deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Woningen bedrijventerrein en geluidniveau

Woningen bedrijventerrein en geluidniveauwoningen bedrijventerrein

De raad heeft in een bestemmingsplan voor de bestaande woningen op het bedrijventerrein de aanduiding ‘overige zone – wonen op een bedrijventerrein’ opgenomen. De reden hiervoor is dat de gemeente discussie wil voorkomen of een woning al dan niet op een bedrijventerrein ligt als bedoeld in artikel 1.1 Activiteitenbesluit milieubeheer. De toekenning van deze aanduiding brengt met zich mee dat voor de gevel van deze woningen de normen gelden die zijn opgenomen in artikel 2.17c van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

De normen uit tabel 2.17c Activiteitenbesluit milieubeheer bieden een lager beschermingsniveau voor geluidniveaus op de gevels van woningen dan de normen van de geluidniveaus in tabel 2.17a die gelden voor de gevels van woningen die niet op een bedrijventerrein liggen.

De Afdeling overweegtdat indien de door de raad gekozen plansystematiek geaccepteerd zou worden, dit met zich zou kunnen brengen dat voor een woning die niet op een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 1.1 eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer ligt, de minder strenge geluidnormen gelden als opgenomen in tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook zou deze plansystematiek ertoe kunnen leiden dat bij wijziging van de omliggende bestemmingen van een woning op een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van het  Activiteitenbesluit milieubeheer, de woning niet langer kan worden aangemerkt als een woning op een bedrijventerrein, maar dat vanwege de aanduiding (…) ten aanzien van die woning toch wordt vastgehouden aan de minder strenge normen van tabel 2.17c. Dit strookt niet met de systematiek van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gezien het vorenstaande is de door de raad gekozen plansystematiek naar het oordeel van de Afdeling in strijd met het systeem van artikel 2.17 eerste en tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer (…). Lees meer in r.o. 61.2 van uitspraak ABRS 11 september 2019, no. 201804279/1/R1 (woningen bedrijventerrein).

Voor maatwerk advies over geluid en bestemmingsplan, bel 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Grondwateroverlast via bestemmingsplan oplossen?

Grondwateroverlast via bestemmingsplan oplossen?grondwateroverlast

Het bestemmingsplan maakt maximaal 160 woningen mogelijk met daarnaast enkele maatschappelijke voorzieningen. Appellanten vrezen een toename van de bestaande wateroverlast. De oorzaak van deze wateroverlast is volgens hen dat de bestaande woningen op een te laag peil zijn gebouwd ten opzichte van de grondwaterstand. De kleilaag laat slecht water door. De overlast is verergerd volgens hen omdat de gemeente een zogeheten DIT-riool heeft aangelegd. Dat is een riool waarbij afvalwater en regenwater gescheiden worden afgevoerd. Het regenwater wordt via drainage afgevoerd naar het oppervlaktewater of wordt geïnfiltreerd in de bodem.

Appellanten vrezen dat de toename aan verharding in het plangebied niet voldoende zal worden gecompenseerd. Weliswaar zijn in het bestemmingsplan voorwaardelijke verplichtingen opgenomen, maar deze zijn volgens hen onvoldoende om de grondwateroverlast op te lossen.

De Afdeling overweegtdat de raad heeft toegelicht dat in veel wijken (…) sprake is van grondwateroverlast, vanwege een hoge grondwaterstand en een in de bodem aanwezige kleilaag die water slecht doorlaat. Die overlast ontstaat als het langdurig regent. (…) De raad heeft daarbij onderkent dat het bestaande (…) riool niet goed werkt. Het plan hoeft niet te voorzien in een oplossing voor de bestaande grondwateroverlast. Ook hoeft in het plan niet de inrichting van het rioleringssysteem te worden geregeld. Het staat echter vast dat het plan effecten zal hebben op de grondwatersituatie ter plaatse. (…) Gelet hierop en op de bestaande wateroverlast lag het op de weg van de raad om zich bij de vaststelling van het plan zich ervan te verzekeren dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare toename van de wateroverlast voor naburige percelen. (…). Lees meer in r.o. 4.3 en 4.4 van uitspraak ABRS 4 september 2019, no. 201805956/1/R1.

