deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Endotoxinen als weigeringsgrond omgevingsvergunning

Endotoxinen als weigeringsgrond omgevingsvergunning

Het komt niet vaak voor dat een gemeente een besluit weigert vanwege gezondheidsmotieven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het aspect gezondheid een mee te wegen belang: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is het effect dat nabij gelegen veehouderijen op de volksgezondheid kan hebben een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zulke risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar verslechtert.”

endotoxinen

In dit geval heeft de raad een zogeheten ‘veegplan’ voor het buitengebied vastgesteld. Appellant acht het onterecht dat de raad zijn eerder ingediende uitbreidingsplannen voor zijn pluimveehouderij niet heeft meegenomen in het bestemmingsplan. Ook de door hem verzochte vergroting van het bouwvlak is niet meegenomen. De gemeente heeft deze aanvragen om omgevingsvergunning eerder geweigerd.

Volgens de Afdeling is niet met een eenduidige wettelijke regeling bepaald op welke wijze bestuursorganen de mogelijke gevolgen van de emissie van endotoxinen bij veehouderijen in hun besluitvorming moeten betrekken. Het is aan het bestuursorgaan om bij het besluit over vergunningverlening te bepalen welke maatregelen (…) in het kader van de bescherming van het milieu nodig zijn, waarbij het bestuursorgaan beoordelingsruimte heeft. (…) Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad ter voorkoming van een situatie waarin risico’s voor de gezondheid van omwonenden onstaan, in dit geval in redelijkheid kunnen verwijzen naar het endotoxinekader. Lees meer in r.o. 5.3 van uitspraak ABRS 20 mei 2020, no. 201804487/1/R2.

Bel voor meer informatie 010 – 268 0689.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Gemengd gebied of stedelijk gebied?

Gemengd gebied of stedelijk gebied?

gemengd gebied

Of een gebied als gemengd kan worden aangemerkt of als stedelijk is erg relevant bij de toepassing van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ voor bestemmingsplannen. Deze inmiddels wat achterhaalde praktijkrichtlijn wordt nog veelvuldig toegepast bij het maken van bestemmingsplannen. Het stappenplan is op zich prima, maar met name bijlage 1 is niet meer actueel qua richtafstanden en categoriën. Er zijn qua bedrijvigheid inmiddels allerlei mengvormen die niet meer passen in de genoemde bedrijfscategorieën. Toch passen gemeenten de VNG-brochure nog veelvuldig toe.

In deze uitspraak gaat het om een bestemmingsplan dat een kindcentrum met buitenspeelplaats mogelijk maakt. Het is de bedoeling om 3 scholen onder te brengen in één gebouw. Appellanten vrezen voor de aantasting van hun woon- en leefklimaat. Volgens hen heeft de raad het plangebied ten onrechte aangemerkt als een gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure. Het is volgens hen een stedelijk gebied, omdat er rond het plangebied vrijwel uitsluitend woningen voorkomen. Behalve wijkgebonden voorzieningen, zoals een cafetaria, zijn er nauwelijks andere voorzieningen aanwezig.

Volgens de gemeente is er wel sprake van een gemengd gebied, mede vanwege de ligging nabij een provinciale weg. Verder draagt de beoogde functie van de school bij aan deze kwalificatie.

Gebied scherp afbakenen en onderbouwen – De Afdeling onderschrijft dit niet en geeft onder meer aan dat onvoldoende duidelijk is welk gebied bij de kwalificatie is meegenomen. Volgens de Afdeling is de nabijheid van de provinciale weg onvoldoende om uit te gaan van de kwalificatie. Dit is ook zo als de scholen wel worden meegenomen. Lees meer in r.o. 7 en verder van uitspraak ABRS 20 mei 2020, no. 201805123/1/R1.

Bel voor meer informatie over milieuzonering 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Afstanden spuitzonering bepalen

Afstanden spuitzonering bepalen – hoe?

In veel onderbouwingen in bestemmingsplannen wordt ten onrechte uitgegaan van het bouwvlak van de woning tot aan de grens van de bomen. De grondslag hiervoor wordt vaak gelegd in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. De VNG-brochure is echter niet van toepassing op open teelten. Die kunt u dus niet gebruiken bij het gebruiken van afstanden bij spuitzonering!

afstanden spuitzonering

Allereerst is het belangrijk uit te gaan van de uiterste grenzen van de bestemmingsvlakken. Bij een woning is dat of de bestemming ‘Tuin’ of de bestemming ‘Wonen’. In elk geval dient de tuin meegerekend te worden. Een tuin is een gevoelige bestemming bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Denk hierbij niet al te theoretisch en denk logisch na. Drift kan namelijk ook in tuinen terecht komen waar bijvoorbeeld mensen buiten zitten of kleine kinderen in het gras spelen. Uiteraard kan de mate en intensiteit van drift nogal verschillend zijn. Belangrijk is te beseffen dat geen enkele siuatie maatgevend is. Om die reden is het belangrijk uit te gaan van worstcase scenario’s.

