deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Endotoxinen als weigeringsgrond omgevingsvergunning

Endotoxinen als weigeringsgrond omgevingsvergunning

Het komt niet vaak voor dat een gemeente een besluit weigert vanwege gezondheidsmotieven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het aspect gezondheid een mee te wegen belang: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is het effect dat nabij gelegen veehouderijen op de volksgezondheid kan hebben een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zulke risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar verslechtert.”

endotoxinen

In dit geval heeft de raad een zogeheten ‘veegplan’ voor het buitengebied vastgesteld. Appellant acht het onterecht dat de raad zijn eerder ingediende uitbreidingsplannen voor zijn pluimveehouderij niet heeft meegenomen in het bestemmingsplan. Ook de door hem verzochte vergroting van het bouwvlak is niet meegenomen. De gemeente heeft deze aanvragen om omgevingsvergunning eerder geweigerd.

Volgens de Afdeling is niet met een eenduidige wettelijke regeling bepaald op welke wijze bestuursorganen de mogelijke gevolgen van de emissie van endotoxinen bij veehouderijen in hun besluitvorming moeten betrekken. Het is aan het bestuursorgaan om bij het besluit over vergunningverlening te bepalen welke maatregelen (…) in het kader van de bescherming van het milieu nodig zijn, waarbij het bestuursorgaan beoordelingsruimte heeft. (…) Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad ter voorkoming van een situatie waarin risico’s voor de gezondheid van omwonenden onstaan, in dit geval in redelijkheid kunnen verwijzen naar het endotoxinekader. Lees meer in r.o. 5.3 van uitspraak ABRS 20 mei 2020, no. 201804487/1/R2.

Bel voor meer informatie 010 – 268 0689.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Nestgeluid afgemeerde schepen en Omgevingswet

Nestgeluid afgemeerde schepen en Omgevingswet

nestgeluid afgemeerde schepen

Onlangs kwam bij de behandeling van het wetsvoorstel voor de Aanvullingswet geluid een interessant onderwerp aan de orde: het nestgeluid van afgemeerde schepen.

Allereerst, wat is nestgeluid? Nestgeluid is het geluid dat afgemeerde schepen aan de kade produceren als er niet aan de schepen wordt gewerkt en geen laad- en losactiviteiten plaatsvinden. Het nestgeluid is het geluid van dieselgedreven aggregaten en/of hoofdmotoren voor het gedurende het gehele etmaal produceren van elektriciteit. (bron). Het is dus het brommende geluid van schepen die afgemeerd liggen in de haven.

Aanleiding voor de bespreking van dit onderwerp in het kamerstuk vormt de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020 met nummer 201807456/1/A1. Deze uitspraak behandelt de grens van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer. De Afdeling oordeelt kortgezegd dat de aanvraag om de omgevingsvergunning milieu niet eenduidig is over de omvang van de inrichting. Het ontbreken van duidelijkheid over de begrenzing van de inrichting staat volgens de Afdeling een goede beoordeling van de milieugevolgen in de weg.

In de Omgevingswet komt het begrip inrichting niet meer voor en wordt gewerkt met het uitgangspunt ‘milieubelastende activiteiten‘. Het begrip activiteit is hier het overkoepelende begrip. Men gaat dus niet meer uit van de begrenzing van de inrichting maar van de milieubelastende activiteit. In het Omgevingsplan kunnen straks in de voorschriften (regels) beperkingen worden opgenomen over nestgeluid van schepen in het algemeen. Leer meer hierover in de hiervoor aangehaalde bron.

Binnen kort volgt er meer over dit onderwerp.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluid warmtepomp en goede ruimtelijke ordening

Geluid warmtepomp en goede ruimtelijke ordening

geluid warmtepomp

Bij gemeenten komen steeds meer klachten binnen over geluidsoverlast door warmtepompen in woonwijken. Dit zijn met name de systemen waar de installatie buiten staat, en niet bijvoorbeeld inpandig in een garage.

De gemeente heeft een omgevingsvergunning (via kruimelafwijking) verleend voor het aanleggen van een buitenunit voor een warmtepomp. De waterpomp is namelijk 40 cm hoger dan is toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan. De buren zijn er niet blij mee en voeren bij de rechtbank aan dat de vergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hen heeft de gemeente niet de juiste geluidsnorm toegepast. De gemeente zou moeten aansluiten bij de binnenkort in te voeren norm uit het Bouwbesluit, te weten: 35 dB(A) gemeten op de erfgrens in plaats van invallend geluid gemeten op de gevel.