Vragen over de juridische borging van water in een bestemmingsplan? Bel 010-268 0689 of mail.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Spuitzones boomgaarden 50 meter richtafstand is achterhaald

Spuitzones boomgaarden – 50 meter richtafstand is achterhaald (deel 1)spuitzones boomgaarden

Praktijk versus juridische werkelijkheid

Er gaapt nogal een gat tussen de uitvoeringspraktijk van de gemiddelde fruitteler die bespuitingen uitvoert in een productieboomgaard (appels en peren) en de juridische werkelijkheid. In de praktijk passen vrijwel alle telers al vergaande driftreducerende spuitmethoden toe, zoals driftreducerende spuitdoppen. Ook wordt er door telers meestal niet gespoten met een harde wind of wind die richting woningen waait. Dit is ook in het belang van de teler want gewasbeschermingsmiddelen, maar ook arbeid zijn duur. De spuitvloeistof blijft als het windstil is meer in het te bespuiten gebied en komt zo beter op de (fruit)bomen terecht. Tot dusverre de praktijk. (spuitzones boomgaarden)

Nu de juridische werkelijkheid. In de rechtspraak gaat men over het algemeen nog steeds uit van de maximale planologische mogelijkheden zoals die staan weergegeven in het geldende bestemmingsplan. Al zijn er enkele uitspraken die dat beginsel enigszins relativeren. In beginsel dient dus in een locatiespecifiek onderzoek te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het agrarische perceel in plaats van de feitelijke situatie. Daarnaast gaat de rechtspraak nog steeds uit van een 50 meter richtafstand. Deze afstand is oorspronkelijk afkomstig uit het Streekplan 1996 van de provincie Gelderland en is anno 2019 niet meer bepaald actueel te noemen (meer dan 20 jaar oud!). Hoewel er onderbouwd kan worden afgeweken van de richtafstand is de 50 meter nog een belangrijk referentiepunt in de rechtspraak en blijkt nogal hardnekkig. De wijze van beoordeling van het Ctgb is uitgebreid te noemen en ook de driftreducerende maatregelen die worden genoemd in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn een grote vooruitgang. Helaas is de rechtspraak nog niet zo ver en wordt nog steeds uitgegaan van 50 meter.

Verder bestaat er bij omwonenden van landbouwgronden veel onzekerheid over de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op hun gezondheid. Recent onderzoek van het RIVM toont aan dat er weliswaar nog kennislacunes zijn, maar dat niet onomstotelijk vaststaat dat het wonen bij landbouwgronden leidt tot nadelige gezondheidseffecten. Uiteraard is het heel belangrijk om zorgvuldig te werk te gaan om eventuele effecten te beoordelen. Het is helaas jammer dat de nuance ontbreekt. Uitzendingen als Zembla, maar ook andere media kunnen de indruk wekken dat telers maar wat aanklooien en volop gif verspreiden over hun velden. Dat is niet het geval. Er wordt uitgebreid bijgehouden wat er wat gespoten en wanneer, vaak via een app. Zoals hiervoor staat aangegeven hebben telers er helemaal geen belang bij om maar wat in het wilde weg te spuiten.

In een volgende blog (deel 2) ga ik verder in op de 50 meter afstand en waarom die achterhaald is.

Wilt u meer weten over locatiespecifieke spuitzoneringsonderzoeken? Bel de specialist op dit gebied: 010 – 268 0689 of mail.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Verrijdbare kas buiten bouwvlak bestemmingsplan?

Verrijdbare kas buiten bouwvlak bestemmingsplan?verrijdbare kas

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een verrijdbare kas. Het bouwplan bestaat uit twee verrijdbare kasonderdelen. De kassen hebben elk een oppervlakte van 400 m². Het baanvak waarover de kas rijdt heeft een lengte van 160 meter.

Volgens appellant past het bouwplan niet in het nieuwe bestemmingsplan. Hij voert aan dat de verrijdbare kassen zich buiten het bouwvlak kunnen bevinden.

