VNG-brochure niet toepassen op bestaande situaties

VNG-brochure niet toepassen op bestaande situatiesVNG-brochure

Hoewel de VNG-brochure richtafstanden en indelingen zijn verouderd, kunnen ze erg handig zijn om te bekijken welke afstand passend is tussen woningen en bedrijven. Dat wordt dan ook nog veel gedaan. Als hulpmiddel prima, maar het is geen wetgeving. In onderstaande uitspraak komt dat nog eens ter sprake. Deze uitspraak gaat over de planologisch-juridische realisatie van een plattelandswoning. Het geldende bestemmingsplan laat alleen bewoning toe in de bedrijfswoning behorend bij een agrarisch bedrijf.

Verder overweegt de Afdeling (…) dat deze brochure een richtlijn is waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. De VNG-brochure is bedoeld voor toepassing in nieuwe situaties, zoals de vestiging of wijziging van een bedrijf. De brochure is niet zonder meer van toepassing op situaties die betrekking hebben op gevoelige functies die bewust rondom een agrarisch bedrijf worden gesitueerd, zoals een bedrijfswoning of een plattelandswoning of om onderliggende hinder tussen milieubelastende bedrijven te beoordelen. (..).” Lees meer in r.o. 4.2. van uitspraak ABRS 23 juni 2021, no. 202003711/1/R2.

In situaties waar samenhang moet worden bereikt – dat is ook het streven van de Omgevingswet – moet worden gewerkt met meer lagen. Een handig hulpmiddel zijn tekeningen met richtafstanden, gewenste afstanden en bestaande situatie over elkaar te leggen (op kalkpapier). Het is niet gebruikelijk voor juristen en beleidsmedewerkers om met tekeningen te werken, maar het helpt echt. Het biedt meer inzicht, ook voor politici. Neem ook de omgeving mee op die tekeningen, dus niet alleen het plangebied.

 

 

Omgevingsvergunning plattelandswoning met kruimelgevallenregeling onmogelijk?

Omgevingsvergunning plattelandswoning met beleid kruimelgevallenregeling onmogelijk gemaakt?omgevingsvergunning plattelandswoning

De gemeente heeft een omgevingsvergunning geweigerd voor het bewonen van een agrarische bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf door derden. Bij een controle door de gemeente is geconstateerd dat de bedrijfswoning wordt gebruikt als burgerwoning. Op het aanvraagformulier voor de omgevingsvergunning is vermeld: “Aanvraag omgevingsvergunning o.b.v. Kruimelgevallenregeling Besluit omgevingsrecht, voor het bewonen van de bedrijfswoning door derden (plattelandswoning) voor een periode van maximaal 10 jaar.”

De rechtbank heeft overwogen dat wederpartij in dit geval expliciet heeft gevraagd om een omgevingsvergunning voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de leden 1 tot en met 10 van artikel 4, van bijlage II, bij het Bor, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar, zoals bedoeld in het 11e lid van dat artikel. (…) Volgens de rechtbank heeft het college met de beleidsregel “Beleid plattelandswoning gemeente Haaren” de mogelijkheid om voor het tijdelijke gebruik van een woning als plattelandswoning een vergunning te verkrijgen op grond van de kruimelgevallenregeling geheel onmogelijk gemaakt.

Het college brengt naar voren dat het de aanvraag op inhoudelijke gronden heeft geweigerd, op grond van criteria die gelden voor een plattelandswoning. Volgens het college heeft het zich niet op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een kruimelgeval, en evenmin dat sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo.  Een en ander neemt volgens het college niet weg dat vanwege zijn beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid ten aanzien van gronden van goede ruimtelijke ordening de eis van het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure voor de plattelandswoning mag stellen.

In de beleidsregel van de gemeente wordt ten aanzien van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bewonen van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning de voorkeur uitgesproken voor het toepassen van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3 van de Wabo.

