deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Endotoxinen als weigeringsgrond omgevingsvergunning

Endotoxinen als weigeringsgrond omgevingsvergunning

Het komt niet vaak voor dat een gemeente een besluit weigert vanwege gezondheidsmotieven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het aspect gezondheid een mee te wegen belang: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is het effect dat nabij gelegen veehouderijen op de volksgezondheid kan hebben een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zulke risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar verslechtert.”

endotoxinen

In dit geval heeft de raad een zogeheten ‘veegplan’ voor het buitengebied vastgesteld. Appellant acht het onterecht dat de raad zijn eerder ingediende uitbreidingsplannen voor zijn pluimveehouderij niet heeft meegenomen in het bestemmingsplan. Ook de door hem verzochte vergroting van het bouwvlak is niet meegenomen. De gemeente heeft deze aanvragen om omgevingsvergunning eerder geweigerd.

Volgens de Afdeling is niet met een eenduidige wettelijke regeling bepaald op welke wijze bestuursorganen de mogelijke gevolgen van de emissie van endotoxinen bij veehouderijen in hun besluitvorming moeten betrekken. Het is aan het bestuursorgaan om bij het besluit over vergunningverlening te bepalen welke maatregelen (…) in het kader van de bescherming van het milieu nodig zijn, waarbij het bestuursorgaan beoordelingsruimte heeft. (…) Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad ter voorkoming van een situatie waarin risico’s voor de gezondheid van omwonenden onstaan, in dit geval in redelijkheid kunnen verwijzen naar het endotoxinekader. Lees meer in r.o. 5.3 van uitspraak ABRS 20 mei 2020, no. 201804487/1/R2.

Bel voor meer informatie 010 – 268 0689.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

VNG-brochure mantelzorgwoning en wijze van meten

VNG-brochure mantelzorgwoning en wijze van meten

De VNG-brochure wordt nog steeds vaak toegepast als richtsnoer bij het bepalen van afstanden tussen woningen en bedrijvigheid. Inmiddels is ook de opvolger hiervan bekend en dat is de VNG-uitgave ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl.

VNG-brochure mantelzorgwoning

De gemeente West Betuwe heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de bouw van 10 woningen en een brede school. De woning van appellant is op zo’n 14 meter gesitueerd van de te bouwen brede school. Er wordt volgens appellant niet voldaan aan de richtafstand van tenminste 10 meter zoals is opgenomen in de VNG-brochure.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen “gelden de richtafstanden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die milieubelastende en milieugevoelige functies toelaat, in dit geval de brede school, en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelij is.

Ter zitting heeft appellant zijn verdere betoog toegespitst op de mogelijkheden om vergunningvrij een mantelzorgwoning in zijn achtertuin te bouwen enerzijds en de mogelijkheden om op basis van het bestemmingsplan (…) een bijgebouw in zijn achtertuin te realiseren anderzijds. (…) Ten aanzien van de vergunningvrije bouwmogelijkheden stelt de Afdeling vast dat appellant de mogelijkheid heeft om in het achtererfgebied van zijn perceel (…) op grond van de Bor ook een mantelzorgwoning te bouwen, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Op grond van (…) het Bor is het toegestaan dat dit bouwwerk maximaal 50 m2 bedraagt.

De uiterste situering van de gevel van een mantelzorgwoning of een bijgebouw zal zowel in het geval van de bouwmogelijkheden op basis van de functieaanduiding ‘achtertuin’ (…) als op basis van de vergunningvrije bouwmogelijkheden als bepaald in (…) het Bor, dichter bij de brede school liggen dan de richtafstand van 10 m (…). Bij het afwijken van de richtafstanden die in de VNG-brochure zijn opgenomen, dient in beginsel rekening te worden gehouden met de maximale planologische en vergunningvrije bouwmogelijkheden ten behoeve van een woonfunctie op een perceel. Dat appellant ten tijde van het bestreden besluit geen concrete plannen had voor de bouw van een mantelzorgwoning of een bijgebouw op zijn perceel, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de Afdeling is de raad bij de beoordeling van de akoestische gevolgen van de voorziene ontwikkeling ten onrechte niet uitgegaan van de uiterste situering van de gevel van een mantelzorgwoning of bijgebouw (…).”

