deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Huisvesting arbeidsmigranten en milieuzonering

Huisvesting arbeidsmigranten en milieuzonering

Via tijdelijke omgevingsvergunningen staan gemeenten vaak de huisvesting van arbeidsmigranten toe. Dit kan ook een prima oplossing zijn om tegemoet te komen aan een nijpend probleem. Veel bedrijven in bijvoorbeeld de land- en tuinbouw staan te springen om hulp bij het oogsten. Het is dan ook belangrijk om deze groep mensen fatsoenlijk te huisvesten en niet in veredelde containers. De praktijk is echter weerbarstig. Ook de huisvesting van statushouders levert in de praktijk vaak problemen op.

huisvesting arbeidsmigranten

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning, tijdelijk of niet, dient er sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. De gemeente dient in dat geval allerlei belangen af te wegen die gemoeid zijn bij de verlening van de vergunning. Gemakkelijker gezegd dan gedaan!

In de situatie die speelt in een uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 speelde het volgende. De gemeente Den Haag had een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de huisvesting van statushouders, studenten, zorgbehoevenden en arbeidsmigranten in een kantoorgebouw voor een periode van 5 jaar. Het is de bedoeling om in het kantoorgebouw 89 eenkamerwoningen te maken. Het kantoorgebouw bevindt zich op een bedrijventerrein. Wonen is op grond van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan.

Enkele ondernemers ter plaatse vrezen overlast en nadelen voor hun bedrijfsvoering. Volgens hen kan er in het pand geen goed woon- en verblijfsklimaat bestaan vanwege de vele verkeersbewegingen op het bedrijventerrein en de hoge geluidsproductie van ook nachtelijke bedrijfsactiviteiten. Uitbreiding van die activiteiten is volgens hun niet mogelijk indien de beoogde huisvesting in het kantoorpand doorgang vindt. Verder wordt er naar voren gebracht dat de gemeente eerdere aanvragen voor het wonen op het bedrijventerrein heeft afgewezen. De vraag is dan ook waarom het in dit geval wel zou kunnen.

Volgens de gemeente is er een maatschappelijke urgentie voor het huisvesten van statushouders. De gemeente erkent dat de locatie niet de ideale huisvestingslocatie is, mede door het hoge geluidniveau. Volgens de gemeente worden er bouwkundige voorzieningen getroffen om het geluidsniveau binnen op nieuwbouwniveau te realiseren. Volgens de gemeente worden de bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Volgens de gemeente hoeven er minder hoge eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke ordeningsaspecten, gezien het tijdelijke karakter van de omgevingsvergunning.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) De mogelijke geluidsoverlast in het pand is niet het enige aspect dat bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening moet worden betrokken. Zo heeft het college de ruimtelijke effecten van bewoning van het pand van verschillende doelgroepen niet betrokken bij zijn afweging en evenmin de effecten van functiemenging, behoudens het geluidsaspect, voor het woon- en leefklimaat van de bewoners van het pand (…). Daarbij is van belang dat op het bedrijventerrein bedrijven tot milieucategorie 3.2 (…) zijn toegestaan. Dat het hier om een tijdelijke vergunning gaat, betekent niet dat aan de verschillende ruimtelijke ordeningsaspecten geen of weinig betekenis toekomt. Lees meer in r.o. 3.2 van uitspraak ABRS 22 april 2020, no. 201905287/1/R4.

Bel voor op maat gemaakte milieuzoneringsonderzoeken en oplossingen De Omgevingsjurist! Bel 010 – 268 0689 of 06-55897008 (Marian Harberink)

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Laagfrequent geluid windturbines beroep heeft geen zin

Laagfrequent geluid windturbines – Beroep heeft geen zin

Het klinkt niet echt hoopgevend: ‘Beroep heeft geen zin’. Toch is dat wel de realiteit als we het hebben over de relatie gezondheid en windturbines. Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de komst van 3 windturbines. De windturbines hebben een maximale ashoogte van 132 meter en een maximale tiphoogte van 120 meter.

laagfrequent geluid

Appellanten vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de komst van de windturbines op een afstand van circa 900 m van hun woning. Zij betwisten onder meer de uitspraak van de rechtbank dat de geluidnormen uit artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer voldoende bescherming bieden tegen laagfrequent geluid. Zij betogen dat bij het vaststellen van de geluidnormen in het Activiteitenbesluit onvoldoende rekening is gehouden met de ernstige hinder van en gezondheidseffecten van laagfrequent geluid van windturbines. Appellanten wijzen erop dat de kans op ernstige hinder bij de gehanteerde norm 8 tot 9% is.