Volgens de Raad van State wordt evenwel niet onmogelijk gemaakt om voor een tijdelijk gebruik van een bedrijfswoning als plattelandswoning een vergunning te verkrijgen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II. Van een categorale uitsluiting van de toepasselijkheid van deze regeling in de beleidsregel is geen sprake. (…) Het betoog van het college slaagt.

Lees meer in uitspraak ABRS 16 januari 2019, no. 201706158/1/A1. [omgevingsvergunning plattelandswoning]

Een plattelandswoning mogelijk maken? Bel 06-55897008 voor meer informatie of mail.

 

Plattelandswoning bij manege toegestaan

Plattelandswoning bij manegebedrijf toegestaanplattelandswoning

Het bestemmingsplan in kwestie maakt onder meer een plattelandswoning mogelijk. Appellant kan zich hier niet mee verenigen. Hij vreest dat hij als gevolg van de omzetting van de voormalige agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning zal worden beperkt in de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden voor zijn manegebedrijf op het naastgelegen perceel.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat een manegebedrijf een landbouwinrichting is, als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo. Volgens de gemeentelijke notitie over plattelandswoningen zijn deze uitsluitend toegestaan bij in werking zijnde agrarische bedrijven. Volgens de Afdeling dient de manege te worden aangemerkt als een landbouwinrichting als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo: “Uit de toelichting op de Wijzigingswet kan worden afgeleid dat de begrippen ‘landbouwinrichting’ en ‘landbouwhuisdier’ zijn ontleend aan het Besluit landbouw milieubeheer. In dat Besluit, dat inmiddels is vervallen, was niet gedefinieerd wat onder een landbouwhuisdier moet worden verstaan. In de uitspraak van 15 december 2010 in zaak no. 201004062/1/M2 (…) heeft de Afdeling invulling gegegeven aan dit begrip. Onder verwijzing naar deze uitspraak, is de Afdeling van oordeel dat paarden, ook als deze worden gehouden voor het berijden daarvan, zijn aan te merken als landbouwhuisdieren en dat de bedrijfsvoering in een manege is gericht op het houden van landbouwhuisdieren en het verrichten van activiteiten die daarmee verband houden.

Gelet op deze uitspraak heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat een manegebedrijf dient te worden aangemerkt als een landbouwinrichting, als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo, waar de bedrijfsvoering is gericht op het houden van landbouwhuisdieren, in dit geval paarden, en het verrichten van activiteiten die daarmee verband houden.”

Lees meer in uitspraak ABRS 4 april 2018, no. 201609020/1/R2.

Wilt u ook een plattelandswoning mogelijk maken? Advies of bestemmingsplan nodig? Bel 010 – 268 0689 voor meer informatie!

Plattelandswoning niet bij opgeheven agrarisch bedrijf

Plattelandswoning niet van toepassing bij opgeheven agrarisch bedrijf

In een bestemmingsplan heeft de gemeente voor een aantal locaties voor agrariërs in ruste de bestemming ‘Agrarisch-Grondgebonden’ opgenomen. In een eerdere uitspraak uit 2006 overwoog de Raad van State namelijk dat het blijven bewonen van een (voormalige) bedrijfswoning door een agrariër in ruste niet in strijd is met voornoemde bestemming. Hierbij is het van belang dat dit alleen geldt indien de oorspronkelijk bij het agrarisch bedrijf behorende gronden niet zijn verkocht en evenmin aan een derde in gebruik zijn gegegeven. 

