deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluid warmtepomp en goede ruimtelijke ordening

Geluid warmtepomp en goede ruimtelijke ordening

geluid warmtepomp

Bij gemeenten komen steeds meer klachten binnen over geluidsoverlast door warmtepompen in woonwijken. Dit zijn met name de systemen waar de installatie buiten staat, en niet bijvoorbeeld inpandig in een garage.

De gemeente heeft een omgevingsvergunning (via kruimelafwijking) verleend voor het aanleggen van een buitenunit voor een warmtepomp. De waterpomp is namelijk 40 cm hoger dan is toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan. De buren zijn er niet blij mee en voeren bij de rechtbank aan dat de vergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hen heeft de gemeente niet de juiste geluidsnorm toegepast. De gemeente zou moeten aansluiten bij de binnenkort in te voeren norm uit het Bouwbesluit, te weten: 35 dB(A) gemeten op de erfgrens in plaats van invallend geluid gemeten op de gevel.

Volgens de gemeente is er geen sprake van onevenredige geluidsoverlast. Er bestaat nog geen landelijke geluidsnorm voor warmtepompen. De gemeente heeft om die reden aangesloten bij artikel 4:6 van de APV. De gemeente hanteert daarbij voor buitenunits, zoals een warmtepomp, een geluidsnorm van 35 dB(A) gemeten als invallend geluid op de gevel van buurwoningen. Deze geluidsnorm sluit aan bij de strengste (nachtelijke) geluidsnorm uit het Activiteitenbesluit. Volgens de gemeente komt in dit geval de warmtepomp niet boven deze norm uit.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of er sprake is strijd met een goede ruimtelijke ordening valt binnen de beleidsruimte die verweerder heeft. Die ruimte vult verweerder in dit geval in door aansluiting te zoeken bij artikel 4:6 van de APV en bij de geluidsnorm van 40 dB(A), gecorrigeerd naar 35 dB(A) voor tonaal geluid, uit het Activiteitenbesluit. Dat mag verweerder in redelijkheid ook doen. Lees verder in r.o. 9.1 van uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 maart 2020.

Bel voor vragen en advies over geluid en omgevingsvergunning naar De Omgevingsjurist.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingsvergunning woning geluidgezoneerd industrieterrein geweigerd

Omgevingsvergunning woning op geluidgezoneerd industrieterrein terecht geweigerdomgevingsvergunning woning

Een vaak voorkomend probleem zijn de van oudsher voorkomende bedrijfswoningen op industrieterreinen. In het verleden werd dit vaak toegestaan door gemeenten. De betreffende ondernemers verkopen bij het staken van hun bedrijf meestal (relatief goedkoop) de woning aan een burger die vervolgens gaat klagen bij de gemeente over geluidsoverlast.

In deze casus gaat het om een gemeente die een omgevingsvergunning heeft geweigerd voor het planologisch toestaan van een woning op een bedrijventerrein, in het bijzonder een gezoneerd industrieterrein. De woningen worden gebruikt in strijd met het bestemmingsplan. Appellanten hebben allen een omgevingsvergunning aangevraagd om het gebruik te legaliseren. Volgens het college verzet een goede ruimtelijke ordening zich tegen woningen op een gezoneerd industrieterrein. De aanwezigheid van woningen op dit terrein leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van bestaande en toekomstige bedrijven. Andersom leidt het gebruik van de akoestische gebruiksmogelijkheden door bedrijven tot een mate van geluidsoverlast en andere uitstralingseffecten die niet verenigbaar zijn met een goed woon- en leefklimaat. De te verwachten geluidimmissie op de gevels van de woningen bedraagt volgens het college 62 dB(A) tot en met 66 dB(A) indien bestaande bedrijven gebruik maken van de maximale geluidruimte.

De langtijdgemiddelde geluidsniveaus op de gevels van de woningen bedragen daarom meer dan de streefwaarden van zowel stap 2 als 3 van het toetsingskader voor omgevingsvergunningen voor strijdig gebruik, als bedoeld (…) in de VNG-brochure.

Lees meer in r.o. 2 en verder van uitspraak ABRS 11 september 2019, no. 201807169/1/A1.

