deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidhinder transformatorstation zonnepark

Geluidhinder transformatorstation Zonnepark en aanvaardbaar woon- en leefklimaatgeluidhinder transformatorstation

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een zonnepark. Het gebied is ongeveer 7,7 hectare groot en grenst aan een bestaand bedrijventerrein.

De aanvraag heeft betrekking op 26.500 zonnepanelen en is in strijd met het bestemmingsplan. De zonnepanelen hebben een hoogte van 1,75 m boven het maaiveld.

Geluidhinder transformatorstation? Het perceel van appellant grenst aan het beoogde zonnepark. Hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Volgens hem is er ten onrechte geen akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidhinder ten gevolge van de transformatorstations en is volgens hem onduidelijk of voldaan wordt aan de geluidscontouren uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Volgens de gemeente zijn de transformatoren vergelijkbaar met transformatoren in woonwijken. Voor dergelijke transformatoren kan volgens de gemeente de VNG-brochure worden toegepast. Hierbij geldt een richtafstand van 30 meter. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is de afstand van een transformatorstation tot de dichtstbijzijnde woning 130 meter.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat tussen partijen niet in geschil is dat is voldaan aan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de transformatorstations van het zonnepark zodanig veel geluidsoverlast zullen veroorzaken dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het college heeft (…) terecht geen aanknopingspunten gezien voor een verdergaand onderzoek naar de door hem gestelde geluidhinder. Daarbij heeft het college van belang kunnen achten dat het geluid van de transformatoren gering is, dat de transformatoren zelden hoorbaar zijn op meer dan enkele meters afstand en dat de gestelde overlast in ieder geval nooit in de avond- en nachturen zal optreden als geen elektriciteit wordt gewonnen. Het betoog faalt.” [geluidhinder transformator stations].

Lees meer in uitspraak ABRS 8 mei 2019, no. 201809430/1/A1.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Recreatiewoning geen geluidgevoelig gebouw Wet geluidhinder

Recreatiewoning geen geluidgevoelig gebouw ingevolge Wet geluidhinderrecreatiewoning

De raad van de gemeente Hollands Kroon heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor 5 recreatiewoningen en 38 standplaatsen. Het bestaande fruitteeltbedrijf wordt beëindigd.

Appellant exploiteert een melkveehouderij in de directe nabijheid van het plangebied. Hij vreest onder andere voor een beperking van zijn bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Ten aanzien van het aspect geluid voert hij aan dat ten onrechte geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de geluidbelasting van de veehouderij op de geluidgevoelige objecten binnen het plangebied. Voor zover al onderzoek heeft plaatsgevonden, is volgens hem ten onrechte de geluidemissie van de veehouderij buiten beschouwing gelaten. Volgens appellant is er dan ook geen sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het recreatieterrein.

Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (…) “is het vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een recreatiewoning in beginsel geen geluidgevoelig gebouw is in de zin van de Wet geluidhinder. Een camping is dat evenmin. Op grond van de Wgh kunnen de vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen aldus niet als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt. Dit neemt niet weg dat moet worden nagegaan of ter plaatse van het recreatieterrein sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat(…) Weliswaar is er onderzoek verricht naar de geluidbelasting op het recreatieterrein als gevolg van het wegverkeerslawaai, maar is geen rekening gehouden met de geluidbelasting op het recreatieterrein als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van appellant. Dit klemt temeer nu het recreatieterrein op korte afstand van de veehouderij ligt. De stelling van de raad dat de geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van appellant is meegenomen door te toetsen aan de richtafstand uit de Handreiking “Bedrijven en milieuzonering” van de VNG, het een bestaande situatie betreft, recreanten op de camping ervoor kiezen om in het buitengebied op een landelijke agrarische camping te verblijven, geen klachten bekend zijn van de recreanten, het recreatieterrein wordt heringericht en intensieve veehouderijen in nagenoeg elk bestemmingsplan “Buitengebied” de mogelijkheid hebben agrarische campings en andere nevenactiviteiten op het eigen agrarische bedrijfsperceel te starten, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van het aspect geluid een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het recreatieterrein is gegarandeerd. (…)”

Lees meer in uitspraak ABRS 1 mei 2019, no. 201801643/1/R1.

