Stemgeluid terrassen en jurisprudentie

Stemgeluid terrassen en jurisprudentiestemgeluid terrassen

In de zomer zitten we meestal massaal buiten. Genieten van het mooie weer en om mensen te bekijken vanaf een terras. Als we zelf op een terras zitten ervaren we vaak geen overlast van geluid. Meestal vinden we dit stadsrumoer erg gezellig en bij een binnenstad horen. Het wordt echter anders als je er ook woont. De levendigheid kan dan zorgen voor geluidsoverlast voor de bewoners.

Steeds meer functiemenging leidt tot aantasting van woon- en leefklimaat van bewoners – Om geluidsoverlast van stemgeluid van terrassen te verminderen zou het prettig zijn als er meer afstand wordt gecreĂ«erd tussen terrassen en woningen in binnensteden. Dit is echter theorie. Functies in de steden worden steeds meer vermengd met elkaar vanwege het streven naar verdichting en gemengde gebieden. Deze ontwikkeling is in volle gang. Dat staat echter vaak haaks op het streven naar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in stedelijke gebieden. Hoewel de terrassen in de binnensteden in Nederland maar enkele maanden open zijn, worden de gevolgen voor de gezondheid van langdurige blootstelling aan overmatig geluid voor de bewoners worden naar mijn mening erg onderschat.

Interessant artikel over meten stemgeluid terrassen – Een interesssant artikel hierover is verschenen van F. Houtkamp in het tijdschrift Geluid van september 2017. Hierin wordt onder meer ingegaan op de te hanteren dosismaat bij het meten. Voldoet die nog wel?

Bij de vaststelling van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen die terrassen mogelijk maken, speelt het aspect stemgeluid en een aanvaardbaar (of goed) woon- en leefklimaat in elk geval een belangrijke rol. Over stemgeluid van terrassen is veel jurisprudentie verschenen.

Akoestisch onderzoek stemgeluid terrassen – wat dient onderzocht te worden?

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft het volgende aan:

In het kader van een goede ruimtelijke ordening komt bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat vanwege de geluidbelasting ter plaatse van een woning betekenis toe aan alle relevante geluidsbronnen.” Zie ABRS 10 oktober 2017, no. 201608665/1/R1, r.o. 5.2.

Alle relevante geluidsbronnen is nogal ruim. Om die reden is het nogal lastig in de praktijk wat er concreet onderzocht dient te worden bij het meten van stemgeluid bij terrassen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Enkele aanknopingspunten uit recente jurisprudentie:

Praktische tips voor bestemmingsplan

Naast goed akoestisch onderzoek is het ook erg belangrijk om eventuele maatregelen juridisch te borgen in het bestemmingsplan (of in de omgevingsvergunning). In een bestemmingsplan kan via een voorwaardelijke bepaling bijv. het volgende worden opgenomen in de planregels:

  • maximale omvang van een terras vastleggen. Terrassen hebben de neiging groter te worden bij mooi weer 🙂
  • geluidschermen en minimale hoogte vastleggen;
  • openingstijden terras opnemen.

Juridisch advies, ruimtelijke onderbouwing of akoestisch onderzoek nodig voor het mogelijk maken van een terras?

Bel 010- 268 0689 (kantoor) of mail naar info@omgevingsjurist.nl

omgevingsjurist

Plattelandswoning jurisprudentie artikel 1.1a Wabo

Plattelandswoning jurisprudentie – artikel 1.1a Waboplattelandswoning jurisprudentie

  • derde in de zin van artikel 1.1a Wabo

Het college van b&w van de gemeente Loon op Zand heeft een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning. Al enige tijd wordt de woning gebruikt als plattelandswoning.

Volgens appellant is de omgevingsvergunning ten onrechte verleend. Volgens hem kan de vergunninghouder niet worden aangemerkt als een derde in de zin van artikel 1.1a van de Wabo.

