deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Gezondheid in bestemmingsplan telt niet mee

Gezondheid in bestemmingsplan telt niet meegezondheid in bestemmingsplan

Gezondheid is belangrijk voor een mens, zo niet het allerbelangrijkste. Zonder een goede gezondheid kunnen we niet goed functioneren en beleven we alles anders. Bij ruimtelijke planvorming, zoals bij een bestemmingsplan, is gezondheid echter een ondergeschoven kindje. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect gezondheid te worden meegenomen in de besluitvorming. In de praktijk verdwijnt dit belang echter naar de achtergrond. Het kan niet op boksen tegen bijvoorbeeld financiële belangen. Ook is het erg lastig om in juridische procedures aan te tonen dat het aspect gezondheid in het geding komt. In de praktijk van de ruimtelijke ordening is het voldoen aan een bepaalde grenswaarde, zoals bij geluid namelijk voldoende. Verder wordt er niet naar gekeken. In de praktijk weegt naar mijn mening het financiële belang het zwaarst. Ook de blik op de korte termijn overheerst.

In een uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, no. 201709213/1/R3 komt het aspect gezondheid aan de orde bij de vaststelling van een wijzigingsplan. Dit plan is opgesteld voor de bouw van een stal voor een pluimveebedrijf. Appellanten vrezen voor hun gezondheid vanwege de uitbreiding van het pluimveebedrijf. Zij wijzen op de gevolgen van fijn stof en ammoniak. Volgens hen komt de stal op ongeveer 160 meter van hun woning te staan. Ze hebben een aantal wetenschappelijke rapporten overlegd om het gezondheidsgevaar aan te tonen.

De Afdeling overweegt het volgende: “(…) het effect dat nabij gelegen veehouderijen kunnen hebben op de volksgezondheid is een mee te wegen belang bij een bestemmingsplan. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan zulke risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat daarmee onaanvaardbaar verslechtert. Zoals overwogen onder 3 wordt bij een wijzigingsplan (…) in beginsel uitgegaan van de planologische aanvaardbaarheid van de ontwikkelingen die (…). Lees meer in r.o. 10.1 van voornoemde uitspraak.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

beroep gezondheidsrisico antennemast zinloos

Beroep gezondheidsrisico antennemast is zinloosberoep antennemast

Een niet echt bemoedigende titel! Toch geeft dit op dit moment wel de juridische realiteit weer over (hoger) beroep inzake gezondheidsrisico’s van de plaatsing van antennemasten. U zult dus met iets beters moeten komen voor een geslaagd (hoger) beroep!

Wat was er aan de hand? 

Het college van B&W had een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de plaatsing van een antennemast voor mobiele telefonie. De betreffende antennemast is een vrijstaande stalen vakwerkconstructie met een hoogte van 39,90 m. Het bouwwerk is in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Appellanten betogen onder meer dat het college uit voorzorg had moeten afzien van de verlening van de omgevingsvergunning vanwege gezondheidsrisico’s. Zij verwijzen daarbij naar de EU-resolutie van 2 april 2009 (…) waaruit volgt dat nog veel onduidelijkheid bestaat over de gezondheidsrisico’s en de veiligheid met betrekking tot blootstelling van mensen aan elektromagnetische velden.

De Afdeling overweegtDe rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet gehouden was  de gevraagde omgevingsvergunning uit voorzorg te weigeren vanwege het onvoldoende bestaan van inzicht in de gezondheidsrisico’s. De rechtbank heeft daarbij terecht gewezen naar de uitspraken van (…), waarin de Afdeling heeft overwogen dat de Gezondheidsraad in het rapport ‘Elektromagnetische velden, jaarbericht 2008’ van maart 2009 heeft vermeld dat volgens de Commissie Elektromagnetische velden er geen aanwijzingen zijn dat blootstelling aan radiofrequente velden in de woonomgeving leidt tot gezondheidsproblemen. 

In de uitspraak (…) is voorts een door de Stichting (…) opgesteld deskundigenbericht genoemd. In dat deskundigenbericht is vermeld dat uit wereldwijde onderzoeken naar de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden blijkt dat radiofrequente elektromagnetische velden een nadelig gezondheidseffect kunnen hebben. Lees verder in r.o. 14.1 van uitspraak ABRS 5 december 2018, no. 201801062/1/A1.  [beroep gezondheidsrisico]

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Gezondheid intensieve veehouderij en juridische werkelijkheid

Gezondheid intensieve veehouderij en juridische werkelijkheidgezondheid intensieve veehouderij

In een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied is een mogelijkheid opgenomen om vergroting van de oppervlakte van de agrarische gebouwen. Dit is geregeld via een afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan.