Lees meer in r.o. 12.7 van uitspraak ABRS 8 april 2020, no. 201809125/1/R1. (VNG-brochure mantelzorgwoning)

Bel voor advies over milieuzonering naar 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Gezondheid geitenhouderij en uitbreiding bouwvlak

Gezondheid geitenhouderij en uitbreiding bouwvlak

Het college van B&W heeft geweigerd mee te werken aan een wijziging van het bestemmingsplan voor een uitbreiding van een geitenhouderij. Het gaat in dit geval om een wijziging van het bestaande bouwvlak met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan. Het gaat om 3 bestaande sleufsilo’s die in het verleden illegaal zijn geplaatst.

Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat zolang gezondheidsrisico’s van geitenhouderijen niet kunnen worden ingeschat, niet kan worden gesteld dat de gevraagde wijziging van het bouwvlak niet leidt tot een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige functies en waarden en/of belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Dit laatste is een van de wijzigingsvoorwaarden zoals opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid. Daarbij heeft het college ook het uitgangspunt in acht genomen van de Omgevingsverordening Gelderland om de legale en feitelijke situatie bij geitenhouderij te bevriezen. De stelling van appellant dat de opslag van ruwvoer op zich niet leidt tot gezondheidsrisico’s doet hieraan volgens het college niet af.

De Afdeling overweegt als volgt: “De Afdeling overweegt dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het meent dat gezondheidsrisico’s als gevolg van de bouw van 3 silo’s op het perceel op voorhand niet kunnen worden uitgesloten. Appellant stelt terecht dat het college niet kan volstaan met een verwijzing naar het standpunt van de raad (…) als weergegeven in uitspraak (…) over een ander plan/project. Reden hiervoor is dat de onzekere gezondheidsrisico’s voor omwonenden in die uitspraak door de raad werden gekoppeld aan de vestiging van, de uitbreiding van, dan wel de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte van dierenverblijven van geitenhouderijen. (…) In dit geval is de wens om het bouwvlak te wijzigen echter uitsluitend ingegeven door de wens 3 bestaande silo’s te legaliseren. Met de bouw van silo’s vindt de facto geen uitbreiding/wijziging van het oppervlak van een dierenverblijf bij een geitenhouderij plaats. (…). Lees meer in uitspraak ABRS 1 april 2020, no. 2019033/1/R1. (gezondheid geitenhouderij)

gezondheid geitenhouderij

Meer weten over gezondheid in het bestemmingsplan?

Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Horecaterras? Kijk verder dan de VNG-brochure!

Horecaterras? Kijk verder dan de VNG-brochure!horecaterras

De raad van de gemeente Rotterdam heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de woonwijk Park 16hoven en nieuwe horeca. Appellant vreest voor de aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning. Volgens hem is ten onrechte niet ingegaan op de geluidbelasting die het gevolg zal zijn van de horeca in het park.

