Geen zienswijze ontwerpbesluit, toch ontvankelijk beroep bestemmingsplan

Geen zienswijze ontwerpbesluit, toch ontvankelijk in beroep bestemmingsplangeen zienswijze

De gemeente heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de bouw van 7 woningen op voormalige agrarische grond. Deze woningen zijn mogelijk vanwege een Rood-voor-Rood-regeling. Er is tevens een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 5 woningen. Appellanten kunnen zich niet vinden in de besluiten en hebben daarom beroep ingesteld. De raad geeft aan dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat appellanten geen zienswijzen hebben ingediend tegen de ontwerpbesluiten.

Het ontwerpplan en het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning hebben gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In deze termijn konden zienswijzen worden ingediend. Op grond van artikel 6:13 Awb kunnen belanghebbenden aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit, geen beroep instellen bij de bestuursrechter.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) Appellanten hebben geen zienswijzen naar voren gebracht over de ontwerpbesluiten. Niet is gebleken dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet op artikel 6:13 van de Awb moet het beroep van appellanten (…) niet-ontvankelijk worden verklaard. De Afdeling heeft echter haar jurisprudentie over de ontvankelijkheid van beroepen tegen omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb gewijzigd. Aanleiding daarvoor was het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (…). Aan belanghebbenden wordt in omgevingsrechtelijke zaken niet langer tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. Voor niet-belanghebbenden geldt ook dat zij beroep kunnen instellen tegen omgevingsrechtelijke besluiten, mits zij een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of ingeval hen niet kan worden verweten dat zij dat hebben nagelaten (…). Dit betekent dus dat bij omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb, artikel 6.13 van de Awb alleen nog kan worden tegengeworpen aan niet-belanghebbenden die (verwijtbaar) geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. Voor het antwoord op de vraag of de beroepen (…) ontvankelijk zijn, is dus beslissend of deze (…) belanghebbenden zijn. Lees meer in r.o. 3.3 van uitspraak ABRS 17 november 2021, no. 202001533/1/R3. (geen zienswijze).

Bij spuitzones uitgaan van worstcase scenarios

Bij spuitzones uitgaan van worstcase scenariosbij spuitzones

Bij het bepalen van de afstand tussen agrarische percelen en gevoelige functies wordt meestal uitgegaan van een richtafstand van 50 meter. Dit is geen wetgeving maar is in feite gewoonterecht geworden. De Raad van State gaat er in de regel van uit. Of deze afstand acceptabel is hangt helemaal af van de soort teelt, de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen, het gebruik van driftbeperkende maatregelen, de omgeving, de windrichting, enzovoorts. Dit is complexe materie. Van belang is om bij het bepalen van de afstand uit te gaan van worstcase scenario’s. Kijk bij agrarische percelen altijd naar wat het bestemmingsplan maximaal mogelijk maakt voor het perceel. Ga er niet zo maar vanuit dat er op het agrarische perceel dat momenteel weiland is er geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Onderzoek dat. Onderstaande uitspraak maakt dat weer duidelijk.

De Raad van State overweegt: “Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad beoordelen of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dit geldt niet alleen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, maar voor het plan als geheel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) wordt een planologische keuze die ziet op een afstand van 50 meter tussen gevoelige objecten en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in het algemeen niet onredelijk worden geacht. Dit neemt niet weg dat de raad een kortere afstand in een bepaalde situatie toereikend kan achten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen. 

De gronden van de maatschap die grenzen aan het plangebied kunnen op grond van de regels van het plan (…) gebruikt worden voor open teelt waarbij gebruik van bestrijdingsmiddelen mogelijk is. De raad heeft niet beoordeeld wat de gevolgen zullen zijn voor de gevoelige recreatie functies die het plan mogelijk maakt van een eventuele omschakeling door de maatschap naar open teelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Lees meer in r.o. 3.4 van uitspraak ABRS 17 november 2021, no. 202004660/1/R.

Neem voor spuitzonering in het omgevingsplan contact op, bel 010 – 307 2273 of vul onderstaand formulier in.

