deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemming

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemminghakselen hout

Het college van B&W heeft een last onder dwangsom opgelegd voor het opslaan van hout en het verwerken van boomstammen tot hoogwaardige micro-chips. Het ter plaatse gevestigde bedrijf produceert kleine houtsnippers die aan andere bedrijven verkocht worden. Ze hakselen zowel wijnranken op eigen terrein als stamhout afkomstig uit bos in de omgeving.

Volgens het college zijn voornoemde activiteiten in strijd met de geldende agrarische bestemming. Appellant stelt in hoger beroep dat het hout afkomstig is van eigen wijnranken en een bijproduct is van zijn eigen wijngaard. Deze activiteit moet worden aangemerkt als agrarisch bedrijf overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Volgens appellant is de activiteit gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen.

De Afdeling overweegt als volgt: “De activiteit die het bedrijf verricht  – het hakselen van hout dat deels van eigen grond en deels van elders afkomstig is – kan niet worden aangemerkt als (behorend bij) grondgebonden veehouderij. (…) De activiteit kan naar het oordeel van de Afdeling ook niet worden aangemerkt als akker- en vollegrondstuinbouw (…). Het hakselen van stamhout is niet hetzelfde als het telen van gewassen. Het is (…) ook niet een activiteit die nauw samenhangt met het telen van gewassen, want stamhout is geen gewas. Bovendien is het productieproces van de micro-chips niet beperkt tot een ondergeschikte verwerking van bijproduct van de eigen ter plaatse toegestane wijngaard, aangezien [het bedrijf] ook hout van andere bedrijven gebruikt. Dit gebruik van het perceel is dan ook niet toegestaan op gronden met de bestemming Agrarische doeleinden. Lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 26 februari 2020, zie rechtspraak.nl.

MH: Belangrijk is om te kijken naar de definities die gebruikt worden in het geldende bestemmingsplan. Sommige definities van agrarisch bedrijf zijn ruimer dan de andere. In dit geval is de definitie uitgesplitst in bepaalde vormen van agrarisch bedrijf.

Meer weten over de uitleg van definities in een geldend bestemmingsplan? Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Reikwijdte plattelandswoning artikel 1.1a Wabo

Reikwijdte plattelandswoning – artikel 1.1a Waboreikwijdte plattelandswoning

De raad heeft een herziening van het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld voor een wijziging van een pelsdierhouderij. De eigenaar stelt in beroep dat de gemeente ten onrechte geen aanduiding heeft opgenomen voor een plattelandswoning. Volgens hem zullen de huidige bedrijfsactiviteiten binnenkort wijzigen. Het houden van pelsdieren moet met ingang van 1 januari 2024 gestaakt worden. Hij overweegt echter ook om alle agrarische activiteiten te staken. Op de zitting heeft de eigenaar toegelicht dat een plattelandswoning voor hem de mogelijkheid biedt om in de toekomst het resterende agrarische bedrijf te verkopen. Hij wil de keuze hebben om zelf in de bedrijfswoning te blijven wonen of het bedrijf en de bijbehorende bedrijfswoning te verkopen.

De raad stelt in beroep dat het toekennen van een aanduiding als plattelandswoning geen toekomstbestendige oplossing is. Volgens de raad kan op grond van artikel 1.1a Wabo een agrarische bedrijfswoning uitsluitend als plattelandswoning worden toegekend als ter plaatse of in de directe omgeving een agrarisch bedrijf in werking is.