De Afdeling overweegt als volgt: “In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was omgevingsvergunning te verlenen. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet (…) wordt onder een derde in de context van artikel 1.1a van de Wabo een persoon verstaan die niet of niet langer functioneel is verbonden aan de agrarische inrichting. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat vergunninghouder ten tijde van het besluit niet of niet langer functioneel verbonden was aan de nertsenhouderij (…).  

Lees meer in uitspraak ABRS 18 november 2015, no. 201500978/1/A1

Plattelandswoning bestemmingsplan jurisprudentie

Plattelandswoning bestemmingsplan jurisprudentie

Inmiddels zijn we een aantal uitspraken verder over bovengenoemd onderwerp. Hieruit blijkt dat er veel meer onderzoek nodig is dan in eerste instantie bij de introductie van de Wet plattelandswoningen werd aangenomen. Hieronder een handig overzicht van de meest recente uitspraken (datum: publicatie 1 augustus 2015):platteland

Op basis van de tot dusverre verschenen jurisprudentie kunnen de volgende 4 lessen worden gehaald:

  1. Gezondheid: check bij een beoogde plattelandswoning nabij een intensieve veehouderij welke effecten deze heeft op de gezondheid van de bewoners van de plattelandswoning;
  2. Geluid: breng de geluidbronnen in beeld van het naastgelegen bedrijf en de omgeving en voer een akoestisch onderzoek uit;
  3. Luchtkwaliteit: voor een luchtkwaliteitsonderzoek uit vanwege het naastgelegen agrarische bedrijf;
  4. Maatwerk plattelandswoning: stel per plattelandswoning een onderzoek uit naar een goede ruimtelijke ordening ter plaatse. Dit laatste criterium uit de Wet ruimtelijke ordening blijft altijd als een zwaard van Damocles boven elke plattelandswoning ‘hangen’. Besteed hier dus aandacht aan!

Plattelandswoning regelen in bestemmingsplan? Hoe het wel kan!

Plattelandswoning regelen in het bestemmingsplan? Hoe het wel kan!

‘Raad van State haalt plattelandswoning onderuit’. Op 4 februari jl. verschenen er allerlei koppen in de media over de uitspraak van de Raad van State op die dag over de plattelandswoning en de toets met betrekking tot luchtkwaliteit. Die uitspraak maakt duidelijk dat de luchtkwaliteit bij een voormalige agrarische bedrijfswoning moet worden beoordeeld aan de hand van de luchtkwaliteitseisen als die woning door een derde mag worden bewoond. Volgens de uitspraak maakt het daarbij niet uit of de wetgever een ander doel heeft beoogd met de wetgeving inzake de plattelandswoning. Inmiddels zijn er ook kamervragen aan de minister van I en M gesteld over de gevolgen van de uitspraak.

Nu lijkt het wellicht zo of de realisatie van de plattelandswoning ‘op slot’ zit. Dat is echter niet zo. Ook bij een plattelandswoning is – net zoals bij andere ruimtelijke plannen of projecten – onderbouwing nodig van de besluitvorming. Bijv. ook ten aanzien van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Dat wordt in de praktijk vaak over het hoofd gezien.

In dit artikel treft u een handige checklist aan voor de realisatie van een plattelandswoning. Handig voor vergunningverleners en r.o.-medewerkers, maar ook voor degenen die een plattelandswoning willen realiseren.

De Plattelandswoning in het kortplattelandswoning

De Wet plattelandswoningen regelt kortweg twee belangrijke zaken:

  • het planologisch regime is bepalend voor de bescherming van een gebouw tegen negatieve milieueffecten en niet langer het feitelijk gebruik;
  • voormalige agrarische bedrijfswoningen worden niet langer beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf.

Voor de gemeente is het mogelijk om de woning in het bestemmingsplan aan te duiden als ‘plattelandswoning’ of ‘voormalige agrarische bedrijfswoning’. Dit houdt in dat de voormalige agrarische woning weliswaar gebruikt mag worden voor burgerbewoning, maar dat de woning niet beschermd wordt tegen negatieve milieugevolgen van het bijbehorende agrarische bedrijf inzake geuroverlast en geluidoverlast.

