deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluid warmtepomp en goede ruimtelijke ordening

Geluid warmtepomp en goede ruimtelijke ordening

geluid warmtepomp

Bij gemeenten komen steeds meer klachten binnen over geluidsoverlast door warmtepompen in woonwijken. Dit zijn met name de systemen waar de installatie buiten staat, en niet bijvoorbeeld inpandig in een garage.

De gemeente heeft een omgevingsvergunning (via kruimelafwijking) verleend voor het aanleggen van een buitenunit voor een warmtepomp. De waterpomp is namelijk 40 cm hoger dan is toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan. De buren zijn er niet blij mee en voeren bij de rechtbank aan dat de vergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hen heeft de gemeente niet de juiste geluidsnorm toegepast. De gemeente zou moeten aansluiten bij de binnenkort in te voeren norm uit het Bouwbesluit, te weten: 35 dB(A) gemeten op de erfgrens in plaats van invallend geluid gemeten op de gevel.

Volgens de gemeente is er geen sprake van onevenredige geluidsoverlast. Er bestaat nog geen landelijke geluidsnorm voor warmtepompen. De gemeente heeft om die reden aangesloten bij artikel 4:6 van de APV. De gemeente hanteert daarbij voor buitenunits, zoals een warmtepomp, een geluidsnorm van 35 dB(A) gemeten als invallend geluid op de gevel van buurwoningen. Deze geluidsnorm sluit aan bij de strengste (nachtelijke) geluidsnorm uit het Activiteitenbesluit. Volgens de gemeente komt in dit geval de warmtepomp niet boven deze norm uit.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of er sprake is strijd met een goede ruimtelijke ordening valt binnen de beleidsruimte die verweerder heeft. Die ruimte vult verweerder in dit geval in door aansluiting te zoeken bij artikel 4:6 van de APV en bij de geluidsnorm van 40 dB(A), gecorrigeerd naar 35 dB(A) voor tonaal geluid, uit het Activiteitenbesluit. Dat mag verweerder in redelijkheid ook doen. Lees verder in r.o. 9.1 van uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 maart 2020.

Bel voor vragen en advies over geluid en omgevingsvergunning naar De Omgevingsjurist.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Afwijken Activiteitenbesluit geluid windpark mits onderbouwd!

Afwijken Activiteitenbesluit geluid windpark mag, mits onderbouwdafwijken activiteitenbesluit

De raad van een gemeente in Limburg heeft besloten de bestemmingsplannen voor een windpark niet vast te stellen. Mede naar aanleiding van een turbulente voorgeschiedenis, zoals volgens de raad onvoldoende draagvlak bij de bewoners heeft de raad daartoe besloten. Daar wordt in de uitspraak verder op ingegaan, maar wordt hier niet verder besproken. Eén van de andere redenen om geen medewerking te verlenen is volgens de raad het aspect geluid.

Volgens de raad bieden de geluidnormen in artikel 3.14a, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer onvoldoende bescherming tegen geluidhinder. Volgens appellant is dit ten onrechte omdat uit de verrichte geluidonderzoeken blijkt dat aan de geluidnormen van 47 dB Lden en 41 db Lnight op gevoelige objecten kan worden voldaan na het treffen van geluidbeperkende maatregelen.

De raad stelt dat de omstandigheid dat het windpark kan voldoen aan de geluidnormen van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit, niet betekent dat de raad het gewenste bestemmingsplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening dient te achten, laat staan dat hij in een dergelijk geval verplicht is tot vaststelling van het bestemmingsplan over te gaan. In het weigeringsbesluit staat dat in recente wetenschappelijke publicaties wordt beschreven dat aan de hinder van windturbinegeluid wellicht meer gewicht moet worden toegekend dan in het verleden is gebeurd. (…) De steeds grotere ashoogten, grotere diameters van de wieken en het feit dat boven de 120 m de windprofielen sterk kunnen afwijken van de standaarden die men voor lagere hoogten hanteert, kunnen bijdragen aan een wellicht veranderd milieutechnisch inzicht van het beoordelen van de hinderlijkheid van het windturbinegeluid. Daarbij wordt als suggestie genoemd het mogelijk toepassen van een straffactor (plus 5 dB) voor de hinderlijkheid van het geluid. (…)