Bel voor juridisch advies inzake geluid en bestemmingsplan naar 010 – 268 0689.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

huisvesting seizoenarbeiders via voorwaarden mogelijk maken

Huisvesting seizoenarbeiders via voorwaarden bestemmingsplan mogelijk makenhuisvesting seizoenarbeiders

  • huisvesting seizoenarbeiders
  • planregel woon- en leefklimaat omwonenden rechtsonzeker?

De huisvesting van seizoenarbeiders blijft de gemoederen bezig houden. Met name in de agrarische sector zijn arbeidsmigranten – die vaak op tijdelijke basis werken – hard nodig om bijv. de aardbeien, asperges, etc. van het land te halen. Vrijwel elke gemeente kent de problematiek van het huisvesten van arbeidsmigranten in woonwijken. Vaak leidt dit tot extra parkeerdruk in de omgeving of tot andere klachten van omwonenden. Het lijkt dan ook beter om de arbeidsmigranten te huisvesten bij het agrarische bedrijf zelf. Daar heeft de navolgende uitspraak van de Afdeling betrekking op.

De raad van de gemeente Breda heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor het oostelijke deel van het buitengebied. In het plan is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor de huisvesting van seizoenarbeiders in stacaravans en woonunits. Er is onder meer  de voorwaarde opgenomen dat de huisvesting van seizoenarbeiders geen nadelige gevolgen mag hebben voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. Verder is als voorwaarde opgenomen dat dit gebruik is toegestaan voor een maximaal aaneengesloten periode van 6 maanden voor maximaal 40 seizoenarbeiders. Ook dienen de woonunits en stacaravans te worden opgenomen in het bouwvlak van het agrarische bedrijf.

Er is tevens een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan voor de huisvesting van maximaal 120 seizoenarbeiders. Appellanten hebben bezwaar tegen de hiervoor genoemde mogelijkheden. Zij betogen dat de raad, om een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden verzekeren, een minimale afstand had moeten opnemen die moet worden aangehouden tussen woonunits en nabijgelegen woningen. Zij vrezen geluidsoverlast. De voorwaarde dat moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet mag worden aangetast vinden appellanten onduidelijk.

De Afdeling is van oordeel dat “uit de artikelen (…) van de planregels voldoende blijkt dat onder welke omstandigheden het college (…) een omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan mag verlenen of een wijzigingsplan mag vaststellen voor de realisatie van woonunits binnen het bouwvlak van een agrarisch bedrijf voor ten hoogste 40 onderscheidenlijk 120 seizoenarbeiders die bij het desbetreffende bedrijf werkzaam zijn. (…) Dat in de planregels geen precieze afstand tot omliggende woningen is vermeld, doet daaraan niet af, en is geen reden om de genoemde bepalingen rechtsonzeker te noemen.”

Lees meer in uitspraak ABRS 10 april 2019, no. 201708192/1/R2

Wilt u de huisvesting van seizoenarbeiders mogelijk maken bij uw bedrijf?

Bel 010 – 2680689 voor meer informatie of voor advies.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bestemming detailhandel met aanduiding tuincentrum

Bestemming detailhandel met aanduiding tuincentrum

  • uitleg planregels

bestemming detailhandel

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning geweigerd voor het bouwen van onder meer twee winkelgebouwen. Op dit moment is op het perceel een tuincentrum gevestigd. Het college heeft de vergunning geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Op het perceel is volgens de gemeente uitsluitend een tuincentrum toegestaan.

Volgens vaste jurisprudentie zijn de op de plankaart aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn.

