deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Horecaterras? Kijk verder dan de VNG-brochure!

Horecaterras? Kijk verder dan de VNG-brochure!horecaterras

De raad van de gemeente Rotterdam heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de woonwijk Park 16hoven en nieuwe horeca. Appellant vreest voor de aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning. Volgens hem is ten onrechte niet ingegaan op de geluidbelasting die het gevolg zal zijn van de horeca in het park.

De Afdeling overweegt als volgt: “Bij de beoordeling van de vraag of het voorliggende plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dienen de gevolgen van de exploitatie van een horecavestiging met onder meer een terras en parkeervoorzieningen voor het woon- en leefklimaat voor omwonenden te worden meegewogen. Niet is gebleken dat de raad een dergelijk onderzoek voorafgaan aan de vaststelling van het plan heeft verricht. De raad lijkt voor deze beoordeling aansluiting te hebben gezocht bij de VNG-brochure. Ter zitting is gevraagd naar de precieze categorie van bedrijven uit de VNG-brochure waarbij is aangesloten en waarvan de gehanteerde richtafstand van 30 meter is afgeleid. De raad heeft echter ter zitting gesteld bij horeca-inrichtingen niet de bedrijvenlijst te hanteren, maar horeca als een zelfstandige functie te zien met een richtafstand van 30 meter. De Afdeling kan dit niet goed volgen, omdat de VNG-brochure een bedrijvenlijst kent waarin onder het kopje ‘Logies-, maaltijden en drankenverstrekking’ diverse typen horeca-inrichtingen worden genoemd waaronder restaurants. Wat hier verder ook van zij, de Afdeling stelt vast dat is voldaan aan de door de raad voor deze horecagelegenheid gehanteerde richtafstand van 30 meter. Appellant heeft naar het oordeel van de Afdeling echter aannemelijk gemaakt dat ondanks dat aan deze richtafstand wordt voldaan, niet vaststaat dat door de horecavestiging met bijbehorend terras en parkeervoorzieningen, zijn woon- en leefklimaat niet zal worden aangetast. Daarbij is van belang dat het verkeer van en naar de horecavoorziening gebruik zal maken van onder meer het (…)pad, dat vlakbij de woning van appellant overgaat in de (…)weg. Lees verder in r.o. 11.2.2 van uitspraak ABRS 18 maart 2020. (horecaterras)

Bel 010 – 268 0689 of mail voor advies en oplossingen over milieuzonering en VNG-brochure.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemming

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemminghakselen hout

Het college van B&W heeft een last onder dwangsom opgelegd voor het opslaan van hout en het verwerken van boomstammen tot hoogwaardige micro-chips. Het ter plaatse gevestigde bedrijf produceert kleine houtsnippers die aan andere bedrijven verkocht worden. Ze hakselen zowel wijnranken op eigen terrein als stamhout afkomstig uit bos in de omgeving.

Volgens het college zijn voornoemde activiteiten in strijd met de geldende agrarische bestemming. Appellant stelt in hoger beroep dat het hout afkomstig is van eigen wijnranken en een bijproduct is van zijn eigen wijngaard. Deze activiteit moet worden aangemerkt als agrarisch bedrijf overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Volgens appellant is de activiteit gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen.

De Afdeling overweegt als volgt: “De activiteit die het bedrijf verricht  – het hakselen van hout dat deels van eigen grond en deels van elders afkomstig is – kan niet worden aangemerkt als (behorend bij) grondgebonden veehouderij. (…) De activiteit kan naar het oordeel van de Afdeling ook niet worden aangemerkt als akker- en vollegrondstuinbouw (…). Het hakselen van stamhout is niet hetzelfde als het telen van gewassen. Het is (…) ook niet een activiteit die nauw samenhangt met het telen van gewassen, want stamhout is geen gewas. Bovendien is het productieproces van de micro-chips niet beperkt tot een ondergeschikte verwerking van bijproduct van de eigen ter plaatse toegestane wijngaard, aangezien [het bedrijf] ook hout van andere bedrijven gebruikt. Dit gebruik van het perceel is dan ook niet toegestaan op gronden met de bestemming Agrarische doeleinden. Lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 26 februari 2020, zie rechtspraak.nl.