Bel voor advies over geluid en bestemmingsplan 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingsvergunning plattelandswoning met kruimelgevallenregeling onmogelijk?

Omgevingsvergunning plattelandswoning met beleid kruimelgevallenregeling onmogelijk gemaakt?omgevingsvergunning plattelandswoning

De gemeente heeft een omgevingsvergunning geweigerd voor het bewonen van een agrarische bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf door derden. Bij een controle door de gemeente is geconstateerd dat de bedrijfswoning wordt gebruikt als burgerwoning. Op het aanvraagformulier voor de omgevingsvergunning is vermeld: “Aanvraag omgevingsvergunning o.b.v. Kruimelgevallenregeling Besluit omgevingsrecht, voor het bewonen van de bedrijfswoning door derden (plattelandswoning) voor een periode van maximaal 10 jaar.”

De rechtbank heeft overwogen dat wederpartij in dit geval expliciet heeft gevraagd om een omgevingsvergunning voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de leden 1 tot en met 10 van artikel 4, van bijlage II, bij het Bor, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar, zoals bedoeld in het 11e lid van dat artikel. (…) Volgens de rechtbank heeft het college met de beleidsregel “Beleid plattelandswoning gemeente Haaren” de mogelijkheid om voor het tijdelijke gebruik van een woning als plattelandswoning een vergunning te verkrijgen op grond van de kruimelgevallenregeling geheel onmogelijk gemaakt.

Het college brengt naar voren dat het de aanvraag op inhoudelijke gronden heeft geweigerd, op grond van criteria die gelden voor een plattelandswoning. Volgens het college heeft het zich niet op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een kruimelgeval, en evenmin dat sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo.  Een en ander neemt volgens het college niet weg dat vanwege zijn beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid ten aanzien van gronden van goede ruimtelijke ordening de eis van het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure voor de plattelandswoning mag stellen.

In de beleidsregel van de gemeente wordt ten aanzien van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bewonen van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning de voorkeur uitgesproken voor het toepassen van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3 van de Wabo.

Volgens de Raad van State wordt evenwel niet onmogelijk gemaakt om voor een tijdelijk gebruik van een bedrijfswoning als plattelandswoning een vergunning te verkrijgen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II. Van een categorale uitsluiting van de toepasselijkheid van deze regeling in de beleidsregel is geen sprake. (…) Het betoog van het college slaagt.

Lees meer in uitspraak ABRS 16 januari 2019, no. 201706158/1/A1. [omgevingsvergunning plattelandswoning]

Een plattelandswoning mogelijk maken? Bel 06-55897008 voor meer informatie of mail.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluid dakterras accepteren of niet?

Geluid dakterras accepteren of niet?geluid dakterras

In de binnenstad kan op zomerse dagen allerlei geluid ontstaan dat niet voor iedereen wenselijk is. Vaak is dat muziek of menselijk stemgeluid. Iedereen ervaart dit anders. Voor de een is dat gezelligheid en de ander ervaart het als storend. In veel bestemmingsplannen voor binnensteden is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om op daken van woningen dakterrassen aan te leggen. Indien aan de voorwaarden wordt voldaan verleent de gemeente in principe de omgevingsvergunning. Het vervelende is dat de buren vaak niet worden ingelicht en dat de onderlinge verhoudingen zo ernstig verstoord worden.

Eén van de voorwaarden is vaak dat er geen onevenredige geluidsoverlast mag optreden. Wat is ‘onevenredige geluidsoverlast’? Dit is een zeer breed begrip waar van alles onder kan vallen: stemgeluid, muziek, etc. In een uitspraak van de Raad van State van 12 september 2018 ging het ook over deze problematiek. De casus speelt zich af in de gemeente Amsterdam.

