deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Afstand spuitzone boomkwekerij onvoldoende onderbouwd

Afstand spuitzone boomkwekerij onvoldoende onderbouwd

De raad van de gemeente Waddinxveen heeft het bestemmingsplan “Ruimte voor ruimte Polder Bloemendaal” vastgesteld. Het plan beoogt sanering en herstructurering van een deel van de glastuinbouw in de polder Bloemendaal. Hiertoe voorziet het plan in woonkavels en landschapsontwikkeling.

Appellanten stellen dat het plan ten onrechte voorziet in nieuwe woningen op korte afstand van hun bedrijfsgronden. Zij achten de afstand te kort omdat zij gewasbeschermingsmiddelen gebruiken voor hun gewassen.

De Afdeling overweegt:Uit de stukken blijkt onvoldoende op basis van welke gegevens de afstand van 10 meter in dit geval als een voldoende afstand moet worden beschouwd ter waarborging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen. Hierbij is in aanmerking genomen dat de adviesafstanden uit de VNG-brochure geen betrekking hebben op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. (…) Uit het advies van de omgevingsdienst blijkt niet van een afweging op maat ten aanzien van de aan te houden afstand tot de boomkwekerij. (…) Bovendien is in het advies uitgegaan dat het teelt in kassen betreft terwijl de boomkwekerij hoofdzakelijk open teelt betreft. Gelet hierop heeft de raad de aangehouden afstand van 10 meter onvoldoende onderbouwd.”

Uit deze uitspraak blijkt weer eens hoe belangrijk onderbouwing is.

Lees de uitspraak (ABRS 15 april 2015, no. 201407066/1/R6).

Lees meer over spuitzones van boomgaarden en/of bomenteelt.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Leegstand vastgoed autobedrijven: 4 tips voor herbestemming

Leegstand vastgoed autobedrijven: 4 tips voor een herbestemming

Leegstand vastgoed autobedrijven is dramatisch

Volgens het Vastgoedjournaal bedraagt de leegstand in de autobranche bijna een miljoen vierkante meter. Er staan ongeveer 500 panden leeg. Dat is dramatisch voor de eigenaren van het vastgoed. Door de sterk veranderende markt en digitalisering zal het aantal faillissementen en te koop staande panden naar alle waarschijnlijkheid alleen maar toenemen.

Door ontwikkelaars worden al verschillende mogelijkheden voorgedragen voor nieuwe functies voor showrooms van autobedrijven: winkelpand, appartementen, supermarkt, etc. Er zijn tal van mogelijkheden. De creativiteit wordt echter vaak gelimiteerd door het geldende bestemmingsplan en het beleid van de gemeente. Het is in de praktijk vaak lastiger te realiseren dan men denkt. Bureaucratie is vaak een grote drempel. Hieronder volgen een aantal tips om de gewenste wijziging er wel door te krijgen.

4 tips voor een geslaagde bestemmingsplanwijziging (herbestemming):