MH: Belangrijk is om te kijken naar de definities die gebruikt worden in het geldende bestemmingsplan. Sommige definities van agrarisch bedrijf zijn ruimer dan de andere. In dit geval is de definitie uitgesplitst in bepaalde vormen van agrarisch bedrijf.

Meer weten over de uitleg van definities in een geldend bestemmingsplan? Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Grondgebonden veehouderij ook met veraf gelegen grond

Grondgebonden veehouderij ook met veraf gelegen grondgrondgebonden veehouderij

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning geweigerd voor de bouw van een stal. Appellant heeft een agrarisch bedrijf dat runderen verhuurt aan natuurbeherende organisaties. De runderen worden in dat geval gebruikt voor begrazing in natuurgebieden. De stal is nodig om de runderen te huisvesten gedurende de maanden dat ze niet buiten lopen.

Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college is er geen sprake van een grondgebonden bedrijf in de zin van het bestemmingsplan. Volgens het bestemmingsplan is een grondgebonden veehouderij: “het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond.”

De vraag die hier speelt is of gronden niet niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf zijn gelegen, kunnen worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een grondgebonden veehouderij als bedoeld in het bestemmingsplan.

De Afdeling overweegt als volgt: “In de definitie van grondgebonden veehouderij (…) ligt niet besloten dat het moet gaan om gronden die bij of in de onmiddelijke nabijheid van het bedrijf zijn gelegen. De toelichting op het bestemmingsplan noopt ook niet tot een dergelijke uitleg. Zoals het college ter zitting heeft bevestigd is de ratio van deze regelgeving onder meer dat intensieve veehouderij wordt tegengegaan. Gelet op het voorgaande legt de Afdeling deze bepaling grammaticaal uit. Een dergelijke uitleg miskent de ratio van de bepaling niet. Dat betekent voor dit geval dat het beweiden van vee in natuurgebieden die niet bij het bedrijf van appellant zijn gelegen, maar ook op aanzienlijke afstand daarvan, kan worden aangemerkt als het houden van vee op open grond (…). Blijkens het bedrijfsplan (…) richt het bedrijf van appellant zich onder meer op het verhuren van runderen aan natuurbeherende organisaties en particulieren. De runderen worden ingezet voor het begrazen van de natuurterreinen. De stal waarvoor vergunning is gevraagd, heeft een capaciteit voor het houden van 39 stuks vee. (…). Lees meer in r.o. 3.1 van uitspraak 12 februari 2020.

Voor de praktijk is dit interessant nu ook vergelegen gronden bij een grondgebonden veehouderij kunnen horen. Het is wel afhankelijk van de definitie van het geldende bestemmingsplan. Kijk die eerst goed na. Meer weten? Bel 010 – 2680689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

mer beoordelingsbesluit vergeten? Alsnog later nemen!

Mer beoordelingsbesluit vergeten? Alsnog later nemen!mer beoordelingsbesluit

De raad heeft een bestemmingsplan vastgesteld zonder daarvoor een mer beoordelingsbesluit te nemen. Hoewel dat formeel natuurlijk niet hoort, kan dit gebeuren. Bestemmingsplantrajecten duren lang en er gebeuren vaak allerlei ontwikkelingen in dat proces. In dit geval heeft de raad besloten vanwege een beroepszaak om alsnog een zodanig besluit te nemen. Het beroep had hier namelijk ook betrekking op.

