Geen zienswijze ontwerpbesluit, toch ontvankelijk beroep bestemmingsplan

Geen zienswijze ontwerpbesluit, toch ontvankelijk in beroep bestemmingsplangeen zienswijze

De gemeente heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de bouw van 7 woningen op voormalige agrarische grond. Deze woningen zijn mogelijk vanwege een Rood-voor-Rood-regeling. Er is tevens een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 5 woningen. Appellanten kunnen zich niet vinden in de besluiten en hebben daarom beroep ingesteld. De raad geeft aan dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat appellanten geen zienswijzen hebben ingediend tegen de ontwerpbesluiten.

Het ontwerpplan en het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning hebben gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In deze termijn konden zienswijzen worden ingediend. Op grond van artikel 6:13 Awb kunnen belanghebbenden aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit, geen beroep instellen bij de bestuursrechter.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) Appellanten hebben geen zienswijzen naar voren gebracht over de ontwerpbesluiten. Niet is gebleken dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet op artikel 6:13 van de Awb moet het beroep van appellanten (…) niet-ontvankelijk worden verklaard. De Afdeling heeft echter haar jurisprudentie over de ontvankelijkheid van beroepen tegen omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb gewijzigd. Aanleiding daarvoor was het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (…). Aan belanghebbenden wordt in omgevingsrechtelijke zaken niet langer tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. Voor niet-belanghebbenden geldt ook dat zij beroep kunnen instellen tegen omgevingsrechtelijke besluiten, mits zij een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of ingeval hen niet kan worden verweten dat zij dat hebben nagelaten (…). Dit betekent dus dat bij omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb, artikel 6.13 van de Awb alleen nog kan worden tegengeworpen aan niet-belanghebbenden die (verwijtbaar) geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. Voor het antwoord op de vraag of de beroepen (…) ontvankelijk zijn, is dus beslissend of deze (…) belanghebbenden zijn. Lees meer in r.o. 3.3 van uitspraak ABRS 17 november 2021, no. 202001533/1/R3. (geen zienswijze).

Plattelandswoning en woon- en leefklimaat

Plattelandswoning en woon- en leefklimaatplattelandswoning

Via een wijzigingsplan wordt een bestaande bedrijfswoning planologisch gewijzigd naar een plattelandswoning. De eigenaar van een nabij gelegen agrarisch bedrijf vreest door deze wijziging in zijn bedrijfsvoering te worden benadeeld. Het stallen van vee vindt op zeer korte afstand van de woning plaats. Volgens appellant kunnen zijn bedrijfsactiviteiten leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de beoogde plattelandswoning. In 2018 heeft hij een melding gedaan op grond van de Wet milieubeheer voor zijn activiteiten. Volgens appellant heeft de gemeente onterecht zijn huidige bedrijfsactiviteiten niet meegewogen in de besluitvorming.

De Afdeling overweegt het volgende in r.o. 4.2: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet plattelandswoningen dat met de figuur van de plattelandswoning is beoogd om niet het feitelijk gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning, maar de planologische status ervan bepalend te laten zijn voor de bescherming van de bewoners ervan tegen milieuhinder. Indien een (voormalige) agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de betreffende agrarische inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieu-emissie ervan. De exploitatie van de inrichting wordt op deze manier niet belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als reguliere woning. Dat betekent echter niet zonder meer dat ter plaatse van de woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Afdeling is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht of bij de planologische aanwijzing van de woning als plattelandswoning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu (…)”. Lees meer in uitspraak ABRS 17 november 2021, no. 202005652/1/R4.

Plattelandswoning en Omgevingswet

Het is de bedoeling om de huidige regelgeving over de plattelandswoning voort te zetten onder de Omgevingswet. In elk geval via het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor de gemeente (via de Bruidsschat). Lees meer…

Afstand glastuinbouwbedrijf en woningen VNG-brochure

Afstand glastuinbouwbedrijf en woningen VNG-brochureafstand glastuinbouwbedrijf

Het positieve van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering is dat het richtafstanden aangeeft tussen de gevel van woningen en bedrijfspercelen. In één oogopslag wordt duidelijk wat de aanbevolen afstanden zijn. Handig voor de praktijk. Het nadeel is dat de gebruikers niet meer logisch nadenken en zich te veel focussen op de aangegeven afstand. Die afstand wordt als ‘harde waarheid’ gezien. De VNG-brochure is indicatief en slechts een hulpmiddel. Onderzoek als gemeente altijd waar de bedrijfsvoering uit bestaat. Vraag dat na bij de ondernemer. Is er veel vrachtverkeer? Zo ja, op welke tijden van de dag? Hoe vaak? Is er in de avond en nacht overmatig licht bij het bedrijf? Besef dat bedrijfsvoering vrijwel altijd enige overlast veroorzaakt voor bewoners van woningen. Plan dus woningen niet te dicht bij bedrijfspercelen. Het is vragen om problemen.