De Afdeling overweegt: “(…) Het bestuursorgaan mag andere, stengere normen hanteren, mits de keuze hiervoor deugdelijk is onderbouwd. Aan die onderbouwing moeten zwaardere eisen worden gesteld nu het gaat om een afwijking van de voor windturbines specifiek gegeven geluidnormering die in een algemeen verbindend voorschrift is vastgelegd.” (…) Lees meer in r.o. 24.3 van uitspraak ABRS 18 december 2019, no. 201805972/1/R1. (Afwijken Activiteitenbesluit mag, mits onderbouwd)

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Camouflage geluid van windpark door snelweg

Camouflage geluid van windpark door snelwegcamouflage geluid

Het college van B&W heeft een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer vastgesteld voor een windpark vanwege een bedrijfswoning. Het windpark bestaat uit vier windturbines langs de snelweg.

De eigenaar van een intensieve veehouderij is op een afstand van minder dan 200 meter van het windpark voornemens een bedrijfswoning te bouwen. Door deze korte afstand tot de windturbine overschrijdt het geluid van het windpark de op grond van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit geldende geluidsgrenswaarden van 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van de te bouwen bedrijfswoning.

De Afdeling stelt voorop dat “het college beoordelingsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag of zich bijzondere lokale omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid van het Activiteitenbesluit. (…) Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet aannemelijk is dat de situering van een windturbine en een woning zoals hier aan de orde, nagenoeg nergens in Nederland voorkomt. In hoger beroep heeft zij het door haar opgestelde rapport GIS-analyse (…) overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat er in Nederland slechts 47 woningen op een vergelijkbare afstand van een snelweg en windturbine staan. Daarvan is volgens het rapport slechts bij twee woningen de situatie daadwerkelijk vergelijkbaar, rekening houdend met de situering van de woning ten opzichte van de snelweg en de windturbine en met de omvang van de windturbine. (…) De rechtbank heeft het ten onrechte niet aannemelijk geacht dat een dergelijke situering nagenoeg ergens in Nederland voorkomt. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte niet de motivering van het college over de bijzondere ontstaansgeschiedenis betrokken, waaruit blijkt dat deze situatie onder normale omstandigheden niet zo was ontstaan. 

(…) In het rapport (…) is berekend dat de geluidbelasting vanwege de A58 op de te bouwen bedrijfswoning hoger is dan de geluidbelasting vanwege het windpark, waarbij het verschil in de dagperiode… lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 4 december 2019, no. 201902270/1/A1. (camouflage geluid windpark)

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Goed woon- en leefklimaat nabij gezondheidscentrum?

Goed woon- en leefklimaat nabij gezondheidscentrum?goed woon- en leefklimaat

De gemeente Heerlen heeft een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van een gezondheidscentrum. Hierin zijn onder meer een huisartsenpraktijk en een apotheek gevestigd.

Appellanten betogen dat vanwege het parkeerterrein er geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd bij hun woningen. Ze vrezen geluidsoverlast vanwege dichtslaande portieren, draaiende motoren en stemgeluid van bezoekers aan het gezondheidscentrum.

De Afdeling overweegt als volgt: “Niet in geschil is dat de inrichting die met de vergunning wordt uitgebreid een type A inrichting is als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat voor de inrichting, waartoe ook het parkeerterrein behoort, de geluidsgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit gelden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) geldt ook bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º van de Wabo, dat slechts omgevingsvergunning kan worden verleend als het aangevraagde project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Die strijd doet zich onder meer voor als een goed woon- en leefklimaat als gevolg van het project niet is gewaarborgd of als op voorhand reden bestaat om aan het nemen dat het project niet uitvoerbaar is. Of het gezondheidscentrum met de bijbehorende parkeerplaats kan voldoen aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit is zowel van belang voor de vraag of het project uitvoerbaar is als voor de vraag of een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Bij die laatste vraag kan overigens niet worden volstaan met een toets aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Ook geluid waarop die grenswaarden geen betrekking hebben, zoals het stemgeluid van bezoekers van het bij de inrichting behorende parkeerterrein, dient betrokken te worden bij de vraag of een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Voorafgaand aan het nemen van het besluit (…) diende dan ook voldoende inzicht te bestaan in het door het gezondheidscentrum veroorzaakte geluidsniveau. Zowel wat de geluidbronnen betreft waarop de geluidwaarden uit het Activiteitenbesluit betrekking hebben als andere geluidbronnen.”

