deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

huisvesting seizoenarbeiders via voorwaarden mogelijk maken

Huisvesting seizoenarbeiders via voorwaarden bestemmingsplan mogelijk makenhuisvesting seizoenarbeiders

  • huisvesting seizoenarbeiders
  • planregel woon- en leefklimaat omwonenden rechtsonzeker?

De huisvesting van seizoenarbeiders blijft de gemoederen bezig houden. Met name in de agrarische sector zijn arbeidsmigranten – die vaak op tijdelijke basis werken – hard nodig om bijv. de aardbeien, asperges, etc. van het land te halen. Vrijwel elke gemeente kent de problematiek van het huisvesten van arbeidsmigranten in woonwijken. Vaak leidt dit tot extra parkeerdruk in de omgeving of tot andere klachten van omwonenden. Het lijkt dan ook beter om de arbeidsmigranten te huisvesten bij het agrarische bedrijf zelf. Daar heeft de navolgende uitspraak van de Afdeling betrekking op.

De raad van de gemeente Breda heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor het oostelijke deel van het buitengebied. In het plan is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor de huisvesting van seizoenarbeiders in stacaravans en woonunits. Er is onder meer  de voorwaarde opgenomen dat de huisvesting van seizoenarbeiders geen nadelige gevolgen mag hebben voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. Verder is als voorwaarde opgenomen dat dit gebruik is toegestaan voor een maximaal aaneengesloten periode van 6 maanden voor maximaal 40 seizoenarbeiders. Ook dienen de woonunits en stacaravans te worden opgenomen in het bouwvlak van het agrarische bedrijf.

Er is tevens een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan voor de huisvesting van maximaal 120 seizoenarbeiders. Appellanten hebben bezwaar tegen de hiervoor genoemde mogelijkheden. Zij betogen dat de raad, om een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden verzekeren, een minimale afstand had moeten opnemen die moet worden aangehouden tussen woonunits en nabijgelegen woningen. Zij vrezen geluidsoverlast. De voorwaarde dat moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet mag worden aangetast vinden appellanten onduidelijk.

De Afdeling is van oordeel dat “uit de artikelen (…) van de planregels voldoende blijkt dat onder welke omstandigheden het college (…) een omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan mag verlenen of een wijzigingsplan mag vaststellen voor de realisatie van woonunits binnen het bouwvlak van een agrarisch bedrijf voor ten hoogste 40 onderscheidenlijk 120 seizoenarbeiders die bij het desbetreffende bedrijf werkzaam zijn. (…) Dat in de planregels geen precieze afstand tot omliggende woningen is vermeld, doet daaraan niet af, en is geen reden om de genoemde bepalingen rechtsonzeker te noemen.”

Lees meer in uitspraak ABRS 10 april 2019, no. 201708192/1/R2

Wilt u de huisvesting van seizoenarbeiders mogelijk maken bij uw bedrijf?

Bel 010 – 2680689 voor meer informatie of voor advies.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Huisvesting arbeidsmigranten op bedrijventerrein is mogelijk

Huisvesting arbeidsmigranten op bedrijventerrein is mogelijkhuisvesting arbeidsmigranten

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de tijdelijke huisvesting van maximaal 252 arbeidsmigranten op een bedrijventerrein. Dit voor een periode van 10 jaar. Het perceel ligt op een gezoneerd bedrijventerrein.

Volgens appellant zal de huisvesting van arbeidsmigranten hem belemmeren in de bedrijfsvoering.

De Afdeling overweegt als volgt: “Het bedrijventerrein is krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd, wat betekent dat er op grond van artikel 2.17 eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer geen geluidgrenswaarden gelden voor woningen op dat bedrijventerrein. Dit neemt niet weg dat artikel 2.12, eerste lid van de Wabo bepaalt dat het college de omgevingsvergunning niet mag verlenen als dat in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, waaronder begrepen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel. 

