deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

aantal asielzoekers is ruimtelijk relevant

Aantal asielzoekers in bestemmingsplan in ruimtelijk relevantaantal asielzoekers

De raad van de gemeente Apeldoorn heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor het mogelijk maken van een AZC. Appellanten zijn van mening dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij geven onder meer aan dat er ten onrechte geen maximum in het bestemmingsplan is opgenomen voor het aantal te huisvesten asielzoekers. Zij vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de komst van de asielzoekers op de gekozen locatie.

De Afdeling overweegt onder meer: “Of voldoende draagvlak voor het plan bij de omwonenden bestaat is niet van doorslaggevende betekenis. Dat betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het voorziene AZC dient te maken. (…) De Afdeling stelt voorop dat de gebruiksmogelijkheden beperkt worden door de in het plan opgenomen bouwvlakken. De Afdeling is niet gebleken van wettelijke voorschriften met betrekking tot de omvang van de woonruimte van een asielzoeker. Dat betekent dat het plan zich niet verzet tegen opvang van meer dan 600 asielzoekers. Uit hetgeen de raad (…) ter zitting hebben verklaard, blijkt dat vooralsnog een opvang van meer dan 600 asielzoekers niet is beoogd. (…) De Afdeling gaat er vanuit dat de raad door een maximum van 600 asielzoekers niet te vermelden in het plan, met het plan meer mogelijk heeft gemaakt dan beoogd. Dit is in strijd met het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. (…)”

Lees meer in uitspraak 20 november 2019, no. 201809013/1/R1.

Wat is nu ruimtelijk relevant en wat niet? Voor vragen bel 010 – 268 0689.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

milieugevolgen aardgas ruimtelijk niet relevant

Milieugevolgen aardgas ruimtelijk niet relevant

De raad van de gemeente Smallingerland heeft een herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld. De herziening heeft betrekking op gaswinning. De gemeente heeft de ambitie om de huidige energie-infrastructuur met aardgas te transformeren naar een infrastructuur met duurzame energiebronnen. Gelet op deze ambitie is het winnen van gas niet langer gewenst in de gemeente.

De minister voert in beroep aan dat het plan is ingegeven door de beleidsambities van de gemeente op het vlak van verduurzaming. In de toelichting staat dat de gemeente wil overschakelen op meer duurzame energiebronnen en het winnen van gas binnen haar grenzen als gevolg daarvan niet langer gewenst vindt. Het gaat volgens de minster dan om gemeentelijk energiebeleid. Een dergelijk energiebeleid is volgens de minister geen ruimtelijk beleid en kan daarom niet worden gerealiseerd met een bestemmingsplan.

De Afdeling oordeelt als volgt: “De Afdeling is van oordeel dat, voor zover hij met de verwezenlijking van de doelen van zijn energiebeleid bepaalde onderzoeksactiviteiten heeft uitgesloten, geen ruimtelijk relevant doel nastreeft. (…) De Afdeling stelt voorop dat het doel dat de raad nastreeft, te weten duurzaamheid, op zichzelf een milieuaspect betreft. Het gaat de raad in het kader van de verduurzaming echter niet om milieugevolgen van het verkennings- en opsporingsonderzoek dat hij in het plan heeft uitgesloten, maar om de milieugevolgen van het gebruik van aardgas door de samenleving. Dit gebruik wordt door de raad vanuit duurzaamheidsoverwegingen onwenselijk geacht. Het gebruik van aardgas als brandstof door de samenleving is als zodanig geen ruimtegebruik van de gronden in het plangebied. Voorzover de planregeling bepaalde onderzoeksactiviteiten in het plangebied uitsluit om de milieugevolgen van het gebruik van aardgas als brandstof door de samenleving te beperken, heeft deze dan ook niet tot doel het ruimtegebruik van de gronden in het plangebied of de invloed van dat ruimtegebruik op de omliggende gronden te regelen, zodat de planregeling in zoverre een ruimtelijk relevant doel ontbeert. (…)”

Lees meer in uitspraak ABRS 6 november 2019, no. 201807035/1/R3.  (milieugevolgen aardgas)

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Belanghebbende omgevingsvergunning natuurlijk persoon

Belanghebbende omgevingsvergunning en gevolgen van enige betekenisbelanghebbende omgevingsvergunning

  • artikel 1:2, eerste lid Awb
  • natuurlijke persoon

De Raad van State gebruikt de volgende (standaard)overweging om aan te geven of een appellant al dan niet belanghebbende is:

Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijke persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit, in beginsel belanghebbende is bij de vaststelling van dat besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) dient het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ als correctie op dat uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie voor de betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.”