In een uitspraak van 29 maart 2017 legt de Raad van State nog eens uit wat de achterliggende gedachte is bij een plattelandswoning: “de wettelijke regeling voor plattelandswoningen uit artikel 1.1a van de Wabo is niet van toepassing op de situatie dat de landbouwinrichting is opgeheven en vanwege de toegekende planologische bestemming ter plaatse ook niet meer kan worden (her)opgericht. In aanvulling hierop overweegt de Afdeling dat de wettelijke regeling voor de plattelandswoning wel toepassing kan vinden in een situatie waarbij de gronden waarop voorheen landbouwinrichting A werd geëxploiteerd en waarop nog steeds de daarbij van oudsher behorende (voormalige) bedrijfswoning A staat, worden betrokken bij een andere nabijgelegen landbouwinrichting B. De (voormalige) bedrijfswoning A wordt daarmee onderdeel van landbouwinrichting B. Uiteraard dient daarbij wel in ieder geval deugdelijk te worden gemotiveerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de (voormalige) bedrijfswoning A gewaarborgd blijft. Voorts moet in het bestemmingsplan duidelijk worden aangegeven dat toepassing is gegegeven aan artikel 1.1a van de Wabo en dient de relatie van de voormalige agrarische bedrijfswoning met het (nieuwe) bijbehorende agrarische bedrijf duidelijk te worden weergegeven in de planregels en/of op de verbeelding. Dat is noodzakelijk, omdat duidelijk moet zijn van welke landbouwinrichting de plattelandswoning onderdeel uitmaakt. Het voorgaande kan planologisch worden verankerd door bijvoorbeeld een agrarische bestemming toe te kennen aan de gronden waarop voorheen landbouwinrichting A (inclusief bijbehorende bedrijfswoning A) werd geëxploiteerd, waarbij aan de (voormalige) bedrijfswoning A een aanduiding ‘plattelandswoning’ wordt toegekend, met dien verstande dat in de planregels en/of verbeelding de relatie van de bedrijfswoning A wordt aangegeven met het agrarisch bedrijf dat wordt geëxploiteerd op de gronden waar voorheen landbouwinrichting A werd gedreven. (…). Lees meer in r.o. 4.4 van uitspraak ABRS 29 maart 2017, no. 201600689/1/R1

Meer weten over de plattelandswoning en het bestemmingsplan?

omgevingsjurist

 

Plattelandswoning en onderzoek spuitzone boomgaard

Plattelandswoning en onderzoek spuitzone boomgaard – uitspraak Raad van Stateplattelandswoning

Plattelandswoning realiseren?Onderzoek spuitzones boomgaard of boomteeltbedrijf  – Bij een omgevingsvergunning of wijziging van de bestemming voor een plattelandswoning dienen alle facetten van een goede ruimtelijke ordening te worden onderzocht. Dit wordt heel vaak vergeten. In de volksmond wordt vaak gezegd, ‘een plattelandswoning moet meer milieuoverlast velen‘. Hoewel dat op onderdelen wel zo is, kan men dat niet in het algemeen zo zeggen. Eén van de aandachtspunten: ligt de woning nabij een boomteeltbedrijf of een boomgaard? Zo ja, onderbouw dan waarom er al dan niet sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning. Dat dient met een op locatie uitgevoerd onderzoek te gebeuren en niet vanachter een bureau.

De realisatie van een plattelandswoning kan een oplossing zijn voor een voormalige agrarische bedrijfswoning die al jaren wordt gebruikt als burgerwoning, maar erg dicht bij het agrarische bedrijf ligt waar de woning voorheen deel van uitmaakte.

De eerste uitspraak over de plattelandswoning in relatie tot spuitzones, komt aan de orde in een uitspraak van de Raad van State van 8 juni 2016, no. 201408339/2/A1. Het spuitzonerapport dat hier aan de orde komt is opgesteld door mw. mr. H.H. Harberink (De Omgevingsjurist). Ze is gespecialiseerd in spuitzones van boomgaarden en boomkwekerijen in relatie tot woningbouw. Het rapport is in beroep ‘overeind gebleven’.

In dit geval ging het om een voormalige bedrijfswoning bij een boomkwekerij. Beide onderdelen waren kadastraal gesplitst en verkocht. Beide eigenaren leefden helaas al jaren in onmin met elkaar. In eerste instantie had de gemeente de omgevingsvergunning verleend voor de planologische realisatie van de plattelandswoning. Dat ging in beroep niet goed. Vergeten was een onderbouwing aan te leveren dat er ondanks het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen sprake was van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning. In tweede instantie is het wel gelukt, dankzij een onderbouwing van De Omgevingsjurist.