Let op! Wij maken sinds 1 januari 2021 geen onderbouwingen of spuitzoneringsonderzoeken meer op basis van de Wro of Wabo.

Plattelandswoning en woon- en leefklimaat

Plattelandswoning en woon- en leefklimaatplattelandswoning

Via een wijzigingsplan wordt een bestaande bedrijfswoning planologisch gewijzigd naar een plattelandswoning. De eigenaar van een nabij gelegen agrarisch bedrijf vreest door deze wijziging in zijn bedrijfsvoering te worden benadeeld. Het stallen van vee vindt op zeer korte afstand van de woning plaats. Volgens appellant kunnen zijn bedrijfsactiviteiten leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de beoogde plattelandswoning. In 2018 heeft hij een melding gedaan op grond van de Wet milieubeheer voor zijn activiteiten. Volgens appellant heeft de gemeente onterecht zijn huidige bedrijfsactiviteiten niet meegewogen in de besluitvorming.

De Afdeling overweegt het volgende in r.o. 4.2: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet plattelandswoningen dat met de figuur van de plattelandswoning is beoogd om niet het feitelijk gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning, maar de planologische status ervan bepalend te laten zijn voor de bescherming van de bewoners ervan tegen milieuhinder. Indien een (voormalige) agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de betreffende agrarische inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieu-emissie ervan. De exploitatie van de inrichting wordt op deze manier niet belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als reguliere woning. Dat betekent echter niet zonder meer dat ter plaatse van de woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Afdeling is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht of bij de planologische aanwijzing van de woning als plattelandswoning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu (…)”. Lees meer in uitspraak ABRS 17 november 2021, no. 202005652/1/R4.

Plattelandswoning en Omgevingswet

Het is de bedoeling om de huidige regelgeving over de plattelandswoning voort te zetten onder de Omgevingswet. In elk geval via het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor de gemeente (via de Bruidsschat). Lees meer…

Gezondheidsrisico geitenhouderij en omgevingsvergunning

Gezondheidsrisico geitenhouderij en omgevingsvergunninggezondheidsrisico geitenhouderij

De gemeente heeft een gefaseerde omgevingsvergunning verleend voor een stal voor een geitenhouderij. De fase 1 vergunning heeft betrekking op het veranderen van de indeling van de stallen en het houden van de geiten. Het gaat hier juridisch om de verandering van een inrichting. De fase 2 vergunning blijft hier buiten beschouwing.

Eisers betogen in beroep onder meer dat de geitenhouderij ontoelaatbare gezondheidsrisico’s veroorzaakt. Ze baseren zich hierbij op een rapport van de GGD. De rechtbank geeft het volgende aan: “Uit de bevindingen die zijn neergelegd in (…) de genoemde rapporten volgt dat er gezondheidsrisico’s bestaan wanneer wordt gewoond binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij. Volgens deze bevindingen bestaan de gezondheidsrisico’s uit een verhoogde kans op longontsteking van 30%. De enkele omstandigheid dat de wetenschap nog niet heeft kunnen beantwoorden waarom omwonenden van geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking, betekent nog niet dat er geen algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht is dat die omwonenden gevolgen ondervinden van de aanwezigheid van geitenhouderijen. Lees meer in r.o. 8.5 van uitspraak Rb Gelderland, 8 december 2021. (gezondheidsrisico geitenhouderij).

MH: Het verlenen van omgevingsvergunningen voor geitenhouderijen ligt onder een vergrootglas. Het is voor gemeente zeer lastig om er aan mee te werken. Hoewel de zorgen om gezondheid ook terecht kunnen zijn, wordt de verlening erg beïnvloed door sentiment en beeldvorming. Als initiatiefnemer is het erg belangrijk om daar rekening mee te houden bij een aanvraag. Dat geldt ook voor een gemeente.