Volgens de gemeente is er geen sprake van onevenredige geluidsoverlast. Er bestaat nog geen landelijke geluidsnorm voor warmtepompen. De gemeente heeft om die reden aangesloten bij artikel 4:6 van de APV. De gemeente hanteert daarbij voor buitenunits, zoals een warmtepomp, een geluidsnorm van 35 dB(A) gemeten als invallend geluid op de gevel van buurwoningen. Deze geluidsnorm sluit aan bij de strengste (nachtelijke) geluidsnorm uit het Activiteitenbesluit. Volgens de gemeente komt in dit geval de warmtepomp niet boven deze norm uit.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of er sprake is strijd met een goede ruimtelijke ordening valt binnen de beleidsruimte die verweerder heeft. Die ruimte vult verweerder in dit geval in door aansluiting te zoeken bij artikel 4:6 van de APV en bij de geluidsnorm van 40 dB(A), gecorrigeerd naar 35 dB(A) voor tonaal geluid, uit het Activiteitenbesluit. Dat mag verweerder in redelijkheid ook doen. Lees verder in r.o. 9.1 van uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 maart 2020.

Bel voor vragen en advies over geluid en omgevingsvergunning naar De Omgevingsjurist.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Laagfrequent geluid windturbines beroep heeft geen zin

Laagfrequent geluid windturbines – Beroep heeft geen zin

Het klinkt niet echt hoopgevend: ‘Beroep heeft geen zin’. Toch is dat wel de realiteit als we het hebben over de relatie gezondheid en windturbines. Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de komst van 3 windturbines. De windturbines hebben een maximale ashoogte van 132 meter en een maximale tiphoogte van 120 meter.

laagfrequent geluid

Appellanten vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de komst van de windturbines op een afstand van circa 900 m van hun woning. Zij betwisten onder meer de uitspraak van de rechtbank dat de geluidnormen uit artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer voldoende bescherming bieden tegen laagfrequent geluid. Zij betogen dat bij het vaststellen van de geluidnormen in het Activiteitenbesluit onvoldoende rekening is gehouden met de ernstige hinder van en gezondheidseffecten van laagfrequent geluid van windturbines. Appellanten wijzen erop dat de kans op ernstige hinder bij de gehanteerde norm 8 tot 9% is.

Ten aanzien van het betoog van appellanten dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de veranderde inzichten wat betreft de hinderlijkheid van windturbinegeluid niet zijn verdisconteerd in de aan artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit ontleende geluidnormen, wijst de Afdeling naar hetgeen zij heeft overwogen in haar uitspraak (…). Hierin heeft zij geoordeeld dat geen grond bestaat voor de conclusie dat niet langer mag worden uitgegaan van de geluidnormen neergelegd in artikel 3.14a (…)” Lees meer in r.o. 6.5 en verder van uitspraak ABRS 8 april 2020, no. 201906195/1/R1.

Bel of mail voor meer informatie of advies over laagfrequent geluid

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidzone bedrijventerrein niet verplicht

Geluidzone bedrijventerrein is niet verplicht

De raad heeft ter actualisering van het planologisch regime voor de bedrijventerreinen in de gemeente een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. In het bestemmingsplan is rondom het bedrijventerrein een geluidzone opgenomen. Ook is een zogeheten geluidruimteverdeelplan opgenomen in het bestemmingsplan.

geluidzone bedrijventerrein

In deze uitspraak komt onder meer de noodzaak voor een geluidzone in het bestemmingsplan aan de orde. Appellant betoogt dat er geen noodzaak meer is voor een geluidzone rondom het bedrijventerrein, omdat er op het terrein geen grote lawaaimakers meer worden toegestaan. Dit zijn inrichtingen die in onderdeel D van bijlage I van het Bor zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Appellant wijst er daarbij op dat op het grootste gedeelte van het bedrijventerrein alleen bedrijven tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan.