Plattelandswoning jurisprudentie artikel 1.1a Wabo

Plattelandswoning jurisprudentie – artikel 1.1a Waboplattelandswoning jurisprudentie

  • derde in de zin van artikel 1.1a Wabo

Het college van b&w van de gemeente Loon op Zand heeft een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning. Al enige tijd wordt de woning gebruikt als plattelandswoning.

Volgens appellant is de omgevingsvergunning ten onrechte verleend. Volgens hem kan de vergunninghouder niet worden aangemerkt als een derde in de zin van artikel 1.1a van de Wabo.

De Afdeling overweegt als volgt: “In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was omgevingsvergunning te verlenen. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet (…) wordt onder een derde in de context van artikel 1.1a van de Wabo een persoon verstaan die niet of niet langer functioneel is verbonden aan de agrarische inrichting. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat vergunninghouder ten tijde van het besluit niet of niet langer functioneel verbonden was aan de nertsenhouderij (…).  

Lees meer in uitspraak ABRS 18 november 2015, no. 201500978/1/A1

Plattelandswoning bestemmingsplan jurisprudentie

Plattelandswoning bestemmingsplan jurisprudentie

Inmiddels zijn we een aantal uitspraken verder over bovengenoemd onderwerp. Hieruit blijkt dat er veel meer onderzoek nodig is dan in eerste instantie bij de introductie van de Wet plattelandswoningen werd aangenomen. Hieronder een handig overzicht van de meest recente uitspraken (datum: publicatie 1 augustus 2015):platteland

Op basis van de tot dusverre verschenen jurisprudentie kunnen de volgende 4 lessen worden gehaald:

  1. Gezondheid: check bij een beoogde plattelandswoning nabij een intensieve veehouderij welke effecten deze heeft op de gezondheid van de bewoners van de plattelandswoning;
  2. Geluid: breng de geluidbronnen in beeld van het naastgelegen bedrijf en de omgeving en voer een akoestisch onderzoek uit;
  3. Luchtkwaliteit: voor een luchtkwaliteitsonderzoek uit vanwege het naastgelegen agrarische bedrijf;
  4. Maatwerk plattelandswoning: stel per plattelandswoning een onderzoek uit naar een goede ruimtelijke ordening ter plaatse. Dit laatste criterium uit de Wet ruimtelijke ordening blijft altijd als een zwaard van Damocles boven elke plattelandswoning ‘hangen’. Besteed hier dus aandacht aan!

Plattelandswoning bij bedrijfswoning glastuinbouw

Plattelandswoning bij bedrijf glastuinbouw

Plattelandswoning en glastuinbouwbedrijf – De gemeente Lansingerland heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld “Schil om Bleiswijk”. Het plan voorziet in een nieuwe bestemming voor agrarische gronden. Appellanten kunnen zich niet verenigen met de aan hun percelen toegekende bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’. Zij betogen onder meer dat de wettelijke regels voor de plattelandswoning niet van toepassing zijn op bedrijfswoningen bij glastuinbouwbedrijven.bedrijfswoning glastuinbouw

De Afdeling zegt er het volgende over: “Anders dan appellant betoogt, is de keuze van de raad om een voor burgerwoning gebruikte bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf te bestemmen als plattelandswoning, niet in strijd met de wettelijke regeling voor plattelandswoningen. Daartoe overweegt de Afdeling dat de wettelijke regeling voor de plattelandswoning (…) blijkens het bepaalde in het tweede lid van dat artikel onder meer van toepassing is op voor burgerbewoning gebruikte bedrijfswoningen bij een glastuinbouwbedrijf. (…)”. 

Lees hier meer informatie over de plattelandswoning en het bestemmingsplan.

Zie verder uitspraak ABRS 22 juli 2015, no. 201403289/1/R4.

 

Plattelandswoning regelen in bestemmingsplan? Hoe het wel kan!

Plattelandswoning regelen in het bestemmingsplan? Hoe het wel kan!