Ten aanzien van het betoog van appellanten dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de veranderde inzichten wat betreft de hinderlijkheid van windturbinegeluid niet zijn verdisconteerd in de aan artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit ontleende geluidnormen, wijst de Afdeling naar hetgeen zij heeft overwogen in haar uitspraak (…). Hierin heeft zij geoordeeld dat geen grond bestaat voor de conclusie dat niet langer mag worden uitgegaan van de geluidnormen neergelegd in artikel 3.14a (…)” Lees meer in r.o. 6.5 en verder van uitspraak ABRS 8 april 2020, no. 201906195/1/R1.

Bel of mail voor meer informatie of advies over laagfrequent geluid

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

VNG-brochure mantelzorgwoning en wijze van meten

VNG-brochure mantelzorgwoning en wijze van meten

De VNG-brochure wordt nog steeds vaak toegepast als richtsnoer bij het bepalen van afstanden tussen woningen en bedrijvigheid. Inmiddels is ook de opvolger hiervan bekend en dat is de VNG-uitgave ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl.

VNG-brochure mantelzorgwoning

De gemeente West Betuwe heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de bouw van 10 woningen en een brede school. De woning van appellant is op zo’n 14 meter gesitueerd van de te bouwen brede school. Er wordt volgens appellant niet voldaan aan de richtafstand van tenminste 10 meter zoals is opgenomen in de VNG-brochure.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen “gelden de richtafstanden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die milieubelastende en milieugevoelige functies toelaat, in dit geval de brede school, en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelij is.

Ter zitting heeft appellant zijn verdere betoog toegespitst op de mogelijkheden om vergunningvrij een mantelzorgwoning in zijn achtertuin te bouwen enerzijds en de mogelijkheden om op basis van het bestemmingsplan (…) een bijgebouw in zijn achtertuin te realiseren anderzijds. (…) Ten aanzien van de vergunningvrije bouwmogelijkheden stelt de Afdeling vast dat appellant de mogelijkheid heeft om in het achtererfgebied van zijn perceel (…) op grond van de Bor ook een mantelzorgwoning te bouwen, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Op grond van (…) het Bor is het toegestaan dat dit bouwwerk maximaal 50 m2 bedraagt.

De uiterste situering van de gevel van een mantelzorgwoning of een bijgebouw zal zowel in het geval van de bouwmogelijkheden op basis van de functieaanduiding ‘achtertuin’ (…) als op basis van de vergunningvrije bouwmogelijkheden als bepaald in (…) het Bor, dichter bij de brede school liggen dan de richtafstand van 10 m (…). Bij het afwijken van de richtafstanden die in de VNG-brochure zijn opgenomen, dient in beginsel rekening te worden gehouden met de maximale planologische en vergunningvrije bouwmogelijkheden ten behoeve van een woonfunctie op een perceel. Dat appellant ten tijde van het bestreden besluit geen concrete plannen had voor de bouw van een mantelzorgwoning of een bijgebouw op zijn perceel, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de Afdeling is de raad bij de beoordeling van de akoestische gevolgen van de voorziene ontwikkeling ten onrechte niet uitgegaan van de uiterste situering van de gevel van een mantelzorgwoning of bijgebouw (…).”

Lees meer in r.o. 12.7 van uitspraak ABRS 8 april 2020, no. 201809125/1/R1. (VNG-brochure mantelzorgwoning)

Bel voor advies over milieuzonering naar 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Steigers woningen geen jachthaven Besluit mer

Steigers woningen geen jachthaven ingevolge Besluit mer

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van woningen en appartementen en ligplaatsen voor 40 boten.

Appellanten betogen dat deze ligplaatsen aangemerkt dienen te worden als een jachthaven in de zin van het Besluit m.e.r. Er bestond derhalve een m.e.r.-(beoordelings)plicht. De raad stelt dat het bestemmingsplan een waterkom mogelijk maakt met 40 steigers en dat er geen sprake is van een jachthaven in voornoemde zin.

