deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Evenemententerrein bestemmingsplan geen inrichting Wm

Evenemententerrein bestemmingsplan is geen inrichting ingevolge Wet milieubeheerevenemententerrein bestemmingsplan

Het nieuwe bestemmingsplan voorziet onder meer in een regeling voor evenementen in het centrum. Het plan maakt mogelijk dat er op locaties met de aanduiding ‘overige zone – evenementenzone’ in het centrum per kalenderjaar 25 evenementen mogen plaatsvinden. Voor deze evenementen geldt een maximale geluidbelasting van 60 dB(A). In het bestemmingsplan zijn nog een aantal zones opgenomen waar tevens evenementen mogen plaatsvinden onder de daar gestelde voorwaarden.

Appellant vreest voor onder meer geluidsoverlast als gevolg van de toegestande evenementen.

De raad hanteert als uitgangspunt dat er geen geluidhinder ten gevolge van evenementen in een woning optreedt indien de geluidniveaus ter hoogte van de gevel aan de buitenzijde van een woning lager zijn dan 60 dB(A). Dit uitgangspunt is gemeentelijk beleid. De raad hanteert voorts als uitgangspunt dat elke omwonende maximaal 12 keer per jaar geluidhinder mag ondervinden van evenementen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) “ligt het op de weg van de raad om te beoordelen of een bestemming die evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt acceptabel is. Ook dient de raad over het toegestane aantal evenementen per jaar, de soorten evenementen, en de maximale bezoekersaantallen regels te stellen voor zover dit uit het oogpunt van een goede ruimtelijke aanvaardbaarheid op een locatie van belang is. Deze beoordeling is een andere dan dan die op grond waarvan (…) voor een evenement al dan niet vergunning wordt verleend. 

Appellant betoogt dat de raad voor het bepalen van de afstand tot de gronden waarop evenementen zijn toegestaan gebruik had moeten maken van de richtafstanden uit de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Volgens appellant is voor deze gronden sprake van een evenemententerrein, en dient een evenemententerrein voor de toepassing van de VNG-brochure te worden beschouwd als een recreatiecentrum. Een recreatiecentrum is een inrichting in milieucategorie 4.2, waarvoor ten aanzien van het aspect geluid een richtafstand van 300 m geldt, aldus appellant. (…). 

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel de evenementenzones in het plan te kwalificeren als recratiecentrum. Deze evenementenzones kunnen niet worden aangemerkt als inrichting als bedoeld in (…) de Wm en zijn daarom niet te vergelijken met een recreatiecentrum. 

Lees meer in r.o. 8.2 van uitspraak ABRS 17 juli 2019, no. 201803916/1/R3. (evenemententerrein bestemmingsplan)

Bel voor vragen en/of advies over geluid van evenementen 010 – 268 0689.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

cumulatieve geluidbelasting en woon- en leefklimaat

Cumulatieve geluidbelasting in kader van (goed) woon- en leefklimaatcumulatieve geluidbelasting

In de praktijk zorgt het nogal eens voor verwarring. Geluid dat onderzocht dient te worden op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) en geluid dat onderzocht dient te worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening, in het bijzonder een goed woon- en leefklimaat. In de meeste gevallen wordt er door akoestische adviesbureus prima onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ingevolge de Wgh. Jammer genoeg onvoldoende naar het ‘restputje’ van geluid in het kader van een goed woon- en leefklimaat.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt onder meer de doortrekking mogelijk van de tramlijn vanuit Amstelveen naar Uithoorn. Appellanten vrezen als gevolg hiervan geluidsoverlast. Ze hebben een second opinion uit laten voeren met betrekking tot het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd namens de gemeente.

In beroep stellen appellanten onder meer dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de cumulatieve effecten van het geluid als gevolg van de trambaan en het vliegverkeer van Schiphol. Zij stellen dat dit in het kader van een goede ruimtelijke ordening ten onrechte niet is uitgevoerd.

