de bestaande weg mogelijk maakt. Appellant betoogt dat het plan leidt tot een onevenredige geluidsoverlast bij zijn boshuis en de hierbij behorende tuin. Hij vreest niet meer met open ramen te kunnen slapen.

Appellant stelt onder meer dat het boshuis ten onrechte niet in het akoestisch onderzoek is betrokken. In een eerdere uitspraak had de Afdeling al duidelijk gemaakt dat het boshuis en de tuin niet zijn aan te merken als een geluidgevoelige bestemming, en dat om die reden het akoestisch onderzoek ingevolge de Wet geluidhinder hier geen betrekking op hoefde te hebben.

De raad erkent op de zitting dat het boshuis qua geluidbelasting in een verslechterde posititie komt te zitten, maar dat er hogere grenswaarden zijn vastgesteld. Voorts wijst de raad erop dat aanvullend onderzoek naar de gevelwering van verblijfsruimten, zoals slaapkamers zal worden uitgevoerd volgens de voorschriften van het Bouwbesluit is er volgens de raad ter plaatse van de woning dan ook geen sprake van een onaanvaardbare situatie. Volgens de raad zorgen de grenswaarden van de Wet geluidhinder voor bescherming van het woonklimaat in ruime zin. De tuin en het boshuis worden niet beschermd, omdat het geen geluidgevoelige objecten zijn als bedoeld in de Wet geluidhinder [boshuis niet geluidgevoelig]. Met de geobjectiveerde norm in de Wet geluidhinder is volgens de raad gegeven dat geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat.

De Afdeling overweegt als volgt: “De raad dient bij de beoordeling of een bestemmingsplan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig is een afweging van de betrokken belangen, waaronder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, te maken. Het feit dat wordt voldaan aan de in de Wgh (…) gestelde eisen (…), indiceert dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit betekent echter (…) niet zonder meer dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegeven. De raad dient bij die belangenafweging een oordeel te geven over de gestelde verslechtering van de geluidsituatie ter plaatse van de woning van appellant. Voor zover aan de orde dient die beoordeling tevens te zien op de in de sectorale wetten niet betrokken aspecten, zoals in dit geval de door appellant gestelde geluidbelasting op de voor de toepassing van de Wgh niet als geluidgevoelig aangemerkte objecten de tuin en het boshuis. Een en ander ook cumulatief (…) en samen met andere voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse relevante aspecten. De raad heeft dit niet onderkend (…).” Zie verder r.o. 13.2 van uitspraak 27 december 2017, no. 201608688/1/R3. [boshuis niet geluidgevoelig]

Voor vragen over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en geluid:

omgevingsjurist

 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

jurisprudentie evenementen en geluid

jurisprudentie evenementen en geluidjurisprudentie evenementen

Het bestemmingsplan in kwestie heeft betrekking op een centrum voor multifunctioneel gebruik. Het gebouw heeft een aantal publieke functies zoals een museum, kinderboerderij en een café-restaurant. Het bestemmingsplan bevat tevens een nadere regeling voor evenementen en geluid. Appellanten wonen in de directe omgeving en vrezen voor overlast van onder meer geluid.

Appellanten stellen onder meer dat het binnenterrein van het complex deel uit maakt van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, die wordt gevormd door de gezamenlijke activiteiten. dan wel dat het binnenterrein zelf een inrichting is. De Afdeling overweegt onder meer als volgt: “(…) Nu de op het binnenterrein ingevolge het plan toegelaten evenementen los van elkaar door eenieder kunnen worden georganiseerd, kunnen zij ook niet in samenhang worden beschouwd voor de vraag of het binnenterrein zelf als inrichting heeft te gelden. Omdat de op het binnenterrein ingevolge het plan toegelaten evenementen bovendien elk op zichzelf ook te kortdurend zijn om aangemerkt te kunnen worden als een bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, is het binnenterrein geen inrichting als bedoeld in deze wet. Dit betekent dat de geluidwaarden uit 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn op het binnenterrein (…).”