In deze casus ging het om de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een hotel en telt het aspect uitzicht ook mee:

Appellant heeft ter zitting van de Afdeling gesteld dat hij vanuit het op zijn perceel aanwezige tuinhuis zicht heeft op het pension. De Afdeling volgt hem daarin, maar dat leidt niet zonder meer tot de conclusie dat appellant gevolgen van enige betekenis ondervindt van het project. Uit de ter zitting geschetste situatie blijkt dat het tuinhuis gericht is op de tuin en de woning van appellant en dat er alleen zicht is op het pension vanuit een dakkapel aan de achterkant van het tuinhuis (…). Lees meer in r.o. 2.3 van uitspraak ABRS 30 oktober 2019, no. 201900916/1/A1. Belanghebbende omgevingsvergunning.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Leef- en werkklimaat binnenstad vanwege onbeperkte horeca onder druk

Leef- en werkklimaat binnenstad onvoldoende onderzochtleef- en werkklimaat

Het college van B&W heeft twee wijzigingsplannen vastgesteld in verband met de wijziging van horecaquota in delen van de binnenstad. De wijzigingsplannen voorzien in de wijziging van de lijst met toegestane horecabedrijven per horecagebied. Appellant vreest een onaanvaardbare aantasting van de gebruiksmogelijkheden voor zijn pand en voor een vermindering van de leefbaarheid en veiligheid nabij het pand.

De Afdeling overweegt als volgt: “Op de gronden in de plangebieden zijn functies als horeca, wonen, detailhandel en bedrijven op korte afstand van elkaar gesitueerd. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling sprake van ‘gebieden met functiemenging’ zodat de beoordelingssystematiek voor functiemenging van toepassing is. (…) In de toelichting bij de wijzigingsplannen staat dat de milieuzoneringssystematiek, die is gebaseerd op de begrenzing van de bestemming, niet verandert. Wel kan door de toenemende aantallen horecabedrijven door cumulatie de druk op het woon- en leefklimaat groter worden, met name bij de vestiging van horecabedrijven van horecacategorieën 1 en 2 (…). 

Gelet op de ontwikkelingen die de plannen mogelijk maken en de aard van die ontwikkelingen, kunnen de wijzigingsplannen evenwel in zodanige mate tot een toenemende druk op de milieusituatie leiden dat niet is uit te sluiten dat cumulatieve effecten zullen leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van het leef- en werkklimaat  en de sociale veiligheid in de plangebieden. Hoewel met de vaststelling van de wijzigingsplannen de bestemmingen en de aard van de toegestane horecabedrijven niet wijzigen, maken de wijzigingsplannen het wel mogelijk dat binnen het bestemmingsvlak ‘Centrum-Horecagebied’ (…) zich onbeperkt horecabedrijven kunnen vestigen van horecacategorieën (…). De stellingen van het college (…) dat de wijzigingsplannen in de praktijk niet zullen leiden tot het verdwijnen van alle niet-horecafuncties en dat eventuele gevolgen van een toename aan horecabedrijven per nieuwe horecavestiging zullen worden beoordeeld, kunnen daaraan niet afdoen. Het onderzoek en de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de wijzigingsplannen moeten zijn gericht op de maximale planologische mogelijkheden van die plannen.”

Lees meer in uitspraak ABRS 23 oktober 2019, no. 201807232/1/R3

Bel voor advies over milieuzonering in de binnenstad met 010 – 268 0689

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Recreatiewoning is niet geluidgevoelig

Recreatiewoning is niet geluidgevoeligrecreatiewoning

De raad van de gemeente Weert heeft het bestemmingsplan “Windpark Weert” vastgesteld. Voor de bouw heeft de gemeente tevens een omgevingsvergunning verleend voor 3 windmolens en een inkoopstation. De windmolens hebben een tiphoogte van 200 meter.