De Afdeling overweegt: “De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende doeleindenomschrijving als neergelegd (…) in de planregels, volgt dat op de gronden met de bestemming detailhandel die tevens zijn voorzien van de functieaanduiding ‘tuincentrum’, zowel gebruik ten behoeve van detailhandel als gebruik ten behoeve van een tuincentrum is toegestaan. Gelet op de plaats van het woord ‘uitsluitend’ in artikel (…) heeft dit woord betrekking op de toegestane hoogte en niet op het toegestane gebruik. Artikel (…) kan dan ook niet anders worden begrepen dat het gebruik ten behoeve van een tuincentrum uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding ‘tuincentrum’ en dat daarnaast gebruik ten behoeve van detailhandel is toegestaan.”

Heeft u vragen over de uitleg van een planregel of een definitie in een bestemmingsplan? Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hogere waardenbesluit en belanghebbende

Hogere waardenbesluit en belanghebbendehogere waardenbesluit

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college tot vaststelling van hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder. Dit besluit is vastgesteld voor de woningen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid Awb wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De Afdeling overweegt in deze zaak als volgt: “Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (…) bevat afdeling 2 van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbaar worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woning is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woning een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woning. De regeling in artikel 83 van de Wet geluidhinder voorziet erin dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting – na het treffen van maatregelen – bij de te bouwen woningen vanwege de weg maximaal mag optreden. Deze regeling strekt daarmee tot bescherming van de toekomstige bewoners van de te bouwen woningen. Appellanten zijn geen eigenaar van één van de te bouwen woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de woningen die in het bestemmingsplan zijn voorzien. Derhalve strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van hun belangen (…).”

Zie uitspraak ABRS 27 maart 2019, no. 201804611/1/R1 (hogere waardenbesluit en belanghebbende)

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Afstanden VNG-brochure niet klakkeloos toepassen

Afstanden VNG-brochure niet klakkeloos toepassenafstanden VNG-brochure

Al in 2012 schreef ik in een blogbericht dat de richtafstanden uit de VNG-brochure niet klakkeloos overgenomen moeten worden. De VNG-brochure is sterk verouderd en eigenlijk niet meer goed toepasbaar in praktijksituaties. Het gaat uit van traditionele bedrijvigheid met – anno 2019 – meestal verouderde productiemethoden. Veel bronnen die bijv. geluid kunnen veroorzaken zijn sterk verbeterd (minder geluid), etc. Het is in de praktijk beter om maatwerk toe te passen in plaats van de veelal verouderde algemene richtafstanden uit de VNG-brochure. Inmiddels is er een ‘opvolger’ gereed: ‘Staalkaart Bedrijfsmatige activiteiten’. Deze staalkaart voor het toekomstige omgevingsplan is ook gericht op de integratie van het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. Ook hier geldt dat het een hulpmiddel is.

Op basis van een uitspraak van 27 maart 2019 (zaaknummer: 201803188/1/R3) van de Afdeling wordt dit nog eens bevestigd. In dit geval ging het om beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan “Lijnbaankwartier-Coolsingel”. Appellanten exploiteren horeca-inrichtingen in het centrum van Rotterdam. Zij betogen dat het bestemmingsplan het mogelijk maakt dat er woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd die dichter bij de horeca-inrichtingen liggen dan de woningen die op dit moment het meest nabij liggen. Op deze woningen zijn de activiteiten en de isolatievoorzieningen van de horeca-inrichtingen afgestemd.

Zij wijzen erop dat het volgens het bestemmingsplan zelfs mogelijk is dat woningen worden gerealiseerd in het complex waarin ook de horeca-inrichtingen gevestigd zijn of in de gebouwen die daar recht tegenover liggen. Verder stellen zij dat het bestemmingsplan ten onrechte geen eisen bevat met betrekking tot de isolatie van de te realiseren geluidgevoelige bestemmingen tegen het geluid van de horeca-inrichtingen en terrassen. Het gevolg is volgens hen dat niet meer kan worden voldaan aan de geluidseisen in het Activiteitenbesluit. (…) Het voorgaande is volgens hen des te kwalijker, omdat de geluidsbelasting van weg- en tramverkeer ook al hoog is.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat het vorige plan ook voorzag in de mogelijkheid van woningbouw in de nabijheid van de horeca-exploitaties, overweegt de Afdeling dat in het kader van het nu voorliggende plan alle betrokken belangen behoren te worden afgewogen, waarbij wordt bezien in hoeverre het plandeel in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. 