In dit geval heeft een gemeente woningen mogelijk gemaakt dicht bij een bedrijfsperceel van een glastuinbouwbedrijf. De belangrijke rechtsoverwegingen uit de uitspraak van de Afdeling over dit onderwerp zijn:

“De Afdeling stelt voorop dat de richtafstanden van de VNG-brochure gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. (…) Ten aanzien van de gestelde geluidhinder overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat aan de ruimtelijke onderbouwing voor de drie woningen een akoestisch onderzoek ten grondslag ligt, maar dat daarbij uitsluitend het geluid van wegverkeer is onderzocht. Niet is weersproken dat bij de bedrijfsvoering (…) gebruik wordt gemaakt van de inzet van vrachtwagens, tractoren en mechanisch aangedreven landbouwvoertuigen. In het akoestisch onderzoek is echter geen rekening gehouden met het geluid dat hiermee gepaard gaat noch met het stemgeluid van personeel. Niet is gebleken op welke afstand deze activiteiten kunnen plaatsvinden.” Lees meer in r.o. 14.11 van uitspraak ABRS 1 december 2021, no. 202001413/1/R2,(afstand glastuinbouwbedrijf)

Huisvesting arbeidsmigranten niet zo maar afwijzen

Huisvesting arbeidsmigranten niet zo maar afwijzenhuisvesting arbeidsmigranten

De behoefte aan huisvesting voor arbeidsmigranten is nog steeds erg groot. Aanvragen roepen vaak veel weerstand op bij mensen. Voor woonwijken, maar ook bedrijventerreinen. Toch zullen de tomaten in de kassen geplukt moeten worden en de appels en peren in boomgaarden. Zonder de inzet van arbeidsmigranten gaat het niet. Dat is de alledaagse praktijk voor veel tuinders en kwekers. Voor gemeenten is dit geen gemakkelijke opgave. Wat zijn geschikte locaties? Lokale politici willen aan de ene kant ondernemers tevreden stellen en aan de andere kant tegemoet komen aan de bezwaren van inwoners. Weigeren van verzoeken kan, maar wel met ruimtelijk relevante argumenten en onderbouwing.

Dat een gemeente niet altijd wegkomt met een weigering laat de uitspraak van 20 oktober 2021 van de Raad van State (huisvesting arbeidsmigranten) zien.

De raad van Westland heeft een herziening doorgevoerd voor een bestemmingsplan dat met name grootschalige bedrijvigheid toelaat. Volgens de raad is de herziening noodzakelijk omdat is gebleken dat de regels voor horecabedrijven in het bestemmingsplan dermate ruim geïnterpreteerd kunnen worden, dat er onbedoelde planologische ruimte wordt geboden voor gebouwen voor nachtverblijf voor arbeidsmigranten. Appellant wil op de door hem gekochte grond huisvesting voor arbeidsmigranten realiseren. Hij voert aan dat ten tijde van de koop het bestemmingsplan dit mogelijk maakte. Hij heeft bij de gemeente een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van 150 units voor 300 arbeidsmigranten. Volgens appellant past de gemeente – vrij vertaald – vertragende tactieken toe om uiteindelijk het verzoek te weigeren. Appellant voert verder aan dat aan het vervallen van de mogelijkheid van logiesvoorzieningen voor arbeidsmigranten geen voldoende zwaarwegend ruimtelijk relevant motief ten grondslag ligt.

De Afdeling tikt de gemeente op de vingers: “(…) De Afdeling stelt vast dat de raad kort voor de vaststelling van het plan (…) wel een ontwerp-verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven voor het verlenen van een buitenplanse omgevingsafwijkingsvergunning voor een logiesgebouw voor arbeidsmigranten aan NL Jobs onder het voorheen geldende plan. (…) Naar het oordeel van de Afdeling getuigt het bij het plan geheel uitsluiten van de logiesmogelijkheid voor arbeidsmigranten, terwijl de raad kort ervoor een ontwerp-verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven voor een omgevingsafwijkingsvergunning voor een logiesgebouw voor arbeidsmigranten aan NL Jobs niet van consistentie. Lees meer in r.o. 12.3 (onderaan) van uitspraak ABRS 20 oktober 2021, no. 201904316/1/R3.