  • Dien een onderbouwd principeverzoek in
    Een principeverzoek is een informeel verzoek aan de gemeente waarin u vraagt om in principe mee te werken aan uw idee voor herbestemming van het pand. De gemeente zal uw verzoek toetsen aan het geldende bestemmingsplan, wetgeving en met name aan provinciaal en gemeentelijk beleid. Een voordeel van een principeverzoek (of vooroverleg) is dat u een gering bedrag kwijt bent aan leges en dat u vrij snel weet of de gemeente open staat voor uw idee en mee wil werken. In deze fase kunt u uw plan nog bijstellen aan de eisen van de gemeente voor relatief lage kosten. Verder lopen er geen formele juridische termijnen. Het is beter om nog niet direct een formele aanvraag in te dienen.
  • Breng de gemeente op ideeën door het principeverzoek
    Veel ondernemers realiseren zich dit niet: de gemeenteambtenaar toetst slechts uw idee, maar komt meestal zelf niet met creatieve ideeën of suggesties. Dat is geen kwade opzet, maar dat is de rol van de gemeente. De gemeente toetst en u komt met het idee voor de herbestemming. Het is belangrijk om een goed onderbouwd principeverzoek in te dienen. Ten eerste moet het verzoek juridisch goed onderbouwd zijn: laat de gemeente zien hoe en met toepassing van welke regels uw plan te realiseren is. Ten tweede is het verstandig om het principeverzoek te onderbouwen met foto’s van de locatie en met afbeeldingen of concept tekeningen hoe het plan eruit komt te zien. Afbeeldingen zijn krachtiger dan woorden en zijn nodig om uw verhaal en idee te onderbouwen.
  • Niet boos worden bij afwijzing: verplaats u in de positie van de ambtenaar  
    De meeste ondernemers zijn zeer teleurgesteld over het contact dat ze hadden met de gemeente. Hun enthousiasme neemt af en men raakt vaak ontmoedigd. De behandelend ambtenaar zit u echter niet dwars, maar toetst uw plan aan het geldende bestemmingsplan, beleid en regelgeving. Verder speelt de politiek (wethouder, college van b&w, etc. ) ook een grote rol. Het is een krachtenveld waarin de ambtenaar zich bevindt. Om die reden is een ambtenaar vaak voorzichtig met toezeggingen en ideeën. Vaak dekken ambtenaren zich om die reden in. Dit is echter niet persoonlijk tegen u bedoeld.
  • Schakel een specialist in
    Om het succes te vergroten is het belangrijk om de aanvraag niet zelf in te dienen. Behalve emotionele afstand is het ook in uw belang een specialist te kiezen die verstand en ervaring heeft van het proces bij de gemeente. Als leek kunt u ontmoedigd raken van de juridische regels en het krachtenveld van de gemeente. Een specialist kan op voorhand al zeggen of uw plan haalbaar is en loodst u door het ambtelijke proces. Dat scheelt u geld en ergernis. Het is belangrijk om de juiste stappen te zetten en een sterke onderbouwing van uw idee naar voren te brengen bij de gemeente. Dit is zowel voor u als de gemeente prettig.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Minicamping geen geurgevoelig object

Minicamping geen geurgevoelig object geurgevoelig object

De raad van de gemeente Giessenlanden heeft het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld. Zij heeft een minicamping bestemd als ‘Recreatie – Minicamping’. Een nabij gelegen rundveehouder stelt in beroep dat hij hinder vreest vanwege de mogelijkheid voor uitbreiding van de minicamping en vreest hierdoor in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt.

Op het betrokken perceel zijn binnen het bouwvlak een ontvangstruimte en sanitaire voorzieningen toegestaan en buiten het bouwvlak mogen kampeermiddelen worden geplaatst. De Afdeling oordeelt – evenals de voorzitter deed in de uitspraak van 16 juni 2014, no. 201308826/4/R4 – dat in de ontvangstruimte en de sanitaire voorzieningen, gelet op de aard van het gebruik en de omvang hiervan, alsmede gelet op de geringe omvang van de minicamping niet langdurig door een persoon verbleven, zodat deze gebouwen niet zijn aan te merken als geurgevoelige objecten (…).”

Lees verder in uitspraak ABRS 11 maart 2015, no. 201308826/1/R4

Lees meer over geurgevoelige objecten…

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Plattelandswoning regelen in bestemmingsplan? Hoe het wel kan!

Plattelandswoning regelen in het bestemmingsplan? Hoe het wel kan!

‘Raad van State haalt plattelandswoning onderuit’. Op 4 februari jl. verschenen er allerlei koppen in de media over de uitspraak van de Raad van State op die dag over de plattelandswoning en de toets met betrekking tot luchtkwaliteit. Die uitspraak maakt duidelijk dat de luchtkwaliteit bij een voormalige agrarische bedrijfswoning moet worden beoordeeld aan de hand van de luchtkwaliteitseisen als die woning door een derde mag worden bewoond. Volgens de uitspraak maakt het daarbij niet uit of de wetgever een ander doel heeft beoogd met de wetgeving inzake de plattelandswoning. Inmiddels zijn er ook kamervragen aan de minister van I en M gesteld over de gevolgen van de uitspraak.

Nu lijkt het wellicht zo of de realisatie van de plattelandswoning ‘op slot’ zit. Dat is echter niet zo. Ook bij een plattelandswoning is – net zoals bij andere ruimtelijke plannen of projecten – onderbouwing nodig van de besluitvorming. Bijv. ook ten aanzien van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Dat wordt in de praktijk vaak over het hoofd gezien.

In dit artikel treft u een handige checklist aan voor de realisatie van een plattelandswoning. Handig voor vergunningverleners en r.o.-medewerkers, maar ook voor degenen die een plattelandswoning willen realiseren.