Geluid evenementen en een goede ruimtelijke ordening – “(…) Dat neemt niet weg dat aan de in de planregels opgenomen geluidniveaus uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een deugdelijke motivering ten grondslag moet liggen. In het deskundigenbericht staat dat gedurende maximaal 37 dagen per jaar sprake is van een aanzienlijk hogere geluidbelasting op de gevels (47 dB(A) of meer) dan de geluidbelasting in een gemiddelde zeer rustige woonwijk van 40-45 dB(A) die representatief is voor de woonomgeving (…). Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom de gekozen geluidniveaus van 47 dB(A) of hoger tijdens 37 dagen per jaar voor het woon- en leefklimaat van de appellanten aanvaardbaar zijn. Lees meer in r.o. 6.5.1 e.v. van uitspraak ABRS 13 december 2017, no. 201606346/1/R2.

Advies nodig over akoestisch onderzoek en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat? Of jurisprudentie evenementen en geluid?

omgevingsjurist

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidhinder voegovergangen van brug

Geluidhinder voegovergangen brug en goede ruimtelijke ordeninggeluidhinder voegovergangen

Het bestemmingsplan in kwestie voorziet onder meer in de aanleg van twee rotondes. Appellanten wonen in de omgeving van de twee rotondes en betogen dat het plan leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat door onder meer geluidhinder. Ze betogen onder meer dat er in de akoestische onderzoeken niet is onderzocht wat het effect is van de voegovergangen in de brug. Dat betreft de effecten van het rijden van een voertuig over een voeg in de weg.

De Afdeling overweegt het volgende: “(…) Het vorenstaande betekent echter niet dat de raad bij de planvaststelling helemaal geen rekening hoefde te houden met het geluid van de voegovergangen van de brug (…). Daartoe wijst de Afdeling erop dat in het tweede deskundigenbericht is vermeld dat het voegen- en brugdekgeluid als een aparte laagfrequente geluidsbron kan worden beschouwd, los van de beoordeling van het normale wegdek-band geluid op basis van de Wet geluidhinder. Dit betrekt een aparte beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naar het oordeel van de Afdeling was de raad in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit.  Lees meer in r.o. 32.2 van uitspraak ABRS 6 december 2017, no. 201602264/1/R3.

Meer weten over geluid en een goede ruimtelijke ordening? Bel, mail of lees meer…

omgevingsjurist

 

 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidhinder woonboot en goede ruimtelijke ordening

Geluidhinder woonboot en goede ruimtelijke ordeninggeluidhinder woonboot

Een enigszins opmerkelijke uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het onderwerp geluidhinder woonboot en een goede ruimtelijke ordening. Wat was er aan de hand?

Het college van B&W van de gemeente Velsen had een omgevingsvergunning geweigerd voor het in afwijking van het bestemmingsplan innemen van een ligplaats voor een woonboot. In 2011 heeft een toezichthouder van de gemeente vastgesteld dat met een woonboot een ligplaats was ingenomen in strijd met het bestemmingsplan. Op 13 september 2011 heeft de overtreder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om het strijdige te legaliseren. Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft de gemeente deze aanvraag geweigerd vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening, gelet op de geluidbelasting van de rijksweg A9.

Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Wet geluidhinder van toepassing is op de woonboot van appellant nu deze als een bouwwerk moet worden aangemerkt. Dit heeft volgens hem tot gevolg dat de woonboot als geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder moet worden aangemerkt. De ligplaats ligt binnen de geluidzone van de rijksweg A9. Hier geldt ter plaatse een geluidproductieplafond van 64,1 dB. Nu daardoor niet aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt voldaan, kon de omgevingsvergunning reeds hierom niet worden verleend.

De Afdeling overweegt als volgt: “Onder de Wgh zoals die luidde voor 1 juli 2012 waren de krachtens die wet gestelde nog niet van toepassing op ligplaatsen. Uit jurisprudentie zoals die toen luidde (…) volgde dat die normen evenmin van toepassing waren op woonboten, omdat deze niet konden worden aangemerkt als een geluidgevoelig gebouw in de zin van die wet. Ten tijde van de aanvraag was de Wgh niet aan de orde. (…). 