 

Geluidsoverdracht zonnepanelen is onwaarschijnlijk

Geluidsoverdracht zonnepanelen is onwaarschijnlijkgeluidsoverdracht zonnepanelen

Klinkt wellicht vergezocht, geluidsoverdracht via weerkaatsing van geluid op zonnepanelen. Toch kwam dit ter sprake in een uitspraak van 10 november 2021 van de Afdeling. Volgens appellant hebben de zonnepanelen van het zonne-akker effect op de geluidbelasting van de N18. Het college had volgens hem akoestisch onderzoek moeten naar de gevolgen hiervan op de omgeving.

Volgens het college hoefde het geen onderzoek uit te voeren naar deze vermeende effecten. Gelet op de stand van de zonnepanelen, is het volgens het college niet mogelijk dat deze extra geluidhinder van het wegverkeerslawaai van de N18 veroorzaken. Hier baseert het college zich op een advies van de regionale omgevingsdienst. De zonnepanelen worden op het zuiden gericht met een getrapte structuur, waarbij de hoge kant van de panelen richting het noorden ligt en de lage kant richting het zuiden. De panelen staan onder een hoek, wat betekent volgens het college dat geluid van de N18 nagenoeg niet horizontaal wordt gereflecteerd en de plaatsing van de panelen niet zal leiden tot verslechtering van geluidsoverlast. Wanneer als sprake is van reflectie van geluidgolven, zal dit niet leiden tot hogere geluidbelasting bij de woning van appellanten volgens het college. Verder stelt het college dat de artikelen 74 en 76 van de Wet geluidhinder en artikel 7.22 Bouwbesluit niet van toepassing zijn.

De Afdeling stelt vastdat de realisatie van het zonnepark geen geluidsgevoelig gebouw is als bedoeld in artikel 73 onder c van de Wet geluidhinder, waardoor artikel 74 en 76 van de Wet geluidhinder niet van toepassing zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is artikel 7.22 van het Bouwbesluit (…) een restbepaling waaraan door het bevoegd gezag toepassing kan worden gegeven indien naar zijn oordeel optreden tegen het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein vanwege gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder noodzakelijk is en meer specifieke bepalingen geen soulaas bieden. Gelet op de motivering van het college is de Afdeling van oordeel dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit niet wordt geschonden. De Afdeling stelt vast dat appellant het niet eens is met het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat de zonnepanelen de geluidbelasting van de N18  niet zullen versterken en dat het college niet gehouden was een akoestisch onderzoek te laten uitvoeren om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen.” Lees meer in r.o. 5 van uitspraak ABRS 10 november 2021, no. 202102044/1/R4.

 

Geluid motorcross en akoestisch onderzoek

Geluid motorcross en akoestisch onderzoekgeluid motorcross

Het geluid van crossmotoren kan erg veel geluidhinder opleveren voor omwonenden. Het is daarom belangrijk om regels te stellen over crosstijden en maximale geluidbelasting. De gemeente heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor een bestaand motorcrossterrein. Er vinden zowel trainingen als wedstrijden plaats. Aan de trainingen en wedstrijden zijn maxima gesteld in de planregels van het bestemmingsplan. Verder maakt het bestemmingsplan activiteiten mogelijk die gerelateerd zijn aan motorcross.

Appellant woont op zo’n 150 meter van het terrein. Hij ervaart met name geluidsoverlast. Voor de beoordeling van de geluidbelasting heeft de gemeente gebruik gemaakt van het stappenplan uit de VNG-brochure. Het plan voldoet namelijk niet aan de richtafstand van 700 meter. In het algemeen geldt, hoe groter de afwijking hoe beter de onderbouwing om af te wijken dient te zijn. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het akoestisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen de geluidssituatie tijdens trainingen en tijdens wedstrijden. Binnen de wedstrijden is onderscheid gemaakt tussen A-wedstrijden en B-wedstrijden. Dit is een onderscheid volgens het geluidreglement noppensport van de KNMV.