Appellant woont periodiek in een recreatiewoning in een nabijgelegen park. De afstand van de woning tot de windmolen bedraagt ongeveer 250 m. Appellant betoogt dat hij ernstige geluidhinder zal ondervinden van de windmolen. Volgens de raad is de woning van appellant een recreatiewoning die op grond van het geldende bestemmingsplan niet permanent mag worden bewoond. Die woning wordt om die reden niet aangemerkt als een gevoelig object in de zin van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zodat de normen van geluid daarop niet van toepassing zijn.

De Afdeling overweegt: “Niet in geschil is dat de woning op het perceel in het bestemmingsplan (…) planologisch is bestemd als een recreatiewoning en dat op grond van de planregels van dat bestemmingsplan permanente bewoning ervan niet is toegelaten. Volgens appellant is van belang dat hij beschikt over een gedoogbeschikking (…). Hierin staat dat aan appellant een persoonsgebonden en niet overdraagbare beschikking wordt verstrekt voor de permanente bewoning van de recreatiewoning (..) voor onbepaalde tijd. 

De desbetreffende planregels gelden voor ‘gevoelige gebouwen’ waarbij de raad aansluiting heeft gezocht bij de definitie van dat begrip in de Wgh en het Activiteitenbesluit. In de door appellant aangehaalde uitspraak uit 2007 heeft de Afdeling geoordeeld dat een recreatiewoning, die permanent wordt bewoond, wordt aangemerkt als een woning (…) in de zin van de voorloper van het Activiteitenbesluit. Hieruit volgt niet dat ook ter plaatse van de recreatiewoning van appellant dient te worden voldaan aan de normen voor geluid van het Activiteitenbesluit. De reden hiervan is dat (…) de definitie van woning is gewijzigd per 1 januari 2013 (…). Deze wetswijziging heeft als gevolg dat de planologische status van gronden en opstallen bepalend is geworden voor de mate van milieubescherming. (…) Uit het voorgaande volgt dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de recreatiewoning van appellant geen gevoelig gebouw is (…). 

Lees meer over cumulatie van geluid en de methode Miedema in r.o. 33.7 van uitspraak ABRS 2 oktober 2019, no. 201809473/1/R4.

Voor vragen bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

geluid achteruitrijden bedrijfswagens onderzoeken

Geluid achteruitrijden bedrijfswagens ook onderzoekengeluid achteruitrijden

  • elektrisch aangedreven bedrijfswagens
  • geluid achteruitrijden

De raad heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de uitbreiding van een bouwbedrijf. Binnen het bouwvlak is een nieuwe bedrijfshal voorzien. Voor de uitbreiding is de bestemming ‘Bedrijf-1’ opgenomen met een maximale milieucategorie van 3.2. Het gebied is aangemerkt als gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering.

Omwonenden van het bedrijf vrezen geluidsoverlast als gevolg van de uitbreiding. Zij stellen onder meer in beroep dat de overlast van het laden en lossen niet is onderzocht in het akoestisch onderzoek. De Afdeling overweegt het volgende:

De Afdeling stelt vast dat mobiele en niet-mobiele geluidbronnen op het terrein in kaart zijn gebracht in het akoestisch rapport. De geluidbronnen van routes van de verschillende voertuigen op het bedrijfsterrein zijn weergegeven in bijlage 1 bij het rapport. Bij de geluidbronnen is het laden en lossen in aanmerking genomen. Het betoog dat dit niet is meegenomen slaagt dan ook niet. Tevens is bij de geluidbronnen aangegeven dat zich dagelijks een elektrische heftruck over het terrein verplaatst met goederen zoals bouwmaterialen, hekwerk en afvalstoffen. De totale bedrijfstijd hiervan bedraagt 5 uur. Ter zitting is onderkend dat de route van de elektrische heftruck die materaal vervoert langs de woning en tuin van appellant loopt. (…) Weliswaar gaat het hier om elektrische vervoermiddelen maar de Afdeling sluit niet uit dat gelet op de afstand tussen bedrijfsterrein en de tuin en woning van appellant en het te vervoeren materiaal dit wel tot geluidsoverlast kan leiden. Waarbij tevens een rol kan spelen dat geluid, onder meer van de achteruitrijsignalering, dat bij achteruit rijden een rol speelt. Nu niet is gebleken dat dit in het akoestisch onderzoek is betrokken, is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat op het perceel van appellant een geluidssituatie ontstaat die zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.”