Het bestemmingsplan “Noortveer” voorziet in de ontwikkeling van woningen in de zogeheten Duivenvoordecorridor in Voorschoten. Het is van oudsher een gebied met landgoederen en is deels nog agrarisch. In de voorbereiding van het bestemmingsplantraject zijn allerlei onderzoeken uitgevoerd, waaronder een spuitzoneringsonderzoek van De Omgevingsjurist, maar is geen mer beoordelingesbesluit genomen.

In het kader van de beroepsprocedure heeft De Omgevingsjurist een vormvrije mer beoordeling gemaakt waarin is geconcludeerd dat er geen MER nodig is. De vraag was natuurlijk hoe de Afdeling hiermee om zou gaan. Kan een bestemmingsplan in stand worden gelaten als blijkt dat er een mer beoordelingsbesluit had moeten worden genomen – en ter inzage had moeten liggen – voordat het bestemmingsplan werd vastgesteld?

De Afdeling geeft het volgende aan: “Er is alsnog een m.e.r.-beoordelingsbesluit (…) overlegd (…). In het m.e.r. beoordelingsbesluit wordt geconcludeerd dat er, gelet op de kenmerken van de projecten, de plaats van de projecten en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Daarbij is van belang geacht dat het woningbouwproject relatief kleinschalig is. In de m.e.r.-beoordeling staat dat het plan leidt tot een kwaliteitsimpuls door herstel van de openheid van het landschap, tot versterking van de cultuurhistorische kwaliteit en versterking van natuurwaarden. Er is dan ook geen aanleiding gezien om een milieueffectrapportage op te stellen. (…) De Afdeling is van oordeel dat in de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen rekening hoefde te worden gehouden met andere gronden die buiten het plangebied, maar in de Duivenvoordecorridor liggen. Lees meer in r.o. 16.11 van uitspraak ABRS 18 december 2019, no. 201900494/1/R3.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

blaftijd honden in hondenpension 5% of 2,5%?

Blaftijd honden in hondenpension stellen op 2,5% of 5%?blaftijd honden

De gemeente heeft een bestemmingsplan opgesteld om een hondenpension mogelijk te maken voor ongeveer 50 honden. Op zo’n 40 meter van het plangebied woont appellant die vreest voor beperkingen in zijn woon- en leefklimaat vanwege geluid.

In het opgestelde akoestisch onderzoek is uitgegaan van 2,5% blaftijd bij een hondenpension met toezicht. Volgens hem moet er van 5% blaftijd worden uitgegaan. Hij stelt dat bij die blaftijd in de avondperiode niet aan het langtijdgemiddelde geluidniveau van 45 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan bij het hondenpension.

De Afdeling overweegt het volgende: “(…) dat een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension als representatief kan worden aangemerkt. Nu de raad tevens heeft onderzocht wat de geluidbelasting is bij een blaftijd van 5%, wordt hierna uitgegaan van een situatie waarbij is gerekend met een blaftijd van 5%. In de planregels (…) is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het gebruik van het hondenpension slechts is toegestaan als er een geluidscherm geplaatst wordt. De Afdeling overweegt dat de raad op basis van het advies van de ODR (…) aannemelijk heeft gemaakt dat na het plaatsen van een geluidscherm ook bij een blaftijd van 5% aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan.”

Noot MH: De Afdeling houdt vast aan een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension. Wat erg belangrijk is bij akoestische onderzoeken is te kijken naar de feitelijke activiteiten van het beoogde pension, hondentrainingscentrum of hondenuitlaatservice. Daar zitten aanzienlijke verschillen tussen. Ook de blaftijd van honden verschilt per locatie, het aantal honden en de activiteiten. Het blaffen van honden verschilt aanzienlijk per situatie waar ze zich in bevonden. Ga daar in onderbouwingen goed op in en ga dus niet zonder meer uit van 5% blaftijd.