De standplaats van de twee verrijdbare kassen bevindt zich in het bouwvlak van het bestemmingsplan. Volgens de aanvrager van de omgevingsvergunning is de rolkas nodig om voor het buitensluiten van regen om droogteproeven te kunnen uitvoeren. Wanneer het niet regent is de kas geparkeerd. Wanneer het regent moet de kas over het proefveld. De rolkas staat voor het grootste gedeelte van de tijd op de parkeerplek naast de bestaande loods.

De Afdeling is van oordeel dat “het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt gebouwd buiten het bouwvlak als de tunnelkas wordt verplaatst op de buiten het bouwvlak aanwezige palen. Daarbij is van belang dat de tunnelkas alleen buiten de voormelde incidentele werkzaamheden wordt geplaatst op de palen (…). Anders dan appellant stelt behoeft het traject waarover de kassen kunnen worden uitgereden gelet op het voorgaande niet te worden meegeteld bij de beantwoording van de vraag of voldaan wordt aan het maximum aan te bebouwen oppervlakte als bedoeld in (…) van de planregels. Het betoog faalt.”

Lees meer in r.o. 9 van uitspraak ABRS 4 september 2019, no. 201709787/1/A1.

Alleen voor agrariërs: Check of uw kas in het bestemmingsplan past! Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Archeologisch onderzoek niet voor vergunningvrij

Archeologisch onderzoek niet voor vergunningvrijarcheologisch onderzoek

In de praktijk leveren archeologische onderzoeken vaak ergernis op bij initiatiefnemers van bouwplannen. Het levert extra onderzoekskosten op zonder dat duidelijk is waarom dergelijke onderzoeken moeten worden uitgevoerd. Persoonlijk vind ik het jammer dat er vanuit de overheid niet gecommuniceerd wordt waarom die onderzoeken nodig of nuttig zijn. Van een archeologisch deskundige heb ik al eens vernomen wat er mee gedaan wordt en wat ze graag zouden willen. Bij metrostation Blijdorp in Rotterdam is dat goed te zien. Het is leuk en informatief om te lezen wat daar is gevonden en welke geschiedenis aan de locatie is verbonden. Leuk gedaan! Dat zouden meer gemeenten moeten laten zien. Ik denk dat er dan meer begrip ontstaat voor dergelijke onderzoeken en waarom het zo belangrijk is.

Moeten archeologische onderzoeken nu ook worden uitgevoerd voor vergunningvrije bouwwerken?

Deze vraag kwam aan de orde in een uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2019. Het ging in dit geval om een mestplaat die volgens de gemeente in strijd met het bestemmingsplan was gebouwd. Op de locatie is behalve een agrarische bestemming ook de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ van toepassing. Meestal zijn hier standaardregels voor opgesteld in een bestemmingsplan. Volgens appellant was het college van B&W niet bevoegd om handhavend op te treden. Volgens het college moet de bepaling inzake ‘Waarde-Archeologie’ zo moeten worden gelezen dat op gronden met een archeologische dubbelbestemming geen bouwwerken mogen worden gebouwd die groter zijn dan 100 m², tenzij hier een omgevingsvergunning voor is verleend.

De Afdeling overweegt als volgt: “In artikel (…) van de planregels is niet bepaald dat een archeologisch rapport ook nodig is voor bouwwerken van meer dan 100 m² die zonder een omgevingsvergunning voor bouwen mogen worden gebouwd. Als een bouwwerk vergunningvrij mag worden opgericht, dan hoeft er geen aanvraag voor omgevingsvergunning voor bouwen te worden ingediend.” Lees meer in r.o. 12.1 van uitspraak 201709508/1/A1. (geen archeologisch onderzoek vergunningvrij).