De Afdelingvolgt de raad niet in het standpunt dat een aanduiding van een agrarische bedrijfswoning in een bestemmingsplan als plattelandswoning in de toekomst ertoe kan leiden dat strijd met het bestemmingsplan of artikel 1.1a Wabo ontstaat als het bijbehorende agrarische bedrijf zou stoppen. Aan dat standpunt van de raad ligt de veronderstelling ten grondslag dat de wettelijke regeling voor plattelandswoningen in artikel 1.1a van de Wabo uitsluitend van toepassing is als ter plaatse sprake is van een feitelijk aanwezige en in werking zijnde landbouwinrichting. (Reikwijdte plattelandswoning)

(…) In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de zinsnede “een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, uit artikel 1.1a van de Wabo met zich brengt dat de raad een woning in twee situaties met het oog op bewoning door een derde kan bestemmen als plattelandswoning. Lees meer in r.o. 5.2 van uitspraak ABRS 26 februari 2020, no. 201801850/3/R2.

Bel voor praktische oplossingen voor uw bedrijfswoning 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan bewijzen

Bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan bewijzenbedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan

De gemeente heeft een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld. Eén van de appellanten stelt dat zijn perceel ten onrechte is bestemd als Wonen. Hij voert in beroep aan dat hij sinds 1970 een agrarisch loonbedrijf ter plaatse uitoefent. Die activiteiten waren ook in voorgaande bestemmingsplannen als zodanig bestemd.

De gemeente stelt dat er niet langer bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend. Ook ontbreekt volgens de gemeente een concreet zicht op een op een ruimtelijk aanvaardbare manier opnieuw gebruiken van het perceel ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie. Volgens de raad wordt voldaan aan de kwalificatie ‘bedrijfsmatig’ wanneer er sprake is van een meer dan symbolische vergoeding en wordt deelgenomen aan het normaal economisch verkeer. Daarbij heeft de raad aansluiting gezocht bij de criteria voor een onderneming die door de Kamer van Koophandel worden gehanteert. Volgens de gemeente horen verder melkwagens niet meer bij het bedrijf. Er is ook geen sprake van een aanvraag voor een milieuvergunning of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is het bedrijf uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kvk.

De Afdeling overweegt: “dat de raad zich voor zijn standpunt heeft gebaseerd op de uitschrijving uit het handelsregister van de Kamer van koophandel, op de bevindingen van een milieucontrole (…) en op het ontbreken van een nieuwe aanvraag voor een milieuvergunning of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit het verslag van de milieucontrole blijkt dat de twee melkvrachtwagens geen deel meer uitmaken van de bedrijfsmiddelen, maar dat rechtvaardigt nog niet de conclusie dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse geheel zouden zijn gestaakt. Daarbij betrekt de Afdeling dat de controle ongeveer 10 jaar voor de vaststelling van het plan plaatsvond. Om aan te tonen dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten op het perceel heeft appellant in het kader van de zienswijzeprocedure bij brief (…) 9 verklaringen van cliënten over verrichte diensten overgelegd en ook een opsomming van machines die door appellant worden ingezet, een verklaring over een intentie tot samenwerking en een bouwtekening van een nog aan te vragen omgevingsvergunning voor een nieuw te bouwen bedrijfshal/loods. Uit de overgelegde verklaringen, die de raad niet betwist, volgt dat door appellant reparatie- en herstelwerkzaamheden worden verricht aan land- en tuinbouwmachines. Met de overgelegde stukken heeft appellant naar het oordeel van de Afdeling een begin van bewijs geleverd dat op zijn perceel bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. (…)”. (bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan)

Lees meer in r.o. 4.3 van uitspraak ABRS 18 december 2019, no. 201807048/1/R1.

Benieuwd of uw activiteiten wel bedrijfsmatig zijn? Bel 010 – 268 0689 of mail. 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

aantal asielzoekers is ruimtelijk relevant

Aantal asielzoekers in bestemmingsplan in ruimtelijk relevantaantal asielzoekers

De raad van de gemeente Apeldoorn heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor het mogelijk maken van een AZC. Appellanten zijn van mening dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij geven onder meer aan dat er ten onrechte geen maximum in het bestemmingsplan is opgenomen voor het aantal te huisvesten asielzoekers. Zij vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de komst van de asielzoekers op de gekozen locatie.