De gemeente heeft een omgevingsvergunning verleend voor het intern wijzigen van de zolderverdieping tot een woongedeelte en een dakterras. De Afdeling geeft het volgende aan (omgevingsvergunning geluid dakterras):

Bij een dergelijke beslissing moet het algemeen bestuur alle betrokken belangen tegen elkaar afwegen in dit geval ligt ter toetsing de vraag voor of in dit geval het algemeen bestuur in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij het verlenen van de vergunningen dan aan de belangen die zijn gebaat bij de weigering daarvan. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (…) volgt dat aan het wonen in een verstedelijkte omgeving enige mate van geluidhinder en een zekere mate van inbreuk van privacy inherent is (…). Dit laat onverlet dat het bevoegd gezag per geval zal moeten beoordelen of er geen onvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het algemeen bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afname van privacy van appellant en anderen door de realisatie van de dakterrassen relatief beperkt is. (…) Het belang van scheppen van buitenruimte voor bewoners in een stedelijke omgeving weegt daarbij zwaar. “Lees meer in r.o. 3.2. 

Met zinsnedes als ‘in redelijkheid’, ‘enige mate van geluidhinder’ en ‘relatief beperkt’ kan de praktijk niet veel. Het kan alle kanten opgaan. Naar mijn opvatting zouden gemeenten moeten vaststellen wat een acceptabel geluidniveau is in een binnenstad. Voor iedereen is dan duidelijk welke grenzen de gemeente hanteert. Nu is het voor buren vrijwel onmogelijk succesvol geluidsoverlast te bestrijden. Nog afgezien van het feit dat het bespreekbaar maken van geluidsoverlast tussen buren onderling nog altijd het beste is.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Kamerverhuur studenten en woon- en leefklimaat omwonenden

Kamerverhuur studenten en woon- en leefklimaat omwonendenkamerverhuur studenten

De gemeente heeft een omgevingsvergunning verleend voor een ander gebruik voor 4 panden, te weten kamerverhuur aan studenten. Het gaat daarbij om de verhuur van 14 kamers met gedeelde voorzieningen. De achterbuurman heeft bezwaar tegen de verlening van de omgevingsvergunning omdat hij vreest voor overlast van kamerverhuur aan studenten. Het leidt volgens hem tot een aantasting van het karakter van de wijk vanwege een andere verhouding tussen gezinnen en kamerbewoners.

Het college van B&W voert aan dat in dit geval kon worden volstaan met een inventarisatie van de bestaande en de te verwachten concentratie van kamerverhuur in een straal van 50 meter rond de panden.

De Afdeling overweegt als volgt: Verandering karakter wijk door kamerverhuur studenten?Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank de uitgevoerde inventarisatie in dit geval onvoldoende inzichtelijk en te beperkt geacht. (…) De Afdeling acht op dit punt verder van belang dat partij in de procedure over het verlenen van de omgevingsvergunning heeft aangevoerd dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast door overlast van kamerbewoners in de omgeving van zijn woning. Hiervoor heeft het college een inventarisatie in een straal van 50 meter rond de panden in beginsel voldoende kunnen achten. Partij heeft echter ook aangevoerd dat sprake is van een oververtegenwoordiging van kamerbewoners in de wijk, waardoor ter plaatse een onevenredige toename van bepaalde leeftijdsgroepen. Dit laatste betoog heeft niet alleen betrekking op de directe overlast die partij stelt te ondervinden als gevolg van de verlening van de omgevingsvergunning, maar heeft eveneens betrekking op een volgens hem ongewenste verandering van het karakter van de wijk, (…). Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bij het maken van zijn inventarisatie en bij de vraag of de gevraagde omgevingsvergunning kon worden verleend niet had mogen voorbij gaan aan de door partij gegeven opsomming van panden in deze straten waar volgens hem reeds sprake is van kamerverhuur. Het betoog van het college faalt. 

Ruimtelijk relevant verschil tussen huishouden en studenten, ondanks zelfde aantal bewoners Zoals het college terecht heeft aangevoerd hoeft het bij kamerbewoning niet zonder meer te gaan om een groter aantal bewoners per pand dan in de situatie waarin een pand wordt bewoond door een gezin. (..) Dit neemt echter niet weg dat er een ruimtelijk relevant verschil bestaat tussen het gebruik van een pand voor kamerverhuur en de bewoning van een pand door één huishouden, omdat dit van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat van de omgeving. Lees meer in r.o. 11.1 van uitspraak ABRS 18 juli 2018, no. 201701425/ 1/A1.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Nieuw schoolgebouw met kruimelomgevingsvergunning?