Heeft u als gemeente hulp nodig bij een aanvraag voor huisvesting van arbeidsmigranten? Bel 010 – 307 2273 of vul onderstaand formulier in.

Neem contact op

  • Dit veld is voor validatie doeleinden en moet ongewijzigd blijven.

Daggemiddelde horecabezoekers in planregels onvoldoende rechtszeker

Daggemiddelde horecabezoekers in planregels onvoldoende rechtszeker

Het bestemmingsplan in kwestie maakt horeca mogelijk nabij een natuurgebied. De locatie betreft de toegangspoort tot het gebied en heeft verschillende functies zoals een klim- en educatiebos. Omwonenden betogen dat de beoogde kleinschaligheid onvoldoende is vastgelegd in de planregels. In het bestemmingsplan gaat het om de volgende planregel:

De voor Horeca aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(…) ‘Klim- speel- en educatiebos met avonturenpad met een maximaal daggemiddelde van 50 bezoekers, bestaande uit maximaal twee klimparcoursen en één klimparcours in combinatie met een tokkelbaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding van ‘specifieke vorm van recreatie – klim- speel- en educatiebos met avonturenbos’. 

De Afdeling geeft het volgende aan: “Met deze planregels is beoogd de kleinschaligheid te borgen, maar daarin is de raad volgens hen niet geslaagd, omdat niet duidelijk is geregeld hoeveel bezoekers maximaal per dag het klim-, speel- en educatiebos gedurende de openingstijden kunnen bezoeken en hoeveel bezoekers daar op piekmomenten tegelijk mogen verblijven. (…) Naar het oordeel van de Afdeling zijn de artikelen (…) van de planregels ten aanzien van die maximalisatie echter onduidelijk en rechtsonzeker. In de beide planregels ontbreekt een maatstaf om te bepalen wat onder een daggemiddelde moet worden verstaan. Evenmin staat op grond van de planregels vast of het vermelde daggemiddelde voor de gronden met de bestemming ‘Horeca’ en ‘Natuur’ bij elkaar moeten worden opgeteld. Daarmee is niet duidelijk geregeld hoeveel bezoekers er maximaal binnen de bestemmingsvlakken ‘Horeca’ en ‘Natuur’ mogen verblijven. (…) Het betoog slaagt.” Zie uitspraak ABRS 29 september 2021, no. 202002507/1/R2. Daggemiddelde horecabezoekers


Noot MH: In praktische zin valt heel goed te begrijpen dat de gemeente gekozen heeft voor een daggemiddelde.De ene dag kan het erg druk zijn op de locatie en op andere dagen weer niet. De gemeente had echter op moeten nemen bij de definities wat onder daggemiddelde moet worden verstaan en of dit geldt voor beide bestemmingen samen of per bestemmingsvlak. Waarschijnlijk was het bestemmingsplan dan ten aanzien van dit punt in stand gebleven.

bestemmingsplan verbrede reikwijdte en VNG-brochure

VNG-brochure en bestemmingsplan verbrede reikwijdte gemengd gebied

De gemeente Rotterdam heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de realisatie voor een waterrijke woonwijk van zo’n 800 woningen. Het gebied is nu hoofdzakelijk in gebruik als spoor, kwekerij, sportvelden en bedrijventerrein. Het bestemmingsplan is een plan met verbrede reikwijdte.

Kortdurende en incidentele evenementen zijn toegestaan – In de regel zijn evenementen die zodanig kunnen worden aangemerkt niet strijdig met een geldende bestemming. Dat lijkt ook logisch: af en toe afwijken van een geldende bestemming moet kunnen, is praktisch en we kunnen immers niet alles regelen en handhaven. Toch blijkt maar weer eens uit deze uitspraak hoe moeilijk het is om te bepalen wanneer daar sprake van is:

De Afdeling overweegt dat het juist is dat een bestemmingsplan zich volgens haar vaste rechtspraak niet verzet tegen kortdurend en incidenteel gebruik. (…) Daarvan is echter geen sprake wanneer er structureel drie keer per jaar en in ieder geval deels met een groter ruimtebeslag dan normaal gesproken evenementen kunnen worden gehouden met een bezoekersaantal tot 1.000.“.

Woningen in de buurt van metaalbedrijven toegestaan ondanks korte afstand – De gemeente heeft het gebied gekwalificeerd als een ‘gemengd gebied’ zoals aangegeven in de VNG-brochure. Dat is een gebied waar menging van functies inclusief woningen aanwezig is of wordt geambieerd. Omdat de richtafstand van 50 meter uit de VNG-brochure niet kan worden gehaald is er akoestisch onderzoek verricht. Lees meer in r.o. 12.1 van uitspraak ABRS 2 juni 2021, no. 202004002/1/R3.