De Afdeling overweegt onder meer: “Of voldoende draagvlak voor het plan bij de omwonenden bestaat is niet van doorslaggevende betekenis. Dat betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het voorziene AZC dient te maken. (…) De Afdeling stelt voorop dat de gebruiksmogelijkheden beperkt worden door de in het plan opgenomen bouwvlakken. De Afdeling is niet gebleken van wettelijke voorschriften met betrekking tot de omvang van de woonruimte van een asielzoeker. Dat betekent dat het plan zich niet verzet tegen opvang van meer dan 600 asielzoekers. Uit hetgeen de raad (…) ter zitting hebben verklaard, blijkt dat vooralsnog een opvang van meer dan 600 asielzoekers niet is beoogd. (…) De Afdeling gaat er vanuit dat de raad door een maximum van 600 asielzoekers niet te vermelden in het plan, met het plan meer mogelijk heeft gemaakt dan beoogd. Dit is in strijd met het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. (…)”

Lees meer in uitspraak 20 november 2019, no. 201809013/1/R1.

Wat is nu ruimtelijk relevant en wat niet? Voor vragen bel 010 – 268 0689.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Belanghebbende omgevingsvergunning natuurlijk persoon

Belanghebbende omgevingsvergunning en gevolgen van enige betekenisbelanghebbende omgevingsvergunning

  • artikel 1:2, eerste lid Awb
  • natuurlijke persoon

De Raad van State gebruikt de volgende (standaard)overweging om aan te geven of een appellant al dan niet belanghebbende is:

Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijke persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit, in beginsel belanghebbende is bij de vaststelling van dat besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) dient het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ als correctie op dat uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie voor de betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.”

In deze casus ging het om de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een hotel en telt het aspect uitzicht ook mee:

Appellant heeft ter zitting van de Afdeling gesteld dat hij vanuit het op zijn perceel aanwezige tuinhuis zicht heeft op het pension. De Afdeling volgt hem daarin, maar dat leidt niet zonder meer tot de conclusie dat appellant gevolgen van enige betekenis ondervindt van het project. Uit de ter zitting geschetste situatie blijkt dat het tuinhuis gericht is op de tuin en de woning van appellant en dat er alleen zicht is op het pension vanuit een dakkapel aan de achterkant van het tuinhuis (…). Lees meer in r.o. 2.3 van uitspraak ABRS 30 oktober 2019, no. 201900916/1/A1. Belanghebbende omgevingsvergunning.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Verrijdbare kas buiten bouwvlak bestemmingsplan?

Verrijdbare kas buiten bouwvlak bestemmingsplan?verrijdbare kas

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een verrijdbare kas. Het bouwplan bestaat uit twee verrijdbare kasonderdelen. De kassen hebben elk een oppervlakte van 400 m². Het baanvak waarover de kas rijdt heeft een lengte van 160 meter.

Volgens appellant past het bouwplan niet in het nieuwe bestemmingsplan. Hij voert aan dat de verrijdbare kassen zich buiten het bouwvlak kunnen bevinden.

De standplaats van de twee verrijdbare kassen bevindt zich in het bouwvlak van het bestemmingsplan. Volgens de aanvrager van de omgevingsvergunning is de rolkas nodig om voor het buitensluiten van regen om droogteproeven te kunnen uitvoeren. Wanneer het niet regent is de kas geparkeerd. Wanneer het regent moet de kas over het proefveld. De rolkas staat voor het grootste gedeelte van de tijd op de parkeerplek naast de bestaande loods.

De Afdeling is van oordeel dat “het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt gebouwd buiten het bouwvlak als de tunnelkas wordt verplaatst op de buiten het bouwvlak aanwezige palen. Daarbij is van belang dat de tunnelkas alleen buiten de voormelde incidentele werkzaamheden wordt geplaatst op de palen (…). Anders dan appellant stelt behoeft het traject waarover de kassen kunnen worden uitgereden gelet op het voorgaande niet te worden meegeteld bij de beantwoording van de vraag of voldaan wordt aan het maximum aan te bebouwen oppervlakte als bedoeld in (…) van de planregels. Het betoog faalt.”