‘Raad van State haalt plattelandswoning onderuit’. Op 4 februari jl. verschenen er allerlei koppen in de media over de uitspraak van de Raad van State op die dag over de plattelandswoning en de toets met betrekking tot luchtkwaliteit. Die uitspraak maakt duidelijk dat de luchtkwaliteit bij een voormalige agrarische bedrijfswoning moet worden beoordeeld aan de hand van de luchtkwaliteitseisen als die woning door een derde mag worden bewoond. Volgens de uitspraak maakt het daarbij niet uit of de wetgever een ander doel heeft beoogd met de wetgeving inzake de plattelandswoning. Inmiddels zijn er ook kamervragen aan de minister van I en M gesteld over de gevolgen van de uitspraak.

Nu lijkt het wellicht zo of de realisatie van de plattelandswoning ‘op slot’ zit. Dat is echter niet zo. Ook bij een plattelandswoning is – net zoals bij andere ruimtelijke plannen of projecten – onderbouwing nodig van de besluitvorming. Bijv. ook ten aanzien van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Dat wordt in de praktijk vaak over het hoofd gezien.

In dit artikel treft u een handige checklist aan voor de realisatie van een plattelandswoning. Handig voor vergunningverleners en r.o.-medewerkers, maar ook voor degenen die een plattelandswoning willen realiseren.

De Plattelandswoning in het kortplattelandswoning

De Wet plattelandswoningen regelt kortweg twee belangrijke zaken:

  • het planologisch regime is bepalend voor de bescherming van een gebouw tegen negatieve milieueffecten en niet langer het feitelijk gebruik;
  • voormalige agrarische bedrijfswoningen worden niet langer beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf.

Voor de gemeente is het mogelijk om de woning in het bestemmingsplan aan te duiden als ‘plattelandswoning’ of ‘voormalige agrarische bedrijfswoning’. Dit houdt in dat de voormalige agrarische woning weliswaar gebruikt mag worden voor burgerbewoning, maar dat de woning niet beschermd wordt tegen negatieve milieugevolgen van het bijbehorende agrarische bedrijf inzake geuroverlast en geluidoverlast.

Let op: ‘een goede ruimtelijke ordening’ speelt ook bij de plattelandswoning een rol

Als gevolg van de wetswijziging zijn de Wet geluidhinder, Wabo, Wet milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij aangepast, in die zin dat niet langer het feitelijk gebruik doorslaggevend is, maar het planologisch kader. Zie hier enkele details over deze aanpassingen. Door de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015 is het duidelijk geworden dat – anders dan de wetgever heeft beoogd – de luchtkwaliteit ter plaatse van de luchtkwaliteit wel degelijk beoordeeld dient te worden. Het is dus belangrijk om voortaan een luchtkwaliteitsonderzoek uit te (laten) voeren.

Hoewel het lijkt dat hiermee de kous af is, is het zo dat er in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook nog andere aspecten getoetst moeten worden bij een verzoek inzake de plattelandswoning. Dat is echter niet op basis van voornoemde uitspraak, maar vanwege het criterium ‘een goede ruimtelijke ordening’. Bij het bestemmen van de plattelandswoning speelt ook dit toetsingskader een rol. Vanuit dit onderdeel in de besluitvorming kan het onwenselijk zijn om een voormalige agrarische bedrijfswoning te bestemmen als ‘plattelandswoning’. Hoewel een dergelijke woning bij toewijzing niet langer wordt beschermd tegen negatieve milieueffecten van het naastgelegen bedrijf met betrekking tot geuroverlast en geluid, dient er ter plaatse van de woning wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners.

Ook is het mogelijk dat de geluidoverlast van het naastgelegen agrarische bedrijf dermate groot is, dat er geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning, bijv. door ventilatoren of tractoren, etc. Ook kan bijv. een intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij fruitteelt een rol spelen. Dit kunnen redenen zijn voor de gemeente om de woning niet te bestemmen als plattelandswoning. Daarnaast kan het nodig zijn om ook onderzoek doen naar de gevolgen voor de gezondheid van de bewoners van de plattelandswoning, indien bijv. de woning nabij een intensieve veehouderij ligt.