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemming

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemminghakselen hout

Het college van B&W heeft een last onder dwangsom opgelegd voor het opslaan van hout en het verwerken van boomstammen tot hoogwaardige micro-chips. Het ter plaatse gevestigde bedrijf produceert kleine houtsnippers die aan andere bedrijven verkocht worden. Ze hakselen zowel wijnranken op eigen terrein als stamhout afkomstig uit bos in de omgeving.

Volgens het college zijn voornoemde activiteiten in strijd met de geldende agrarische bestemming. Appellant stelt in hoger beroep dat het hout afkomstig is van eigen wijnranken en een bijproduct is van zijn eigen wijngaard. Deze activiteit moet worden aangemerkt als agrarisch bedrijf overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Volgens appellant is de activiteit gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen.

De Afdeling overweegt als volgt: “De activiteit die het bedrijf verricht  – het hakselen van hout dat deels van eigen grond en deels van elders afkomstig is – kan niet worden aangemerkt als (behorend bij) grondgebonden veehouderij. (…) De activiteit kan naar het oordeel van de Afdeling ook niet worden aangemerkt als akker- en vollegrondstuinbouw (…). Het hakselen van stamhout is niet hetzelfde als het telen van gewassen. Het is (…) ook niet een activiteit die nauw samenhangt met het telen van gewassen, want stamhout is geen gewas. Bovendien is het productieproces van de micro-chips niet beperkt tot een ondergeschikte verwerking van bijproduct van de eigen ter plaatse toegestane wijngaard, aangezien [het bedrijf] ook hout van andere bedrijven gebruikt. Dit gebruik van het perceel is dan ook niet toegestaan op gronden met de bestemming Agrarische doeleinden. Lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 26 februari 2020, zie rechtspraak.nl.

MH: Belangrijk is om te kijken naar de definities die gebruikt worden in het geldende bestemmingsplan. Sommige definities van agrarisch bedrijf zijn ruimer dan de andere. In dit geval is de definitie uitgesplitst in bepaalde vormen van agrarisch bedrijf.

Meer weten over de uitleg van definities in een geldend bestemmingsplan? Bel 010 – 268 0689 of mail.

Reikwijdte plattelandswoning artikel 1.1a Wabo

Reikwijdte plattelandswoning – artikel 1.1a Waboreikwijdte plattelandswoning

De raad heeft een herziening van het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld voor een wijziging van een pelsdierhouderij. De eigenaar stelt in beroep dat de gemeente ten onrechte geen aanduiding heeft opgenomen voor een plattelandswoning. Volgens hem zullen de huidige bedrijfsactiviteiten binnenkort wijzigen. Het houden van pelsdieren moet met ingang van 1 januari 2024 gestaakt worden. Hij overweegt echter ook om alle agrarische activiteiten te staken. Op de zitting heeft de eigenaar toegelicht dat een plattelandswoning voor hem de mogelijkheid biedt om in de toekomst het resterende agrarische bedrijf te verkopen. Hij wil de keuze hebben om zelf in de bedrijfswoning te blijven wonen of het bedrijf en de bijbehorende bedrijfswoning te verkopen.

De raad stelt in beroep dat het toekennen van een aanduiding als plattelandswoning geen toekomstbestendige oplossing is. Volgens de raad kan op grond van artikel 1.1a Wabo een agrarische bedrijfswoning uitsluitend als plattelandswoning worden toegekend als ter plaatse of in de directe omgeving een agrarisch bedrijf in werking is.

De Afdelingvolgt de raad niet in het standpunt dat een aanduiding van een agrarische bedrijfswoning in een bestemmingsplan als plattelandswoning in de toekomst ertoe kan leiden dat strijd met het bestemmingsplan of artikel 1.1a Wabo ontstaat als het bijbehorende agrarische bedrijf zou stoppen. Aan dat standpunt van de raad ligt de veronderstelling ten grondslag dat de wettelijke regeling voor plattelandswoningen in artikel 1.1a van de Wabo uitsluitend van toepassing is als ter plaatse sprake is van een feitelijk aanwezige en in werking zijnde landbouwinrichting. (Reikwijdte plattelandswoning)

(…) In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de zinsnede “een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, uit artikel 1.1a van de Wabo met zich brengt dat de raad een woning in twee situaties met het oog op bewoning door een derde kan bestemmen als plattelandswoning. Lees meer in r.o. 5.2 van uitspraak ABRS 26 februari 2020, no. 201801850/3/R2.