Verder dient er bij het meten te worden uitgegaan van de uiterste grens van het agrarische bestemmingsvlak. Hoewel vaak een spuitvrije zone van zo’n 3 meter in acht wordt genomen door telers bij een boomgaard, bijvoorbeeld vanaf een watertoevoerende sloot, dient te worden uitgegaan van de juridisch-planologische situatie. Meestal staat die bomen toe tot aan de perceelsgrens, spuitvrije zones zijn meestal niet planologisch vastgelegd. Het is dan ook beter om uit te gaan van een worstcase scenario.

Bel voor meer informatie of advies over spuitzonering: 010 – 268 0689

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingswet uitgesteld naar 1 januari 2022

Omgevingswet uitgesteld en per 1 januari 2022 in werking

Een hele verstandige beslissing van het Min. van BZK om de Omgevingswet uit te stellen naar 1 januari 2022! Omgevingswet uitgesteld? Ja, en nu naar een realistischer datum.

Omgevingswet uitgesteld

Heel lang is door allerlei partijen de schijn opgehouden dat inwerkingtreding per 1 januari 2021 een haalbare kaart was. Van dichtbij heb ik meegemaakt en gezien – ik zal geen namen van instanties noemen – dat met name het DSO nog in een laboratoriumfase zit. Nog een hele lange weg te gaan. De spanningen tijdens besprekingen liepen hoog op, met name door de eerder gecommuniceerde deadline van 1 januari 2021. En maar doordrukken en doen alsof het allemaal wel haalbaar was, ik vond de reacties van enkele marktpartijen dan ook erg begrijpelijk.

De reis naar een werkende Omgevingswet is nog lang en vol drempels. Het is prettig voor alle partijen die bezig zijn met het DSO dat er meer ruimte komt. Ruimte om fouten te maken – hoort er ook bij – en om te experimenteren. Het einddoel, een werkend DSO, en dus Omgevingswet, kan erg mooi zijn, maar het is ook ingewikkeld om te maken, of het nu op juridisch gebied is of op ICT-vlak.

Dit geldt niet alleen voor het DSO. Ook is er meer houvast nodig voor het opstellen van een omgevingsplan. Praktijkrichtlijnen, zoals het huidige SVBP2012 of werkafspraken voor hoe bijvoorbeeld de basisvoorschriften eruit moeten zien – vloeken in de kerk – zijn hard nodig. De vrijheid die gemeenten krijgen is voor de gemeentelijke praktijk niet te doen: ‘alles kan, alles mag’, ‘dat is aan de gemeente’, zijn zinnen die ik vaak heb gehoord. Voor de gemeentelijke praktijk om gek van te worden. Te meer nu de meeste plannen worden uitbesteed aan externe bureaus. Dat zal onder de Omgevingswet niet anders zijn. Dat is een besef dat bij partijen die de Omgevingswet en de uitgangspunten van de architectuur voor het DSO hebben bedacht, (nog steeds) onvoldoende is doorgedrongen.

Het is toch veel handiger als we met bepaalde basis-praktijkafspraken kunnen werken? Het gaat uiteindelijk om iets dat gaat werken voor iedereen, en niet alleen voor de burger.

Maak het werk van gemeenteambtenaren weer leuker – Ook gemeenteambtenaren moeten er mee kunnen werken. Verder moet het rijk de regie meer naar zich toe trekken en keuzes maken. Vrijwel alles is gedecentraliseerd naar de gemeente. En de gemeente schuift het denkwerk weer door naar de markt, omdat de kennis meestal niet (meer) aanwezig is bij de gemeente of doordat men (politiek) ingedekt wil zijn en bang is fouten te maken. Het is toch als gemeentelijk ambtenaar ook veel leuker om zelf na te denken over het gemeentelijke fysieke omgevingsbeleid, het omgevingsplan te maken in plaats van alles uit te besteden of alleen maar plannen van martkpartijen te controleren?

Bel voor meer informatie over het Omgevingsplan naar 010-268 0689.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Nestgeluid afgemeerde schepen en Omgevingswet

Nestgeluid afgemeerde schepen en Omgevingswet

nestgeluid afgemeerde schepen

Onlangs kwam bij de behandeling van het wetsvoorstel voor de Aanvullingswet geluid een interessant onderwerp aan de orde: het nestgeluid van afgemeerde schepen.