Lees meer in r.o. 9 van uitspraak ABRS 4 september 2019, no. 201709787/1/A1.

Alleen voor agrariërs: Check of uw kas in het bestemmingsplan past! Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Archeologisch onderzoek niet voor vergunningvrij

Archeologisch onderzoek niet voor vergunningvrijarcheologisch onderzoek

In de praktijk leveren archeologische onderzoeken vaak ergernis op bij initiatiefnemers van bouwplannen. Het levert extra onderzoekskosten op zonder dat duidelijk is waarom dergelijke onderzoeken moeten worden uitgevoerd. Persoonlijk vind ik het jammer dat er vanuit de overheid niet gecommuniceerd wordt waarom die onderzoeken nodig of nuttig zijn. Van een archeologisch deskundige heb ik al eens vernomen wat er mee gedaan wordt en wat ze graag zouden willen. Bij metrostation Blijdorp in Rotterdam is dat goed te zien. Het is leuk en informatief om te lezen wat daar is gevonden en welke geschiedenis aan de locatie is verbonden. Leuk gedaan! Dat zouden meer gemeenten moeten laten zien. Ik denk dat er dan meer begrip ontstaat voor dergelijke onderzoeken en waarom het zo belangrijk is.

Moeten archeologische onderzoeken nu ook worden uitgevoerd voor vergunningvrije bouwwerken?

Deze vraag kwam aan de orde in een uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2019. Het ging in dit geval om een mestplaat die volgens de gemeente in strijd met het bestemmingsplan was gebouwd. Op de locatie is behalve een agrarische bestemming ook de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ van toepassing. Meestal zijn hier standaardregels voor opgesteld in een bestemmingsplan. Volgens appellant was het college van B&W niet bevoegd om handhavend op te treden. Volgens het college moet de bepaling inzake ‘Waarde-Archeologie’ zo moeten worden gelezen dat op gronden met een archeologische dubbelbestemming geen bouwwerken mogen worden gebouwd die groter zijn dan 100 m², tenzij hier een omgevingsvergunning voor is verleend.

De Afdeling overweegt als volgt: “In artikel (…) van de planregels is niet bepaald dat een archeologisch rapport ook nodig is voor bouwwerken van meer dan 100 m² die zonder een omgevingsvergunning voor bouwen mogen worden gebouwd. Als een bouwwerk vergunningvrij mag worden opgericht, dan hoeft er geen aanvraag voor omgevingsvergunning voor bouwen te worden ingediend.” Lees meer in r.o. 12.1 van uitspraak 201709508/1/A1. (geen archeologisch onderzoek vergunningvrij).

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

ingebruikname gronden in planregel definiëren

Ingebruikname gronden in planregel bestemmingsplan definiëreningebruikname gronden

Uit deze uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2019 blijkt weer eens hoe belangrijk het is om gebruikte woorden in planregels van een bestemmingsplan goed te definiëren. Als gevolg van beroepsdeformatie gebruiken we vaak woorden die voor ons en collega’s vaak duidelijk zijn. Dat wil echter niet zeggen dat dit voor de buitenwereld ook zo is.

De raad van de gemeente Loon op Zand heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor de beoogde uitbreiding van de Efteling. Het plangebied bestaat uit een attractiepark van de Efteling, verblijfsaccomodaties, een golfterrein, bos- en natuurgebied en agrarische percelen. Het bestemmingsplan maakt de uitbreiding mogelijk van onder meer het attractiepark.