Hierbij is rekening gehouden met de zogeheten ‘stalderingsregeling’ van de provincie Noord-Brabant. Deze stalderingsregeling houdt kortweg in dat binnen een in de Verordening ruimte aangeduid stalderingsgebied de toename van de oppervlakte dierenverblijf van een hokdierhouderij binnen een bouwperceel uitsluitend wordt toegestaan als elders in dat gebied de oppervlakte dierenverblijf van een hokdierhouderij is afgenomen met tenminste 110%.

Hoewel er in de uitspraak ook interessante overwegingen zijn opgenomen over de stalderingsregeling, neem ik hier alleen de overwegingen over gezondheid intensieve veehouderij en woon- en leefklimaat over. Volgens appellanten 1 en 2 leidt het plan tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan maakt namelijk de uitbreiding van een intensieve veehouderij mogelijk. Wat betreft de bouwmogelijkheden die bij recht zijn opgenomen in het bestemmingsplan, is de gemeente van mening dat deze niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners. Bij de toets van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouwaanvraag bleek namelijk dat aan de gestelde normen voor geur, ammoniak en fijn stof kan worden voldaan. De Afdeling volgt de gemeente hierin.

Appellanten sub 3 en 4 stellen dat het plan zal leiden tot een verdere verslechtering van het leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Uit recente onderzoeken van het RIVM en de GGD volgt dat er een verband bestaat tussen gezondheidseffecten en woonafstanden tot intensieve veehouderijen. De GGD adviseert om binnen 250 meter van intensieve veehouderen geen nieuwbouw te realiseren en voor bouwplannen tussen de 250 en 1000 m een aanvullende risicobeoordeling uit te voeren. Eén van de appellanten kampt met ernstige luchtwegproblemen en vreest voor een verdere achteruitgang van zijn gezondheid als van de planologische ontwikkelingsmogelijkheden gebruik wordt gemaakt. Hij heeft een verklaring van zijn huisarts overgelegd.

Volgens de gemeente bevatten de planregels voldoende waarborgen om onaanvaardbare effecten op de volksgezondheid te voorkomen.

De Afdeling overweegt als volgt: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is het effect dat nabij gelegen veehouderen op de volksgezondheid kunnen hebben een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar verslechtert. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Uit het voorgaande volgt dat de Wro in dit kader een aanvullend karakter heeft. (…)

Voor zover appellanten stellen dat, gelet op de adviesafstanden van de GGD, in het plan verdergaande beperkingen moeten worden opgelegd aan de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij heeft de raad daarvoor in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien. Uit het door appellanten genoemde advies van de GGD (…) volgt niet dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij vanuit het oogpunt van volksgezondheid moet worden verboden binnen een bepaalde afstand tot een woning. De keuze van de raad om bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen de adviesafstand van de GGD niet over te nemen is niet onredelijk. Dat binnen de gemeente (…) een groot aantal intensieve veehouderijen is gevestigd en dat maatschappelijke onrust is ontstaan over de gevolgen daarvan op de volksgezondheid, biedt op zichzelf (…) onvoldoende grond voor een verdergaande beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij. (…). Zie verder uitspraak ABRS 7 november 2018, no. 201605590/2/R2.

Noot MH: Tot nu toe valt er nog weinig te halen bij de Raad van State als het gaat om gezondheid en woon- en leefklimaat bij woningen die nabij intensieve veehouderijen liggen. Nog steeds wordt dezelfde standaardoverweging aangehaald: ‘bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, etc.‘ Dit moet erg frustrerend zijn voor individuele patiënten die met klachten kampen van de luchtwegen. Dit is helaas de juridische werkelijkheid die nogal eens afwijkt van de ‘normale’ werkelijkheid. [gezondheid intensieve veehouderij]

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Gezondheid in ruimtelijke ordening vastgelegd in Wro voor Brabant

Gezondheid in ruimtelijke ordening wordt vastgelegd in Wro voor Brabant

Er is steeds meer aandacht voor het aspect gezondheid in ruimtelijke ordening. Met name door schaalvergroting van intensieve veehouderijen worden er vanuit de politiek en bevolking twijfels en bezorgdheid geuit over de mogelijke bedreiging van de volksgezondheid. Al eerder schreef ik over dit onderwerp.