Allereerst, wat is nestgeluid? Nestgeluid is het geluid dat afgemeerde schepen aan de kade produceren als er niet aan de schepen wordt gewerkt en geen laad- en losactiviteiten plaatsvinden. Het nestgeluid is het geluid van dieselgedreven aggregaten en/of hoofdmotoren voor het gedurende het gehele etmaal produceren van elektriciteit. (bron). Het is dus het brommende geluid van schepen die afgemeerd liggen in de haven.

Aanleiding voor de bespreking van dit onderwerp in het kamerstuk vormt de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020 met nummer 201807456/1/A1. Deze uitspraak behandelt de grens van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer. De Afdeling oordeelt kortgezegd dat de aanvraag om de omgevingsvergunning milieu niet eenduidig is over de omvang van de inrichting. Het ontbreken van duidelijkheid over de begrenzing van de inrichting staat volgens de Afdeling een goede beoordeling van de milieugevolgen in de weg.

In de Omgevingswet komt het begrip inrichting niet meer voor en wordt gewerkt met het uitgangspunt ‘milieubelastende activiteiten‘. Het begrip activiteit is hier het overkoepelende begrip. Men gaat dus niet meer uit van de begrenzing van de inrichting maar van de milieubelastende activiteit. In het Omgevingsplan kunnen straks in de voorschriften (regels) beperkingen worden opgenomen over nestgeluid van schepen in het algemeen. Leer meer hierover in de hiervoor aangehaalde bron.

Binnen kort volgt er meer over dit onderwerp.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluid warmtepomp en goede ruimtelijke ordening

Geluid warmtepomp en goede ruimtelijke ordening

geluid warmtepomp

Bij gemeenten komen steeds meer klachten binnen over geluidsoverlast door warmtepompen in woonwijken. Dit zijn met name de systemen waar de installatie buiten staat, en niet bijvoorbeeld inpandig in een garage.

De gemeente heeft een omgevingsvergunning (via kruimelafwijking) verleend voor het aanleggen van een buitenunit voor een warmtepomp. De waterpomp is namelijk 40 cm hoger dan is toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan. De buren zijn er niet blij mee en voeren bij de rechtbank aan dat de vergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hen heeft de gemeente niet de juiste geluidsnorm toegepast. De gemeente zou moeten aansluiten bij de binnenkort in te voeren norm uit het Bouwbesluit, te weten: 35 dB(A) gemeten op de erfgrens in plaats van invallend geluid gemeten op de gevel.

Volgens de gemeente is er geen sprake van onevenredige geluidsoverlast. Er bestaat nog geen landelijke geluidsnorm voor warmtepompen. De gemeente heeft om die reden aangesloten bij artikel 4:6 van de APV. De gemeente hanteert daarbij voor buitenunits, zoals een warmtepomp, een geluidsnorm van 35 dB(A) gemeten als invallend geluid op de gevel van buurwoningen. Deze geluidsnorm sluit aan bij de strengste (nachtelijke) geluidsnorm uit het Activiteitenbesluit. Volgens de gemeente komt in dit geval de warmtepomp niet boven deze norm uit.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of er sprake is strijd met een goede ruimtelijke ordening valt binnen de beleidsruimte die verweerder heeft. Die ruimte vult verweerder in dit geval in door aansluiting te zoeken bij artikel 4:6 van de APV en bij de geluidsnorm van 40 dB(A), gecorrigeerd naar 35 dB(A) voor tonaal geluid, uit het Activiteitenbesluit. Dat mag verweerder in redelijkheid ook doen. Lees verder in r.o. 9.1 van uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 maart 2020.

Bel voor vragen en advies over geluid en omgevingsvergunning naar De Omgevingsjurist.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Huisvesting arbeidsmigranten en milieuzonering

Huisvesting arbeidsmigranten en milieuzonering

Via tijdelijke omgevingsvergunningen staan gemeenten vaak de huisvesting van arbeidsmigranten toe. Dit kan ook een prima oplossing zijn om tegemoet te komen aan een nijpend probleem. Veel bedrijven in bijvoorbeeld de land- en tuinbouw staan te springen om hulp bij het oogsten. Het is dan ook belangrijk om deze groep mensen fatsoenlijk te huisvesten en niet in veredelde containers. De praktijk is echter weerbarstig. Ook de huisvesting van statushouders levert in de praktijk vaak problemen op.

huisvesting arbeidsmigranten

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning, tijdelijk of niet, dient er sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. De gemeente dient in dat geval allerlei belangen af te wegen die gemoeid zijn bij de verlening van de vergunning. Gemakkelijker gezegd dan gedaan!