De Afdeling overweegt als volgt: “De Afdeling stelt vast dat geen akoestisch onderzoek is verricht naar de gecumuleerde geluidbelasting van het geluid van de tramlijn en het geluid van het vliegverkeer. De Afdeling stelt voorop dat in dit geval op grond van de Wgh geen verplichting bestaat tot het verrichten van een onderzoek naar de cumulatieve effecten van het geluid van de tramlijn en het geluid van het vliegverkeer. Artikel 110f van de Wgh is alleen van toepassing als voor een woning of ander geluidgevoelig object een hogere waarde wordt vastgesteld en daarnaast sprake is van meerdere geluidzones, waarbij de voorkeursgrenswaarde door minstens twee geluidbronnen wordt overschreden. Daarvan is bij de woningen van appellanten geen sprake (…). 

Niettemin kunnen zich ook buiten de gevallen waarin de Wgh voorschrijft onderzoek te verrichten naar de cumulatieve geluidbelasting, gevallen voordoen waarin rekening moet worden gehouden met een negatieve invloed van cumulatieve geluidbelasting op het woon- en leefklimaat ter plaatse van bepaalde woningen. Teneinde een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening bestond in het onderhavige geval aanleiding daartoe. Daarbij betrekt de Afdeling dat de woningen van appellanten binnen de zogenaamde 20 Ke-contour liggen. Voorts is van belang dat het plan verschillende functies toelaat en leidt tot een toename van verkeer. Gelet op het vorenstaande is de cumulatie ten onrechte niet onderzocht en afgewogen (…).”

Lees meer in r.o. 10 en verder van uitspraak ABRS 17 juli 2019, no. 201803709/1/R1.

Bel voor meer informatie over cumulatieve geluidbelasting in kader van woon- en leefklimaat met 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidhinder transformatorstation zonnepark

Geluidhinder transformatorstation Zonnepark en aanvaardbaar woon- en leefklimaatgeluidhinder transformatorstation

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een zonnepark. Het gebied is ongeveer 7,7 hectare groot en grenst aan een bestaand bedrijventerrein.

De aanvraag heeft betrekking op 26.500 zonnepanelen en is in strijd met het bestemmingsplan. De zonnepanelen hebben een hoogte van 1,75 m boven het maaiveld.

Geluidhinder transformatorstation? Het perceel van appellant grenst aan het beoogde zonnepark. Hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Volgens hem is er ten onrechte geen akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidhinder ten gevolge van de transformatorstations en is volgens hem onduidelijk of voldaan wordt aan de geluidscontouren uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Volgens de gemeente zijn de transformatoren vergelijkbaar met transformatoren in woonwijken. Voor dergelijke transformatoren kan volgens de gemeente de VNG-brochure worden toegepast. Hierbij geldt een richtafstand van 30 meter. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is de afstand van een transformatorstation tot de dichtstbijzijnde woning 130 meter.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat tussen partijen niet in geschil is dat is voldaan aan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de transformatorstations van het zonnepark zodanig veel geluidsoverlast zullen veroorzaken dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het college heeft (…) terecht geen aanknopingspunten gezien voor een verdergaand onderzoek naar de door hem gestelde geluidhinder. Daarbij heeft het college van belang kunnen achten dat het geluid van de transformatoren gering is, dat de transformatoren zelden hoorbaar zijn op meer dan enkele meters afstand en dat de gestelde overlast in ieder geval nooit in de avond- en nachturen zal optreden als geen elektriciteit wordt gewonnen. Het betoog faalt.” [geluidhinder transformator stations].

Lees meer in uitspraak ABRS 8 mei 2019, no. 201809430/1/A1.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Recreatiewoning geen geluidgevoelig gebouw Wet geluidhinder

Recreatiewoning geen geluidgevoelig gebouw ingevolge Wet geluidhinderrecreatiewoning

De raad van de gemeente Hollands Kroon heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor 5 recreatiewoningen en 38 standplaatsen. Het bestaande fruitteeltbedrijf wordt beëindigd.