De in de VNG-brochure opgenomen afstanden zijn indicatief. Tussen de voorziene woningen en de horeca-exploitaties kan in sommige gevallen worden voldaan aan de richtafstand van 10 m, zoals opgenomen in de VNG-brochure. [Appellanten] hebben echter aannemelijk gemaakt dat ondanks dat aan deze richtafstand wordt voldaan, niet vaststaat dat zij door de voorziene woningen niet in hun bedrijfsvoering zullen worden beperkt. Daarbij is van belang dat akoestisch deskundigen hebben gesteld dat niet meer kan worden voldaan aan de geluidseisen in artikel 2.19a van het Activiteitenbesluit. Gelet op het voorgaande heeft de raad niet kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar de VNG-brochure, maar had hij moeten onderzoeken of de horeca-exploitaties van [appellanten] na de realisering van de woningen nog zullen kunnen voldoen aan de in artikel 2.19a van het Activiteitenbesluit gestelde normen. (…)”. Afstanden VNG-brochure

Bel voor specifieke onderbouwingen en adviezen over milieuzonering naar 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Laden en lossen supermarkt begrenzen in regels

Laden en lossen supermarkt begrenzen in regels of voorwaardenladen en lossen

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een supermarkt. In het pand van de supermarkt bevinden zich tevens een cafetaria, acht appartementen en een kapper. De laad- en losplaats van de supermarkt bevindt zich op korte afstand van het balkon van appellant.

Hij kan zich niet vinden in de omgevingsvergunning en stelt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hij voert aan dat de beoogde laad- en losplaats zich onder zijn balkon bevindt. Hij vreest onaanvaardbare geluidsoverlast en schade vanwege het gebruik door grote vrachtwagens.

Op grond van artikel 2.5.40, vierde lid onder b van de bouwverordening kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en het derde lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

In de op bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning heeft de gemeente onder meer de volgende voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden:

  • Laden en lossen ten behoeve van de winkel moet plaatsvinden op de daarvoor op kosten van de vergunninghouder aan te leggen laad- en losstrook aan de zijkant van de winkel (…).

De Afdeling overweegt als volgt: “Door het opnemen van het voorschrift voor het laden en lossen wordt op andere wijze in een ruimte voor laden en lossen voorzien, hetgaan in overeenstemming is met artikel 2.5.30, vierde lid, onder b, van de bouwverordening. De Afdeling stelt evenwel vast dat de laad- en losactiviteiten en de uren waarop ter plaatse wordt geladen en gelost niet zijn beperkt in de omgevingsvergunning. Op grond van de omgevingsvergunning is het derhalve toegestaan ook in de avonduren en in de weekenden te lossen met vrachtwagens, al dan niet met een draaiende koelmotor. Dat partij heeft verklaard de laad- en losplaats slechts enkele malen per week te gebruiken voor grotere vrachtwagens zonder koelaggregaat, doet er niet aan af dat de omgevingsvergunning ruimer gebruik toestaat. Het college heeft met het verlenen van de omgevingsvergunning zonder hieraan beperkingen te stellen ten aanzien van de laad- en losactiviteiten van de vrachtwagens onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Het besluit is in zoverre ontoereikend gemotiveerd en mist een duidelijke en kenbare belangenafweging. (…).”

Zie verder uitspraak ABRS 13 maart 2019, no. 201802987/1/A1.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Buitenterras gelijkgesteld aan binnenterrein geluid

Buitenterras gelijkgesteld aan binnenterrein vanwege geluidbuitenterras

  • APV
  • woon- en leefklimaat omwonenden

De gemeente Arnhem heeft geweigerd om aan een horecaonderneming een vergunning te verlenen voor de exploitatie van een buitenterras aan de achterzijde van het pand.

De reden voor de weigering is dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijzig nadelig wordt beïnvloed. Aan de achterzijde is een appartementencomplex gelegen dat rechtstreeks grenst aan het terras. Volgens de gemeente moeten de bewoners van appartementen in de binnenstad weliswaar rekening houden met enige mate van overlast, maar omdat het gaat om een binnenterrein zorgen pratende mensen op het terras voor meer overlast dan het geval is bij een terras in de open ruimte.