Appellanten vrezen onder meer een verslechtering van hun woon- en leefklimaat en een toename van de verkeersoverlast. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels over ingebruikname gronden:

De ingebruikname van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – voorwaardelijke verplichting zuidelijke ontsluiting en voldoende parkeervoorzieningen’ is uitsluitend toegestaan indien een geluidsonderzoek (…)”

Op de zitting is uitgelegd dat met de woorden ‘ingebruikname van de gronden’ is bedoeld het moment van ingebruikname – opstelling voor bezoekers – van de op de betreffende gronden te realiseren nieuwe attracties.

De voorzieningenrechter wijst erop “dat het woord ingebruikname van gronden in de planregels niet is gedefinieerd. Daarvan kan ook reeds sprake zijn op het moment, waarop een aanvang wordt gemaakt met de uitvoering van werken en werkzaamheden ter realisering van de aan de gronden toegekende bestemming. Voorts is artikel (…) opgenomen onder het kopje ‘specifieke gebruiksregels’ en is het woord bouwen daarin niet opgenomen. Aldus is onduidelijk hoe daaruit kan voortvloeien dat ook in het kader van de indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden aangetoond dat op de betrokken beoordelingspunten aan de ter zake aangegeven geluidgrenswaarden, in combinatie met ter zake eventueel noodzakelijk te treffen maatregelen, wordt voldaan. (…).

Lees verder in r.o. 9 en 10 van deze uitspraak.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Agrarische bedrijvigheid bestemmingsplan niet onbegrensd

Agrarische bedrijvigheid op grond van bestemmingsplan niet onbegrensd

  • omgevingsvergunningagrarische bedrijvigheid
  • bestemmingsplan
  • bouwvlak
  • bewoning
  • onbelemmerde ontwikkelingsmogelijkheden agrarische bedrijvigheid?

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor een woon-zorggebouw in het buitengebied. Het betreft een woongemeenschap voor maximaal 4 ouderen. Het doel van de initiatiefnemers is om samen te wonen en zelfvoorzienend te zijn op het gebied van energie en verzorging. In het gebouw worden 4 woningen gerealiseerd en een gemeenschappelijke ruimte.

De nabij gevestigde veehouder stelt dat hij door het plan ten onrechte in de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van zijn veehouderij wordt beperkt. Op een groter gedeelte van zijn perceel kan hij door het plan geen bedrijfsbebouwing met emissiepunten meer kan oprichten.

Voor zover de gemeente stelt dat uitbreiding gezien de beperkte grondpositie en het huidige aantal dieren niet mogelijk is, miskent de gemeente volgens appellant dat er planologisch meer mogelijk is dan alleen het houden van rundvee.

Ten aanzien van mogelijke beperkingen van toekomstige bedrijfsmogelijkheden stelt de gemeente dat hij niet gehouden is om bij planologische veranderingen altijd uit te gaan van blijvende onbelemmerde ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de gemeente kunnen ook de uitbreidingsverwachting, een uitbreidingsalternatief, de ernst van de belemmering en de waarschijnlijkheid van de belemmering in de afweging worden betrokken. Er is volgens de gemeente sprake van een theoretische belemmering van 400 m² extra gronden waar appellant in de toekomst geen bedrijfsbebouwing met emissiepunten meer kan oprichten. Deze gronden zijn volgens de gemeente gelegen op een plaats waar agrarische bedrijfsbebouwing gelet op stedenbouwkundige uitgangspunten niet voor de hand ligt.  Voorts acht de gemeente het gelet op algemene ontwikkelingen in de agrarische sector, de ontwikkeling in dit gebied, en de huidige veebezetting van het bedrijf niet aannemelijk dat appellant of diens rechtsopvolger op de desbetreffende 400 m² bedrijfsbebouwing zou willen oprichten (…).

De Afdeling stelt vast “dat de afstand tussen een dierenverblijf met dieren zonder geuremissefactor en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, zowel op grond van de Wgv als het Activiteitenbesluit milieubeheer, 50 meter moet bedragen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid de afstandseis van het Activiteitenbesluit en niet de richtafstanden van de VNG-brochure als uitgangspunt kunnen nemen. Lees meer in r.o. 5.3 van uitspraak ABRS 20 februari 2019, no. 201806805/1/R3.