Volgens appellant wordt ten onrechte uitgegaan van een rekenmodel in plaats van geluidmetingen. Lees meer in r.o. 24 van uitspraak ABRS 15 december 2021, no. 201908108/1/R3. (geluid motorcross).

 

Afstand glastuinbouwbedrijf en woningen VNG-brochure

Afstand glastuinbouwbedrijf en woningen VNG-brochureafstand glastuinbouwbedrijf

Het positieve van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering is dat het richtafstanden aangeeft tussen de gevel van woningen en bedrijfspercelen. In één oogopslag wordt duidelijk wat de aanbevolen afstanden zijn. Handig voor de praktijk. Het nadeel is dat de gebruikers niet meer logisch nadenken en zich te veel focussen op de aangegeven afstand. Die afstand wordt als ‘harde waarheid’ gezien. De VNG-brochure is indicatief en slechts een hulpmiddel. Onderzoek als gemeente altijd waar de bedrijfsvoering uit bestaat. Vraag dat na bij de ondernemer. Is er veel vrachtverkeer? Zo ja, op welke tijden van de dag? Hoe vaak? Is er in de avond en nacht overmatig licht bij het bedrijf? Besef dat bedrijfsvoering vrijwel altijd enige overlast veroorzaakt voor bewoners van woningen. Plan dus woningen niet te dicht bij bedrijfspercelen. Het is vragen om problemen.

In dit geval heeft een gemeente woningen mogelijk gemaakt dicht bij een bedrijfsperceel van een glastuinbouwbedrijf. De belangrijke rechtsoverwegingen uit de uitspraak van de Afdeling over dit onderwerp zijn:

“De Afdeling stelt voorop dat de richtafstanden van de VNG-brochure gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. (…) Ten aanzien van de gestelde geluidhinder overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat aan de ruimtelijke onderbouwing voor de drie woningen een akoestisch onderzoek ten grondslag ligt, maar dat daarbij uitsluitend het geluid van wegverkeer is onderzocht. Niet is weersproken dat bij de bedrijfsvoering (…) gebruik wordt gemaakt van de inzet van vrachtwagens, tractoren en mechanisch aangedreven landbouwvoertuigen. In het akoestisch onderzoek is echter geen rekening gehouden met het geluid dat hiermee gepaard gaat noch met het stemgeluid van personeel. Niet is gebleken op welke afstand deze activiteiten kunnen plaatsvinden.” Lees meer in r.o. 14.11 van uitspraak ABRS 1 december 2021, no. 202001413/1/R2,(afstand glastuinbouwbedrijf)

Bebouwingscontour geur in omgevingsplan – tips

Bebouwingscontour geur in omgevingsplan – hoe te bepalen?

Voor een omgevingsplan moet in beginsel een bebouwingscontour geur worden bepaald door de gemeente, zie artikel 5.97 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

De vraag is allereerst, wat is een bebouwingscontour geur?

De meeste gemeenten zullen deze contour samen met de omgevingsdienst gaan bepalen. We zijn er door praktijkervaringen bij gemeenten achter gekomen dat dit niet zo eenvoudig is als het lijkt. Waar moet je rekening mee houden? Wat zijn de grenzen? Is er relevante jurisprudentie?

In hoofdstuk 5 van het Bkl staan instructieregels opgenomen voor het omgevingsplan over geur. Deze instructieregels zijn gericht op grenswaarden voor:bebouwingscontour geur

  • zuiveringtechnische werken
  • houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf
  • andere agrarische activiteiten

De instructieregels zijn erop gericht dat gemeenten in hun omgevingsplan tenminste een adequate bescherming van woningen en andere geurgevoelige gebouwen of locaties bewerkstelligen. Dit geldt in beginsel niet voor gebouwen of locaties die niet zijn toegelaten op grond van een bestemmingsplan of via een omgevingsvergunning, tijdelijke gebouwen en tijdelijke geurgevoelige locaties en bedrijfswoningen.

Een bebouwingscontour geur is volgens het Bkl een contour rond stedelijk gebied waar een hoger niveau van bescherming tegen geur geldt dan het overige gebied in de gemeente.