De Plattelandswoning in het kortplattelandswoning

De Wet plattelandswoningen regelt kortweg twee belangrijke zaken:

  • het planologisch regime is bepalend voor de bescherming van een gebouw tegen negatieve milieueffecten en niet langer het feitelijk gebruik;
  • voormalige agrarische bedrijfswoningen worden niet langer beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf.

Voor de gemeente is het mogelijk om de woning in het bestemmingsplan aan te duiden als ‘plattelandswoning’ of ‘voormalige agrarische bedrijfswoning’. Dit houdt in dat de voormalige agrarische woning weliswaar gebruikt mag worden voor burgerbewoning, maar dat de woning niet beschermd wordt tegen negatieve milieugevolgen van het bijbehorende agrarische bedrijf inzake geuroverlast en geluidoverlast.

Let op: ‘een goede ruimtelijke ordening’ speelt ook bij de plattelandswoning een rol

Als gevolg van de wetswijziging zijn de Wet geluidhinder, Wabo, Wet milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij aangepast, in die zin dat niet langer het feitelijk gebruik doorslaggevend is, maar het planologisch kader. Zie hier enkele details over deze aanpassingen. Door de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015 is het duidelijk geworden dat – anders dan de wetgever heeft beoogd – de luchtkwaliteit ter plaatse van de luchtkwaliteit wel degelijk beoordeeld dient te worden. Het is dus belangrijk om voortaan een luchtkwaliteitsonderzoek uit te (laten) voeren.

Hoewel het lijkt dat hiermee de kous af is, is het zo dat er in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook nog andere aspecten getoetst moeten worden bij een verzoek inzake de plattelandswoning. Dat is echter niet op basis van voornoemde uitspraak, maar vanwege het criterium ‘een goede ruimtelijke ordening’. Bij het bestemmen van de plattelandswoning speelt ook dit toetsingskader een rol. Vanuit dit onderdeel in de besluitvorming kan het onwenselijk zijn om een voormalige agrarische bedrijfswoning te bestemmen als ‘plattelandswoning’. Hoewel een dergelijke woning bij toewijzing niet langer wordt beschermd tegen negatieve milieueffecten van het naastgelegen bedrijf met betrekking tot geuroverlast en geluid, dient er ter plaatse van de woning wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners.

Ook is het mogelijk dat de geluidoverlast van het naastgelegen agrarische bedrijf dermate groot is, dat er geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning, bijv. door ventilatoren of tractoren, etc. Ook kan bijv. een intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij fruitteelt een rol spelen. Dit kunnen redenen zijn voor de gemeente om de woning niet te bestemmen als plattelandswoning. Daarnaast kan het nodig zijn om ook onderzoek doen naar de gevolgen voor de gezondheid van de bewoners van de plattelandswoning, indien bijv. de woning nabij een intensieve veehouderij ligt.

Jurisprudentie over de plattelandswoning

  • ABRS 4 februari 2015, no. 201306630/5/R3 – luchtkwaliteit beoordelen bij plattelandswoningen
  • ABRS 24 december 2014, no. 201303444/1/R1 – in plattelandswoning kan alleen worden voorzien als de landbouwinrichting niet is gestaakt
  • ABRS 12 november 2014, no. 201306356/1/R3 – spuitzones beoordelen bij plattelandswoningen

Checklist realisatie plattelandswoning

Checklist onderzoeken plattelandswoning inzake milieu en goede ruimtelijke ordening:

  • gewasbeschermingsmiddelen: zijn er in de nabije omgeving boomgaarden of is er bomenteelt aanwezig? Is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegelaten? Lees meer over spuitzones…
  • luchtkwaliteit: een onderzoek inzake de luchtkwaliteit nabij de plattelandswoning is noodzakelijk;
  • gezondheid: check bij een plattelandswoning nabij een intensieve veehouderij welke effecten de bewoning heeft op de gezondheid van de bewoners. Laat de GGD een gezondheidstoets uitvoeren;
  • geluid: vanwege geluidsoverlast van tractoren, melkmachines, etc. kan de geluidbelasting voor de nieuwe bewoners te groot zijn. Breng de geluidbronnen in beeld en laat bij twijfel een akoestisch onderzoek uitvoeren. Let op! Dit is de afweging van geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De plattelandswoning wordt niet beschermd tegen geluid dat geregeld is in de Wet geluidhinder.

omgevingsjurist

 

 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Recreatiewoning is geurgevoelig object

Recreatiewoning is geurgevoelig object

essentie: Wanneer is een recreatiewoning geurgevoelig in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij?