(…) Omdat er geen richtafstanden zijn voor woningen op een (gezoneerd) bedrijventerrein, heeft het college bij de beantwoording van de vraag of op het perceel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of bedrijven op het bedrijventerrein hun bedrijfsactiviteiten kunnen uitvoeren binnen aanvaardbare voorwaarden naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de in de VNG-handreiking opgenomen richtafstanden die dienen te worden aangehouden tussen een bepaald omgevingstype en een bedrijf van een bepaalde milieucategorie. Vaststaat dat de directe omgeving van het perceel niet kan worden aangeduid als omgevingstype ‘rustige woonwijk’ als bedoeld in de VNG-handreiking. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het gebied direct om het perceel heen wel aansluit bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ uit de VNG-handreiking. Het college heeft daarbij kunnen betrekken dat sprake is van enige mate van functiemenging als bedoeld in die handreiking, omdat het perceel is gelegen aan een hoofdontsluiting en nabij snelweg A59 en ter plaatse verder ook kleine bedrijfjes (…) aanwezig zijn. Dat voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat op het perceel is aangesloten bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ uit de VNG-handreiking maakt niet dat het college het bedrijventerrein daadwerkelijk als een omgevingstype ‘gemengd gebied’ in de zin van de beleidsregel of de VNG-handreiking heeft aangemerkt. De aard van het bedrijventerrein is immers niet veranderd. Lees verder in r.o. 4.6 van uitspraak ABRS 12 december 2018, no. 201710138/1/A1.   [huisvesting arbeidsmigranten]

Meer weten over huisvesting van arbeidsmigranten op een bedrijventerrein in uw gemeente? Bel 010 – 268 0689.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Maximum aantal arbeidsmigranten regelen in bestemmingsplan?

Maximum aantal arbeidsmigranten regelen in bestemmingsplan?

*Maximum aantal arbeidsmigranten in bestemmingsplan ruimtelijk relevant?

De gemeenteraad van de gemeente Leudal heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de ontwikkeling van het landgoed Leudal. Het plan strekt tot reparatie van de in een eerdere uitspraak uit 2015 geconstateerde gebreken.

Appellant betoogt in beroep dat de motivering met betrekking tot de maximering in de planregels van het aantal arbeidsmigranten tot het aantal 225 ondeugdelijk is. Volgens appellant is er in het kader van de vergunningverlening voor de transformatie van het landgoed een maximum van 375 personen afgesproken. Voor dit aantal is ruimte in de huisvesting. Ook staat volgens hem de Kadernotitie huisvesting arbeidsmigranten een dergelijke omvang toe.

Volgens de raad is nooit gesproken over een aantal van 375 arbeidsmigranten. Volgens de raad bieden de vergunde chalets hiervoor geen ruimte. Bovendien zijn de vergunningen geheel gericht op recreatief en educatief gebruik. Het moet gaan om aan de hoofdfunctie ondergeschikt gebruik. Verder moet volgens de raad de huisvesting van arbeidsmigranten in redelijke verhouding staan tot het inwoneraantal van het dorp.

Regelen maximum aantal arbeidsmigranten in bestemmingsplan kan ruimtelijk relevant zijn, mits…

Volgens de eerder genoemde uitspraak uit 2015 kan de raad het aantal te huisvesten arbeidsmigranten op een recreatieterrein in het kader van een goede ruimtelijke ordening reguleren. (…) De raad heeft aan het plan ten grondslag gelegd dat het bij de huisvesting van arbeidsmigranten moet gaan om aan de recreatieve en trainingsfuncties ondergeschikt gebruik dat alleen gedurende een overbruggingsperiode tot 2026 aanvaardbaar is. De Afdeling acht dit niet onredelijk. (…) Voorts is niet gebleken van concrete afspraken over de huisvesting van het aantal te huisvesten personen. Evenmin zijn door de raad concrete gegevens overlegd die een vrees voor ontwrichting voor het woon- en leefklimaat voor de inwoners van het nabij gelegen dorp onderbouwen. (…) Het betoog slaagt.

Zie uitspraak ABRS 3 mei 2017, no. 201606901/1/R1

Vragen?

omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

huisvesting seizoensarbeiders en bestemmingsplan

huisvesting seizoensarbeiders en bestemmingsplan

Het college van b&w heeft een bouwvergunning verleend voor een logiesgebouw voor seizoensarbeiders. Enkele omwonenden hebben hiertegen bezwaar gemaakt, waarna het college de bouwvergunning alsnog heeft geweigerd. Het perceel heeft in het bestemmingsplan de bestemming ‘Horecabedrijven’. Deze bestemming maakt onder andere woon- en horecadoeleinden mogelijk. Volgens appellant is het bouwplan in strijd met deze bestemming.

