Afstand manege en woningen jurisprudentie

Afstand manege en woningen jurisprudentie

  • afstand manege en woning
  • Activiteitenbesluit milieubeheer
  • VNG-brochure

afstand manege

De raad van de gemeente Terschelling heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor een manege met bijbehorende activiteiten. Eerder was het besluit tot vaststelling op onderdelen vernietigd. De manegehouder stelt in beroep dat er milieutechnische belemmeringen bestaan om de benodigde uitbreiding van de bestaande stalruimte voor paarden te realiseren. Volgens hem is het niet mogelijk de stalruimte te realiseren buiten de in artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit genoemde afstand tussen een dierenverblijf en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom: in dit geval een woning.

Daarnaast wordt volgens hem niet voldaan aan de afstand van 50 m die in de brochure Bedrijven en milieuzonering wordt aanbevolen tussen de grens van de bestemming die een manege toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning. Volgens hem is de afstand tussen de grens van het perceel met de bestemming ‘Sport – Manege’ en de woning slechts 17 meter.

Afstand manege en woning ingevolge Activiteitenbesluit – De in artikel 3.117 genoemde afstand van 50 m wordt gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het geurgevoelig object.

De Afdeling overweegt: “De afstand van de woning tot de grens van het perceel is ongeveer 17 m. Het perceel heeft een lengte van ongeveer 75 m en een breedte van ongeveer 70 m. De Afdeling ziet gelet op de maatvoering van het perceel geen aanleiding voor het oordeel dat de afstand tussen het emissiepunt van het gebouw waar op het perceel paarden kunnen worden gehuisvest en de woning niet kan voldoen aan de in artikel 3.117, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit voorgeschreven afstand van 50 m. De stelling van appellant dat zij hiervoor de bestaande bebouwing op haar perceel anders zal moeten indelen en de logiesruimten op haar perceel zal moeten verplaatsen naar uit landschappelijk oogpunt minder aantrekkelijk gedeelte op het perceel, vormt voor de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voor appellant reële mogelijkheden bestaan om bij een uitbreiding van de bestaande stalruimte op haar perceel te voldoen aan de in artikel 3.117, eerste lid, onder b van het Activiteitenbesluit neergelegde afstand. 

Over de verwijzing van appellant naar de VNG-brochure, overweegt de Afdeling dat de in de VNG-brochure opgenomen indicatieve afstanden bedoeld zijn voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties. De manege (…) is een bestaande situatie. Dit neemt niet weg dat het laten voortbestaan van een dergelijke situatie onder omstandigheden in strijd kan zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor ziet de Afdeling in dit geval geen aanleiding, omdat op het moment dat tussen de manege en het geurgevoelige object de in het Activiteitenbesluit genoemde afstanden wordt aangehouden, in beginsel mag worden aangehouden dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en dus kan worden afgeweken van de richtafstand van de VNG-brochure.”

Lees meer in uitspraak ABRS 25 april 2018, no. 201608986/1/R3, r.o. 12.

Beperkingen schietterrein in planregels bestemmingsplan vastleggen

Beperkingen schietterrein in planregels bestemmingsplan vastleggen

Schietterreinen zijn meestal niet erg populair en de gemeente ontvangt vaak bezwaren in zienswijzen tegen ontwerpbestemmingsplannen die een schietbaan of -terrein mogelijk maken. Zo ook in de casus die zich afspeelt in de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, no. 201201006/1/R3. In deze uitspraak komt met name het aspect geluid en een goede ruimtelijke ordening aan de orde. Voor gemeenten vaak relevante informatie.