De Afdeling overweegt als volgt: “Bij de beoordeling van de vraag of het voorliggende plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dienen de gevolgen van de exploitatie van een horecavestiging met onder meer een terras en parkeervoorzieningen voor het woon- en leefklimaat voor omwonenden te worden meegewogen. Niet is gebleken dat de raad een dergelijk onderzoek voorafgaan aan de vaststelling van het plan heeft verricht. De raad lijkt voor deze beoordeling aansluiting te hebben gezocht bij de VNG-brochure. Ter zitting is gevraagd naar de precieze categorie van bedrijven uit de VNG-brochure waarbij is aangesloten en waarvan de gehanteerde richtafstand van 30 meter is afgeleid. De raad heeft echter ter zitting gesteld bij horeca-inrichtingen niet de bedrijvenlijst te hanteren, maar horeca als een zelfstandige functie te zien met een richtafstand van 30 meter. De Afdeling kan dit niet goed volgen, omdat de VNG-brochure een bedrijvenlijst kent waarin onder het kopje ‘Logies-, maaltijden en drankenverstrekking’ diverse typen horeca-inrichtingen worden genoemd waaronder restaurants. Wat hier verder ook van zij, de Afdeling stelt vast dat is voldaan aan de door de raad voor deze horecagelegenheid gehanteerde richtafstand van 30 meter. Appellant heeft naar het oordeel van de Afdeling echter aannemelijk gemaakt dat ondanks dat aan deze richtafstand wordt voldaan, niet vaststaat dat door de horecavestiging met bijbehorend terras en parkeervoorzieningen, zijn woon- en leefklimaat niet zal worden aangetast. Daarbij is van belang dat het verkeer van en naar de horecavoorziening gebruik zal maken van onder meer het (…)pad, dat vlakbij de woning van appellant overgaat in de (…)weg. Lees verder in r.o. 11.2.2 van uitspraak ABRS 18 maart 2020. (horecaterras)

Bel 010 – 268 0689 of mail voor advies en oplossingen over milieuzonering en VNG-brochure.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemming

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemminghakselen hout

Het college van B&W heeft een last onder dwangsom opgelegd voor het opslaan van hout en het verwerken van boomstammen tot hoogwaardige micro-chips. Het ter plaatse gevestigde bedrijf produceert kleine houtsnippers die aan andere bedrijven verkocht worden. Ze hakselen zowel wijnranken op eigen terrein als stamhout afkomstig uit bos in de omgeving.

Volgens het college zijn voornoemde activiteiten in strijd met de geldende agrarische bestemming. Appellant stelt in hoger beroep dat het hout afkomstig is van eigen wijnranken en een bijproduct is van zijn eigen wijngaard. Deze activiteit moet worden aangemerkt als agrarisch bedrijf overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Volgens appellant is de activiteit gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen.

De Afdeling overweegt als volgt: “De activiteit die het bedrijf verricht  – het hakselen van hout dat deels van eigen grond en deels van elders afkomstig is – kan niet worden aangemerkt als (behorend bij) grondgebonden veehouderij. (…) De activiteit kan naar het oordeel van de Afdeling ook niet worden aangemerkt als akker- en vollegrondstuinbouw (…). Het hakselen van stamhout is niet hetzelfde als het telen van gewassen. Het is (…) ook niet een activiteit die nauw samenhangt met het telen van gewassen, want stamhout is geen gewas. Bovendien is het productieproces van de micro-chips niet beperkt tot een ondergeschikte verwerking van bijproduct van de eigen ter plaatse toegestane wijngaard, aangezien [het bedrijf] ook hout van andere bedrijven gebruikt. Dit gebruik van het perceel is dan ook niet toegestaan op gronden met de bestemming Agrarische doeleinden. Lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 26 februari 2020, zie rechtspraak.nl.

MH: Belangrijk is om te kijken naar de definities die gebruikt worden in het geldende bestemmingsplan. Sommige definities van agrarisch bedrijf zijn ruimer dan de andere. In dit geval is de definitie uitgesplitst in bepaalde vormen van agrarisch bedrijf.

Meer weten over de uitleg van definities in een geldend bestemmingsplan? Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Grondgebonden veehouderij ook met veraf gelegen grond

Grondgebonden veehouderij ook met veraf gelegen grondgrondgebonden veehouderij

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning geweigerd voor de bouw van een stal. Appellant heeft een agrarisch bedrijf dat runderen verhuurt aan natuurbeherende organisaties. De runderen worden in dat geval gebruikt voor begrazing in natuurgebieden. De stal is nodig om de runderen te huisvesten gedurende de maanden dat ze niet buiten lopen.

Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college is er geen sprake van een grondgebonden bedrijf in de zin van het bestemmingsplan. Volgens het bestemmingsplan is een grondgebonden veehouderij: “het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond.”