Onder horecabedrijf wordt in het bestemmingsplan onder meer een hotel verstaan. In het bestemmingsplan is geen definitie opgenomen van hotel.

De Afdeling overweegt: In de planvoorschriften is geen definitie van het begrip ‘hotelbedrijf’ opgenomen. De rechtbank heeft van doorslaggevend belang geacht dat bij de beantwoording van de vraag of de voorgenomen activiteiten onder het begrip ‘horecabedrijf’ kunnen worden geschaard, dient te worden uitgegaan van hetgeen in het normale spraakgebruik daaronder wordt verstaan. Het college is hier ook vanuit gegaan. Het heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een hotelbedrijf, in tegenstelling tot hetgeen het geval is bij logies, in grote lijnen wordt gekenmerkt doordat het verblijf van korte duur is, het vaak recreatief van aard is, er doorgaans toezicht aanwezig is in de vorm van personeel en meestal diverse vormen van verzorging worden aangeboden, zoals schoonmaak, roomservice en de verzorging van maaltijden. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt van het college onredelijk te achten. De door de rechtbank gehanteerde definitie van het CBS acht zij, zoals appellant op zichzelf terecht heeft betoogd, niet maatgevend. (..) 

Op het aanvraagformulier heeft appellant bij de omschrijving van het bouwplan ingevuld dat het bouwplan ziet op het geheel vernieuwen van een logiesverbouw voor seizoenarbeiders. Uit de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen blijkt dat het bouwplan voorziet in de realisering van 16 kamers en 4 woonkeukens waarbij (…) 4 kamers en een woonkeuken steeds een afdeling vormen. In samenhang bezien volgt uit de gegevens op het aanvraagformulier en de tekeningen naar het oordeel van de Afdeling dat de woonkeukens, (…) volledig als keuken zijn ingericht, zijn bedoeld voor het bereiden van maaltijden door de personen die in het gebouw verblijven, en is deze opzet niet kenmerkend voor wat in het normale spraakgebruik onder hotel wordt verstaan. De stelling van appellant ter zitting dat de woonkeukens alleen zullen worden gebruikt als loungeruimte en voor het nuttigen van het ontbijt, doet niet af aan hetgeen uit de aanvraag en tekeningen volgt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de voorgenomen activiteiten in strijd zijn met de op het perceel rustende bestemming ‘Horecabedrijven’.  

Noot

De huisvesting van seizoensarbeiders is in Nederland een groot probleem. Goedkope arbeid is voor veel ondernemers en consumenten wenselijk. Er zijn tal van voorbeelden te noemen van Polen die de badkamer verbouwen voor een prikje, etc. Het huisvesten van de seizoensarbeiders is iets anders. Het is erg lastig voor een gemeente en voor uitzendbureaus om deze mensen te huisvesten. Geen plek lijkt geschikt, er komen bijna altijd bezwaren binnen bij de gemeente. Het onderhavige voorbeeld lijkt een mooie oplossing: huisvesting in een hotel. Wederom bezwaren en wederom gaat een plan ‘onderuit’. In juridisch opzicht is het te begrijpen, vanuit planologisch opzicht niet. Wat is in ruimtelijk opzicht het probleem om in plaats van hotelgasten seizoensarbeiders onderdak te bieden? Wie het weet, mag het zeggen. Zie uitspraak ABRS 20 maart 2013, no. 201207859/1/A1

 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

huisvesting seizoensarbeiders en bestemmingsplan

Huisvesting seizoensarbeiders en bestemmingsplanhuisvesting seizoensarbeiders

Praktijkprobleem In de praktijk ondervinden veel gemeenten problemen met het huisvesten van tijdelijke – veelal buitenlandse – seizoensarbeiders. Meestal is er wel de wil om een oplossing te zoeken, maar ontbreken de juridische mogelijkheden. Onderhavige gemeente had in 2007 een beleidsnotitie vastgesteld waarin was bepaald dat tijdelijke woonunits en stacaravans voor de huisvesting van seizoensarbeiders na 6 maanden verwijderd dienden te worden. Voortschrijdend inzicht had geleid tot een gewijzigde bepaling in een nieuw bestemmingsplan.