steigers woningen

De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of vanwege de bestemmingsomschrijving in (…) het bestemmingsplan sprake is van een jachthaven in voornoemde zin: “Het gaat in dit geval om 40 woningen, waarbij per woning de mogelijkheid bestaat één steigerplaats te realiseren voor het afmeren van een boot. Er worden bij de steigerplaatsen geen verdere voorzieningen getroffen, zoals een havengebouw. Op grond van (….) de planregels mogen anderen dan gebruikers van de woning geen gebruik maken van de steigerplaatsen. Verder zijn de steigerplaatsen die het plan mogelijk maakt niet openbaar toegankelijk. De steigerplaatsen behoren toe tot particulieren die er enkel in de privésfeer gebruik van maken. Voorts kunnen er aan de steigerplaatsen geen boten (van derden) tegen betaling worden aangemeerd. Aldus is van een bedrijfsmatige activiteit geen sprake. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een jachthaven als bedoeld in het Besluit m.e.r. en heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de milieugevolgen van de steigerplaatsen beperkt zijn. De raad hoefde dus geen aanleiding te zien door middel van een milieu-effectrapport of in een m.e.r.-beoordeling rekening te houden met de milieu-effecten van de aanleg van een jachthaven. Het betoog faalt.” Lees meer in uitspraak 8 april 2020, no. 20190672/1/R3. (steigers woningen)

Vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig? Bel of mail De Omgevingsjurist!

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidzone bedrijventerrein niet verplicht

Geluidzone bedrijventerrein is niet verplicht

De raad heeft ter actualisering van het planologisch regime voor de bedrijventerreinen in de gemeente een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. In het bestemmingsplan is rondom het bedrijventerrein een geluidzone opgenomen. Ook is een zogeheten geluidruimteverdeelplan opgenomen in het bestemmingsplan.

geluidzone bedrijventerrein

In deze uitspraak komt onder meer de noodzaak voor een geluidzone in het bestemmingsplan aan de orde. Appellant betoogt dat er geen noodzaak meer is voor een geluidzone rondom het bedrijventerrein, omdat er op het terrein geen grote lawaaimakers meer worden toegestaan. Dit zijn inrichtingen die in onderdeel D van bijlage I van het Bor zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Appellant wijst er daarbij op dat op het grootste gedeelte van het bedrijventerrein alleen bedrijven tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan.

De raad stelt zich op het standpunt dat er een verplichting is om een geluidzone rondom een bedrijventerrein op te nemen, zodra een bestemming voor grote lawaaimakers aan het terrein wordt toegekend of de vestiging van grote lawaaimakers niet uitdrukkelijk is uitgesloten. (…)

De Afdeling is van oordeel dat de raad het bestemmingsplan niet met de juiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld voor wat betreft de geluidzone. De raad is er volgens de Afdeling ten onrechte vanuit gegaan dat hij verplicht was de geluidzone rondom het bedrijventerrein te handhaven. Op grond van de Wet geluidhinder is een raad verplicht om een bestaande geluidzone rondom een bedrijventerrein te handhaven, indien de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de vestiging van grote lawaaimakers insluit. De term ‘insluit‘ betekent dat een grote lawaaimaker planologisch mogelijk moet zijn. (…) Het bestemmingsplan maakt op het bedrijventerrein geen grote lawaaimakers mogelijk. Lees meer in r.o. 27.5 en verder van uitspraak ABRS 1 april 2020.

Bel voor oplossingen voor gezoneerde bedrijventerreinen 010-268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Gezondheid geitenhouderij en uitbreiding bouwvlak

Gezondheid geitenhouderij en uitbreiding bouwvlak

Het college van B&W heeft geweigerd mee te werken aan een wijziging van het bestemmingsplan voor een uitbreiding van een geitenhouderij. Het gaat in dit geval om een wijziging van het bestaande bouwvlak met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan. Het gaat om 3 bestaande sleufsilo’s die in het verleden illegaal zijn geplaatst.

Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat zolang gezondheidsrisico’s van geitenhouderijen niet kunnen worden ingeschat, niet kan worden gesteld dat de gevraagde wijziging van het bouwvlak niet leidt tot een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige functies en waarden en/of belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Dit laatste is een van de wijzigingsvoorwaarden zoals opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid. Daarbij heeft het college ook het uitgangspunt in acht genomen van de Omgevingsverordening Gelderland om de legale en feitelijke situatie bij geitenhouderij te bevriezen. De stelling van appellant dat de opslag van ruwvoer op zich niet leidt tot gezondheidsrisico’s doet hieraan volgens het college niet af.