De vraag die hier speelt is of gronden niet niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf zijn gelegen, kunnen worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een grondgebonden veehouderij als bedoeld in het bestemmingsplan.

De Afdeling overweegt als volgt: “In de definitie van grondgebonden veehouderij (…) ligt niet besloten dat het moet gaan om gronden die bij of in de onmiddelijke nabijheid van het bedrijf zijn gelegen. De toelichting op het bestemmingsplan noopt ook niet tot een dergelijke uitleg. Zoals het college ter zitting heeft bevestigd is de ratio van deze regelgeving onder meer dat intensieve veehouderij wordt tegengegaan. Gelet op het voorgaande legt de Afdeling deze bepaling grammaticaal uit. Een dergelijke uitleg miskent de ratio van de bepaling niet. Dat betekent voor dit geval dat het beweiden van vee in natuurgebieden die niet bij het bedrijf van appellant zijn gelegen, maar ook op aanzienlijke afstand daarvan, kan worden aangemerkt als het houden van vee op open grond (…). Blijkens het bedrijfsplan (…) richt het bedrijf van appellant zich onder meer op het verhuren van runderen aan natuurbeherende organisaties en particulieren. De runderen worden ingezet voor het begrazen van de natuurterreinen. De stal waarvoor vergunning is gevraagd, heeft een capaciteit voor het houden van 39 stuks vee. (…). Lees meer in r.o. 3.1 van uitspraak 12 februari 2020.

Voor de praktijk is dit interessant nu ook vergelegen gronden bij een grondgebonden veehouderij kunnen horen. Het is wel afhankelijk van de definitie van het geldende bestemmingsplan. Kijk die eerst goed na. Meer weten? Bel 010 – 2680689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

mer beoordelingsbesluit vergeten? Alsnog later nemen!

Mer beoordelingsbesluit vergeten? Alsnog later nemen!mer beoordelingsbesluit

De raad heeft een bestemmingsplan vastgesteld zonder daarvoor een mer beoordelingsbesluit te nemen. Hoewel dat formeel natuurlijk niet hoort, kan dit gebeuren. Bestemmingsplantrajecten duren lang en er gebeuren vaak allerlei ontwikkelingen in dat proces. In dit geval heeft de raad besloten vanwege een beroepszaak om alsnog een zodanig besluit te nemen. Het beroep had hier namelijk ook betrekking op.

Het bestemmingsplan “Noortveer” voorziet in de ontwikkeling van woningen in de zogeheten Duivenvoordecorridor in Voorschoten. Het is van oudsher een gebied met landgoederen en is deels nog agrarisch. In de voorbereiding van het bestemmingsplantraject zijn allerlei onderzoeken uitgevoerd, waaronder een spuitzoneringsonderzoek van De Omgevingsjurist, maar is geen mer beoordelingesbesluit genomen.

In het kader van de beroepsprocedure heeft De Omgevingsjurist een vormvrije mer beoordeling gemaakt waarin is geconcludeerd dat er geen MER nodig is. De vraag was natuurlijk hoe de Afdeling hiermee om zou gaan. Kan een bestemmingsplan in stand worden gelaten als blijkt dat er een mer beoordelingsbesluit had moeten worden genomen – en ter inzage had moeten liggen – voordat het bestemmingsplan werd vastgesteld?

De Afdeling geeft het volgende aan: “Er is alsnog een m.e.r.-beoordelingsbesluit (…) overlegd (…). In het m.e.r. beoordelingsbesluit wordt geconcludeerd dat er, gelet op de kenmerken van de projecten, de plaats van de projecten en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Daarbij is van belang geacht dat het woningbouwproject relatief kleinschalig is. In de m.e.r.-beoordeling staat dat het plan leidt tot een kwaliteitsimpuls door herstel van de openheid van het landschap, tot versterking van de cultuurhistorische kwaliteit en versterking van natuurwaarden. Er is dan ook geen aanleiding gezien om een milieueffectrapportage op te stellen. (…) De Afdeling is van oordeel dat in de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen rekening hoefde te worden gehouden met andere gronden die buiten het plangebied, maar in de Duivenvoordecorridor liggen. Lees meer in r.o. 16.11 van uitspraak ABRS 18 december 2019, no. 201900494/1/R3.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

blaftijd honden in hondenpension 5% of 2,5%?