Jurisprudentie over de plattelandswoning

  • ABRS 4 februari 2015, no. 201306630/5/R3 – luchtkwaliteit beoordelen bij plattelandswoningen
  • ABRS 24 december 2014, no. 201303444/1/R1 – in plattelandswoning kan alleen worden voorzien als de landbouwinrichting niet is gestaakt
  • ABRS 12 november 2014, no. 201306356/1/R3 – spuitzones beoordelen bij plattelandswoningen

Checklist realisatie plattelandswoning

Checklist onderzoeken plattelandswoning inzake milieu en goede ruimtelijke ordening:

  • gewasbeschermingsmiddelen: zijn er in de nabije omgeving boomgaarden of is er bomenteelt aanwezig? Is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegelaten? Lees meer over spuitzones…
  • luchtkwaliteit: een onderzoek inzake de luchtkwaliteit nabij de plattelandswoning is noodzakelijk;
  • gezondheid: check bij een plattelandswoning nabij een intensieve veehouderij welke effecten de bewoning heeft op de gezondheid van de bewoners. Laat de GGD een gezondheidstoets uitvoeren;
  • geluid: vanwege geluidsoverlast van tractoren, melkmachines, etc. kan de geluidbelasting voor de nieuwe bewoners te groot zijn. Breng de geluidbronnen in beeld en laat bij twijfel een akoestisch onderzoek uitvoeren. Let op! Dit is de afweging van geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De plattelandswoning wordt niet beschermd tegen geluid dat geregeld is in de Wet geluidhinder.

omgevingsjurist

 

 

 

Bij plattelandswoning ook onderzoek doen naar luchtkwaliteit

Bij plattelandswoning ook onderzoek doen naar luchtkwaliteit

“Raad van State haalt plattelandswoning onderuit”

Er zijn sinds 4 februari 2015 al verschillende koppen verschenen in de media over de uitspraak van de Raad van State over een belangrijke uitspraak over de plattelandswoning (ABRS 4 februari 2015, no. 201306630/5/R3).

Casus

De gemeente Weert heeft in het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied de mogelijkheid opgenomen voor een plattelandswoning. Op de verbeelding is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voormalige agrarische bedrijfswoning’ opgenomen. Appellant, een nabij gevestigde varkenshouder, voert in beroep aan dat de toegekende aanduiding niet het door de raad beoogde effect kan hebben, te weten dat het laten bewonen van de voormalige bedrijfswoning door een derde, geen effecten heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de inrichting van de varkenshouder. Volgens hem dient de luchtkwaliteit overeenkomstig de Europese richtlijn (bijlage III bij Richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit) ook te worden beoordeeld ter plaatse van de woning.

Volgens de Afdeling is het gegeven dat een bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan bewoond mag worden, en daarom voor de toepassing van de Wabo (…) wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting, los staat van de vraag of ingevolge artikel 5.19, tweede lid van de Wm de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel waarop die woning staat al dan niet moet worden beoordeeld. De reden is dat een voormalige bedrijfswoning die tevens door een burger mag worden bewoond niet langer kan worden aangemerkt als een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 5.19, tweede lid van de Wm. Er is dan ook geen sprake van een uitzondering. Om die reden dient zo’n woning getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen voor de bescherming van de gezondheid van de mens. Ondanks het bepaalde in artikel 1.1a van de Wabo.

Is de plattelandswoning nu een illusie?

Neen. Het is alleen niet zo dat indien het gemeentebestuur een voormalige bedrijfswoning juridisch kwalificeert als plattelandswoning de woning geheel niet meer wordt beschermd tegen milieuemissies van de bijbehorende inrichting. Er dient dan ook luchtkwaliteitsonderzoek plaats te vinden. Verder bestaat er altijd het ‘vangnet’ van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het bijvoorbeeld zo zijn in verband met de nabije ligging van percelen met fruitteelt, onderzoek moet worden gedaan naar de effecten van drift van gewasbeschermingsmiddelen. Lees meer …