De gemeente Hollandse Kroon heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de uitbreiding van een camping. Er komen 5 recreatiewoningen bij en 38 standplaatsen voor vaste kampeermiddelen en door een gedeeltelijke jaarrondopenstelling.

Een nabij gevestigde veehouder geeft in beroep aan dat het plan leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor zijn perceel.

De gemeente betoogt dat het plan niet leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij. De gemeente stelt onder meer dat vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen niet als geurgevoelige objecten kunnen worden aangemerkt, omdat recreanten doorgaans alleen in de weekenden en de schoolvakanties op de camping verblijven zodat geen sprake is van langdurig verblijf.

De Afdeling overweegt het volgende: “(…) Uit die uitspraak die betrekking had op de geurgevoeligheid van een sanitairgebouw en gebouwen voor onderhoud en beheer op een camping, kan echter niet worden afgeleid dat de Afdeling recreatiewoningen niet meer als geurgevoelig object in de zin van de Wgv aanmerkt. Anders dan de raad betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval geen sprake is van de mogelijkheid tot een langdurig verblijf in de recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen. De stelling van de raad dat de recreanten alleen in de weekenden en schoolvakanties op de camping zullen verblijven, maakt dit niet anders, reeds nu een dergelijke beperking niet in de planregels is vastgelegd. (…)”.

Zie uitspraak ABRS 18 februari 2015, no. 201400171/1/R1

Lees meer over wanneer een object geurgevoelig is.

omgevingsjurist

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bij plattelandswoning ook onderzoek doen naar luchtkwaliteit

Bij plattelandswoning ook onderzoek doen naar luchtkwaliteit

“Raad van State haalt plattelandswoning onderuit”

Er zijn sinds 4 februari 2015 al verschillende koppen verschenen in de media over de uitspraak van de Raad van State over een belangrijke uitspraak over de plattelandswoning (ABRS 4 februari 2015, no. 201306630/5/R3).

Casus

De gemeente Weert heeft in het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied de mogelijkheid opgenomen voor een plattelandswoning. Op de verbeelding is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voormalige agrarische bedrijfswoning’ opgenomen. Appellant, een nabij gevestigde varkenshouder, voert in beroep aan dat de toegekende aanduiding niet het door de raad beoogde effect kan hebben, te weten dat het laten bewonen van de voormalige bedrijfswoning door een derde, geen effecten heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de inrichting van de varkenshouder. Volgens hem dient de luchtkwaliteit overeenkomstig de Europese richtlijn (bijlage III bij Richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit) ook te worden beoordeeld ter plaatse van de woning.

Volgens de Afdeling is het gegeven dat een bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan bewoond mag worden, en daarom voor de toepassing van de Wabo (…) wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting, los staat van de vraag of ingevolge artikel 5.19, tweede lid van de Wm de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel waarop die woning staat al dan niet moet worden beoordeeld. De reden is dat een voormalige bedrijfswoning die tevens door een burger mag worden bewoond niet langer kan worden aangemerkt als een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 5.19, tweede lid van de Wm. Er is dan ook geen sprake van een uitzondering. Om die reden dient zo’n woning getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen voor de bescherming van de gezondheid van de mens. Ondanks het bepaalde in artikel 1.1a van de Wabo.

Is de plattelandswoning nu een illusie?

Neen. Het is alleen niet zo dat indien het gemeentebestuur een voormalige bedrijfswoning juridisch kwalificeert als plattelandswoning de woning geheel niet meer wordt beschermd tegen milieuemissies van de bijbehorende inrichting. Er dient dan ook luchtkwaliteitsonderzoek plaats te vinden. Verder bestaat er altijd het ‘vangnet’ van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het bijvoorbeeld zo zijn in verband met de nabije ligging van percelen met fruitteelt, onderzoek moet worden gedaan naar de effecten van drift van gewasbeschermingsmiddelen. Lees meer …

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Maatlat duurzame veehouderij in bestemmingsplan ruimtelijk niet relevant

Maatlat duurzame veehouderij in planregels bestemmingsplan ruimtelijk niet relevant

Gemeenten stellen steeds vaker eisen met betrekking tot duurzaamheid. De vraag is of deze eisen via het bestemmingsplan kunnen worden gerealiseerd. Planregels in een bestemmingsplan dienen immers ruimtelijke relevantie te hebben.