Blaftijd honden in hondenpension stellen op 2,5% of 5%?blaftijd honden

De gemeente heeft een bestemmingsplan opgesteld om een hondenpension mogelijk te maken voor ongeveer 50 honden. Op zo’n 40 meter van het plangebied woont appellant die vreest voor beperkingen in zijn woon- en leefklimaat vanwege geluid.

In het opgestelde akoestisch onderzoek is uitgegaan van 2,5% blaftijd bij een hondenpension met toezicht. Volgens hem moet er van 5% blaftijd worden uitgegaan. Hij stelt dat bij die blaftijd in de avondperiode niet aan het langtijdgemiddelde geluidniveau van 45 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan bij het hondenpension.

De Afdeling overweegt het volgende: “(…) dat een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension als representatief kan worden aangemerkt. Nu de raad tevens heeft onderzocht wat de geluidbelasting is bij een blaftijd van 5%, wordt hierna uitgegaan van een situatie waarbij is gerekend met een blaftijd van 5%. In de planregels (…) is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het gebruik van het hondenpension slechts is toegestaan als er een geluidscherm geplaatst wordt. De Afdeling overweegt dat de raad op basis van het advies van de ODR (…) aannemelijk heeft gemaakt dat na het plaatsen van een geluidscherm ook bij een blaftijd van 5% aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan.”

Noot MH: De Afdeling houdt vast aan een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension. Wat erg belangrijk is bij akoestische onderzoeken is te kijken naar de feitelijke activiteiten van het beoogde pension, hondentrainingscentrum of hondenuitlaatservice. Daar zitten aanzienlijke verschillen tussen. Ook de blaftijd van honden verschilt per locatie, het aantal honden en de activiteiten. Het blaffen van honden verschilt aanzienlijk per situatie waar ze zich in bevonden. Ga daar in onderbouwingen goed op in en ga dus niet zonder meer uit van 5% blaftijd.

Bel 010 – 268 0689 of mail voor meer informatie over akoestische onderzoeken en onderbouwingen over hondengeblaf.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerd

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerdomgevingsvergunning bedrijfswoning

Het komt regelmatig voor dat men wil wonen in een bedrijfspand op een bedrijventerrein. Het lijkt aantrekkelijk: de prijs is lager dan een reguliere woning. Ook ondernemers zelf proberen vaak een voormalige bedrijfswoning te verkopen aan iemand die niet bij het bedrijf betrokken is. Hoewel dat uit financiële reden wel te begrijpen ben ik blij dat er gemeenten zijn die hierop handhaven of de vergunning weigeren. Op de lange termijn blijkt vaak dat de combinatie wonen op een bedrijventerrein niet werkt. De bewoners gaan meestal klagen over geluidsoverlast en de ondernemers ter plaatse (kunnen) worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Het is de laatste paar jaar zo dat alle aandacht uit gaat naar woningen, woningen en nog eens woningen. Er moeten aantallen bijkomen omdat de vraag naar woningen zo groot is. Ik vind dit korte termijn politiek. Bedrijven hebben namelijk ruimte nodig. Ruimte voor de bedrijfsactiviteiten.

In deze casus heeft de gemeente een omgevingsvergunning geweigerd voor woningen in een bestaand bedrijfsverzamelgebouw op een bedrijventerrein. De geldende bestemming ‘Bedrijventerrein’ laat geen (bedrijfs)woningen toe. Appellanten zijn het niet eens met de weigering en stellen in hoger beroep dat de combinatie milieucategorieën 1 en 2 en woningen goed kunnen samengaan. Het bedrijventerrein is volgens hen in transformatie naar een gebied met zowel woningen als bedrijven. Volgens het college kan bij de gewenste woningen geen goed woon- en leefklimaat gerealiseerd worden en geldt niet voor alle bedrijven die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan dat zij niet in hun bedrijfsvoering kunnen worden gehinderd vanwege woningen.