De raad stelt zich op het standpunt dat er een verplichting is om een geluidzone rondom een bedrijventerrein op te nemen, zodra een bestemming voor grote lawaaimakers aan het terrein wordt toegekend of de vestiging van grote lawaaimakers niet uitdrukkelijk is uitgesloten. (…)

De Afdeling is van oordeel dat de raad het bestemmingsplan niet met de juiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld voor wat betreft de geluidzone. De raad is er volgens de Afdeling ten onrechte vanuit gegaan dat hij verplicht was de geluidzone rondom het bedrijventerrein te handhaven. Op grond van de Wet geluidhinder is een raad verplicht om een bestaande geluidzone rondom een bedrijventerrein te handhaven, indien de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de vestiging van grote lawaaimakers insluit. De term ‘insluit‘ betekent dat een grote lawaaimaker planologisch mogelijk moet zijn. (…) Het bestemmingsplan maakt op het bedrijventerrein geen grote lawaaimakers mogelijk. Lees meer in r.o. 27.5 en verder van uitspraak ABRS 1 april 2020.

Bel voor oplossingen voor gezoneerde bedrijventerreinen 010-268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Afwijken Activiteitenbesluit geluid windpark mits onderbouwd!

Afwijken Activiteitenbesluit geluid windpark mag, mits onderbouwdafwijken activiteitenbesluit

De raad van een gemeente in Limburg heeft besloten de bestemmingsplannen voor een windpark niet vast te stellen. Mede naar aanleiding van een turbulente voorgeschiedenis, zoals volgens de raad onvoldoende draagvlak bij de bewoners heeft de raad daartoe besloten. Daar wordt in de uitspraak verder op ingegaan, maar wordt hier niet verder besproken. Eén van de andere redenen om geen medewerking te verlenen is volgens de raad het aspect geluid.

Volgens de raad bieden de geluidnormen in artikel 3.14a, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer onvoldoende bescherming tegen geluidhinder. Volgens appellant is dit ten onrechte omdat uit de verrichte geluidonderzoeken blijkt dat aan de geluidnormen van 47 dB Lden en 41 db Lnight op gevoelige objecten kan worden voldaan na het treffen van geluidbeperkende maatregelen.

De raad stelt dat de omstandigheid dat het windpark kan voldoen aan de geluidnormen van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit, niet betekent dat de raad het gewenste bestemmingsplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening dient te achten, laat staan dat hij in een dergelijk geval verplicht is tot vaststelling van het bestemmingsplan over te gaan. In het weigeringsbesluit staat dat in recente wetenschappelijke publicaties wordt beschreven dat aan de hinder van windturbinegeluid wellicht meer gewicht moet worden toegekend dan in het verleden is gebeurd. (…) De steeds grotere ashoogten, grotere diameters van de wieken en het feit dat boven de 120 m de windprofielen sterk kunnen afwijken van de standaarden die men voor lagere hoogten hanteert, kunnen bijdragen aan een wellicht veranderd milieutechnisch inzicht van het beoordelen van de hinderlijkheid van het windturbinegeluid. Daarbij wordt als suggestie genoemd het mogelijk toepassen van een straffactor (plus 5 dB) voor de hinderlijkheid van het geluid. (…)

De Afdeling overweegt: “(…) Het bestuursorgaan mag andere, stengere normen hanteren, mits de keuze hiervoor deugdelijk is onderbouwd. Aan die onderbouwing moeten zwaardere eisen worden gesteld nu het gaat om een afwijking van de voor windturbines specifiek gegeven geluidnormering die in een algemeen verbindend voorschrift is vastgelegd.” (…) Lees meer in r.o. 24.3 van uitspraak ABRS 18 december 2019, no. 201805972/1/R1. (Afwijken Activiteitenbesluit mag, mits onderbouwd)

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

blaftijd honden in hondenpension 5% of 2,5%?

Blaftijd honden in hondenpension stellen op 2,5% of 5%?blaftijd honden

De gemeente heeft een bestemmingsplan opgesteld om een hondenpension mogelijk te maken voor ongeveer 50 honden. Op zo’n 40 meter van het plangebied woont appellant die vreest voor beperkingen in zijn woon- en leefklimaat vanwege geluid.

In het opgestelde akoestisch onderzoek is uitgegaan van 2,5% blaftijd bij een hondenpension met toezicht. Volgens hem moet er van 5% blaftijd worden uitgegaan. Hij stelt dat bij die blaftijd in de avondperiode niet aan het langtijdgemiddelde geluidniveau van 45 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan bij het hondenpension.