De Afdeling overweegt als volgt: “De Afdeling overweegt dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het meent dat gezondheidsrisico’s als gevolg van de bouw van 3 silo’s op het perceel op voorhand niet kunnen worden uitgesloten. Appellant stelt terecht dat het college niet kan volstaan met een verwijzing naar het standpunt van de raad (…) als weergegeven in uitspraak (…) over een ander plan/project. Reden hiervoor is dat de onzekere gezondheidsrisico’s voor omwonenden in die uitspraak door de raad werden gekoppeld aan de vestiging van, de uitbreiding van, dan wel de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte van dierenverblijven van geitenhouderijen. (…) In dit geval is de wens om het bouwvlak te wijzigen echter uitsluitend ingegeven door de wens 3 bestaande silo’s te legaliseren. Met de bouw van silo’s vindt de facto geen uitbreiding/wijziging van het oppervlak van een dierenverblijf bij een geitenhouderij plaats. (…). Lees meer in uitspraak ABRS 1 april 2020, no. 2019033/1/R1. (gezondheid geitenhouderij)

gezondheid geitenhouderij

Meer weten over gezondheid in het bestemmingsplan?

Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Horecaterras? Kijk verder dan de VNG-brochure!

Horecaterras? Kijk verder dan de VNG-brochure!horecaterras

De raad van de gemeente Rotterdam heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de woonwijk Park 16hoven en nieuwe horeca. Appellant vreest voor de aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning. Volgens hem is ten onrechte niet ingegaan op de geluidbelasting die het gevolg zal zijn van de horeca in het park.

De Afdeling overweegt als volgt: “Bij de beoordeling van de vraag of het voorliggende plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dienen de gevolgen van de exploitatie van een horecavestiging met onder meer een terras en parkeervoorzieningen voor het woon- en leefklimaat voor omwonenden te worden meegewogen. Niet is gebleken dat de raad een dergelijk onderzoek voorafgaan aan de vaststelling van het plan heeft verricht. De raad lijkt voor deze beoordeling aansluiting te hebben gezocht bij de VNG-brochure. Ter zitting is gevraagd naar de precieze categorie van bedrijven uit de VNG-brochure waarbij is aangesloten en waarvan de gehanteerde richtafstand van 30 meter is afgeleid. De raad heeft echter ter zitting gesteld bij horeca-inrichtingen niet de bedrijvenlijst te hanteren, maar horeca als een zelfstandige functie te zien met een richtafstand van 30 meter. De Afdeling kan dit niet goed volgen, omdat de VNG-brochure een bedrijvenlijst kent waarin onder het kopje ‘Logies-, maaltijden en drankenverstrekking’ diverse typen horeca-inrichtingen worden genoemd waaronder restaurants. Wat hier verder ook van zij, de Afdeling stelt vast dat is voldaan aan de door de raad voor deze horecagelegenheid gehanteerde richtafstand van 30 meter. Appellant heeft naar het oordeel van de Afdeling echter aannemelijk gemaakt dat ondanks dat aan deze richtafstand wordt voldaan, niet vaststaat dat door de horecavestiging met bijbehorend terras en parkeervoorzieningen, zijn woon- en leefklimaat niet zal worden aangetast. Daarbij is van belang dat het verkeer van en naar de horecavoorziening gebruik zal maken van onder meer het (…)pad, dat vlakbij de woning van appellant overgaat in de (…)weg. Lees verder in r.o. 11.2.2 van uitspraak ABRS 18 maart 2020. (horecaterras)

Bel 010 – 268 0689 of mail voor advies en oplossingen over milieuzonering en VNG-brochure.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Stedelijk ontwikkelingsproject mer voor 12 woningen?

Stedelijk ontwikkelingsproject mer voor 12 woningen?stedelijk ontwikkelingsproject mer

De gemeenteraad heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de bouw van 12 woningen. Het plangebied is een voormalig schoolgebouw. Het is de bedoeling om de school te slopen en er 12 nieuwe woningen te bouwen.

Volgens appellant is het plan een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van kolom I van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er is volgens hem ten onrechte geen vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.

De Afdeling overweegt als volgt: “Onder verwijzing naar uitspraken (…) overweegt de Afdeling dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom I van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. 

Naar het oordeel van de Afdeling kan hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar is sprake van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van 12 woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject (…). Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand gebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is (…). Dat op elk bouwperceel maximaal 75 m² aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, leidt niet tot een ander oordeel. Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, behoefde er geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.”