Zoals volgt zoals onder 4.4 is overwogen kan het weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning niet worden gedragen door de geluidbelasting van de rijksweg A9. Dat ligt thans niet anders. (…) De conclusie is dat het college de geluidbelasting vanwege de rijksweg A9 niet ten grondslag mocht leggen aan het besluit van 8 april 2016 tot het opnieuw weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning Dat besluit is in zoverre wederom ontoereikend gemotiveerd.”

Noot MH: Dat laatste aspect vind ik opmerkelijk. Omdat ik het weigeringsbesluit niet heb kunnen lezen blijft het gissen naar de motivering in dat besluit. Geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening is een zelfstandig aspect dat een college of raad bij elk besluit dient mee te nemen of te overwegen. Naar mijn mening is dat hier ook het geval. De geluidbelasting van de A9 kan namelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel degelijk onevenredig hoog zijn ook al is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Is er wel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonboot? Ik vind het opmerkelijk dat de Afdeling hier aan voorbij gaat.

Lees meer in uitspraak ABRS 6 december 2017, no. 201507976/1/A1.

Hulp nodig bij een onderbouwing voor een geluidsparagraaf? Bel of lees meer…

omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidnormen in planregels bestemmingsplan evenementen

Geluidnormen in planregels bestemmingsplan en evenementengeluidnormen

De gemeente heeft een bestemmingsplan voor de regeling van evenementen op een drafbaan vastgesteld. In de planregels zijn zowel maxima opgenomen voor het aantal bezoekers als voor maximaal toegestane geluidnormen.

In de nota Strategisch Evenementenbeleid staat dat muziekevenementen doorgaans maximaal 12 keer per jaar op één locatie georganiseerd kunnen worden. In voornoemde nota staat dat de drafbaan een toplocatie is voor grootschalige evenementen, zoals grote (pop)concerten, het bevrijdingsfestival en volksfeesten. geluidnormen

Appellant betoogt dat het plan 11 dagen onafgebroken muziekfestivals toestaat, omdat voor muziekevenementen, anders dan voor dance-evenementen geen maximale duur, rustperiode en aanvangstijd in de planregels is opgenomen. Hij voert aan dat voor dance-evenementen een rustperiode voor 2 weken in de planregels is opgenomen en dat dit voor de overige muziekevenementen ontbreekt.

Appellant betoogt verder dat de in de planregels opgenomen geluidnormen voor categorie-2 en 3-evenementen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Hij voert aan dat onduidelijk is of met de aangegeven geluidnormen getallen bedoeld worden die zijn gebaseerd op LAeq of LCeq metingen, of op LAmax of LCmax. Als in de planregels is uitgegaan van het equivalente geluidniveau is het van belang om te weten over welke tijdsduur, des te meer piekgeluiden zijn toegestaan. Deze informatie ontbreekt ten onrechte in de planregels, aldus appellant.

De raad stelt dat vanuit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid ervoor is gekozen voor dance-evenementen een rustperiode van minimaal 2 weken en een maximale duur van 8 uur vast te leggen in het plan. Een uitbreiding van deze regeling naar alle muziekevenementen is niet nodig, omdat er volgens de raad geen onaanvaardbare hinder optreedt als gevolg niet niet-dance-evementen.

De raad stelt verder dat de in de planregels opgenomen geluidnormen zien op het langtijd beoordelingsgemiddelde, het equivalente geluidniveau LAeq en LCeq. De raad erkent dat is nagelaten dit in de planregels op te nemen.

De Afdeling overweegt: (…) voorts overweegt de Afdeling dat nu in de artikelen (…) van de planregels niet is vermeld dat de geluidnormen zien op het equivalente geluidniveau en evenmin is vermeld hoe dit niveau dient te worden gemeten, de raad ten aanzien van deze geluidnormen niet precies genoeg heeft geregeld wat hij heeft beoogd. (…) Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan nvoor alle categorie 2- en 3 evenementen hogere geluidwaarden toestaat en dat in de planregeling voor alle evenementen naast een dB(A)- ook een dB(C) waarde voor de bastonen is vastgesteld. Gelet hierop heeft de raad het plan in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb vastgesteld.

Over laagfrequent geluid kunt u lezen in r.o. 11.2 van ABRS 23 augustus 2017, no. 201607013/1/R3

Advies nodig over de planologische regeling van geluidnormen?

omgevingsjurist