De Afdeling overweegt het volgende: “(…) dat een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension als representatief kan worden aangemerkt. Nu de raad tevens heeft onderzocht wat de geluidbelasting is bij een blaftijd van 5%, wordt hierna uitgegaan van een situatie waarbij is gerekend met een blaftijd van 5%. In de planregels (…) is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het gebruik van het hondenpension slechts is toegestaan als er een geluidscherm geplaatst wordt. De Afdeling overweegt dat de raad op basis van het advies van de ODR (…) aannemelijk heeft gemaakt dat na het plaatsen van een geluidscherm ook bij een blaftijd van 5% aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan.”

Noot MH: De Afdeling houdt vast aan een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension. Wat erg belangrijk is bij akoestische onderzoeken is te kijken naar de feitelijke activiteiten van het beoogde pension, hondentrainingscentrum of hondenuitlaatservice. Daar zitten aanzienlijke verschillen tussen. Ook de blaftijd van honden verschilt per locatie, het aantal honden en de activiteiten. Het blaffen van honden verschilt aanzienlijk per situatie waar ze zich in bevonden. Ga daar in onderbouwingen goed op in en ga dus niet zonder meer uit van 5% blaftijd.

Bel 010 – 268 0689 of mail voor meer informatie over akoestische onderzoeken en onderbouwingen over hondengeblaf.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerd

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerdomgevingsvergunning bedrijfswoning

Het komt regelmatig voor dat men wil wonen in een bedrijfspand op een bedrijventerrein. Het lijkt aantrekkelijk: de prijs is lager dan een reguliere woning. Ook ondernemers zelf proberen vaak een voormalige bedrijfswoning te verkopen aan iemand die niet bij het bedrijf betrokken is. Hoewel dat uit financiële reden wel te begrijpen ben ik blij dat er gemeenten zijn die hierop handhaven of de vergunning weigeren. Op de lange termijn blijkt vaak dat de combinatie wonen op een bedrijventerrein niet werkt. De bewoners gaan meestal klagen over geluidsoverlast en de ondernemers ter plaatse (kunnen) worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Het is de laatste paar jaar zo dat alle aandacht uit gaat naar woningen, woningen en nog eens woningen. Er moeten aantallen bijkomen omdat de vraag naar woningen zo groot is. Ik vind dit korte termijn politiek. Bedrijven hebben namelijk ruimte nodig. Ruimte voor de bedrijfsactiviteiten.

In deze casus heeft de gemeente een omgevingsvergunning geweigerd voor woningen in een bestaand bedrijfsverzamelgebouw op een bedrijventerrein. De geldende bestemming ‘Bedrijventerrein’ laat geen (bedrijfs)woningen toe. Appellanten zijn het niet eens met de weigering en stellen in hoger beroep dat de combinatie milieucategorieën 1 en 2 en woningen goed kunnen samengaan. Het bedrijventerrein is volgens hen in transformatie naar een gebied met zowel woningen als bedrijven. Volgens het college kan bij de gewenste woningen geen goed woon- en leefklimaat gerealiseerd worden en geldt niet voor alle bedrijven die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan dat zij niet in hun bedrijfsvoering kunnen worden gehinderd vanwege woningen.

De Afdeling overweegt onder meer het volgende: “(…) Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat regels waaraan bedrijfsactiviteiten moeten voldoen. Het bevat grenswaarden voor geluid die gelden voor geluidgevoelige objecten. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dienen woningen, ook als zij tot een bedrijf behoren, als een geluidgevoelig object te worden aangemerkt voor andere bedrijven dan het bedrijf waartoe de woningen behoren. De bedrijfsunits (…) grenzen aan bedrijfsunits van anderen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij realisering van woningen in de directe omgeving van de bedrijfsunits, de bedrijven in de bedrijfsverzamelgebouwen beperkingen in hun bedrijfsvoering kunnen ondervinden. Het college heeft dit, mede gezien de gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen, ongewenst kunnen achten.” 