Let op: ‘een goede ruimtelijke ordening’ speelt ook bij de plattelandswoning een rol

Als gevolg van de wetswijziging zijn de Wet geluidhinder, Wabo, Wet milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij aangepast, in die zin dat niet langer het feitelijk gebruik doorslaggevend is, maar het planologisch kader. Zie hier enkele details over deze aanpassingen. Door de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015 is het duidelijk geworden dat – anders dan de wetgever heeft beoogd – de luchtkwaliteit ter plaatse van de luchtkwaliteit wel degelijk beoordeeld dient te worden. Het is dus belangrijk om voortaan een luchtkwaliteitsonderzoek uit te (laten) voeren.

Hoewel het lijkt dat hiermee de kous af is, is het zo dat er in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook nog andere aspecten getoetst moeten worden bij een verzoek inzake de plattelandswoning. Dat is echter niet op basis van voornoemde uitspraak, maar vanwege het criterium ‘een goede ruimtelijke ordening’. Bij het bestemmen van de plattelandswoning speelt ook dit toetsingskader een rol. Vanuit dit onderdeel in de besluitvorming kan het onwenselijk zijn om een voormalige agrarische bedrijfswoning te bestemmen als ‘plattelandswoning’. Hoewel een dergelijke woning bij toewijzing niet langer wordt beschermd tegen negatieve milieueffecten van het naastgelegen bedrijf met betrekking tot geuroverlast en geluid, dient er ter plaatse van de woning wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners.

Ook is het mogelijk dat de geluidoverlast van het naastgelegen agrarische bedrijf dermate groot is, dat er geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning, bijv. door ventilatoren of tractoren, etc. Ook kan bijv. een intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij fruitteelt een rol spelen. Dit kunnen redenen zijn voor de gemeente om de woning niet te bestemmen als plattelandswoning. Daarnaast kan het nodig zijn om ook onderzoek doen naar de gevolgen voor de gezondheid van de bewoners van de plattelandswoning, indien bijv. de woning nabij een intensieve veehouderij ligt.

Jurisprudentie over de plattelandswoning

  • ABRS 4 februari 2015, no. 201306630/5/R3 – luchtkwaliteit beoordelen bij plattelandswoningen
  • ABRS 24 december 2014, no. 201303444/1/R1 – in plattelandswoning kan alleen worden voorzien als de landbouwinrichting niet is gestaakt
  • ABRS 12 november 2014, no. 201306356/1/R3 – spuitzones beoordelen bij plattelandswoningen

Checklist realisatie plattelandswoning

Checklist onderzoeken plattelandswoning inzake milieu en goede ruimtelijke ordening:

  • gewasbeschermingsmiddelen: zijn er in de nabije omgeving boomgaarden of is er bomenteelt aanwezig? Is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegelaten? Lees meer over spuitzones…
  • luchtkwaliteit: een onderzoek inzake de luchtkwaliteit nabij de plattelandswoning is noodzakelijk;
  • gezondheid: check bij een plattelandswoning nabij een intensieve veehouderij welke effecten de bewoning heeft op de gezondheid van de bewoners. Laat de GGD een gezondheidstoets uitvoeren;
  • geluid: vanwege geluidsoverlast van tractoren, melkmachines, etc. kan de geluidbelasting voor de nieuwe bewoners te groot zijn. Breng de geluidbronnen in beeld en laat bij twijfel een akoestisch onderzoek uitvoeren. Let op! Dit is de afweging van geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De plattelandswoning wordt niet beschermd tegen geluid dat geregeld is in de Wet geluidhinder.

omgevingsjurist

 

 

 

Overgangsrecht of positief bestemmen in nieuw bestemmingsplan?

Overgangsrecht of positief bestemmen in nieuw bestemmingsplan?