Naast het schietterrein ligt een woning, een paardenstal en een buitenrijbak met weiland waar paarden staan. In het bestemmingsplan is de schietbaan opgenomen met de bestemming ‘Sport’. Er zijn in de planregels geen beperkingen opgenomen met betrekking tot gebruik van het schietterrein. Volgens de Afdeling is dit onterecht:

Vast staat dat de raad er bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gildeschietterrein ter plaatse van is uitgegaan dat alleen het zuidelijke deel van het plandeel zal worden gebruikt als schietterrein en dan slechts eens per veertien dagen op zaterdagen tussen 17.00 en 22.00 uur en dat evenementen zeer beperkt mogelijk zijn. Deze door de raad gewenste beperkingen zijn echter niet vastgelegd, zodat het gehele terrein kan worden gebruikt als schietterrein en het gebruik hiervan op geen enkele wijze is beperkt. (…). Nu de raad het schietterrein ter plaatse uitsluitend onder voormelde beperkingen aanvaardbaar acht, had de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening het gebruik van de gronden als schietterrein moeten beperken tot het zuidelijke deel en de locatie van de schietpalen vast moeten leggen. Verder had het in dit geval op de weg van de raad gelegen om ten aanzien van de frequentie waarmee het schietterrein gebruikt mag worden en de daarbij behorende geluidhinder regels te stellen. Daarbij is van belang dat vast is komen te staan dat de raad geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om ingevolge 2.18, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer bij gemeentelijke verordening regels te stellen ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder met betrekking tot traditioneel schieten. Onder deze omstandigheden is het niet uit te sluiten dat het schietterrein een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving met zich zal brengen en kan leiden tot onveilige situaties, mede gelet op het gebruik van de naastgelegen gronden voor het houden en berijden van paarden.”

omgevingsjurist

Hondenkennel niet in strijd met bestemming Wonen

Hondenkennel niet in strijd met bestemming ‘Wonen’

Een wat opmerkelijke uitspraak van de Afdeling die ruimte biedt voor hondenliefhebbers. De gemeente had een last onder dwangsom opgelegd voor het houden en fokken van 8 honden. Volgens de gemeente was dit gebruik in strijd met het bestemmingsplan. In de woning waren 5 hondenbenches aanwezig, in de schuur 6 hondenhokken en in een deel van de tuin was een hondenren met een hondenhok opgericht.

De Afdeling overweegt als volgt: “De vraag of het door appellante van het perceel gemaakte gebruik ten behoeve van het houden van 8 honden in strijd is met de bestemming ‘Wonen-1’, dient te worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het betrokken perceel. 

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de ruimtelijke uitstraling van de door appellante gehouden honden niet leidt tot strijd met de op het perceel rustende woonbestemming. Appellante heeft ter zitting onweersproken gesteld dat met de honden niet wordt gefokt. Het college is daarin het besluit (…) ten onrechte van uitgegaan. Dat in de woning en schuur benches en hondenhokken aanwezig zijn en dat in een deel van de tuin een hondenren met een hondenhok is opgericht waarin de honden overdag verblijven, geeft onvoldoende grond voor het oordeel dat het hobbymatig houden van 8 honden zich niet verhoudt met de woonbestemming. Nu appellante niet in strijd met de bestemmingsplanvoorschriften heeft gehandeld, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college bevoegd was handhavend op te treden. Het betoog slaagt.”

Zie uitspraak ABRS 29 mei 2013, no. 201207898/1/A1

Ruimtelijke aanvaardbaarheid wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan

Ruimtelijke aanvaardbaarheid wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan – Let bij opnemen wijzigingsbevoegdheid in bestemmingsplan of datgene wat met wijzigingsbevoegdheid wordt  beoogd ook ruimtelijk aanvaardbaar is

Dit is standaardjurisprudentie van de Afdeling over het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan. Toch blijkt dat het in de praktijk regelmatig fout gaat, omdat vooraf niet onderzocht wordt of datgeen wat met de wijzigingsbevoegdheid mogelijk kan worden gemaakt ook ruimtelijk aanvaardbaar is.

In het betreffende bestemmingsplan heeft de gemeente een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming ‘Natuur’ te kunnen wijzigen in de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’.