Nieuw schoolgebouw met kruimelomgevingsvergunning?

nieuw schoolgebouw

De gemeente Amsterdam heeft een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een basisschool. Volgens het aanvraagformulier gaat het om een basisschool bestaande uit 2 bouwlagen en lessenaarsdaken. In de ruimten onder de helling van de lessenaarsdaken worden de technische installaties van de school geplaatst. De afmetingen van het gebouw zijn 55 m x 25 m.

Appellanten kunnen zich niet verenigen met het nieuwe schoolgebouw omdat zij de impact van het gebouw te groot vinden.

Volgens appellanten is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat in dit geval een geheel nieuw hoofdgebouw wordt opgericht en dat daarvoor de regeling van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, juncto artikel 4 van bijlage II van het Bor, niet geldt.

De Raad van State overweegt: “Anders dan appellant betoogt, staat daaraan niet in de weg dat een nieuw hoofdgebouw wordt opgericht, mits aan het vereiste dat sprake is van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van Bijlage II van het Bor, wordt voldaan. Dat is hier het geval, nu het gaat om een uitbreiding van een hoofdgebouw en het hoofdgebouw als zodanig op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Bor, niet beperkt tot een reeds bestaand gebouw (…). Het algemeen bestuur heeft verder terecht (…) betoogd dat is beoogd de reikwijdte van artikel 4 van het Bor te verruimen. (…) Deze afwijkingsmogelijkheid geldt met ingang van deze wijziging ook voor niet op de grond gelegen bijbehorende bouwwerken, zoals kelders en aan- en uitbouwen op hoger gelegen verdiepingen

Lees meer in r.o. 5.1 van uitspraak ABRS 25 april 2018, no. 201606780/1/A1.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidhinder woonboot en goede ruimtelijke ordening

Geluidhinder woonboot en goede ruimtelijke ordeninggeluidhinder woonboot

Een enigszins opmerkelijke uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het onderwerp geluidhinder woonboot en een goede ruimtelijke ordening. Wat was er aan de hand?

Het college van B&W van de gemeente Velsen had een omgevingsvergunning geweigerd voor het in afwijking van het bestemmingsplan innemen van een ligplaats voor een woonboot. In 2011 heeft een toezichthouder van de gemeente vastgesteld dat met een woonboot een ligplaats was ingenomen in strijd met het bestemmingsplan. Op 13 september 2011 heeft de overtreder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om het strijdige te legaliseren. Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft de gemeente deze aanvraag geweigerd vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening, gelet op de geluidbelasting van de rijksweg A9.

Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Wet geluidhinder van toepassing is op de woonboot van appellant nu deze als een bouwwerk moet worden aangemerkt. Dit heeft volgens hem tot gevolg dat de woonboot als geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder moet worden aangemerkt. De ligplaats ligt binnen de geluidzone van de rijksweg A9. Hier geldt ter plaatse een geluidproductieplafond van 64,1 dB. Nu daardoor niet aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt voldaan, kon de omgevingsvergunning reeds hierom niet worden verleend.

De Afdeling overweegt als volgt: “Onder de Wgh zoals die luidde voor 1 juli 2012 waren de krachtens die wet gestelde nog niet van toepassing op ligplaatsen. Uit jurisprudentie zoals die toen luidde (…) volgde dat die normen evenmin van toepassing waren op woonboten, omdat deze niet konden worden aangemerkt als een geluidgevoelig gebouw in de zin van die wet. Ten tijde van de aanvraag was de Wgh niet aan de orde. (…). 

Zoals volgt zoals onder 4.4 is overwogen kan het weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning niet worden gedragen door de geluidbelasting van de rijksweg A9. Dat ligt thans niet anders. (…) De conclusie is dat het college de geluidbelasting vanwege de rijksweg A9 niet ten grondslag mocht leggen aan het besluit van 8 april 2016 tot het opnieuw weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning Dat besluit is in zoverre wederom ontoereikend gemotiveerd.”