Bel 010 – 268 0689 of mail voor meer informatie over akoestische onderzoeken en onderbouwingen over hondengeblaf.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerd

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerdomgevingsvergunning bedrijfswoning

Het komt regelmatig voor dat men wil wonen in een bedrijfspand op een bedrijventerrein. Het lijkt aantrekkelijk: de prijs is lager dan een reguliere woning. Ook ondernemers zelf proberen vaak een voormalige bedrijfswoning te verkopen aan iemand die niet bij het bedrijf betrokken is. Hoewel dat uit financiële reden wel te begrijpen ben ik blij dat er gemeenten zijn die hierop handhaven of de vergunning weigeren. Op de lange termijn blijkt vaak dat de combinatie wonen op een bedrijventerrein niet werkt. De bewoners gaan meestal klagen over geluidsoverlast en de ondernemers ter plaatse (kunnen) worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Het is de laatste paar jaar zo dat alle aandacht uit gaat naar woningen, woningen en nog eens woningen. Er moeten aantallen bijkomen omdat de vraag naar woningen zo groot is. Ik vind dit korte termijn politiek. Bedrijven hebben namelijk ruimte nodig. Ruimte voor de bedrijfsactiviteiten.

In deze casus heeft de gemeente een omgevingsvergunning geweigerd voor woningen in een bestaand bedrijfsverzamelgebouw op een bedrijventerrein. De geldende bestemming ‘Bedrijventerrein’ laat geen (bedrijfs)woningen toe. Appellanten zijn het niet eens met de weigering en stellen in hoger beroep dat de combinatie milieucategorieën 1 en 2 en woningen goed kunnen samengaan. Het bedrijventerrein is volgens hen in transformatie naar een gebied met zowel woningen als bedrijven. Volgens het college kan bij de gewenste woningen geen goed woon- en leefklimaat gerealiseerd worden en geldt niet voor alle bedrijven die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan dat zij niet in hun bedrijfsvoering kunnen worden gehinderd vanwege woningen.

De Afdeling overweegt onder meer het volgende: “(…) Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat regels waaraan bedrijfsactiviteiten moeten voldoen. Het bevat grenswaarden voor geluid die gelden voor geluidgevoelige objecten. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dienen woningen, ook als zij tot een bedrijf behoren, als een geluidgevoelig object te worden aangemerkt voor andere bedrijven dan het bedrijf waartoe de woningen behoren. De bedrijfsunits (…) grenzen aan bedrijfsunits van anderen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij realisering van woningen in de directe omgeving van de bedrijfsunits, de bedrijven in de bedrijfsverzamelgebouwen beperkingen in hun bedrijfsvoering kunnen ondervinden. Het college heeft dit, mede gezien de gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen, ongewenst kunnen achten.” 

Lees meer in uitspraak ABRS 11 december 2019, no. 201900853/1/A1. (omgevingsvergunning bedrijfswoning)

De Omgevingsjurist is tegen woningen op bedrijventerreinen en voor ruimte voor bedrijven. Bel 010 – 2680689 voor meer informatie.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hogere milieucategorie VNG-brochure of niet?

Hogere milieucategorie VNG-brochure of niet?hogere milieucategorie

In de praktijk komt het vaak voor dat bedrijfsactiviteiten niet geheel in de pas lopen met de milieucategorieën zoals die zijn genoemd in de VNG-brochure. Dit kan ook niet anders omdat dit een nogal grove indeling is om enigszins onderscheid te kunnen maken. Dit staat ook uitdrukkelijk aangegeven in de VNG-brochure. Het is een hulpmiddel, niet meer en niet minder. In de praktijk wordt er uit onzekerheid helaas nogal zwart-wit mee omgegaan.

In deze casus heeft het college van B&W een omgevingsvergunning geweigerd voor het oprichten van een inrichting en het aanpassen van een magazijn. Het bedrijf handelt in kleurstoffen en bewerkt en mengt kleurstoffen. De bewerking houdt volgens de aanvraag in dat de concentratie van de kleurstoffen wordt veranderd door het toevoegen van hulpstoffen zodat de kleur minder intens dan wel donker is. Het geschil gaat over de gevolgen die de bewerkingen hebben voor de kwalificatie van het bedrijf. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan.