Het valt op dat er veel gemeenten zijn die nieuwe bestemmingsplannen ter inzage leggen tijdens de zomervakantie. Hoewel dat juridisch is toegestaan, vind ik dat richting burgers en bedrijven niet zo netjes. Het hangt wel van het soort plan af. Een bestemmingsplan dat nauwelijks nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt kan prima tijdens de zomervakantie ter inzage worden gelegd. Voor een bestemmingsplan dat nieuwe ontwikkelingen, zoals woningbouw, mogelijk maakt vind ik dat wat anders.

Zelf ben ik gedurende de zomer bezig geweest met een zienswijze voor een klant tegen een ontwerp-bestemmingsplan dat 80 woningen mogelijk maakt. Bij dit plan kreeg ik de indruk dat de zomervakantie (met de afwezigheid van velen) wel erg goed uitkwam voor de gemeente.

Bij een nieuw bestemmingsplan dat ter inzage ligt is het belangrijk goed op te letten! Nieuwe inzichten van de gemeente over een bepaalde locatie kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat de gemeente een bedrijf niet meer als bedrijf bestemt in een nieuw bestemmingsplan, maar onder het overgangsrecht brengt. Dat de gemeente hier zorgvuldig te werk moet gaan staat buiten twijfel. Zo’n keuze kan namelijk leiden tot planschade. Het maakt een groot verschil of een bouwwerk of een bepaald gebruik onder het overgangsrecht wordt gebracht of positief wordt bestemd in het nieuwe bestemmingsplan. De bescherming van het overgangsrecht is namelijk minder groot dan de mogelijkheden die een positieve bestemming biedt.

Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van een bepaald gebruik komt veelvuldig voor. Uit uitspraken van de Raad van State blijkt dat de gemeente hier nogal eens steken laat vallen.

Uitzonderingen op positief bestemmen

Het overgangsrecht is een complexe materie waar veel jurisprudentie over is verschenen en allerlei nuances mogelijk zijn. Dit artikel is te kort om er uitvoerig op in te gaan. Het algemene uitgangspunt is echter dat de gemeente legaal gebruik of een bestaand legaal bouwwerk in een nieuw bestemmingsplan positief moet bestemmen. Uitzonderingen op deze regel zijn:

  • er is sprake van nieuwe inzichten van de gemeente voor het plangebied, en
  • het belang bij de beoogde nieuwe bestemming weegt zwaarder dan de gevestigde rechten en belangen van betrokkenen.

Onder deze voorwaarden kan de gemeente het gebruik of het bouwwerk in beginsel onder  het overgangsrecht brengen. De belangenafweging die hier een rol speelt moet uitgebreid gemotiveerd worden door de gemeente.

Het moet verder duidelijk zijn dat het bestaande gebruik binnen de planperiode van 10 jaar wordt beëindigd of dat het bouwwerk wordt gesloopt. Dit is een hele belangrijke eis. In de praktijk gaat het hier regelmatig mis en wordt bestaand gebruik of een bouwwerk wederom onder het overgangsrecht gebracht. Is die verwachting er niet, dan is het bestemmingsplan niet uitvoerbaar en heeft de belanghebbende, zoals de eigenaar, recht op een positieve bestemming voor zijn bouwwerk of het gebruik.

Belangrijke uitspraken voor de praktijk

Uit uitspraken blijkt dat de rechtspraak grote moeite heeft met het (opnieuw) onder het overgangsrecht brengen van een bestaande situatie, indien er geen concrete vooruitzichten zijn met betrekking tot beëindiging van de functie of het bouwwerk binnen de planperiode van 10 jaar.

 

 

Tijdelijke evenementen nader regelen in planregels van bestemmingsplan

Tijdelijke evenementen nader regelen in planregels van bestemmingsplan

Er zijn al vele uitspraken verschenen over het nader regelen van tijdelijke evenementen in het bestemmingsplan. Op 13 februari 2013 is er weer eentje gepubliceerd door de Afdeling (no. 201204059/1/T1/R1.