Noot MH: Dat laatste aspect vind ik opmerkelijk. Omdat ik het weigeringsbesluit niet heb kunnen lezen blijft het gissen naar de motivering in dat besluit. Geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening is een zelfstandig aspect dat een college of raad bij elk besluit dient mee te nemen of te overwegen. Naar mijn mening is dat hier ook het geval. De geluidbelasting van de A9 kan namelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel degelijk onevenredig hoog zijn ook al is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Is er wel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonboot? Ik vind het opmerkelijk dat de Afdeling hier aan voorbij gaat.

Lees meer in uitspraak ABRS 6 december 2017, no. 201507976/1/A1.

Hulp nodig bij een onderbouwing voor een geluidsparagraaf? Bel of lees meer…

omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Plattelandswoning en onderzoek spuitzone boomgaard

Plattelandswoning en onderzoek spuitzone boomgaard – uitspraak Raad van Stateplattelandswoning

Plattelandswoning realiseren?Onderzoek spuitzones boomgaard of boomteeltbedrijf  – Bij een omgevingsvergunning of wijziging van de bestemming voor een plattelandswoning dienen alle facetten van een goede ruimtelijke ordening te worden onderzocht. Dit wordt heel vaak vergeten. In de volksmond wordt vaak gezegd, ‘een plattelandswoning moet meer milieuoverlast velen‘. Hoewel dat op onderdelen wel zo is, kan men dat niet in het algemeen zo zeggen. Eén van de aandachtspunten: ligt de woning nabij een boomteeltbedrijf of een boomgaard? Zo ja, onderbouw dan waarom er al dan niet sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning. Dat dient met een op locatie uitgevoerd onderzoek te gebeuren en niet vanachter een bureau.

De realisatie van een plattelandswoning kan een oplossing zijn voor een voormalige agrarische bedrijfswoning die al jaren wordt gebruikt als burgerwoning, maar erg dicht bij het agrarische bedrijf ligt waar de woning voorheen deel van uitmaakte.

De eerste uitspraak over de plattelandswoning in relatie tot spuitzones, komt aan de orde in een uitspraak van de Raad van State van 8 juni 2016, no. 201408339/2/A1. Het spuitzonerapport dat hier aan de orde komt is opgesteld door mw. mr. H.H. Harberink (De Omgevingsjurist). Ze is gespecialiseerd in spuitzones van boomgaarden en boomkwekerijen in relatie tot woningbouw. Het rapport is in beroep ‘overeind gebleven’.

In dit geval ging het om een voormalige bedrijfswoning bij een boomkwekerij. Beide onderdelen waren kadastraal gesplitst en verkocht. Beide eigenaren leefden helaas al jaren in onmin met elkaar. In eerste instantie had de gemeente de omgevingsvergunning verleend voor de planologische realisatie van de plattelandswoning. Dat ging in beroep niet goed. Vergeten was een onderbouwing aan te leveren dat er ondanks het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen sprake was van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning. In tweede instantie is het wel gelukt, dankzij een onderbouwing van De Omgevingsjurist.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Waarde Archeologie in bestemmingsplan kan tot onevenredige aantasting van bedrijfsvoering boomteler leiden

Waarde Archeologie in bestemmingsplan kan leiden tot onevenredige aantasting van bedrijfsvoering boomteler 

In een bestemmingsplan heeft de gemeente de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ opgenomen. Aan deze regeling is tevens een omgevingsvergunningstelsel gekoppeld, waarin is opgenomen dat deze vergunning slechts wordt verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Dit dient met een archeologisch onderzoek te worden aangetoond. In een apart lid van de bepaling is een opsomming gegeven van de werkzaamheden die uitgezonderd worden van de onderzoeksplicht.

Een boomkweker kan zich in beroep niet vinden in deze bepaling. Volgens hem leidt het aanvragen van een omgevingsvergunning voor hem tot een onaanvaardbare lastenverzwaring en belemmering tot de uitoefening van zijn boomkwekerij. Volgens hem is het vrijwel zeker dat er na vele decennia van intensief bodemgebruik geen archeologisch waardevolle objecten aanwezig zijn. Zijn werkzaamheden zijn in het bestemmingsplan niet uitgezonderd van de onderzoeksplicht.