Lees meer in uitspraak ABRS 2 oktober 2019, no. 201801578/1/R2

Voor vragen over geluid en een goede ruimtelijke ordening, bel 010 – 268 0689 of mail.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

spuitvrije zones instellen kan gewoon

Spuitvrije zones instellen kan gewoonspuitvrije zones

Onlangs zijn er moties ingediend door kamerleden over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van woningen. Het is een veelbesproken onderwerp waar de nodige bezorgdheid over ontstaan is. Op zich is dat goed te begrijpen, al is het erg jammer dat de nuchtere blik over dit onderwerp ontbreekt.

In de moties is verzocht om verplichte instelling van spuitvrije zones voor agrarische percelen die dichtbij woningen liggen en om dit bij voorkeur via wetgeving te regelen. In deze zones mogen dan geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden. De minister heeft hierbij ook juridisch onderzoek naar laten doen of er middels wetgeving spuitvrije zones verplicht gesteld kunnen worden. Zie hiervoor bijgaande brief.

Vreemd genoeg wordt er nooit gekeken naar het instrument bestemmingsplan. Via een bestemmingsplan – en straks het Omgevingsplan – bestaan er mogelijkheden om spuitvrije zones in te stellen op agrarisch percelen die in de omgeving liggen van woningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan namelijk ook het aspect gezondheid meegewogen worden. In de aankomende Omgevingswet is gezondheid zelfs expliciet opgenomen als belang in het kader van de fysieke leefomgeving. Via maatwerk kunnen in een bestemmingsplan spuitvrije zones worden opgenomen. Uiteraard dient dit in goed overleg met agrariërs te gebeuren.

Behalve het instellen van zones is het nog belangrijker om agrariërs ook ruimte te geven voor het verbouwen van gewassen en in boomgaarden. Steeds vaker worden namelijk woningen door gemeenten toegestaan bij agrarische percelen. Bijvoorbeeld voormalige agrarische locaties die in planologisch opzicht worden omgezet in woonpercelen. Ja, het is logisch dat er dan meer klachten komen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Met nieuwe bewoners komen vaak de problemen. Het wonen bij boomgaarden is vaak toch minder romantisch dan gedacht.

Hoewel het hier te ver gaat om op detailniveau in te gaan op de mogelijkheden van spuitvrije zones, is het dus helemaal niet nodig om dit via wetgeving te regelen. De juridische instrumenten bestaan al, alleen nog toepassen!

Meer weten over het instellen van spuitvrije zones? Bel 010 – 268 0689.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingsvergunning woning geluidgezoneerd industrieterrein geweigerd

Omgevingsvergunning woning op geluidgezoneerd industrieterrein terecht geweigerdomgevingsvergunning woning

Een vaak voorkomend probleem zijn de van oudsher voorkomende bedrijfswoningen op industrieterreinen. In het verleden werd dit vaak toegestaan door gemeenten. De betreffende ondernemers verkopen bij het staken van hun bedrijf meestal (relatief goedkoop) de woning aan een burger die vervolgens gaat klagen bij de gemeente over geluidsoverlast.

In deze casus gaat het om een gemeente die een omgevingsvergunning heeft geweigerd voor het planologisch toestaan van een woning op een bedrijventerrein, in het bijzonder een gezoneerd industrieterrein. De woningen worden gebruikt in strijd met het bestemmingsplan. Appellanten hebben allen een omgevingsvergunning aangevraagd om het gebruik te legaliseren. Volgens het college verzet een goede ruimtelijke ordening zich tegen woningen op een gezoneerd industrieterrein. De aanwezigheid van woningen op dit terrein leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van bestaande en toekomstige bedrijven. Andersom leidt het gebruik van de akoestische gebruiksmogelijkheden door bedrijven tot een mate van geluidsoverlast en andere uitstralingseffecten die niet verenigbaar zijn met een goed woon- en leefklimaat. De te verwachten geluidimmissie op de gevels van de woningen bedraagt volgens het college 62 dB(A) tot en met 66 dB(A) indien bestaande bedrijven gebruik maken van de maximale geluidruimte.

De langtijdgemiddelde geluidsniveaus op de gevels van de woningen bedragen daarom meer dan de streefwaarden van zowel stap 2 als 3 van het toetsingskader voor omgevingsvergunningen voor strijdig gebruik, als bedoeld (…) in de VNG-brochure.

Lees meer in r.o. 2 en verder van uitspraak ABRS 11 september 2019, no. 201807169/1/A1.