Volgens het college volgt uit de aanvraag dat het bouwplan ten dienste staat van een bedrijf dat meer is dan alleen een groothandel in chemische producten. Er is namelijk niet alleen een vergunning aangevraagd voor het opslaan van kleurstoffen maar ook voor het mengen en bewerken van die stoffen. Daarnaast is er volgens het college geen sprake van een bedrijf dat valt onder de algemene milieucategorie die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. De aanvraag is ingediend voor een milieucategorie 4.1 en 4.2. Het bestemmingsplan laat ten hoogste milieucategorie 3.1 en voor een ander deel 3.2 toe.

Hogere milieucategorie of niet ? – (…) Volgens het college kan het bedrijf niet slechts worden aangemerkt als een groothandel in chemische producten dan wel een bedrijf als ten hoogste milieucategorie 3.1 of 3.2. Volgens het college houden de mengactiviteiten in dat de kleurstoffen uit de verpakking worden gehaald en in verschillende mengtanks worden gedeponeerd. In deze tanks worden grondstoffen en hulpstoffen met elkaar vermengd. Lees meer in r.o. 3 van uitspraak ABRS 11 december 2019, no. 201809033/1/A1.

Bel of mail De Omgevingsjurist voor:

  • onderbouwingen en adviezen voor passende milieucategorieën
  • onderbouwingen en adviezen voor een passende afstand tussen gevoelige functies en bedrijven
deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidhinder horeca en representatieve planologische situatie

Geluidhinder horeca en representatieve planologische mogelijkhedengeluidhinder horeca

In een voormalig kasteel is een horecagelegenheid mogelijk gemaakt inclusief een terras. In beide neerhuizen is groepsaccomodatie toegestaan. Hier is slaapruimte voor 32 personen. Daarnaast kunnen er huwelijksvoltrekkingen plaatsvinden en vergaderingen. Appellant woont naast het complex is vreest voor geluidsoverlast.

Volgens appellant is er in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet van uit gegaan dat de activiteiten gelijktijdig kunnen plaatsvinden. Verder is volgens hem niet onderzocht of er sprake is van geluidsoverlast in zijn tuin.

De Afdeling overweegt als volgt: “De raad mocht naar het oordeel van de Afdeling bij het onderzoek naar geluid uitgaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een invulling waarbij alle mogelijke activiteiten waarin het plan voorziet gelijktijdig plaatsvinden niet aannemelijk en niet representatief is. Daarbij is in aanmerking genomen dat, gezien de omvang van het neerhuis, het feitelijk onmogelijk is om gelijktijdig een huwelijksvoltrekking en een vergadering of workshop te houden en dat dit gebouw aan niet meer dan ongeveer 80 mensen ruimte kan bieden, zodat ook het aantal mensen dat die activiteiten kan bijwonen tot dat aantal beperkt is.(…)

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat enkel het maximale geluidniveau van 70 dB(A) etmaalwaarde ter hoogte van de locatie met 5 dB(A) wordt overschreden. Deze overschrijding wordt met name veroorzaakt door het optrekkende en remmende bevoorradingsverkeer dat ten hoogste één keer per etmaal het terrein zal bezoeken. (…) Gelet op het beperkt aantal bewegingen van het bevoorradingsverkeer en de vrijstelling van de piekbelasting voor laad- en losactiviteiten in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer of dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in het plan nadere voorwaarden hadden moeten worden opgenomen. (geluidhinder horeca)

Lees meer in uitspraak ABRS 20 november 2019, no. 201810349/1/R2

Meer weten over geluid en horeca? Bel 010 – 268 0689

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

aantal asielzoekers is ruimtelijk relevant

Aantal asielzoekers in bestemmingsplan in ruimtelijk relevantaantal asielzoekers

De raad van de gemeente Apeldoorn heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor het mogelijk maken van een AZC. Appellanten zijn van mening dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij geven onder meer aan dat er ten onrechte geen maximum in het bestemmingsplan is opgenomen voor het aantal te huisvesten asielzoekers. Zij vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de komst van de asielzoekers op de gekozen locatie.