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Vormvrije merbeoordeling in toelichting is geen merbeoordelingsbesluit

Vormvrije merbeoordeling in toelichting is geen m.e.r.-beoordelingsbesluitvormvrije merbeoordeling

Het bestemmingsplan in kwestie maakt 675 woningen mogelijk. Daarmee wordt voorzien in een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan betreft in dit geval een besluit als bedoeld in kolom 4 van categorie 11.2 (…). Indien bij een besluit als bedoeld kolom 4 van onderdeel D (…), de drempelwaarden die zijn vermeld in kolom 2 van de desbetreffende categorie worden overschreden, dan moet blijkens artikel 2, vijfde lid onder a, van het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling worden gemaakt. (…). In dit geval worden de drempelwaarden niet overschreden. Bij het niet overschrijden van de drempelwaarden (…) dient een zogenoemde m.e.r.-beoordeling te worden gemaakt. (…)

Sinds 7 juli 2017 bevat artikel 2, vijfde lid, onder b van het Besluit m.e.r. de verplichting voor het bevoegd gezag om de artikel 7.16, 7.17 eerste tot en met vierde lid, 7.18 en 7.19 (…) van de Wet milieubeheer toe te passen. Op grond hiervan is het bevoegd gezag verplicht om een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze beslissing wordt een m.e.r-beoordelingsbesluit genoemd. Een dergelijk besluit is sinds 7 juli 2017 dus niet alleen vereist indien sprake is van een besluit als bedoeld in kolom 4 van onderdeel D (…) en de drempelwaarden voor de desbetreffende activiteit worden overschreden, maar ook indien de drempelwaarden niet worden overschreden.

(…) In het verweerschrift stelt de raad slechts dat met de terinzagelegging van het ontwerpplan en hetgeen is vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan impliciet is besloten om niet een MER op te stellen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in uitspraak (…), kan een vormvrije-m.e.r.-beoordeling die is opgenomen in de plantoelichting niet worden aangemerkt als een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Nu een m.e.r.-beoordelingsbesluit ontbreekt, moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan (…) van het Besluit m.e.r. neergelegde verplichting de daar genoemde artikelen uit de Wet milieubeheer toe te passen. Het betoog slaagt.

Lees verder in uitspraak ABRS 9 juli 2019, no. 201810229/3/R3. (Vormvrije merbeoordeling)

Advies nodig over vormvrije m.e.r.-beoordelingen? Bel 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl.

 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bedrijfsmatige agrarische activiteiten bestemmingsplan

Bedrijfsmatige agrarische activiteiten bestemmingsplanbedrijfsmatige agrarische activiteiten

In een bestemmingsplan wordt vaak de volgende definitie opgenomen van ‘agrarisch bedrijf’: “een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren (…)”. 

In de praktijk is het best lastig vast te stellen wanneer daar nu sprake van is. Het kan een bedrijf in opbouw zijn of op de grens zitten van hobbymatige agrarische activiteiten. In deze zaak dat een handhavingszaak betreft, komt dit aspect aan de orde.

Appellant betoogt dat zijn buurman in strijd met het bestemmingsplan een agrarische bedrijfswoning gebruikt voor (burger)woondoeleinden. Appellant is eigenaar van agrarische gronden die grenzen aan de tuin van de woning. De gronden worden gebruikt als grasland en voor de teelt van gewassen. De gemeente heeft het verzoek om handhaving afgewezen. Volgens het college is zij niet bevoegd om handhavend op te treden omdat er geen sprake is van een strijdige situatie.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) Ter beoordeling staat derhalve de vraag of op het perceel een agrarisch bedrijf in de zin van (…) de planregels wordt geëxploiteerd. In geschil is evenmin dat in de planregels van het bestemmingsplan de eis van volwaardigheid niet is gesteld, zodat niet noodzakelijk is dat sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf in de zin van de planregels. Dat met de agrarische activiteiten geen volwaardig inkomen wordt gegenereerd, biedt daarom op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat geen sprake is van activiteiten met een bedrijfsmatig karakter. Ter beoordeling van de vraag of sprake is van bedrijfsmatige agrarische activiteiten dient het geheel van de zich ter zake doende feiten en omstandigheden in aanmerking te worden genomen. Hierbij kunnen naast de inkomsten bijkomende gegevens gewicht in de schaal leggen, zoals onder meer het grondareaal, de veebezetting, de intentie waarmee de activiteiten worden ondernomen, de tijd die daaraan wordt besteed, en de al of niet agrarische herkomst van de betrokkene. Uit deze gegevens kan veelal worden afgeleid of de agrarische activiteiten een bedrijfsmatig dan wel een daarvan te onderscheiden hobbymatig karakter dragen. Lees meer in r.o. 6.2  van uitspraak ABRS 15 mei 2019, no. 201809479/1/A1.