In een herziening van het bestemmingsplan buitengebied zijn wijzigingsregels opgenomen dat nieuwe stallen moeten voldoen aan de voorwaarden uit het certificeringsysteem MDV (Maatlat Duurzame Veehouderij). De gemeente motiveert dit door aan te geven dat de MDV op objectieve wijze kan worden toegepast om de duurzaamheid van een uitbreiding van een intensieve veehouderij te toetsen. Hierdoor kan volgens de gemeente tevens een verbetering van het woon- en leefklimaat van omwonenden worden bewerkstelligd.

Appellanten voeren in beroep aan dat de wetgever in sectorale regelgeving, zoals de Wabo en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, reeds heeft voorzien in een exclusief en uitputtend toetsingskader voor diverse milieuaspecten waaraan een uitbreiding van een intensieve veehouderij moet voldoen. Zij betogen dat de raad niet bevoegd is om in aanvulling daarop verdergaande eisen te stellen in een bestemmingsplan.

Volgens de Afdeling stellen appellanten terecht “dat de voorwaarden die in de MDV worden gesteld ook betrekking hebben op aspecten die niet ruimtelijk relevant zijn, zoals (…) de voorwaarden ten aanzien van het energieverbruik en de omgevingsgerichtheid zoals daarin omschreven. Daarnaast bestaat de MDV uit een zeer groot aantal, zeer gedetailleerde voorwaarden waaraan stallen moeten voldoen. De MDV leent zich daarom niet voor de door de raad gekozen toepassing via een wijzigingsvoorwaarde. Gelet op het voorgaande is artikel 10 (…) van de planregels in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt.”

Zie r.o. 7 van uitspraak ABRS 21 januari 2015, no. 201308140/1/R3

Heeft u een vraag over deze uitspraak?

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Regel in bestemmingsplan over spuitapparatuur gewasbescherming niet toegestaan

Regel in bestemmingsplan over spuitapparatuur gewasbescherming niet toegestaan

Spuitapparatuur gewasbescherming – In een bestemmingsplan mogen alleen regels worden opgenomen die ruimtelijk relevant zijn. In een bestemmingsplan heeft de gemeente Houten de volgende planregel opgenomen:spuitzones

Ingevolge artikel 3.3.1 is het gebruik van gronden ten behoeve van fruitteelt uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘fruitteelt’, met dien verstande dat chemische bestrijdingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen alleen mogen worden verwerkt met apparatuur met een driftreductieklasse van 90% danwel maatregelen worden genomen die in dezelfde mate de drift tot buiten de aanduiding ‘fruitteelt’ beperken.”

Appellant betoogt dat deze planregel het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zijn perceel ten onrechte beperkt. Hij voert onder meer aan dat de wijze waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet in een bestemmingsplan kan worden geregeld, omdat dit reeds uitputtend is geregeld in de Verordening (EG) 1107/2009 (…).

De Afdeling overweegt: “(…) De Afdeling stelt vast dat de Machinerichtlijn van toepassing is op deze planregel. Met de Machinerichtlijn wordt een volledige harmonisatie op Unie-niveau tot stand gebracht en kunnen lidstaten geen afwijkende normen stellen, tenzij de richtlijn zelf in een afwijkingsmogelijkheid voorziet. In dit kader gewezen worden op afdeling 2.4 van bijlage 1 van de Machinerichtlijn. (…) Blijkens de tekst van het Warenwetbesluit en de bijbehorende transponeringstabel (Stb. 2011, 594, p. 34) zijn de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen voor de bescherming van het milieu zoals vervat in bijlage 1, afdeling 2.4, van de Machinerichtlijn in de Nederlandse rechtsorde geïmplementeerd via een dynamische verwijzing in het Warenwetbesluit machines. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen ruimte om een dergelijke gezondheids- en veiligheidseis in een bestemmingsplan op te nemen. Het betoog van appellant slaagt.”

Voor meer informatie over planregels inzake spuitzones 

omgevingsjurist

Lees uitspraak ABRS 7 januari 2015, no. 201305911/1/R6

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Verwijzing planregels naar Kwaliteitsplan paarden rechtsonzeker

Verwijzing planregels bestemmingsplan naar Kwaliteitsplan paarden rechtsonzeker

In een bestemmingsplan voor het buitengebied heeft de gemeente een afwijkingsbevoegdheid voor het vergroten van het agrarisch bouwvlak:

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – landschap 2’ bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het agrarische bouwvlak voor de gronden. De vergroting van het bouwvlak is slechts mogelijk indien wordt voldaan aan de eisen uit de Kwaliteitsgids en indien van toepassing het Kwaliteitsplan paardenhouderij behorende bij het bestemmingsplan.