Noot MH: De Raad van State lijkt in deze uitspraak niet meer uit te gaan van de maximale planologische mogelijkheden. Aspecten als uitbreidingsverwachting, stedenbouwkundige uitgangspunten, algemene ontwikkelingen in de agrarische sector, etc. mogen dus betrokken worden in de besluitvorming van ruimtelijke besluiten. De vraag is of dit alleen voor agrarische bedrijvigheid geldt of ook voor andere sectoren. Interessant!

Voor meer informatie bel 06-55897008 (Marian Harberink) of stuur een email.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

waterhuishoudkundige maatregelen borgen in bestemmingsplan

Waterhuishoudkundige maatregelen borgen in bestemmingsplanwaterhuishoudkundige maatregelen

  • uitwerkingsplan
  • voorwaardelijke bepaling
  • waterhuiskundige maatregelen via privaatrecht of publiekrecht?

De gemeente heeft een uitwerkingsplan vastgesteld voor woningbouw. Appellanten vrezen onder meer onaanvaardbare wateroverlast als gevolg van de woningbouw. De nieuwbouwkavels in het plangebied zullen worden opgehoogd met tenminste 60 cm ten opzichte van hun achtertuinen. Bij hevige neerslag zal wateroverlast in hun achtertuinen ontstaan. Ze maken zich zorgen over de borging van de afwatering buiten de plangrenzen en menen dat in het plan niet is verzekerd dat nadelige gevolgen voor de waterhuishouding van hun aangrenzende percelen daadwerkelijk wordt voorkomen.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) In dit kader staat in de notitie dat als gevolg van de toename van het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie minder hemelwater op deze locaties in de bodem infiltreert en meer hemelwater afstroomt. De nieuwe greppelstructuur zorgt ervoor dat het afgestroomde hemelwater geborgen wordt en lokaal alsnog voor een deel kan infiltreren, aldus de notitie. (…) Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de waterhuishoudkundige maatregelen die noodzakelijk zijn om onaanvaardbare wateroverlast te voorkomen, niet tot in detail in het uitwerkingsplan behoeven te worden opgenomen. Dit laat evenwel onverlet dat de aanleg en instandhouding van een ontwateringsvoorziening verzekerd moet zijn. Dat is te meer het geval nu het college te kennen heeft gegeven dat de aanleg van een adequate ontwateringsvoorziening tussen de nieuwe en de bestaande percelen vanwege het te ontstane hoogteverschil noodzakelijk is om te voorkomen dat ernstige wateroverlast zal ontstaan, en dat bij gebreke daarvan het plan planologisch niet aanvaardbaar moet worden geacht. 

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college evenwel niet inzichtelijk gemaakt dat of de ter plaatse van de nieuwbouwkavels nabij de zuidelijke grens van het plangebied te graven doorlopende greppel naar zijn mening een noodzakelijk onderdeel uitmaakt van de voorziene waterstructuur, gericht op het voorkomen van onaanvaardbare wateroverlast door afstroming vanuit het plangebied naar de percelen van onder meer appellanten. Indien dat het geval is had het op de weg van het college gelegen, het aanleggen en onderhouden van deze greppel bij wijze van voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen, tenzij de aanleg en het onderhoud anderszinds publiekrechtelijk zijn verzekerd. Uit de stukken die de Afdeling ter beschikking staan is niet gebleken dat dat laatste het geval is, al dan niet door middel van vergunningverlening op grond van de Waterwet. (…). 

Lees meer in uitspraak ABRS 20 februari 2019, no. 201802823/1/R1. (waterhuishoudkundige maatregelen)

Meer weten over voorwaardelijke verplichtingen in het bestemmingsplan en water? Download het artikel dat S. Handgraaf en ik publiceerden in het vakblad ‘Land +Water’.