Lees meer in r.o. 5.4 van uitspraak ABRS 18 juli 2018, no. 201701258/1/A1.

Vragen over geluid en een goed woon- en leefklimaat? Bel de specialist over dit onderwerp! Bel 010 – 268 0689 of mail uw vraag naar info@omgevingsjurist.nl.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

bijgebouwen geluidgevoelig in zin van Wet geluidhinder en Activiteitenbesluit

Bijgebouwen geluidgevoeligbijgebouwen geluidgevoelig

Het bestemmingsplan in kwestie voorziet in een bedrijfsbestemming voor een paardenhouderij en ondergeschikte koetsenverhuur. Appellant woont naast het plangebied en stelt dat hij veel overlast ervaart van het bedrijf. Met name van de paarden en koetsen die langs zijn woning rijden om het terrein af te komen. Volgens hem is er sprake van een onaanvaardbare geluidhinder. Verder voert hij aan dat er in het uitgevoerde akoestisch onderzoek ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de geluidbelasting op de aanwezige bijgebouwen op zijn woonterrein.

De Afdeling overweegt: “Vaststaat dat op het gehele woonperceel de bestemming Wonen geldt. De gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor wonen met de bijbehorende voorzieningen. Dit brengt met zich mee dat bestaande bijgebouwen – hoewel deze niet als zelfstandige woning mogen worden gebruikt – in juridisch-planologisch opzicht wel voor wonen mogen worden gebruikt. (…) Voor het begrip ‘woning’ als bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit is slechts van belang is of in een gebouw op grond van het bestemmingsplan bewoning is toegestaan. Gelet op het voorgaande zijn de bestaande bijgebouwen daarom aan te merken als gevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit en als een gevoelige functie als bedoeld in de VNG-brochure.” Lees meer in r.o. 15 van uitspraak ABRS 15 december 2016, no. 201604017/1/R1. (bijgebouwen geluidgevoelig).

In een uitspraak van 27 september 2017, no. 201604017/3/R1 heeft de Afdeling zich opnieuw gebogen over deze zaak i.v.m. het reparatiebesluit. Ook weer een interessante zaak over geluidbelasting en een goed woon- en leefklimaat.

Meer weten over geluid en een goede ruimtelijke ordening?

omgevingsjurist

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

handhaving geluidoverlast conservatorium

Handhaving geluidoverlast conservatoriumhandhaving geluidoverlast

De gemeente heeft een verzoek om handhavend op te treden tegen geluidoverlast door een conservatorium afgewezen. In bezwaar heeft de gemeente het besluit in stand gelaten. Het vervolgens ingestelde beroep is gegrond verklaard. Vervolgens is een nieuw besluit op bezwaar genomen. Tegen dit besluit is hoger beroep ingesteld.

Omwonenden van het conservatorium stellen geluidoverlast te ondervinden van de studenten van het conservatorium die de ramen van de oefenlokalen openzetten wanneer zij daar hun instrumenten bespelen.

Handhaving geluidoverlast – Het conservatorium valt onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer en dient daarom te voldoen aan de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit opgenomen geluidgrenswaarden. Vaststaat dat het conservatorium voornoemde geluidgrenswaarden overschrijdt. Het college was derhalve bevoegd om op te treden.

De overschrijding van de geluidgrenswaarden is het gevolg van het ontbreken van voldoende isolatie van een muzieklokaal en het ten gehore brengen van muziek met de ramen open. Het college heeft een last onder dwangsom opgelegd om het conservatorium ertoe te bewegen bouwkundige voorzieningen te treffen met betrekking tot het muzieklokaal. Volgens de Afdeling wordt met deze last echter niet bewerkstelligd dat het conservatorium de geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid van het Activiteitenbesluit niet meer overschrijdt, aangezien de last niet voorkomt dat de geluidgrenswaarden worden overschreden door het ten gehore brengen van muziek met de ramen open. Gelet op het voorgaande had het college volgens de Afdeling niet mogen volstaan met het opleggen van een maatwerkvoorschrift en een last onder dwangsom ten aanzien van het treffen van bouwkundige voorzieningen in het lokaal. Het betoog slaagt.