Voor vragen of advies of er al dan niet sprake is van een agrarisch bedrijf, bel 010 – 268 0689!

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

huisvesting seizoenarbeiders via voorwaarden mogelijk maken

Huisvesting seizoenarbeiders via voorwaarden bestemmingsplan mogelijk makenhuisvesting seizoenarbeiders

  • huisvesting seizoenarbeiders
  • planregel woon- en leefklimaat omwonenden rechtsonzeker?

De huisvesting van seizoenarbeiders blijft de gemoederen bezig houden. Met name in de agrarische sector zijn arbeidsmigranten – die vaak op tijdelijke basis werken – hard nodig om bijv. de aardbeien, asperges, etc. van het land te halen. Vrijwel elke gemeente kent de problematiek van het huisvesten van arbeidsmigranten in woonwijken. Vaak leidt dit tot extra parkeerdruk in de omgeving of tot andere klachten van omwonenden. Het lijkt dan ook beter om de arbeidsmigranten te huisvesten bij het agrarische bedrijf zelf. Daar heeft de navolgende uitspraak van de Afdeling betrekking op.

De raad van de gemeente Breda heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor het oostelijke deel van het buitengebied. In het plan is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor de huisvesting van seizoenarbeiders in stacaravans en woonunits. Er is onder meer  de voorwaarde opgenomen dat de huisvesting van seizoenarbeiders geen nadelige gevolgen mag hebben voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. Verder is als voorwaarde opgenomen dat dit gebruik is toegestaan voor een maximaal aaneengesloten periode van 6 maanden voor maximaal 40 seizoenarbeiders. Ook dienen de woonunits en stacaravans te worden opgenomen in het bouwvlak van het agrarische bedrijf.

Er is tevens een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan voor de huisvesting van maximaal 120 seizoenarbeiders. Appellanten hebben bezwaar tegen de hiervoor genoemde mogelijkheden. Zij betogen dat de raad, om een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden verzekeren, een minimale afstand had moeten opnemen die moet worden aangehouden tussen woonunits en nabijgelegen woningen. Zij vrezen geluidsoverlast. De voorwaarde dat moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet mag worden aangetast vinden appellanten onduidelijk.

De Afdeling is van oordeel dat “uit de artikelen (…) van de planregels voldoende blijkt dat onder welke omstandigheden het college (…) een omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan mag verlenen of een wijzigingsplan mag vaststellen voor de realisatie van woonunits binnen het bouwvlak van een agrarisch bedrijf voor ten hoogste 40 onderscheidenlijk 120 seizoenarbeiders die bij het desbetreffende bedrijf werkzaam zijn. (…) Dat in de planregels geen precieze afstand tot omliggende woningen is vermeld, doet daaraan niet af, en is geen reden om de genoemde bepalingen rechtsonzeker te noemen.”

Lees meer in uitspraak ABRS 10 april 2019, no. 201708192/1/R2

Wilt u de huisvesting van seizoenarbeiders mogelijk maken bij uw bedrijf?

Bel 010 – 2680689 voor meer informatie of voor advies.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hogere waardenbesluit en belanghebbende

Hogere waardenbesluit en belanghebbendehogere waardenbesluit

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college tot vaststelling van hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder. Dit besluit is vastgesteld voor de woningen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid Awb wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De Afdeling overweegt in deze zaak als volgt: “Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (…) bevat afdeling 2 van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbaar worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woning is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woning een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woning. De regeling in artikel 83 van de Wet geluidhinder voorziet erin dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting – na het treffen van maatregelen – bij de te bouwen woningen vanwege de weg maximaal mag optreden. Deze regeling strekt daarmee tot bescherming van de toekomstige bewoners van de te bouwen woningen. Appellanten zijn geen eigenaar van één van de te bouwen woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de woningen die in het bestemmingsplan zijn voorzien. Derhalve strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van hun belangen (…).”