De raad heeft niet specifiek een onderzoek laten uitvoeren of er nog archeologisch waardevolle vondsten in het gebied aanwezig zijn. De raad is afgegaan op het gemeentelijke archeologiebeleid.  Dat dit onzorgvuldig is laat de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014, no. 201205174/1/R4 zien in r.o. 68.4.

De Afdeling overweegt als volgt: “Bij het exploiteren van de boomkwekerij vinden werkzaamheden plaats die in artikel (…) zijn opgesomd. Dat de uitzonderingen van lid (…) op het verbod deze werken en werkzaamheden zonder omgevingsvergunning uit te voeren op de bestaande boomteelt niet van toepassing zijn, volgt naar het oordeel niet eenduidig uit de planregels. Uit de zienswijzennota blijkt dat de boomteeltactiviteiten niet tot het normale gebruik behoren, nu bij dergelijke activiteiten de grond dieper dan 50 cm onder maaiveld wordt bewerkt. Ook in artikel (…) waarin het normale gebruik is gedefinieerd, komen de desbetreffende activiteiten niet voor. 

De raad heeft er geen blijk van gegeven dat bij het toekennen van de dubbelbestemming en het daaraan gekoppelde omgevingsvergunningstelsel rekening is gehouden met de belangen van appellant. De raad heeft niet bezien of de dubbelbestemming leidt tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering van appellant. Van een zorgvuldige afweging van de belangen die mogelijk zijn betrokken bij de bescherming van de archeologische waarden en het belang van appellant bij een onbelemmerende bedrijfsvoering is niet gebleken. Dit klemt te meer nu een gericht inventariserend onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden op de betreffende gronden ontbreekt en die gronden (…) reeds gedurende ongeveer 40 jaar in gebruik zijn voor boomteelt, waaronder de teelt van laanbomen. (…) Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd (…)”.  

Belangrijk voor de praktijk

Deze uitspraak laat zien dat een gemeente niet zo maar voorbij kan gaan aan de bedrijfsbelangen van agrariërs en boomtelers bij het toekennen van de bestemming ‘Waarde Archeologie’. Indien tijdens de voorontwerpfase of ontwerpfase van een bestemmingsplan dergelijke bezwaren naar voren komen adviseer ik gemeenten altijd een nader archeologisch ter plaatse uit te voeren om te bepalen of er ter plaatse nog wel sprake is van archeologische waarden. Met een verwijzing naar het gemeentelijke archeologiebeleid kom je als gemeente – zoals blijkt uit deze uitspraak – niet ver.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Gemeente beperkt bedrijfsvoering boomkwekers onnodig door maximale wisselteelt van 2 jaar in bestemmingsplan op te nemen

Bedrijfsvoering boomkwekers wordt onnodig beperkt in bestemmingsplan door eis van maximale wisselteelt van 2 jaar

Maximale wisselteelt in bestemmingsplan – In een bestemmingsplan voor het buitengebied heeft de gemeente via een omgevingsvergunning een beperking opgenomen voor het permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten van grasland naar een andere bomencultuur. Dit ter bescherming van het leefgebied voor de das. ZLTO heeft namens de boomkweker naar voren gebracht dat een onlosmakelijk onderdeel van de bedrijfsvoering van boomkwekerijen wisselteelt is. Dit brengt met zich dat grasland gedurende ongeveer 4 of 5 jaar wordt gebruikt voor boomteelt en vervolgens weer wordt gebruikt als grasland.

Volgens de Afdeling heeft de gemeente geen motivering gegeven waarom is gekozen voor een periode van 2 jaar. Verder heeft de gemeente volgens de Afdeling onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen van onder meer de boomkwekers in het gebied. Verder volgt uit het deskundigenbericht dat boomteelt niet nadelig hoeft te zijn voor het leefgebied van de das, mits hieraan voorwaarden zoals grasstroken tussen de bomenrijen, worden verbonden. Het betoog slaagt.

Zie ABRS 11 december 2013, no. 201201006/1/R3.