In de situatie die speelt in een uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 speelde het volgende. De gemeente Den Haag had een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de huisvesting van statushouders, studenten, zorgbehoevenden en arbeidsmigranten in een kantoorgebouw voor een periode van 5 jaar. Het is de bedoeling om in het kantoorgebouw 89 eenkamerwoningen te maken. Het kantoorgebouw bevindt zich op een bedrijventerrein. Wonen is op grond van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan.

Enkele ondernemers ter plaatse vrezen overlast en nadelen voor hun bedrijfsvoering. Volgens hen kan er in het pand geen goed woon- en verblijfsklimaat bestaan vanwege de vele verkeersbewegingen op het bedrijventerrein en de hoge geluidsproductie van ook nachtelijke bedrijfsactiviteiten. Uitbreiding van die activiteiten is volgens hun niet mogelijk indien de beoogde huisvesting in het kantoorpand doorgang vindt. Verder wordt er naar voren gebracht dat de gemeente eerdere aanvragen voor het wonen op het bedrijventerrein heeft afgewezen. De vraag is dan ook waarom het in dit geval wel zou kunnen.

Volgens de gemeente is er een maatschappelijke urgentie voor het huisvesten van statushouders. De gemeente erkent dat de locatie niet de ideale huisvestingslocatie is, mede door het hoge geluidniveau. Volgens de gemeente worden er bouwkundige voorzieningen getroffen om het geluidsniveau binnen op nieuwbouwniveau te realiseren. Volgens de gemeente worden de bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Volgens de gemeente hoeven er minder hoge eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke ordeningsaspecten, gezien het tijdelijke karakter van de omgevingsvergunning.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) De mogelijke geluidsoverlast in het pand is niet het enige aspect dat bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening moet worden betrokken. Zo heeft het college de ruimtelijke effecten van bewoning van het pand van verschillende doelgroepen niet betrokken bij zijn afweging en evenmin de effecten van functiemenging, behoudens het geluidsaspect, voor het woon- en leefklimaat van de bewoners van het pand (…). Daarbij is van belang dat op het bedrijventerrein bedrijven tot milieucategorie 3.2 (…) zijn toegestaan. Dat het hier om een tijdelijke vergunning gaat, betekent niet dat aan de verschillende ruimtelijke ordeningsaspecten geen of weinig betekenis toekomt. Lees meer in r.o. 3.2 van uitspraak ABRS 22 april 2020, no. 201905287/1/R4.

Bel voor op maat gemaakte milieuzoneringsonderzoeken en oplossingen De Omgevingsjurist! Bel 010 – 268 0689 of 06-55897008 (Marian Harberink)

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Laagfrequent geluid windturbines beroep heeft geen zin

Laagfrequent geluid windturbines – Beroep heeft geen zin

Het klinkt niet echt hoopgevend: ‘Beroep heeft geen zin’. Toch is dat wel de realiteit als we het hebben over de relatie gezondheid en windturbines. Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de komst van 3 windturbines. De windturbines hebben een maximale ashoogte van 132 meter en een maximale tiphoogte van 120 meter.

laagfrequent geluid

Appellanten vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de komst van de windturbines op een afstand van circa 900 m van hun woning. Zij betwisten onder meer de uitspraak van de rechtbank dat de geluidnormen uit artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer voldoende bescherming bieden tegen laagfrequent geluid. Zij betogen dat bij het vaststellen van de geluidnormen in het Activiteitenbesluit onvoldoende rekening is gehouden met de ernstige hinder van en gezondheidseffecten van laagfrequent geluid van windturbines. Appellanten wijzen erop dat de kans op ernstige hinder bij de gehanteerde norm 8 tot 9% is.

Ten aanzien van het betoog van appellanten dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de veranderde inzichten wat betreft de hinderlijkheid van windturbinegeluid niet zijn verdisconteerd in de aan artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit ontleende geluidnormen, wijst de Afdeling naar hetgeen zij heeft overwogen in haar uitspraak (…). Hierin heeft zij geoordeeld dat geen grond bestaat voor de conclusie dat niet langer mag worden uitgegaan van de geluidnormen neergelegd in artikel 3.14a (…)” Lees meer in r.o. 6.5 en verder van uitspraak ABRS 8 april 2020, no. 201906195/1/R1.