Als definitie hanteert het Bkl:

het in het omgevingsplan of bij afwijkactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Voor stedelijk groen aan de rand van bebouwing en voor lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen kan de gemeente zelf bepalen of dit wel of niet binnen de bebouwingscontour valt.” (Stb. 2018, 292, p. 371).  

Deze definitie lijkt erg op die van het begrip ‘bestaand stedelijk gebied’ uit artikel 1.1.1, eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Ook hierin wordt gesproken van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. We kunnen dus als hulpmiddel jurisprudentie raadplegen over dit artikel.

Bijvoorbeeld uitspraak ABRS 27 oktober 2021, no. 202005854/1/R1. In deze uitspraak wordt ook een overzichtsuitspraak genoemd die handig is. In r.o. 7.1 staat het volgende:

Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, dan wel of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing (…).  Wanneer het voorgaande plan een zodanig samenstel van bebouwing mogelijk maakt, of het gebied als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt, ziet het nieuwe plan op een gebied dat als bestaand stedelijk gebied (…) van het Bro is aan te merken. Daaraan doet niet af dat de bebouwing waarin het voorgaande plan voorzag ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan nog niet was gerealiseerd.”

Begrip ‘bebouwde kom’ is verlaten. De bebouwingscontour geur kan er anders uitzien dan de grenzen van de bebouwde kom van een gemeente. Of een perceel of locatie binnen de bebouwde kom ligt is voor deze definitie dus niet relevant. De wetgever merkt ook uitdrukkelijk op in de MvT van het Bkl (Stb. 2018, 292, p. 371) dat ervoor gekozen is om het begrip ‘bebouwde kom’ te verlaten.

Tips uit de praktijk, voor de praktijk

Zoals hiervoor al werd aangegeven is het bepalen van de grenzen van een contour niet eenvoudig. Onze tips:

  • teken eerst los uit de pols een contour op kalkpapier (over een kaart van de gemeente), deze contour op papier is een ‘praatplaat’.
    We hebben gemerkt dat schetsen op papier erg goed werkt. De meeste mensen krijgen zoveel digitale documenten te zien, dat ze op een scherm niet meer goed kunnen beoordelen of een contour bruikbaar is. De meeste mensen zijn behoorlijk ‘digi-moe’ en vermoeid van alle digitale vergaderingen.
  • leg de schets van de contour voor aan collega’s milieu en omgevingsdienst: bij voorkeur via een fysieke afspraak. Je kunt zo beter sparren en overleggen. Een werkwandeling is ook aan te bevelen.
  • bespreek of het ook nodig is om voor alle gebieden in de getekende contour een hogere bescherming te bieden. Hier kan verschil tussen zitten. Elk gebied is anders.
  • Besef dat het een leerproces is voor iedereen en durf fouten te maken. Het belangrijkste is een start te maken.

De uitkomst kun je vervolgens digitaal delen. We hebben gemerkt dat de combinatie schetsen op papier, fysieke afspraak en daarna digitale contour goed werkt. Dus een hybride benadering in plaats van alleen digitaal. De concept-kaart vormt weer een basis voor voorschriften en het werkingsgebied. Vervolgens ga je verfijnen.

Geen tijd?

Wij ontlasten gemeenten bij de voorbereidingen en praktische uitvoering van een start-omgevingsplan. Dit doen we met een eigen praktische methode en aanpak. We denken mee, doen voorstellen en maken een start-omgevingsplan. Op maat gemaakt en vooral praktisch uitvoerbaar!

Bel voor meer informatie 010 – 307 2273 of vul onderstaand formulier in:

Neem contact op

  • Dit veld is voor validatie doeleinden en moet ongewijzigd blijven.

 

overlast horeca en woon- en leefklimaat: APV of ruimtelijk?