De Afdeling overweegt: “(…) kan met het bestaan van een wijzigingsbevoegdheid in een plan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemmingen binnen de gebieden waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd indien voldaan wordt aan de bij het plan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit brengt in dit geval met zich dat reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan dien te worden beoordeeld of de woning die door de wijzigingsbevoegdheid mogelijk kan worden gemaakt, in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar is. De raad heeft ter zitting erkend dat hij ten onrechte niet heeft onderzocht of de woning in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar is. (…) Het bestreden besluit dient  in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.”

Zie uitspraak ABRS 8 mei 2013, no. 20120759/1/R1

Cumulatieve effecten geur bij onderbouwing aanvaardbaar woon- en leefklimaat betrekken

Cumulatieve effecten geur: betrek bij de onderbouwing aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor woning nabij varkenshouderij ook de cumulatieve effecten van geur van de omliggende intensieve veehouderijen

Het bouwplan voorziet in de bouw van 3 stallen, een loods, mestopslagsilo’s en een sleufsilo voor meer dan 10.000 varkens. Appellante betoogt dat het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbaar geurhinder, waardoor haar woongenot zal worden aangetast en dat aan het projectbesluit in zoverre geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd.

De Afdeling overweegt: “Nu in de omgeving van het bouwplan andere intensieve veehouderijen zijn gevestigd, dient de cumulatie van stankhinder vanwege omliggende veehouderijen te worden betrokken in de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van appellante. In de ruimtelijke onderbouwing is slechts vermeld dat de cumulatieve geurbelasting is berekend en dat de resultaten van de omgevingstoets zijn bijgevoegd in de bijlage. Hieruit volgt dat bij de woning van appellante op de locatie een achtergrondbelasting van 23,32 ou/m³ aanwezig is. 

Het college heeft zonder nadere motivering op basis van de berekeningen geconcludeerd dat wordt voldaan aan de normen die bij de Wet geurhinder en veehouderij en de geurverordening zijn vastgesteld.

Voor de details van de motivering van de Afdeling waarin ook wordt ingegaan op de voorgrondbelasting, zie r.o. 10.3 van uitspraak ABRS 3 april 2013, no. 201204483/1/A1.

Kamerverhuur woning onbeperkt mogelijk maken binnen bestemming ‘Wonen’ in strijd met goede ruimtelijke ordening

Kamerverhuur woning: Het onbeperkt mogelijk maken van kamerverhuur binnen bestemming ‘Wonen’ is in strijd met een goede ruimtelijke ordening

Appellant kan zich niet verenigen met de bestemming ‘Wonen’ die aan de gronden is toegekend in samenhang met de definities van ‘woonhuis’ en ‘woning’. Volgens hem is deze regeling in strijd met een goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldigheid, omdat deze kamerverhuur mogelijk maakt bij ieder woonhuis en geen beperking stelt aan het aantal kamers dat per woonhuis mag worden verhuurd.

De gemeente stelt dat ervoor gekozen is om de ruimtelijke afweging en regulering van kamerverhuur voortaan alleen nog te laten plaatsvinden via de gemeentelijke huisvestingsverordening.

De Afdeling overweegt: Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2011, in zaak no. 201006022/1/R1, kan het aantal bewoners van een pand dat voor kamerverhuur is bestemd ruimtelijk relevant, worden geacht voor en van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van de omgeving. Hierbij zijn factoren als parkeerdruk en (geluid)overlast van belang. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2012, in zaak nr. 201107961/1/A1, volgt dat een ruimtelijk relevant verschil bestaat tussen bewoning van een pand door studenten en door een gezin; de ruimtelijke uitstraling verschilt, reeds gelet op de leeftijdssamenstelling en het levensritme van de onderscheiden bewoners. (…)

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan gaat het om de beoordeling en afweging of een bestemming van die kamerbewoning toestaat dan wel uitsluit vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Deze beoordeling en afweging is een andere dan de afweging die plaatsvindt bij het beoordelen van de vraag of in een concreet geval voor een woonruimte al dan niet een omzettingsvergunning op grond van de Huisvestingswet en – verordening kan worden verleend. (…)

Door, onder verwijzing naar de Huisvestingsverordening in de plantoelichting, in het plan kamerverhuur binnen de bestemming ‘Wonen’ zonder ruimtelijke afweging als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro in elke woning onbeperkt mogelijk te maken, wordt dan ook niet voldaan aan het in artikel 3.1 van de Wro neergelegde vereiste dat bij het bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen.”