Appellant exploiteert een melkveehouderij in de directe nabijheid van het plangebied. Hij vreest onder andere voor een beperking van zijn bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Ten aanzien van het aspect geluid voert hij aan dat ten onrechte geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de geluidbelasting van de veehouderij op de geluidgevoelige objecten binnen het plangebied. Voor zover al onderzoek heeft plaatsgevonden, is volgens hem ten onrechte de geluidemissie van de veehouderij buiten beschouwing gelaten. Volgens appellant is er dan ook geen sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het recreatieterrein.

Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (…) “is het vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een recreatiewoning in beginsel geen geluidgevoelig gebouw is in de zin van de Wet geluidhinder. Een camping is dat evenmin. Op grond van de Wgh kunnen de vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen aldus niet als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt. Dit neemt niet weg dat moet worden nagegaan of ter plaatse van het recreatieterrein sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat(…) Weliswaar is er onderzoek verricht naar de geluidbelasting op het recreatieterrein als gevolg van het wegverkeerslawaai, maar is geen rekening gehouden met de geluidbelasting op het recreatieterrein als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van appellant. Dit klemt temeer nu het recreatieterrein op korte afstand van de veehouderij ligt. De stelling van de raad dat de geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van appellant is meegenomen door te toetsen aan de richtafstand uit de Handreiking “Bedrijven en milieuzonering” van de VNG, het een bestaande situatie betreft, recreanten op de camping ervoor kiezen om in het buitengebied op een landelijke agrarische camping te verblijven, geen klachten bekend zijn van de recreanten, het recreatieterrein wordt heringericht en intensieve veehouderijen in nagenoeg elk bestemmingsplan “Buitengebied” de mogelijkheid hebben agrarische campings en andere nevenactiviteiten op het eigen agrarische bedrijfsperceel te starten, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van het aspect geluid een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het recreatieterrein is gegarandeerd. (…)”

Lees meer in uitspraak ABRS 1 mei 2019, no. 201801643/1/R1.

Bel voor juridisch advies inzake geluid en bestemmingsplan naar 010 – 268 0689.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hogere waardenbesluit en belanghebbende

Hogere waardenbesluit en belanghebbendehogere waardenbesluit

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college tot vaststelling van hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder. Dit besluit is vastgesteld voor de woningen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid Awb wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De Afdeling overweegt in deze zaak als volgt: “Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (…) bevat afdeling 2 van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbaar worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woning is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woning een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woning. De regeling in artikel 83 van de Wet geluidhinder voorziet erin dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting – na het treffen van maatregelen – bij de te bouwen woningen vanwege de weg maximaal mag optreden. Deze regeling strekt daarmee tot bescherming van de toekomstige bewoners van de te bouwen woningen. Appellanten zijn geen eigenaar van één van de te bouwen woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de woningen die in het bestemmingsplan zijn voorzien. Derhalve strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van hun belangen (…).”

Zie uitspraak ABRS 27 maart 2019, no. 201804611/1/R1 (hogere waardenbesluit en belanghebbende)

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Laden en lossen supermarkt begrenzen in regels

Laden en lossen supermarkt begrenzen in regels of voorwaardenladen en lossen

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een supermarkt. In het pand van de supermarkt bevinden zich tevens een cafetaria, acht appartementen en een kapper. De laad- en losplaats van de supermarkt bevindt zich op korte afstand van het balkon van appellant.

Hij kan zich niet vinden in de omgevingsvergunning en stelt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hij voert aan dat de beoogde laad- en losplaats zich onder zijn balkon bevindt. Hij vreest onaanvaardbare geluidsoverlast en schade vanwege het gebruik door grote vrachtwagens.