Bel voor advies over geluid en bestemmingsplan 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Woningen bedrijventerrein en geluidniveau

Woningen bedrijventerrein en geluidniveauwoningen bedrijventerrein

De raad heeft in een bestemmingsplan voor de bestaande woningen op het bedrijventerrein de aanduiding ‘overige zone – wonen op een bedrijventerrein’ opgenomen. De reden hiervoor is dat de gemeente discussie wil voorkomen of een woning al dan niet op een bedrijventerrein ligt als bedoeld in artikel 1.1 Activiteitenbesluit milieubeheer. De toekenning van deze aanduiding brengt met zich mee dat voor de gevel van deze woningen de normen gelden die zijn opgenomen in artikel 2.17c van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

De normen uit tabel 2.17c Activiteitenbesluit milieubeheer bieden een lager beschermingsniveau voor geluidniveaus op de gevels van woningen dan de normen van de geluidniveaus in tabel 2.17a die gelden voor de gevels van woningen die niet op een bedrijventerrein liggen.

De Afdeling overweegtdat indien de door de raad gekozen plansystematiek geaccepteerd zou worden, dit met zich zou kunnen brengen dat voor een woning die niet op een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 1.1 eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer ligt, de minder strenge geluidnormen gelden als opgenomen in tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook zou deze plansystematiek ertoe kunnen leiden dat bij wijziging van de omliggende bestemmingen van een woning op een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van het  Activiteitenbesluit milieubeheer, de woning niet langer kan worden aangemerkt als een woning op een bedrijventerrein, maar dat vanwege de aanduiding (…) ten aanzien van die woning toch wordt vastgehouden aan de minder strenge normen van tabel 2.17c. Dit strookt niet met de systematiek van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gezien het vorenstaande is de door de raad gekozen plansystematiek naar het oordeel van de Afdeling in strijd met het systeem van artikel 2.17 eerste en tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer (…). Lees meer in r.o. 61.2 van uitspraak ABRS 11 september 2019, no. 201804279/1/R1 (woningen bedrijventerrein).

Voor maatwerk advies over geluid en bestemmingsplan, bel 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

inwaartse zonering op industrieterrein en woningen

Inwaartse zonering industrieterrein in verband met woningeninwaartse zonering

Het bestemmingsplan in kwestie biedt een juridisch-planologisch kader voor een situatie die al lang geleden is ontstaan. Het gaat hier om woningen rondom een fabriek. Met het plan wordt tevens de bestaande geluidzone voor het industrieterrein aangepast.

In een deel van het plangebied is ruimte gemaakt voor logistieke bedrijven. Appellanten betogen in beroep dat ten onrechte niet is voorzien in inwaartse zonering op dit deel van het plangebied. In het voorziene planologische regime kunnen bedrijven volgens appellanten zware milieubelastende activiteiten uitoefenen tot de plangrens.

De raad geeft aan dat het vergunde gebruik het uitganspunt is geweest bij dit bestemmingsplan.

Wat is inwaartse zonering?

Volgens de VNG-brochure worden bij inwaartse zonering beschermende bufferzones rondom de milieugevoelige functie gecreëerd. Op het naburige bedrijventerrein zijn op korte afstand van de gevoelige functie slechts weinig belastende activiteiten toelaatbaar. Hoe groter de afstand tot de woonbebouwing, hoe groter de toelaatbare hinder zal zijn. (zie p. 26 VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering).

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) De raad stelt in dit verband terecht dat bestaande rechten in beginsel als zodanig dienen te worden bestemd. Voorts acht de Afdeling het bieden van enige planologische flexibiliteit (…) bij de herinrichting van haar terrein in beginsel niet onredelijk. Naar het oordeel van de Afdeling had het in de voorliggende situatie, gezien de betrokken belangen van omwonenden, echter op de weg van de raad gelegen om te onderzoeken in hoeverre binnen het planologisch regime voor het terrein (…) kan worden voorzien in zogenoemde inwaartse milieuzonering nu [het bedrijf] voornemens is haar terrein (gedeeltelijk) opnieuw in te richten en daartoe concrete ontwikkelplannen heeft. In zoverre heeft de raad het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld.” Lees meer in uitspraak ABRS 11 september 2019, no. 201804279/1/R1.

Vragen? Advies nodig? Bel de specialist in milieuzonering 010-268 0689 of mail.