Lees meer in r.o. 6.1 e.v. van uitspraak ABRS 11 maart 2020, no. 201901464/1/R1. (stedelijk ontwikkelingsproject mer)

Bel voor meer informatie over vormvrije m.e.r.-beoordelingen 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemming

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemminghakselen hout

Het college van B&W heeft een last onder dwangsom opgelegd voor het opslaan van hout en het verwerken van boomstammen tot hoogwaardige micro-chips. Het ter plaatse gevestigde bedrijf produceert kleine houtsnippers die aan andere bedrijven verkocht worden. Ze hakselen zowel wijnranken op eigen terrein als stamhout afkomstig uit bos in de omgeving.

Volgens het college zijn voornoemde activiteiten in strijd met de geldende agrarische bestemming. Appellant stelt in hoger beroep dat het hout afkomstig is van eigen wijnranken en een bijproduct is van zijn eigen wijngaard. Deze activiteit moet worden aangemerkt als agrarisch bedrijf overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Volgens appellant is de activiteit gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen.

De Afdeling overweegt als volgt: “De activiteit die het bedrijf verricht  – het hakselen van hout dat deels van eigen grond en deels van elders afkomstig is – kan niet worden aangemerkt als (behorend bij) grondgebonden veehouderij. (…) De activiteit kan naar het oordeel van de Afdeling ook niet worden aangemerkt als akker- en vollegrondstuinbouw (…). Het hakselen van stamhout is niet hetzelfde als het telen van gewassen. Het is (…) ook niet een activiteit die nauw samenhangt met het telen van gewassen, want stamhout is geen gewas. Bovendien is het productieproces van de micro-chips niet beperkt tot een ondergeschikte verwerking van bijproduct van de eigen ter plaatse toegestane wijngaard, aangezien [het bedrijf] ook hout van andere bedrijven gebruikt. Dit gebruik van het perceel is dan ook niet toegestaan op gronden met de bestemming Agrarische doeleinden. Lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 26 februari 2020, zie rechtspraak.nl.

MH: Belangrijk is om te kijken naar de definities die gebruikt worden in het geldende bestemmingsplan. Sommige definities van agrarisch bedrijf zijn ruimer dan de andere. In dit geval is de definitie uitgesplitst in bepaalde vormen van agrarisch bedrijf.

Meer weten over de uitleg van definities in een geldend bestemmingsplan? Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Grondgebonden veehouderij ook met veraf gelegen grond

Grondgebonden veehouderij ook met veraf gelegen grondgrondgebonden veehouderij

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning geweigerd voor de bouw van een stal. Appellant heeft een agrarisch bedrijf dat runderen verhuurt aan natuurbeherende organisaties. De runderen worden in dat geval gebruikt voor begrazing in natuurgebieden. De stal is nodig om de runderen te huisvesten gedurende de maanden dat ze niet buiten lopen.

Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college is er geen sprake van een grondgebonden bedrijf in de zin van het bestemmingsplan. Volgens het bestemmingsplan is een grondgebonden veehouderij: “het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond.”

De vraag die hier speelt is of gronden niet niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf zijn gelegen, kunnen worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een grondgebonden veehouderij als bedoeld in het bestemmingsplan.

De Afdeling overweegt als volgt: “In de definitie van grondgebonden veehouderij (…) ligt niet besloten dat het moet gaan om gronden die bij of in de onmiddelijke nabijheid van het bedrijf zijn gelegen. De toelichting op het bestemmingsplan noopt ook niet tot een dergelijke uitleg. Zoals het college ter zitting heeft bevestigd is de ratio van deze regelgeving onder meer dat intensieve veehouderij wordt tegengegaan. Gelet op het voorgaande legt de Afdeling deze bepaling grammaticaal uit. Een dergelijke uitleg miskent de ratio van de bepaling niet. Dat betekent voor dit geval dat het beweiden van vee in natuurgebieden die niet bij het bedrijf van appellant zijn gelegen, maar ook op aanzienlijke afstand daarvan, kan worden aangemerkt als het houden van vee op open grond (…). Blijkens het bedrijfsplan (…) richt het bedrijf van appellant zich onder meer op het verhuren van runderen aan natuurbeherende organisaties en particulieren. De runderen worden ingezet voor het begrazen van de natuurterreinen. De stal waarvoor vergunning is gevraagd, heeft een capaciteit voor het houden van 39 stuks vee. (…). Lees meer in r.o. 3.1 van uitspraak 12 februari 2020.

Voor de praktijk is dit interessant nu ook vergelegen gronden bij een grondgebonden veehouderij kunnen horen. Het is wel afhankelijk van de definitie van het geldende bestemmingsplan. Kijk die eerst goed na. Meer weten? Bel 010 – 2680689 of mail.