Bel voor praktische oplossingen voor uw bedrijfswoning 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl

 

Bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan bewijzen

Bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan bewijzenbedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan

De gemeente heeft een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld. Eén van de appellanten stelt dat zijn perceel ten onrechte is bestemd als Wonen. Hij voert in beroep aan dat hij sinds 1970 een agrarisch loonbedrijf ter plaatse uitoefent. Die activiteiten waren ook in voorgaande bestemmingsplannen als zodanig bestemd.

De gemeente stelt dat er niet langer bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend. Ook ontbreekt volgens de gemeente een concreet zicht op een op een ruimtelijk aanvaardbare manier opnieuw gebruiken van het perceel ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie. Volgens de raad wordt voldaan aan de kwalificatie ‘bedrijfsmatig’ wanneer er sprake is van een meer dan symbolische vergoeding en wordt deelgenomen aan het normaal economisch verkeer. Daarbij heeft de raad aansluiting gezocht bij de criteria voor een onderneming die door de Kamer van Koophandel worden gehanteert. Volgens de gemeente horen verder melkwagens niet meer bij het bedrijf. Er is ook geen sprake van een aanvraag voor een milieuvergunning of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is het bedrijf uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kvk.

De Afdeling overweegt: “dat de raad zich voor zijn standpunt heeft gebaseerd op de uitschrijving uit het handelsregister van de Kamer van koophandel, op de bevindingen van een milieucontrole (…) en op het ontbreken van een nieuwe aanvraag voor een milieuvergunning of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit het verslag van de milieucontrole blijkt dat de twee melkvrachtwagens geen deel meer uitmaken van de bedrijfsmiddelen, maar dat rechtvaardigt nog niet de conclusie dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse geheel zouden zijn gestaakt. Daarbij betrekt de Afdeling dat de controle ongeveer 10 jaar voor de vaststelling van het plan plaatsvond. Om aan te tonen dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten op het perceel heeft appellant in het kader van de zienswijzeprocedure bij brief (…) 9 verklaringen van cliënten over verrichte diensten overgelegd en ook een opsomming van machines die door appellant worden ingezet, een verklaring over een intentie tot samenwerking en een bouwtekening van een nog aan te vragen omgevingsvergunning voor een nieuw te bouwen bedrijfshal/loods. Uit de overgelegde verklaringen, die de raad niet betwist, volgt dat door appellant reparatie- en herstelwerkzaamheden worden verricht aan land- en tuinbouwmachines. Met de overgelegde stukken heeft appellant naar het oordeel van de Afdeling een begin van bewijs geleverd dat op zijn perceel bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. (…)”. (bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan)

Lees meer in r.o. 4.3 van uitspraak ABRS 18 december 2019, no. 201807048/1/R1.

Benieuwd of uw activiteiten wel bedrijfsmatig zijn? Bel 010 – 268 0689 of mail. 

 

aantal asielzoekers is ruimtelijk relevant

Aantal asielzoekers in bestemmingsplan in ruimtelijk relevantaantal asielzoekers

De raad van de gemeente Apeldoorn heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor het mogelijk maken van een AZC. Appellanten zijn van mening dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij geven onder meer aan dat er ten onrechte geen maximum in het bestemmingsplan is opgenomen voor het aantal te huisvesten asielzoekers. Zij vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de komst van de asielzoekers op de gekozen locatie.

De Afdeling overweegt onder meer: “Of voldoende draagvlak voor het plan bij de omwonenden bestaat is niet van doorslaggevende betekenis. Dat betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het voorziene AZC dient te maken. (…) De Afdeling stelt voorop dat de gebruiksmogelijkheden beperkt worden door de in het plan opgenomen bouwvlakken. De Afdeling is niet gebleken van wettelijke voorschriften met betrekking tot de omvang van de woonruimte van een asielzoeker. Dat betekent dat het plan zich niet verzet tegen opvang van meer dan 600 asielzoekers. Uit hetgeen de raad (…) ter zitting hebben verklaard, blijkt dat vooralsnog een opvang van meer dan 600 asielzoekers niet is beoogd. (…) De Afdeling gaat er vanuit dat de raad door een maximum van 600 asielzoekers niet te vermelden in het plan, met het plan meer mogelijk heeft gemaakt dan beoogd. Dit is in strijd met het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. (…)”

Lees meer in uitspraak 20 november 2019, no. 201809013/1/R1.

Wat is nu ruimtelijk relevant en wat niet? Voor vragen bel 010 – 268 0689.