De Afdeling overweegt hierover als volgt: “Gelet op de rechtsonzekerheid van belanghebbenden dient ten aanzien van een afwijkingsbevoegdheid in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende regeling dient derhalve door voldoende objectieve normen te worden begrensd. 

Het Kwaliteitsplan bevat gemeentelijk beleid ten aanzien van het houden van paarden in het buitengebied. Volgens het Kwaliteitsplan is dit beleid bedoeld als ondersteuning bij het beoordelen van inkomende initiatieven op het gebied van paardenhouderijen om op deze wijze ervoor te zorgen dat paardenhouderijen bijdragen aan de gewenste kwaliteiten van het landelijk gebied. In het Kwaliteitsplan staat dat het een achtergronddocument betreft voor het bestemmingsplan. 

Het Kwaliteitsplan (…) is onvoldoende concreet en onvoldoende geobjectiveerd om duidelijkheid te verschaffen omtrent de voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij toepassing van de bevoegdheid voor het college om af te wijken van het agrarisch bouwvlak. Het Kwaliteitsplan (…) is dan ook niet geschikt om als zodanig, zonder nadere uitwerking en objectivering, te worden opgenomen in het bestemmingsplan als toetsingskader voor de afwijkingsbevoegdheid. Het plan is in zoverre rechtsonzeker.”

Zie uitspraak ABRS 17 december 2014, no. 201309177/1/R4

omgevingsjurist

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Dien tijdig een concreet principeverzoek in bij gemeente

Dien tijdig een concreet principeverzoek gemeente in!

Nieuwe initiatieven die tijdens de voorbereiding van een actualisatie van een bestemmingsplan worden ingediend worden meestal terzijde gelegd door de gemeente. De gemeente neemt vaak de planologische situatie over van het ‘oude’ bestemmingsplan zonder nader onderzoek. Een actualisatie van een groot plangebied is een dure en grote klus voor een gemeente, dus vanuit het oogpunt van tijd en geld is dit begrijpelijk.

Voor een ondernemer of particulier kan het echter belangrijk zijn om een wens tot bedrijfsuitbreiding of wijziging in gebruik tijdig te melden bij de gemeente. Dat is vooral belangrijk als de gemeente bezig is met de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan. Voor nieuwe initiatieven worden meestal aparte planologische procedures doorlopen. De Raad van State kijkt al enige tijd kritisch naar deze praktijk. Concrete (bouw)initiatieven mag de gemeente tijdens de actualisatie van een bestemmingsplan niet zo maar opzij leggen.

Bij gemeente berust onderzoeksplicht

De standaardoverweging in uitspraken van de Raad van State is: “(…) De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld.”

Dat de onderzoeksplicht voor de gemeente ver gaat blijkt uit een uitspraak van 12 november 2012, no. 201306356/1/R3. Bij de actualisatie van een bestemmingsplan ‘Buitengebied’ had de gemeente een verzoek van een agrariër niet ‘meegenomen’ tijdens de besluitvorming van het bestemmingsplan. De agrariër had slechts een bedrijfsplan uit 2009 ingediend met informatie over zijn bedrijf en een vergunning op grond van de Wet milieubeheer uit 2010. Volgens de Raad van State ‘heeft de raad noch in het verweerschrift, noch ter zitting concreet aangegeven welke gegevens (nog) noodzakelijk zijn om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de plannen van appellante te beoordelen (…).”

Het is dus voor de gemeente raadzaam initiatieven altijd in behandeling te nemen en indien nodig, om aanvullende gegeven te vragen. Doe initiatieven niet te snel af als onvoldoende concreet.

Wanneer is een initiatief voldoende concreet?

  • de besluitvorming over het concrete (bouw)initiatief hoeft niet te zijn afgerond;
  • het initiatief moet tijdig kenbaar zijn gemaakt en voldoende duidelijk zijn voor de toets naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid;
  • het initiatief hoeft niet (altijd) vergezeld te gaan van een ruimtelijke onderbouwing of onderzoek. (Dit hangt uiteraard af van het soort project. Voor een project dat naar verwachting grote milieugevolgen zal hebben of impact op de omgeving, zal onderzoek nodig zijn);
  • uitgewerkte schetsen kunnen voldoende zijn.

Actuele jurisprudentie

Heeft u vragen over dit onderwerp?