Het bestemmingsplan in kwestie is een in hoofdzaak conserverend plan. Het plangebied is tevens aangewezen als beschermd stadsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988. Aan het stadspark is de bestemming ‘Groen’ toegekend, met de mogelijkheid om tijdelijke evenementen toe te staan. Reclamanten betogen dat in het bestemmingsplan ten onrechte geen toetsingskader is opgenomen voor de verlening van vergunningen voor grote evenementen.

De Afdeling overweegt: “Het ligt op de weg van de planwetgever om onder meer ten aanzien van het aantal evenementen per jaar, het soort evenementen, de duur en de maximale bezoekersaantallen regels te stellen, voor zover dat uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid voor het houden van evenementen op een bepaalde locatie van belang is. De raad erkent dat in de planregels een specificatie had moeten worden opgenomen met betrekking tot evenementen die jaarlijks kunnen worden gehouden in het (..)park. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit planonderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.”

Lees meer jurisprudentie over tijdelijke evenementen en het bestemmingsplan.

 

Ondergronds bouwen en meetvoorschriften bestemmingsplan

Ondergronds bouwen en het bestemmingsplan – verhouding meetvoorschriften en bouwregels

Hoewel deze uitspraak van 14 november 2012, LJN: BY3048 geen verandering brengt in de standaard- jurisprudentie met betrekking tot ondergronds bouwen, laat deze uitspraak zien hoe het ook alweer zit tussen de verhouding van meetvoorschriften en bouwregels in het bestemmingsplan bij ondergrondse bouw. Om die reden wordt alleen de overweging van de Afdeling vermeldt:

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is voor de beantwoording van de vraag of de ondergrondse bebouwing dient te worden meegerekend bij de toetsing van een bouwplan aan de in de planvoorschriften voorgeschreven maximale inhoudsmaat bepalend of de planwetgever heeft beoogd een onderscheid te maken tussen ondergrondse en bovengrondse bouw. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat de planwetgever in dit geval heeft beoogd dat onderscheid te maken. (…) Aan bepalingen in planvoorschriften die geenbouwvoorschriften zijn, doch als meetvoorschriften regels geven omtrent de wijzen van toepassing van dergelijke voorschriften en derhalve een onzelfstandig en ondersteunend karakter hebben, kan niet een zodanige uitleg worden gegeven dat zij de (algemene) werking van bouwvoorschriften beperken tot bepaalde gevallen. Dit zou er anders toe leiden dat aan de strekking van de bouwvoorschriften zelf afbreuk wordt gedaan.”

omgevingsjurist

Geurnorm Wet geurhinder en veehouderij en aanvaardbaar woon- en leefklimaat

Geurnorm Wet geurhinder en veehouderij en aanvaardbaar woon- en leefklimaatgeurnorm wet geurhinder en veehouderij

Het bestemmingsplan in kwestie maakt een vergroting van het bouwvlak mogelijk voor een bestaande veehouderij. De buurman (in de nabijgelegen) burgerwoning vreest door de vergroting van het bouwvlak onder meer voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat ten gevolge van stank- en geluidsoverlast. De uitbreiding maakt bebouwing mogelijk op een afstand van 12 m tot het plandeel met de bestemming ‘Wonen’.

Volgens de gemeente voldoen de bestaande intensieve veehouderijen aan de eisen van de Wet geurhinder en veehouderij en het veroorzaakt het plan geen onevenredige milieuhinder.

Het niet overschrijden van de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm Wet geurhinder en veehouderij betekent volgens de Afdeling niet zonder meer dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. De gemeente heeft in het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied slechts verwezen naar de toepasselijke normen uit de Wet geurhinder en veehouderij.

Deze uitspraak van 22 augustus 2012, (no. 201101467/1/R) bevestigt de bestaande jurisprudentie ten aanzien van de Wet geurhinder en een goede ruimtelijke ordening.

omgevingsjurist