Er is thans een voorstel ingediend tot aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en van de bijlage bij de Crisis- en herstelwet (Chw) (9e tranche).

Het voorstel maakt het mogelijk dat provinciale staten van Noord-Brabant in aanvulling op artikel 4.1 juncto artikel 3.1, eerste lid, Wro in de provinciale verordening ruimte ook regels kunnen stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Met deze bepaling wordt vooruitgelopen op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het betreft een experiment.

De regels die provinciale staten in hun verordening ruimte kunnen stellen zijn:

  • in afwijking van de artikelen 2 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij kunnen voorschriften worden gesteld over de cumulatieve geurhinder veroorzaakt door veehouderijen;
  • in afwijking van artikel 5.6, eerste lid van de Wet milieubeheer voor veehouderijen kan een grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) worden gesteld die strenger is dan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) gesteld in paragraaf 4 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Intensieve veehouderij en gezondheid – nieuwe jurisprudentie

Intensieve veehouderij en gezondheid – nieuwe jurisprudentie

Volksgezondheid in relatie tot ruimtelijke planvorming staat de laatste tijd steeds vaker in de belangstelling. Behalve meer jurisprudentie krijgt het onderwerp ook meer politieke aandacht. Vanuit de politiek is onlangs verzocht om de volksgezondheid een prominentere rol te laten spelen in ruimtelijke besluitvorming, zoals bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

Met name de bezorgdheid over de gezondheidsrisico’s van grootschalige intensieve veehouderij voor bewoners van het platteland krijgt speciale aandacht. Behalve de vrees op besmetting op mensen van dierziekten, zoals Q-koorts, worden ook de gezondheidseffecten van stikstof, fijn stof en geur gevreesd.

Op 30 april 2014 is er opnieuw een uitspraak van de Afdeling verschenen over de relatie een goede ruimtelijke ordening, uitbreiding van een intensieve veehouderij en volksgezondheid. In deze uitspraak toetst de Afdeling het aspect gezondheid wat minder terughoudend. Deze uitspraak laat verder zien hoe gezondheid praktisch kan doorwerken in een bestemmingsplan en is om die reden interessant.

Gezondheid en een goede ruimtelijke ordening

Tot dusverre voerde de Afdeling een terughoudende toets uit met betrekking tot het aspect gezondheid: “dat de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven een mee te wegen belang is bij de vaststelling van een bestemmingsplan, maar dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair vindt in andere wetgeving en daarnaast aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken.” Zie uitspraak ABRS 9 februari 2011, no. 200907470/1/R3.

In een uitspraak van 30 april 2014 lijkt de Afdeling deze terughoudendheid enigszins te verlaten. De raad dient volgens de Afdeling: “In het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te onderzoeken of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat, gelet daarop, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onvoldoende is gewaarborgd.”

In deze uitspraak worden in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, behalve het risico op dierziekten voor mensen, ook de risico’s van fijn stof en geur op de volksgezondheid betrokken, zoals in de opgestelde Gezondheidseffectscreening (GES) door de GGD ook was onderzocht. In voorgaande uitspraken kon de verwijzing naar GGD-rapportages er niet toe leiden dat vrees voor de volksgezondheid aangenomen zou moeten worden.

De gemeente heeft de aan te houden afstand tussen een intensieve veehouderij en een woning naar het bestemmingsplan vertaald door middel van de aanduiding ‘zone landschap, leefomgeving en gezondheid’. Met name de aanbevelingen in het GES zijn interessant en het lezen waard.

Voor gemeenten is het belangrijk om deze ruime toets met betrekking tot gezondheid uit te voeren bij een ruimtelijk besluit dat voorziet in een uitbreiding van een intensieve veehouderij.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Uitbreiding intensieve veehouderij en gezondheid – jurisprudentie

Uitbreiding intensieve veehouderij en gezondheid – jurisprudentie

Er is de laatste tijd meer aandacht voor het onderwerp gezondheid in ruimtelijke planvorming, in het bijzonder de relatie gezondheid en intensieve veehouderij. Gezondheid kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening (aanvaardbaar woon- en leefklimaat) een af te wegen belang zijn met ruimtelijk relevantie. Deze uitspraak van 30 april 2014 laat zien hoe gezondheid kan doorwerken in het bestemmingsplan, bij de afweging of al dan niet uitbreidingen van intensieve veehouderij toe te staan.intensieve veehouderij