Op grond van artikel 2.5.40, vierde lid onder b van de bouwverordening kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en het derde lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

In de op bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning heeft de gemeente onder meer de volgende voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden:

  • Laden en lossen ten behoeve van de winkel moet plaatsvinden op de daarvoor op kosten van de vergunninghouder aan te leggen laad- en losstrook aan de zijkant van de winkel (…).

De Afdeling overweegt als volgt: “Door het opnemen van het voorschrift voor het laden en lossen wordt op andere wijze in een ruimte voor laden en lossen voorzien, hetgaan in overeenstemming is met artikel 2.5.30, vierde lid, onder b, van de bouwverordening. De Afdeling stelt evenwel vast dat de laad- en losactiviteiten en de uren waarop ter plaatse wordt geladen en gelost niet zijn beperkt in de omgevingsvergunning. Op grond van de omgevingsvergunning is het derhalve toegestaan ook in de avonduren en in de weekenden te lossen met vrachtwagens, al dan niet met een draaiende koelmotor. Dat partij heeft verklaard de laad- en losplaats slechts enkele malen per week te gebruiken voor grotere vrachtwagens zonder koelaggregaat, doet er niet aan af dat de omgevingsvergunning ruimer gebruik toestaat. Het college heeft met het verlenen van de omgevingsvergunning zonder hieraan beperkingen te stellen ten aanzien van de laad- en losactiviteiten van de vrachtwagens onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Het besluit is in zoverre ontoereikend gemotiveerd en mist een duidelijke en kenbare belangenafweging. (…).”

Zie verder uitspraak ABRS 13 maart 2019, no. 201802987/1/A1.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Buitenterras gelijkgesteld aan binnenterrein geluid

Buitenterras gelijkgesteld aan binnenterrein vanwege geluidbuitenterras

  • APV
  • woon- en leefklimaat omwonenden

De gemeente Arnhem heeft geweigerd om aan een horecaonderneming een vergunning te verlenen voor de exploitatie van een buitenterras aan de achterzijde van het pand.

De reden voor de weigering is dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijzig nadelig wordt beïnvloed. Aan de achterzijde is een appartementencomplex gelegen dat rechtstreeks grenst aan het terras. Volgens de gemeente moeten de bewoners van appartementen in de binnenstad weliswaar rekening houden met enige mate van overlast, maar omdat het gaat om een binnenterrein zorgen pratende mensen op het terras voor meer overlast dan het geval is bij een terras in de open ruimte.

Het terras is aan drie zijden omsloten door bebouwing, te weten aan twee lange en een korte zijde. In bezwaar heeft de burgemeester hieraan toegevoegd dat uit onderzoek blijkt dat de geluidwaarde op 70 dB(A) komt te liggen, terwijl de maximaal toegestane geluidbelasting 50 dB(A) is. Er is sprake van een ontoelaatbare overschrijding van de geluidwaarden, aldus de gemeente.

De Afdeling overweegt: “De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester het terras terecht heeft gelijkgesteld aan een binnenterrein. Het terras is aan drie zijden, waaronder de twee lange zijden, omsloten door bebouwing. Hierdoor kan het geluid minder goed weg dan bij een open ruimte het geval is. Verder grenst het appartementencomplex (…) direct aan het terras. (…) Gelet op de klachten van de bewoners van het appartementencomplex over geluidoverlast en de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken, (…) heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat de exploitatie van het terras leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefklimaat van de naaste omgeving”.

Zie verder uitspraak ABRS 13 maart 2019, no. 201805896/1/A3.

Voor planregels of advies over het regelen van geluid, bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidgrenswaarden incidentele bedrijfssituatie opnemen?

Geluidgrenswaarden incidentele bedrijfssituatie opnemen in voorwaarden omgevingsvergunning?

  • het veranderen of inwerking hebben van de inrichtinggeluidgrenswaarden
  • geluidgrenswaarden incidentele bedrijfsactiviteiten

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend aan appellante voor de uitbreiding en wijziging van de inrichting. Appellante heeft een veehouderij op het perceel. De aanvraag heeft betrekking op het uitbreiden van een ligboxenstal, het oprichten van een mestsilo, het legaliseren van de bestaande drooginstallatie inclusief luchtwasser en het aanleggen van een tweede ontsluitingsweg. De omgevingsvergunning is verleend voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen of in werking hebben van een inrichting.

Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college dient te motiveren welke geluidgrenswaarden voor de inrichting gelden als het gaat om de incidentele bedrijfssituatie. Verder stelt zij dat uit het akoestisch rapport volgt dat de geluidbelasting 44 dB(A) is. Het rapport maakt volgens haar onderdeel uit van de omgevingsvergunning en derhalve is het opnemen van een voorschrift niet nodig, aldus appellant.

Als incidentele bedrijfssituatie is het inkuilen van gras aangemerkt. Dat vindt gedurende 12 dagen per jaar in de dag-, avond- en nachtperiode plaats. Over de incidentele bedrijfssituatie is het volgende bepaald in de voorschriften:

  • De in de voorschriften (…) gestelde geluidvoorschriften zijn maximaal 12 dagen per jaar niet van toepassing gedurende het inkuilen van gras en maïs. 
  • Van de activiteiten, zoals bedoeld in voorschrift (…) dient een logboek overeenkomstig de voorschriften (…) te worden bijgehouden waarin wordt vermeld: de datum waarop de activiteiten hebben plaatsgevonden.

De Afdeling overweegt als volgt: “De rechtbank heeft gelet op de voorschriften terecht overwogen dat het college niet heeft gemotiveerd wat de maximaal toelaatbare geluidsbelasting is voor de inrichting als het gaat om de incidentele bedrijfssituatie. Gelet op de voorschriften geldt er op grond van de vergunning namelijk geen maximale geluidsbelasting voor die situatie. Zelfs in de motivering van het besluit is niet opgenomen welke geluidsbelasting toelaatbaar moet worden geacht voor de incidentele bedrijfssituatie. Het college heeft slechts aangegeven dat het aanvaardbaar is dat de waarden afwijken van de representatieve bedrijfssituatie. Het enkele feit dat in het akoestische rapport, dat onderdeel uitmaakt van de vergunning, de geluidsbelasting is berekend, maakt niet dat de daarin vermelde geluidsbelasting als voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden. Nu dat niet is gebeurd, kan het college derhalve niet handhavend optreden indien appellante in strijd handelt met die waarden. Een voorschrift is derhalve nodig in het kader van de handhaafbaarheid.”

Lees meer in uitspraak ABRS 20 maart 2019, no. 201803201/1/A1.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Feitelijke geluidbelasting weg meten?

Feitelijke geluidbelasting weg meten in plaats van equivalent geluidsniveau?

B&W hebben aan de provincie Noord-Holland een omgevingsvergunning verleend voor de reconstructie een provinciale weg en het aanpassen van de af-en opritten van een rijksweg (A1). B&W en GS betogen in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het in de rede ligt de feitelijke geluidbelasting bij de woningen te meten in plaats van te berekenen. Volgens hen geeft het meten van de geluidbelasting geen volledig en juist beeld van de gecompliceerde situatie en is dat in strijd met het Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012. Ter onderbouwing hiervan is een notitie van een akoestisch bureau overlegd.

Volgens de Afdeling betogen B&W en GS terecht dat de rechtbank in de aangevallen uitspraken ten onrechte heeft overwogen dat het in de rede ligt de feitelijke geluidbelasting bij de woningen te meten. In de toelichting op artikel 3.2 van het Reken- en meetvoorschrift is onder meer opgenomen:

De bepaling van het equivalent geluidsniveau vindt in het algemeen plaats met de Standaardrekenmethode 2 uit hoofdstuk 2 van bijlage III. Deze methode is dusdanig dat voor vrijwel alle situaties een betrouwbaar resultaat verkregen wordt. (…) Op basis van het derde lid is het toegestaan om met de methode die in hoofdstuk 3 van bijlage III is opgenomen, het geluidniveau te meten. In het algemeen zal deze methode, in tegenstelling tot beide rekenmethodes, weinig worden toegepast. Het meten van het equivalent geluidsniveau heeft, anders dan vaak door omwonenden van infrastructuurprojecten wordt gedacht, meestal meer nadelen dan voordelen. Zoals uit de beschreven meetmethode blijkt, bestaat het meten van het equivalant geluidsniveau niet uit het louter aflezen van een geluidmeter langs de weg. Aan het meten dienen de nodige eisen gesteld te worden om een betrouwbare en reproduceerbare waarde te kunnen bepalen. Als daar al aan voldaan wordt, dient vervolgens toch nog het gemeten resultaat gecorrigeerd te worden. Belangrijk is immers dat wordt uitgegaan van de juiste omvang en samenstelling van het verkeer overeenkomstig een prognose of een vastgesteld geluidproductieplafond. Daarom zullen ook tijdens de meting verkeerstellingen gedaan moeten worden. Zeker in drukke gebieden zal ook gewaakt moeten worden voor het niet meenemen van andere bronnen in het meetresultaat. Dit alles maakt dat een snelle en eenvoudige controle van het equivalent geluidsniveau ter plaatse niet mogelijk is (…).”

(…) Gelet op deze toelichting hebben B&W en GS zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het de voorkeur verdient de geluidbelasting bij de woningen te meten.”

Lees meer in uitspraak ABRS 13 februari 2019, no. 201805103/1/A1feitelijke geluidbelasting

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidsoverlast dakterras moeilijk aan te tonen

Geluidsoverlast dakterras moeilijk aan te tonengeluidsoverlast dakterras

  • geluidsoverlast dakterras
  • aanvaardbaar woon- en leefklimaat
  • contactgeluid
  • stemgeluid

Met name in binnensteden van grote steden zijn dakterrassen geliefd bij bewoners. Op een zomerse dag gebruik maken van het dakterras is dan ook erg populair. Het is echter ook een bron van burenruzies. Stemgeluid, contactgeluid of harde muziek kunnen leiden tot ergernissen. Uit deze uitspraak blijkt ook weer eens hoe moeilijk het is om aan te tonen in een stedelijke omgeving dat er sprake is van onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

De gemeente Amsterdam heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een dakterras op de achterzijde van het dak. Het dakterras bestaat uit houten planken en wordt afgeschermd met een hekwerk van 1 meter hoog. Het dakterras is in strijd met het geldende bestemmingsplan.

De onderbuurman is niet blij met het terras vanwege contactgeluid en stemgeluid. Hij vreest dan ook een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Het dakterras is volgens hem boven zijn slaapkamer voorzien.

De Afdeling overweegt als volgt: “Niet onaannemelijk is immers dat enige geluidhinder in zijn woning kan optreden. De enkele omstandigheid dat hinder optreedt, betekent echter nog niet dat voor het dakterras niet in redelijkheid een omgevingsvergunning kon worden verleend. (…) Enige hinder is immers inherent aan wonen in een stedelijke omgeving. Van belang is bij het gebruik van het dakterras nog een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Voor de beoordeling daarvan maakt het niet uit of de ruimte in de woning van appellant die direct onder het dakterras ligt, in gebruik is als slaapkamer of als keuken. Het betreft immers beide vertrekken met een verblijfsfunctie. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat van onaanvaardbare geluidhinder in dit geval geen sprake is. 

Aan het door appellant overgelegde rapport (…) komt niet de betekenis toe die hij daaraan toegekend wil zien. In het rapport staat dat de geluidwerendheid van het houten dak van appellant laag is (…). Het algemeen bestuur heeft er bij de toetsing vanuit mogen gaan dat het dak van appellant voldoet aan de eisen die het Bouwbesluit stelt. (…). Lees verder in r.o. 6 van uitspraak ABRS 6 maart 2019, no. 201800833/1/A1.