Lees verder in r.o. 6 e.v. van uitspraak ABRS 6 september 2017, no. 201604096/1/A1.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bedrijfswoning Activiteitenbesluit niet gedefinieerd

Bedrijfswoning Activiteitenbesluit niet gedefinieerdbedrijfswoning activiteitenbesluit

Deze uitspraak gaat over een handhavingszaak. De gemeente heeft een caféhouder onder oplegging van een dwangsom gelast om te voldoen aan de geluidsnormen uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Gelast is om het geluidniveau van het café in overeenstemming te brengen met de normen van het Activiteitenbesluit, door ervoor te zorgen dat het muziekgeluid afkomstig van het café de normen uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit niet overschrijdt.

Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de geluidsnormen opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, niet van toepassing zijn op de woning van belanghebbende, omdat deze woning een bedrijfswoning is in de zin van artikel 6.15 Activiteitenbesluit. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vraag of een woning als zodanige bedrijfswoning kan worden aangemerkt, moet worden beantwoord aan de hand van de juridisch-planologische status van de woning. Volgens hem is bepalend of tussen de studio en de woning feitelijk een technische, organisatorische of functionele binding bestaat. Dit is volgens hem het geval, nu de woning wordt bewoond door de eigenaar van de studio en de tuin en schuur op het perceel worden gebruikt voor zowel de woning als de studio.

Bedrijfswoning Activiteitenbesluit niet gedefinieerd.

De Afdeling overweegt: “De begrippen dienstwoning en bedrijfswoning zijn in het Activiteitenbesluit niet gedefinieerd. In de Nota van Toelichting bij het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415, p. 294-295) staat dat met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit niet is beoogd geluidsbescherming te bieden aan dienst- of bedrijfswoningen die onder het Besluit horeca-inrichtingen geen geluidsbescherming genoten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen met betrekking tot de Wet milieubeheer (…) is bij de vraag of aan een hindergevoelig object bescherming toekomt niet de planologische status van dit object doorslaggevend, maar het feitelijk gebruik dat hiervan wordt gemaakt. (…) Dit betekent dat het feitelijk gebruik van de woning (…) bepalend is voor het antwoord op de vraag of deze als dienst- of bedrijfswoning in de zin van artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit moet worden aangemerkt. Het betoog is gegrond.”

Lees meer in r.o. 2.3 van uitspraak ABRS 23 augustus 2017, no. 201603925/1/A1

omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geluidwerende gevel woning in bestemmingsplan

Geluidwerende gevel (binnenwaarde) woning in planregel bestemmingsplan opnemen

Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om 18 grondgebonden woningen te bouwen. In de omgeving van het plangebied zijn bedrijven gevestigd. Deze ondernemers vrezen dat zij door de komst van de woningen in hun toekomstige bedrijvigheid worden gehinderd. De gemeente heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de gevolgen inzake een goede ruimtelijke ordening te kunnen beoordelen. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarden die worden genoemd in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de VNG-brochure ter plaatse van de voorziene woningen niet worden gehaald. Bij de milieuzonering is uitgegaan van een gemengd gebied ingevolge de VNG-brochure.

Volgens het uitgevoerde onderzoek naar het woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen is er ondanks voornoemde overschrijdingen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen. Alle woningen hebben een geluidsarme buitenruimte. Verder is in de planregels van het bestemmingsplan voorgeschreven dat de gevels van alle woningen een geluidwerende werking van tenminste 30 dB(A) moeten hebben. Hierdoor wordt er onder de binnenwaarde gebleven die op grond van artikel 2.20, tweede lid Activiteitenbesluit dient te worden gehaald. Onder deze omstandigheden is de conclusie van de gemeente dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen niet onredeling, aldus de Raad van State.

Geluidwerende gevel woning (binnenwaarde)

In artikel 2.20, tweede lid geeft het volgende aan:

Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 dan wel 2.19a, indien binnen geluidsgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd.

Deze uitspraak laat zien dat er bij de afweging of er al dan niet sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat het nuttig kan zijn in de planregels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen inzake de te bereiken binnenwaarde van die woning. In juridisch opzicht kan dit namelijk niet op een andere manier worden geborgd dan wel worden afgedwongen.

Lees meer in r.o. 3.7 in uitspraak ABRS 26 februari 2017, no. 201601745/1/R2

omgevingsjurist