Voor een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied heeft de gemeente bij de besluitvorming of er al dan niet een uitbreidingsmogelijkheid moet worden opgenomen voor intensieve veehouderijen, een Gezondheidseffectscreening (GES) laten opstellen. In het GES wordt onder meer het volgende geadviseerd aan de gemeente:

  • houd pluimvee en varkens gescheiden
  • geen nieuwbouw van intensieve veehouderijen toestaan binnen 250 meter van kernen of lintbebouwing
  • gezondheidskundige beoordeling laten opstellen bij uitbreiding, omschakeling of vergroting bouwblok van intensieve veehouderij binnen 250 meter van een woning

De gemeente heeft de adviezen vertaald naar het bestemmingsplan door middel van de aanduiding ‘zone landschap, leefomgeving en gezondheid’. Binnen deze zone zijn geen uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen. Volgens appellant is de volksgezondheid ruimtelijk niet relevant en heeft de gemeente het GES niet in de besluitvorming mogen betrekken.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) de mogelijke besmetting van dierziekten van nabij gelegen agrarische bedrijven is een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan, maar dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten primair zijn regeling vindt in andere wetgeving en daarnaast aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. De raad dient evenwel in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te onderzoeken of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat, gelet daarop, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onvoldoende is gewaarborgd. In de GES is ook onderzocht wat de invloed is van het plan op onder meer de milieuaspecten fijn stof en geur, nu fijn stof en geur een effect kunnen hebben op de volksgezondheid. Gelet hierop heeft de raad in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de vaststelling van het plan in redelijkheid waarde kunnen hechten aan de resultaten van het GES.”

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Gezondheidsrisico’s gewasbeschermingsmiddelen nader onderzocht

Gezondheidsrisico’s gewasbeschermingsmiddelen nader onderzocht

De Gezondheidsraad (GR) heeft op 29 januari 2014 advies uitgebracht over de vraag of omwonenden van landbouwpercelen gezondheidsrisico’s lopen door toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. De GR ziet voldoende reden voor nader blootstellingsonderzoek onder omwonenden en voor aanpassing van de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen. Verder wijst de GR op het nemen van maatregelen die de blootstelling van omwonenden kunnen verminderen. Met name het onderdeel ‘spuitvrije zones en afstandseisen’ krijgt hier speciale aandacht.

De GR verwijst in het rapport onder meer naar de publicatie van mr. H.H. Harberink in het juridische tijdschrift ‘Milieu en Recht’ (Intensief gewasbeschermingsmiddelengebruik bij open teelten. Zet de Wro in ter bescherming van omwonenden). In dat artikel wordt ervoor gepleit om in het bestemmingsplan zones op te nemen rondom agrarische percelen met bomen- en fruitteelt ter bescherming van de gezondheid van omwonenden. Gezondheid is een aspect dat ruimtelijk relevant is. Deze spuitvrije zones kunnen in het bestemmingsplan worden vastgelegd. In deze zones kan via het bestemmingsplan een beperkt gebruik van gewasbescherming worden geregeld. De grootte van de zone is onder meer afhankelijk van het soort teelt en de hierbij toegestane gewasbeschermingsmiddelen. Neem nooit zo maar aan dat zones van 20 of 30 meter in het bestemmingsplan wel voldoende zijn. Er is altijd onderzoek nodig ter plaatse. Elke situatie is namelijk anders. Er zijn ook situaties waar zelfs grotere zones nodig zijn.

Een uitspraak die weer eens duidelijk maakt dat het verkorten van spuitzones maatwerk is, is de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014, no. 201302600/1/A1.

Voor meer informatie over zonering in het bestemmingsplan en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Q koorts is bij vaststelling bestemmingsplan ruimtelijk relevant

Q koorts is bij vaststelling bestemmingsplan een ruimtelijk relevant belang om mee te wegen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan mogen alleen ruimtelijk relevante aspecten worden meegenomen bij de besluitvorming. Dat gezondheid een mee te wegen belang is (ruimtelijk relevant) wordt nog eens bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, no. 201212079/1/A1.

De Afdeling overweegt: “(…) is bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat voorziet in de uitbreiding van een (intensieve) veehouderij de mogelijke besmetting van dierziekten zoals Q koorts en vogelgriep vanwege nabijgelegen woningen een mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt echter zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan de te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Hieruit volgt dat de mogelijke besmetting van dierziekten, zoals Q koorts een ruimtelijk relevant belang is (…)”.