Afwijkingsbepaling in bestemmingsplan (voor huisvesting seizoensarbeiders): De gemeente had de volgende afwijkingsbepaling opgenomen in het bestemmingsplan:

“Het college is bevoegd een omgevingsvergunning voor afwijking te verlenen van het bepaalde in lid … voor het plaatsen van stacaravans en/of woonunits of de verbouwing van een bedrijfsgebouw voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders met dien verstande dat:

  1. het gebruik als tijdelijke huisvesting slechts is toegestaan gedurende maximaal 6 maanden per jaar;
  2. deze dienen te worden geplaatst binnen het bouwvlak van het betreffende bedrijf;
  3. per bedrijf maximaal 40 seizoensarbeiders mogen worden gehuisvest;
  4. de noodzaak tot het hebben en huisvesten van seizoensarbeiders op het bedrijf afdoende is aangetoond waartoe een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen vereist is;
  5. een goede landschappelijke inpassing, op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, verzekerd is;
  6. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen voor de omliggende bedrijven.
De afwijkingsmogelijkheid is beperkt tot de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. Verder is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afwijken van de bepaling in de beleidsnota dat stacaravans en woonunits voor tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders na een half jaar verwijderd dienen te worden. 
Gepubliceerd op 3 november 2011
deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

huisvesting tijdelijke werknemers en bestemmingsplan

Huisvesting tijdelijke werknemers en bestemmingsplanhuisvesting tijdelijke werknemers

In een uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011 (no. 201005138/1/R3) komt de tijdelijke huisvestingsproblematiek van (veelal) buitenlandse werknemers aan de orde die door agrarische ondernemers worden ingehuurd om te helpen bij het oogsten. De uitspraak is interessant voor gemeenten hoe nu een en ander moet worden opgenomen in de planregels. Zie hiervoor r.o. 2.5.1.

In het betreffende bestemmingsplan had de Brabantse gemeente in de planregels van het plan opgenomen dat huisvesting van tijdelijke werknemers langer dan 6 maanden per kalenderjaar in de bij het bedrijf waar de werknemers zijn behorende bedrijfswoning of in een (agrarisch) bedrijfsgebouw kan plaatsvinden.  Er waren geen regels gesteld over het tegengaan van permanente bewoning van de (agrarische) bedrijfsgebouwen.

Provinciale verordening De provincie stak hier een stokje voor en gaf aan de gemeenteraad een aanwijzing. Hoewel de provincie wel de problematiek rondom de tijdelijke huisvesting erkende, was het in principe niet gewenst dat deze structurele huisvestingsbehoefte wordt opgevangen op plaatsen waar geen toename van de woonfunctie wordt nagestreefd, zoals in het buitengebied, op agrarische bedrijven of op het bedrijventerrein. De permanente oplossing moet – aldus de provincie – in het stedelijk gebied of in woonkernen worden gevonden. Het bieden van huisvesting op het eigen bedrijf gedurende minder dan 6 maanden is wel toegestaan, mits er geen zelfstandige wooneenheden ontstaan.

Overweging Afdeling: De Afdeling legt de provinciale verordening als volgt uit: “De verordening bepaalt dat in een bestemmingsplan regels moeten worden gesteld ter voorkoming van zelfstandige bewoning van onder meer bedrijfsgebouwen. (…). De verordening dwingt er, anders dan waarvan het college van GS is uitgegaan, niet toe dat in de door het college erkende uitzonderingssituaties, waarin een tijdelijke arbeidsbehoefte van meer dan 6 maanden bestaat, in de regels aan de huisvesting in een agrarisch bedrijfsgebouw de beperking wordt gesteld dat een individuele tijdelijke arbeidskracht nooit langer dan 6 maanden in het betrokken gebouw mag verblijven. Gelet hierop heeft het college niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen dat artikel 3.3 niet voorziet in een bepaling als voorgeschreven in de verordening, die de periode gedurende welke een individuele tijdelijke werknemer op het bedrijf gehuisvest mag worden, beperkt tot 6 maanden. (..)”. Zie verder r.o. 2.5.1.