Lees meer in uitspraak ABRS 11 december 2019, no. 201900853/1/A1. (omgevingsvergunning bedrijfswoning)

De Omgevingsjurist is tegen woningen op bedrijventerreinen en voor ruimte voor bedrijven. Bel 010 – 2680689 voor meer informatie.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidzone niet meetellen bij oppervlakte bedrijventerrein mer

Geluidzone telt niet mee bij oppervlakte berekening voor m.e.r.-beoordelingsplichtgeluidzone

De raad heeft een bestemmingsplan voor een bedrijventerrein vastgesteld. In het kader van het vastgestelde bestemmingsplan is een vormvrije milieueffectbeoordeling uitgevoerd. De uitkomst van die beoordeling is dat voor het plan geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Door het plan wordt tevens het gezoneerde industrieterrein aangepast.

Appellanten voeren aan dat het plan valt onder categorie 11.3 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Gelet op de aanwezigheid van bedrijven met een hoge milieucategorie, de aanwezigheid van risico’s, de hinder die al aanwezig is, de ontwikkelingen die negatieve milieugevolgen kunnen veroorzaken en de omliggende woningen, de nabij gelegen natuurgebieden, de cumulatie met de nabij gelegen industrie en woningbouwprojecten, is het plan volgens appellanten plan-m.e.r. plichtig. Appellanten stellen dat het plangebied de drempelwaarde van 75 hectare (…) niet overschrijdt, maar dat de geluidzone wel een dergelijk oppervlak beslaat.

De Afdeling overweegt: “dat bij de berekening van de oppervlakte van een bedrijventerrein in het kader van de m.e.r.-(beoordelings)plicht slechts de oppervlakte van een bedrijventerrein zelf in aanmerking moet worden genomen en niet een eventuele geluidzone rondom dat terrein, nu deze geen deel uitmaakt van het bedrijventerrein (…). Verder overweegt de Afdeling dat de door (appellanten…) genoemde aspecten zoals de aanwezigheid van bedrijven met een hoge milieucategorie, de aanwezigheid van risico’s, de hinder die al aanwezig is, de ontwikkelingen die negatieve milieugevolgen kunnen veroorzaken en de omliggende woningen, de nabije natuurgebieden, de cumulatie met de nabijgelegen industrie en woningbouwprojecten, aspecten zijn die meegenomen kunnen worden bij de beoordeling, maar niet bij de berekening van de oppervlakte van het bedrijventerrein. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten concluderen dat er sprake is van een plan dat plan-m.e.r.-plichtig is.”

Lees meer in r.o. 7.5 van uitspraak ABRS 4 december 2019, no. 201805678/1/R1.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Camouflage geluid van windpark door snelweg

Camouflage geluid van windpark door snelwegcamouflage geluid

Het college van B&W heeft een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer vastgesteld voor een windpark vanwege een bedrijfswoning. Het windpark bestaat uit vier windturbines langs de snelweg.

De eigenaar van een intensieve veehouderij is op een afstand van minder dan 200 meter van het windpark voornemens een bedrijfswoning te bouwen. Door deze korte afstand tot de windturbine overschrijdt het geluid van het windpark de op grond van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit geldende geluidsgrenswaarden van 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van de te bouwen bedrijfswoning.

De Afdeling stelt voorop dat “het college beoordelingsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag of zich bijzondere lokale omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid van het Activiteitenbesluit. (…) Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet aannemelijk is dat de situering van een windturbine en een woning zoals hier aan de orde, nagenoeg nergens in Nederland voorkomt. In hoger beroep heeft zij het door haar opgestelde rapport GIS-analyse (…) overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat er in Nederland slechts 47 woningen op een vergelijkbare afstand van een snelweg en windturbine staan. Daarvan is volgens het rapport slechts bij twee woningen de situatie daadwerkelijk vergelijkbaar, rekening houdend met de situering van de woning ten opzichte van de snelweg en de windturbine en met de omvang van de windturbine. (…) De rechtbank heeft het ten onrechte niet aannemelijk geacht dat een dergelijke situering nagenoeg ergens in Nederland voorkomt. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte niet de motivering van het college over de bijzondere ontstaansgeschiedenis betrokken, waaruit blijkt dat deze situatie onder normale omstandigheden niet zo was ontstaan. 

(…) In het rapport (…) is berekend dat de geluidbelasting vanwege de A58 op de te bouwen bedrijfswoning hoger is dan de geluidbelasting vanwege het windpark, waarbij het verschil in de dagperiode… lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 4 december 2019, no. 201902270/1/A1. (camouflage geluid windpark)