Het terras is aan drie zijden omsloten door bebouwing, te weten aan twee lange en een korte zijde. In bezwaar heeft de burgemeester hieraan toegevoegd dat uit onderzoek blijkt dat de geluidwaarde op 70 dB(A) komt te liggen, terwijl de maximaal toegestane geluidbelasting 50 dB(A) is. Er is sprake van een ontoelaatbare overschrijding van de geluidwaarden, aldus de gemeente.

De Afdeling overweegt: “De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester het terras terecht heeft gelijkgesteld aan een binnenterrein. Het terras is aan drie zijden, waaronder de twee lange zijden, omsloten door bebouwing. Hierdoor kan het geluid minder goed weg dan bij een open ruimte het geval is. Verder grenst het appartementencomplex (…) direct aan het terras. (…) Gelet op de klachten van de bewoners van het appartementencomplex over geluidoverlast en de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken, (…) heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat de exploitatie van het terras leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefklimaat van de naaste omgeving”.

Zie verder uitspraak ABRS 13 maart 2019, no. 201805896/1/A3.

Voor planregels of advies over het regelen van geluid, bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidgrenswaarden incidentele bedrijfssituatie opnemen?

Geluidgrenswaarden incidentele bedrijfssituatie opnemen in voorwaarden omgevingsvergunning?

  • het veranderen of inwerking hebben van de inrichtinggeluidgrenswaarden
  • geluidgrenswaarden incidentele bedrijfsactiviteiten

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend aan appellante voor de uitbreiding en wijziging van de inrichting. Appellante heeft een veehouderij op het perceel. De aanvraag heeft betrekking op het uitbreiden van een ligboxenstal, het oprichten van een mestsilo, het legaliseren van de bestaande drooginstallatie inclusief luchtwasser en het aanleggen van een tweede ontsluitingsweg. De omgevingsvergunning is verleend voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen of in werking hebben van een inrichting.

Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college dient te motiveren welke geluidgrenswaarden voor de inrichting gelden als het gaat om de incidentele bedrijfssituatie. Verder stelt zij dat uit het akoestisch rapport volgt dat de geluidbelasting 44 dB(A) is. Het rapport maakt volgens haar onderdeel uit van de omgevingsvergunning en derhalve is het opnemen van een voorschrift niet nodig, aldus appellant.

Als incidentele bedrijfssituatie is het inkuilen van gras aangemerkt. Dat vindt gedurende 12 dagen per jaar in de dag-, avond- en nachtperiode plaats. Over de incidentele bedrijfssituatie is het volgende bepaald in de voorschriften:

  • De in de voorschriften (…) gestelde geluidvoorschriften zijn maximaal 12 dagen per jaar niet van toepassing gedurende het inkuilen van gras en maïs. 
  • Van de activiteiten, zoals bedoeld in voorschrift (…) dient een logboek overeenkomstig de voorschriften (…) te worden bijgehouden waarin wordt vermeld: de datum waarop de activiteiten hebben plaatsgevonden.

De Afdeling overweegt als volgt: “De rechtbank heeft gelet op de voorschriften terecht overwogen dat het college niet heeft gemotiveerd wat de maximaal toelaatbare geluidsbelasting is voor de inrichting als het gaat om de incidentele bedrijfssituatie. Gelet op de voorschriften geldt er op grond van de vergunning namelijk geen maximale geluidsbelasting voor die situatie. Zelfs in de motivering van het besluit is niet opgenomen welke geluidsbelasting toelaatbaar moet worden geacht voor de incidentele bedrijfssituatie. Het college heeft slechts aangegeven dat het aanvaardbaar is dat de waarden afwijken van de representatieve bedrijfssituatie. Het enkele feit dat in het akoestische rapport, dat onderdeel uitmaakt van de vergunning, de geluidsbelasting is berekend, maakt niet dat de daarin vermelde geluidsbelasting als voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden. Nu dat niet is gebeurd, kan het college derhalve niet handhavend optreden indien appellante in strijd handelt met die waarden. Een voorschrift is derhalve nodig in het kader van de handhaafbaarheid.”