Overlast horeca en woon- en leefklimaat: toetsing via APV of ruimtelijk?overlast horeca

In theorie ziet het er vrij eenvoudig uit. Zaken die de openbare orde aangaan lopen via de APV en de ruimtelijke aspecten via de Wro en Wabo (lees: bestemmingsplan en omgevingsvergunning). Uit een uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021, no. 202100208/1/A3 (overlast horeca en toetsing) blijkt maar weer eens hoe lastig het is en dat die scheiding niet zo duidelijk is in de praktijk van alledag. Waar ligt de grens of is die er niet?

De burgemeester van Heusden heeft een vergunning verleend op grond van de APV voor de exploitatie van een café. Deze zaak ligt in een rustige woonwijk op 12 meter afstand van de woning van appellant. In het pand zat vroeger een partycenter. Het geldende bestemmingsplan laat een café toe en volgens de burgemeester zal een café minder hinder veroorzaken voor de omgeving dan een partycenter. Een café zal volgens hem minder geluidsoverlast veroorzaken, minder parkeerdruk en overlast van bezoekers en heeft volgens hem minder impact op de omgeving dan een partycenter. Zo op het eerste oog lijkt dit geen onlogische conclusie.

Op grond van artikel 2.28, derde lid van de lokale APV moet de burgemeester bij een aanvraag om een exploitatievergunning beoordelen of de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Volgens de APV moet de burgemeester daarbij rekening houden met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen, de aard van het horecabedrijf, de spanning waaraan het woonmilieu reeds blootstaat of zal bloot komen te staan door de exploitatie en de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant van het bedrijf. Het is kortom een vrij brede toets die de burgemeester moet uitvoeren. Het is in elk geval meer dan alleen de openbare orde.

De Afdeling overweegt als volgt: “Niet valt in te zien waarom een vermindering van het volgens de maatwerkvoorschriften maximum aantal toegestane bezoekers, van 550 naar 400, een vermindering van hinder betekent ten opzichte van de situatie zoals die hiervoor was. Lees verder in r.o. 4.5 van bovengenoemde uitspraak.

Voorkeursgrenswaarde geluid en belanghebbende

Voorkeursgrenswaarde geluid en belanghebbendevoorkeursgrenswaarde geluid

Met een gewijzigd uitwerkingsplan wordt de bouw van 56 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Appellant voert onder meer aan dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Volgens hem overschrijdt het plan hiermee de planregel uit het moederplan waarin staat aangegeven dat voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde geluid op de gevel van 48 dB, zoals aangegeven in de Wet geluidhinder. Appellant heeft uitzicht op de beoogde woningen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) kan een appellant die een besluit aanvecht tot vaststelling van een bestemmingsplan dat de oprichting van een of meer woningen in het uitzicht van zijn woning mogelijk maakt en die zich beroept op bescherming van zijn woon- en leefklimaat, zich om vernietiging van dat besluit te bewerkstelligen zich in beginsel niet succesvol beroepen op het niet in acht nemen van de normen van de Wgh voor zover het betreft de geluidbelasting ter hoogte van de op te richten woning of woningen. Een appellant kan zich ook niet beroepen op de mogelijke gevolgen van de geluidbelasting vanwege het wegverkeer voor het woon- en leefklimaat bij de nieuw te bouwen woning. Hij beroept zich dan op aspecten van de norm van een goede ruimtelijke ordening, als neergelegd in artikel 3.1 van de Wro, die in dat geval niet zien op bescherming van zijn belangen (…). Dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter hoogte van een aantal woningen in het plangebied zal worden overschreden (…) kan niet leiden tot vernietiging van het besluit (…). Zij beroepen zich op een norm die niet strekt tot de bescherming van hun belangen, maar die strekt tot de bescherming van de belangen van de toekomstige bewoners van de nog te realiseren woningen in het plangebied. Niet is gebleken dat appellant en anderen in het plangebied zullen gaan wonen. Het in artikel 8.69a van de Awb neergelegde relativiteitsbeginsel staat dan ook in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van hun betoog over de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde.” Lees verder in r.o. 11 van uitspraak ABRS 8 december 2021, no. 202100122/1/R2.