De Afdeling overweegt onder meer: “Of voldoende draagvlak voor het plan bij de omwonenden bestaat is niet van doorslaggevende betekenis. Dat betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het voorziene AZC dient te maken. (…) De Afdeling stelt voorop dat de gebruiksmogelijkheden beperkt worden door de in het plan opgenomen bouwvlakken. De Afdeling is niet gebleken van wettelijke voorschriften met betrekking tot de omvang van de woonruimte van een asielzoeker. Dat betekent dat het plan zich niet verzet tegen opvang van meer dan 600 asielzoekers. Uit hetgeen de raad (…) ter zitting hebben verklaard, blijkt dat vooralsnog een opvang van meer dan 600 asielzoekers niet is beoogd. (…) De Afdeling gaat er vanuit dat de raad door een maximum van 600 asielzoekers niet te vermelden in het plan, met het plan meer mogelijk heeft gemaakt dan beoogd. Dit is in strijd met het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. (…)”

Lees meer in uitspraak 20 november 2019, no. 201809013/1/R1.

Wat is nu ruimtelijk relevant en wat niet? Voor vragen bel 010 – 268 0689.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

milieugevolgen aardgas ruimtelijk niet relevant

Milieugevolgen aardgas ruimtelijk niet relevant

De raad van de gemeente Smallingerland heeft een herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld. De herziening heeft betrekking op gaswinning. De gemeente heeft de ambitie om de huidige energie-infrastructuur met aardgas te transformeren naar een infrastructuur met duurzame energiebronnen. Gelet op deze ambitie is het winnen van gas niet langer gewenst in de gemeente.

De minister voert in beroep aan dat het plan is ingegeven door de beleidsambities van de gemeente op het vlak van verduurzaming. In de toelichting staat dat de gemeente wil overschakelen op meer duurzame energiebronnen en het winnen van gas binnen haar grenzen als gevolg daarvan niet langer gewenst vindt. Het gaat volgens de minster dan om gemeentelijk energiebeleid. Een dergelijk energiebeleid is volgens de minister geen ruimtelijk beleid en kan daarom niet worden gerealiseerd met een bestemmingsplan.

De Afdeling oordeelt als volgt: “De Afdeling is van oordeel dat, voor zover hij met de verwezenlijking van de doelen van zijn energiebeleid bepaalde onderzoeksactiviteiten heeft uitgesloten, geen ruimtelijk relevant doel nastreeft. (…) De Afdeling stelt voorop dat het doel dat de raad nastreeft, te weten duurzaamheid, op zichzelf een milieuaspect betreft. Het gaat de raad in het kader van de verduurzaming echter niet om milieugevolgen van het verkennings- en opsporingsonderzoek dat hij in het plan heeft uitgesloten, maar om de milieugevolgen van het gebruik van aardgas door de samenleving. Dit gebruik wordt door de raad vanuit duurzaamheidsoverwegingen onwenselijk geacht. Het gebruik van aardgas als brandstof door de samenleving is als zodanig geen ruimtegebruik van de gronden in het plangebied. Voorzover de planregeling bepaalde onderzoeksactiviteiten in het plangebied uitsluit om de milieugevolgen van het gebruik van aardgas als brandstof door de samenleving te beperken, heeft deze dan ook niet tot doel het ruimtegebruik van de gronden in het plangebied of de invloed van dat ruimtegebruik op de omliggende gronden te regelen, zodat de planregeling in zoverre een ruimtelijk relevant doel ontbeert. (…)”

Lees meer in uitspraak ABRS 6 november 2019, no. 201807035/1/R3.  (milieugevolgen aardgas)