Lees meer in uitspraak ABRS 20 maart 2019, no. 201803201/1/A1.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Handhaving bedrijfswoning en beroep op toekomstige wetgeving

Handhaving bedrijfswoning en beroep op toekomstige wetgeving door gemeentehandhaving bedrijfswoning

Het college van B&W heeft een verzoek om handhaving tegen het gebruik als burgerwoning van een woning afgewezen. Een maatschap exploiteert op hetzelfde perceel een pluimveehouderij. De woning is de voormalige bedrijfswoning bij de pluimveehouderij. In 1995 is de woning afgesplitst van het agrarische bedrijf door de afzonderlijke verkoop van de woning en het agrarische bedrijf. In 1996 heeft de huidige maatschap het agrarische bedrijf gekocht. De woning wordt bewoond door personen die geen binding met het pluimveehouderijbedrijf hebben.

De maatschap heeft een verzoek om handhaving ingediend met het verzoek om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de woning als burgerwoning. De maatschap vreest dat dit gebruik haar bedrijfsvoering kan belemmeren. (handhaving bedrijfswoning).

Het college stelt dat het de woning in voorkomende procedures op basis van de Wabo en Wm als een agrarische woning zal beschouwen. Dit betekent volgens het college dat de bedrijfsvoering van de maatschap op geen enkele wijze zal worden geschaad of belemmerd door bestuursrechtelijk handelen van het college in relatie tot het gebruik van de woning als burgerwoning. Verder is volgens het college het niet aannemelijk dat de inrichting gaat uitbreiden of zal wijzigen, aangezien door de rijksoverheid aangekochte reductie-eisen voor fijnstof voor de pluimveesector, uitbreiding of wijziging van de inrichting onmogelijk maken.

De Afdeling overweegt als volgt:Het staat vast dat het gebruik van de woning als burgerwoning in strijd is met de bestemming ‘Agrarisch gebied’, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden. (…) De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet in geschil is dat er geen concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestaat en dat enkel de vraag aan de orde is of handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college daarvan af behoorde te zien. (…) Het standpunt van het college, dat de maatschap niet in haar bedrijfsactiviteiten wordt beperkt door het gebruik van de woning als burgerwoning, is bovendien onjuist.

Bij zijn standpunt dat uitbreiding of wijziging van de inrichting niet aannemelijk of zelfs onmogelijk is, loopt het college ten onrechte vooruit op de aangekondigde reductie-eisen voor fijnstof en gaat het er ten onrechte van uit dat uitbreiding van het bestaande pluimveebedrijf de enige mogelijke door de maatschap gewenste bedrijfsactiviteit is. Het is niet uitgesloten dat de maatschap in de toekomst een omgevingsvergunning aanvraagt voor een bepaalde bedrijfsactiviteit die uitsluitend vanwege de aanwezigheid van een burgerwoning op het perceel niet kan worden verleend. Daarbij is van belang dat het college die aanvraag moet toetsen aan de toepasselijke wettelijke regelingen, op grond waarvan het college mogelijk niet de beoordelingsruimte heeft om de milieugevolgen voor de woning (…) niet in zijn beoordeling te betrekken. Afgezien van de mogelijkheid tot uitbreiding of wijziging van de pluimveehouderij, heeft de maatschap onweersproken gesteld dat zij door de feitelijke aanwezigheid van een burgerwoning op het perceel niet kan voldoen aan de voorschriften van de nu voor haar inrichting geldende omgevingsvergunning. Ook hierom wordt de maatschap in haar bedrijfsvoering belemmerd door het gebruik van de woning als burgerwoning.” Zie verder uitspraak ABRS 20 maart 2019, no. 201802435/1/A1.(handhaving bedrijfswoning)

Bent u agrariër en heeft u last van een (bedrijfs)woning? Bel 010 – 268 0689 of mail voor een oplossing!