De Afdeling overweegt onder meer het volgende: “(…) Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat regels waaraan bedrijfsactiviteiten moeten voldoen. Het bevat grenswaarden voor geluid die gelden voor geluidgevoelige objecten. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dienen woningen, ook als zij tot een bedrijf behoren, als een geluidgevoelig object te worden aangemerkt voor andere bedrijven dan het bedrijf waartoe de woningen behoren. De bedrijfsunits (…) grenzen aan bedrijfsunits van anderen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij realisering van woningen in de directe omgeving van de bedrijfsunits, de bedrijven in de bedrijfsverzamelgebouwen beperkingen in hun bedrijfsvoering kunnen ondervinden. Het college heeft dit, mede gezien de gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen, ongewenst kunnen achten.” 

Lees meer in uitspraak ABRS 11 december 2019, no. 201900853/1/A1. (omgevingsvergunning bedrijfswoning)

De Omgevingsjurist is tegen woningen op bedrijventerreinen en voor ruimte voor bedrijven. Bel 010 – 2680689 voor meer informatie.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hogere milieucategorie VNG-brochure of niet?

Hogere milieucategorie VNG-brochure of niet?hogere milieucategorie

In de praktijk komt het vaak voor dat bedrijfsactiviteiten niet geheel in de pas lopen met de milieucategorieën zoals die zijn genoemd in de VNG-brochure. Dit kan ook niet anders omdat dit een nogal grove indeling is om enigszins onderscheid te kunnen maken. Dit staat ook uitdrukkelijk aangegeven in de VNG-brochure. Het is een hulpmiddel, niet meer en niet minder. In de praktijk wordt er uit onzekerheid helaas nogal zwart-wit mee omgegaan.

In deze casus heeft het college van B&W een omgevingsvergunning geweigerd voor het oprichten van een inrichting en het aanpassen van een magazijn. Het bedrijf handelt in kleurstoffen en bewerkt en mengt kleurstoffen. De bewerking houdt volgens de aanvraag in dat de concentratie van de kleurstoffen wordt veranderd door het toevoegen van hulpstoffen zodat de kleur minder intens dan wel donker is. Het geschil gaat over de gevolgen die de bewerkingen hebben voor de kwalificatie van het bedrijf. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan.

Volgens het college volgt uit de aanvraag dat het bouwplan ten dienste staat van een bedrijf dat meer is dan alleen een groothandel in chemische producten. Er is namelijk niet alleen een vergunning aangevraagd voor het opslaan van kleurstoffen maar ook voor het mengen en bewerken van die stoffen. Daarnaast is er volgens het college geen sprake van een bedrijf dat valt onder de algemene milieucategorie die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. De aanvraag is ingediend voor een milieucategorie 4.1 en 4.2. Het bestemmingsplan laat ten hoogste milieucategorie 3.1 en voor een ander deel 3.2 toe.

Hogere milieucategorie of niet ? – (…) Volgens het college kan het bedrijf niet slechts worden aangemerkt als een groothandel in chemische producten dan wel een bedrijf als ten hoogste milieucategorie 3.1 of 3.2. Volgens het college houden de mengactiviteiten in dat de kleurstoffen uit de verpakking worden gehaald en in verschillende mengtanks worden gedeponeerd. In deze tanks worden grondstoffen en hulpstoffen met elkaar vermengd. Lees meer in r.o. 3 van uitspraak ABRS 11 december 2019, no. 201809033/1/A1.

Bel of mail De Omgevingsjurist voor:

  • onderbouwingen en adviezen voor passende milieucategorieën
  • onderbouwingen en adviezen voor een passende afstand tussen gevoelige functies en bedrijven