Bel of mail voor meer informatie of advies over laagfrequent geluid

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

VNG-brochure mantelzorgwoning en wijze van meten

VNG-brochure mantelzorgwoning en wijze van meten

De VNG-brochure wordt nog steeds vaak toegepast als richtsnoer bij het bepalen van afstanden tussen woningen en bedrijvigheid. Inmiddels is ook de opvolger hiervan bekend en dat is de VNG-uitgave ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl.

VNG-brochure mantelzorgwoning

De gemeente West Betuwe heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de bouw van 10 woningen en een brede school. De woning van appellant is op zo’n 14 meter gesitueerd van de te bouwen brede school. Er wordt volgens appellant niet voldaan aan de richtafstand van tenminste 10 meter zoals is opgenomen in de VNG-brochure.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen “gelden de richtafstanden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die milieubelastende en milieugevoelige functies toelaat, in dit geval de brede school, en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelij is.

Ter zitting heeft appellant zijn verdere betoog toegespitst op de mogelijkheden om vergunningvrij een mantelzorgwoning in zijn achtertuin te bouwen enerzijds en de mogelijkheden om op basis van het bestemmingsplan (…) een bijgebouw in zijn achtertuin te realiseren anderzijds. (…) Ten aanzien van de vergunningvrije bouwmogelijkheden stelt de Afdeling vast dat appellant de mogelijkheid heeft om in het achtererfgebied van zijn perceel (…) op grond van de Bor ook een mantelzorgwoning te bouwen, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Op grond van (…) het Bor is het toegestaan dat dit bouwwerk maximaal 50 m2 bedraagt.

De uiterste situering van de gevel van een mantelzorgwoning of een bijgebouw zal zowel in het geval van de bouwmogelijkheden op basis van de functieaanduiding ‘achtertuin’ (…) als op basis van de vergunningvrije bouwmogelijkheden als bepaald in (…) het Bor, dichter bij de brede school liggen dan de richtafstand van 10 m (…). Bij het afwijken van de richtafstanden die in de VNG-brochure zijn opgenomen, dient in beginsel rekening te worden gehouden met de maximale planologische en vergunningvrije bouwmogelijkheden ten behoeve van een woonfunctie op een perceel. Dat appellant ten tijde van het bestreden besluit geen concrete plannen had voor de bouw van een mantelzorgwoning of een bijgebouw op zijn perceel, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de Afdeling is de raad bij de beoordeling van de akoestische gevolgen van de voorziene ontwikkeling ten onrechte niet uitgegaan van de uiterste situering van de gevel van een mantelzorgwoning of bijgebouw (…).”

Lees meer in r.o. 12.7 van uitspraak ABRS 8 april 2020, no. 201809125/1/R1. (VNG-brochure mantelzorgwoning)

Bel voor advies over milieuzonering naar 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Steigers woningen geen jachthaven Besluit mer

Steigers woningen geen jachthaven ingevolge Besluit mer

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van woningen en appartementen en ligplaatsen voor 40 boten.

Appellanten betogen dat deze ligplaatsen aangemerkt dienen te worden als een jachthaven in de zin van het Besluit m.e.r. Er bestond derhalve een m.e.r.-(beoordelings)plicht. De raad stelt dat het bestemmingsplan een waterkom mogelijk maakt met 40 steigers en dat er geen sprake is van een jachthaven in voornoemde zin.

steigers woningen

De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of vanwege de bestemmingsomschrijving in (…) het bestemmingsplan sprake is van een jachthaven in voornoemde zin: “Het gaat in dit geval om 40 woningen, waarbij per woning de mogelijkheid bestaat één steigerplaats te realiseren voor het afmeren van een boot. Er worden bij de steigerplaatsen geen verdere voorzieningen getroffen, zoals een havengebouw. Op grond van (….) de planregels mogen anderen dan gebruikers van de woning geen gebruik maken van de steigerplaatsen. Verder zijn de steigerplaatsen die het plan mogelijk maakt niet openbaar toegankelijk. De steigerplaatsen behoren toe tot particulieren die er enkel in de privésfeer gebruik van maken. Voorts kunnen er aan de steigerplaatsen geen boten (van derden) tegen betaling worden aangemeerd. Aldus is van een bedrijfsmatige activiteit geen sprake. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een jachthaven als bedoeld in het Besluit m.e.r. en heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de milieugevolgen van de steigerplaatsen beperkt zijn. De raad hoefde dus geen aanleiding te zien door middel van een milieu-effectrapport of in een m.e.r.-beoordeling rekening te houden met de milieu-effecten van de aanleg van een jachthaven. Het betoog faalt.” Lees meer in uitspraak 8 april 2020, no. 20190672/1/R3. (steigers woningen)

Vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig? Bel of mail De Omgevingsjurist!