Zie uitspraak 10 april 2013, no. 201202768/1/R4

 

Bijbehorend bouwwerk bedrijf en ondergeschiktheid aan woning

Bijbehorend bouwwerk bedrijf is niet ondergeschikt aan woningbijbehorend bouwwerk bedrijf

Volgens vaste jurisprudentie is het begrip bijgebouw een zelfstandig begrip. Omdat ‘bijgebouw’ niet nader is gespecificeerd in het Besluit ruimtelijke ordening moet volgens de Afdeling aansluiting worden gezocht bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld in de jurisprudentie.

Bijgebouw: een gebouw dat zowel in bouwkundige als in functionele zin ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw.

In dit geval gaat het om een botenhuis nabij een woning. Het botenhuis wordt behalve voor privé-doeleinden, ook voor bedrijfsmatige doeleinden gebruikt. Volgens de Afdeling heeft dit tot gevolg dat het botenhuis niet meer ondergeschikt is aan en ten dienste staat van de woning, zodat het niet als een bijgebouw als bedoeld in artikel 4.1.1 van het Bro kan worden aangemerkt. Het college was om die reden niet bevoegd om de ontheffingsmogelijkheid op grond van artikel 3.23 Wro toe te passen.

Zie uitspraak ABRS 5 september 2012, 20111192/1/A1.

Noot MH

Artikel 4.1.1 Bro is inmiddels vervallen. De zgn. buitenplanse ontheffingsmogelijkheid is vervangen door artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) juncto artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor). Het begrip ‘bijgebouw’ valt nu onder de noemer ‘bijbehorend bouwwerk’. Bovengenoemde uitspraak blijft echter interessant voor de bestaande praktijk vanwege de eisen van ‘ondergeschikt is aan en ten dienste staat van’.

omgevingsjurist

 

Stadslandbouw en paarden in een woonomgeving

Stadslandbouw en paarden – hoeveel paarden zijn nog hobbymatig?stadslandbouw en paarden

Er is  een woonwijk in ontwikkeling waar het de bedoeling is dat eigenaren paarden mogen houden nabij hun woning. Een prachtig initiatief met veel lef waar alle heilige huisjes en aannames over zonering rondom woningen aan het wankelen worden gebracht. Ook erg lastig, want de gemeente wil samen met de projectontwikkelaar enerzijds een nieuw stadslandbouwproject ontwikkelen en meer toestaan dan gebruikelijk is. Dit vergt maatwerk. Aan de andere kant hebben partijen te maken met geldende regelgeving dan wel zonering. Een belangrijk argument voor zonering (en afstand) is het voorkomen van stank  of andere overlast voor bewoners.

Indien voor de woningen de gebruikelijke bestemming ‘Wonen’ wordt opgenomen in het bestemmingsplan is het van belang dat het houden van paarden of pony’s hobbymatig is.  Hier zijn verschillende uitspraken over verschenen met diverse grenzen.

Een recente uitspraak van 1 augustus 2012 (no. 201111671/3/R1) laat zien dat de Afdeling het houden van maximaal 4 paarden en 4 pony’s aanmerkt als hobbymatig. Hierbij speelde onder andere mee dat de eigenaar niet van plan was om meer paarden en pony’s te gaan houden.

Verder laat de Afdeling weten “dat met het weiden van de paarden en pony’s op de aangrenzende landerijen opbrengsten worden gegarandeerd, niet betekent dat er sprake is van bedrijfsmatigheid.”

omgevingsjurist