Zie uitspraak ABRS 27 maart 2019, no. 201804611/1/R1 (hogere waardenbesluit en belanghebbende)

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Handhaving bedrijfswoning en beroep op toekomstige wetgeving

Handhaving bedrijfswoning en beroep op toekomstige wetgeving door gemeentehandhaving bedrijfswoning

Het college van B&W heeft een verzoek om handhaving tegen het gebruik als burgerwoning van een woning afgewezen. Een maatschap exploiteert op hetzelfde perceel een pluimveehouderij. De woning is de voormalige bedrijfswoning bij de pluimveehouderij. In 1995 is de woning afgesplitst van het agrarische bedrijf door de afzonderlijke verkoop van de woning en het agrarische bedrijf. In 1996 heeft de huidige maatschap het agrarische bedrijf gekocht. De woning wordt bewoond door personen die geen binding met het pluimveehouderijbedrijf hebben.

De maatschap heeft een verzoek om handhaving ingediend met het verzoek om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de woning als burgerwoning. De maatschap vreest dat dit gebruik haar bedrijfsvoering kan belemmeren. (handhaving bedrijfswoning).

Het college stelt dat het de woning in voorkomende procedures op basis van de Wabo en Wm als een agrarische woning zal beschouwen. Dit betekent volgens het college dat de bedrijfsvoering van de maatschap op geen enkele wijze zal worden geschaad of belemmerd door bestuursrechtelijk handelen van het college in relatie tot het gebruik van de woning als burgerwoning. Verder is volgens het college het niet aannemelijk dat de inrichting gaat uitbreiden of zal wijzigen, aangezien door de rijksoverheid aangekochte reductie-eisen voor fijnstof voor de pluimveesector, uitbreiding of wijziging van de inrichting onmogelijk maken.

De Afdeling overweegt als volgt:Het staat vast dat het gebruik van de woning als burgerwoning in strijd is met de bestemming ‘Agrarisch gebied’, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden. (…) De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet in geschil is dat er geen concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestaat en dat enkel de vraag aan de orde is of handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college daarvan af behoorde te zien. (…) Het standpunt van het college, dat de maatschap niet in haar bedrijfsactiviteiten wordt beperkt door het gebruik van de woning als burgerwoning, is bovendien onjuist.

Bij zijn standpunt dat uitbreiding of wijziging van de inrichting niet aannemelijk of zelfs onmogelijk is, loopt het college ten onrechte vooruit op de aangekondigde reductie-eisen voor fijnstof en gaat het er ten onrechte van uit dat uitbreiding van het bestaande pluimveebedrijf de enige mogelijke door de maatschap gewenste bedrijfsactiviteit is. Het is niet uitgesloten dat de maatschap in de toekomst een omgevingsvergunning aanvraagt voor een bepaalde bedrijfsactiviteit die uitsluitend vanwege de aanwezigheid van een burgerwoning op het perceel niet kan worden verleend. Daarbij is van belang dat het college die aanvraag moet toetsen aan de toepasselijke wettelijke regelingen, op grond waarvan het college mogelijk niet de beoordelingsruimte heeft om de milieugevolgen voor de woning (…) niet in zijn beoordeling te betrekken. Afgezien van de mogelijkheid tot uitbreiding of wijziging van de pluimveehouderij, heeft de maatschap onweersproken gesteld dat zij door de feitelijke aanwezigheid van een burgerwoning op het perceel niet kan voldoen aan de voorschriften van de nu voor haar inrichting geldende omgevingsvergunning. Ook hierom wordt de maatschap in haar bedrijfsvoering belemmerd door het gebruik van de woning als burgerwoning.” Zie verder uitspraak ABRS 20 maart 2019, no. 201802435/1/A1.(handhaving bedrijfswoning)

Bent u agrariër en heeft u last van een (bedrijfs)woning? Bel 010 – 268 0689 of mail voor een oplossing!