geluid achteruitrijden bedrijfswagens onderzoeken

Geluid achteruitrijden bedrijfswagens ook onderzoekengeluid achteruitrijden

  • elektrisch aangedreven bedrijfswagens
  • geluid achteruitrijden

De raad heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de uitbreiding van een bouwbedrijf. Binnen het bouwvlak is een nieuwe bedrijfshal voorzien. Voor de uitbreiding is de bestemming ‘Bedrijf-1’ opgenomen met een maximale milieucategorie van 3.2. Het gebied is aangemerkt als gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering.

Omwonenden van het bedrijf vrezen geluidsoverlast als gevolg van de uitbreiding. Zij stellen onder meer in beroep dat de overlast van het laden en lossen niet is onderzocht in het akoestisch onderzoek. De Afdeling overweegt het volgende:

De Afdeling stelt vast dat mobiele en niet-mobiele geluidbronnen op het terrein in kaart zijn gebracht in het akoestisch rapport. De geluidbronnen van routes van de verschillende voertuigen op het bedrijfsterrein zijn weergegeven in bijlage 1 bij het rapport. Bij de geluidbronnen is het laden en lossen in aanmerking genomen. Het betoog dat dit niet is meegenomen slaagt dan ook niet. Tevens is bij de geluidbronnen aangegeven dat zich dagelijks een elektrische heftruck over het terrein verplaatst met goederen zoals bouwmaterialen, hekwerk en afvalstoffen. De totale bedrijfstijd hiervan bedraagt 5 uur. Ter zitting is onderkend dat de route van de elektrische heftruck die materaal vervoert langs de woning en tuin van appellant loopt. (…) Weliswaar gaat het hier om elektrische vervoermiddelen maar de Afdeling sluit niet uit dat gelet op de afstand tussen bedrijfsterrein en de tuin en woning van appellant en het te vervoeren materiaal dit wel tot geluidsoverlast kan leiden. Waarbij tevens een rol kan spelen dat geluid, onder meer van de achteruitrijsignalering, dat bij achteruit rijden een rol speelt. Nu niet is gebleken dat dit in het akoestisch onderzoek is betrokken, is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat op het perceel van appellant een geluidssituatie ontstaat die zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.”

Lees meer in uitspraak ABRS 2 oktober 2019, no. 201801578/1/R2

Voor vragen over geluid en een goede ruimtelijke ordening, bel 010 – 268 0689 of mail.

 

Geluid van hondentrainingscentrum kan leiden tot aantasting woon- en leefklimaat voor omwonenden

Geluid van hondentrainingscentrum kan leiden tot aantasting van woon- en leefklimaat voor omwonenden

Dat zelfs in een buitengebied blaffende honden en verkeer tot overlast kunnen leiden voor omwonenden blijkt weer eens uit een uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, no. 201201006/1/R3. In dit geval gaat het om een trainingscentrum voor een politiehondenvereniging.

Eén van de omwonenden voert in beroep aan dat een hondentrainingscentrum zich niet verdraagt met de bestemming ‘Natuur’ in het bestemmingsplan. Verder vreest hij dat hij bij zijn nog te bouwen woning hinder zal ondervinden van onder meer blaffende honden en verkeer.

Ten aanzien van het eerste deel van het beroep geeft de Afdeling het volgende aan: “De raad heeft in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dergelijke activiteiten, die voornamelijk buiten zijn en in een natuurlijke omgeving plaatsvinden, in dit geval samen kunnen gaan met de ontwikkeling en de instandhouding van natuur ter plaatse. Niet aannemelijk is dat het hondentrainingscentrum de natuurwaarden zodanig zal aantasten dat dit niet verenigbaar is met de bestemming ‘Natuur’. 

Ten aanzien van geluidsoverlast en verkeer gaat het echter mis: “Niet is gebleken dat de raad de verwachte geluidbelasting van het hondentrainingscentrum op de toekomstige bedrijfswoning van appellant voorafgaand aan de planvaststelling heeft onderzocht.” De raad heeft niet bekeken naar de gevolgen van het hondentrainingscentrum voor het woon- en leefklimaat bij de te bouwen bedrijfswoning.

wijzigingsbevoegdheid horeca in bestemmingsplan onderzoek doen naar ruimtelijke aanvaardbaarheid van terrassen

Wijzigingsbevoegdheid horeca in bestemmingsplan ook onderzoek doen naar ruimtelijke aanvaardbaarheid van terrassen

Appellanten vrezen voor overlast van bezoekers van de terrassen die onder meer met de wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt. De stelt stelt dat een aanvraag om een terrasvergunning dient te worden getoetst aan de APV waar volgens de raad voorwaarden zijn opgenomen ter bescherming van het woon- en leefklimaat.

De Afdeling overweegt: “Verder dienen de gevolgen van de mogelijke uitbreiding van horeca (…) voor het woon- en leefklimaat te worden meegewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan, waarbij mede relevant is dat het plan voorziet in de mogelijkheid om terrassen te exploiteren. De raad heeft dit ten onrechte nagelaten. De omstandigheid dat op grond van de APV dient te worden bezien of een terras leidt tot een onevenredige aantasting van de woon- en leefsituatie, alsmede de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan een terrasvergunning, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan gaat het om de beoordeling en de afweging of een bestemming die terrassen toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. Deze beoordeling en afweging is een andere dan de afweging die plaatsvindt bij het beoordelen van de vraag of in een concreet geval voor een terras al dan niet een vergunning op grond van de APV kan worden verleend. Bij de beslissing omtrent het verlenen van terrasvergunning kan immers geen integrale afweging worden gemaakt van alle in het plangebied betrokken ruimtelijke relevante belangen. De beoordeling welke dient plaats te vinden in het kader van artikel 3.1 van de Wro kan dan ook niet worden vervangen door een beoordeling bij het verlenen van een vergunning op grond van de APV.”

Zie uitspraak ABRS 3 juli 2013, no. 201209663/1/R3.

Hangplek jongeren en afstand tot woningen bestemmingsplan

Hangplek jongeren en afstand tot woningen bestemmingsplan in verband met goed woon- en leefklimaat

In een bestemmingsplan had de gemeente de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – jongerenactiviteitenplek’ gebruikt voor het toelaten van een jongerenplek in het plangebied. Buurtbewoners kunnen zich in beroep niet vinden met de toelating van de jongerenplek op deze locatie. Ze vrezen geluidsoverlast, vandalisme en afval. Ze achten een jongerenactiviteitenplek niet wenselijk, omdat dat deze op korte afstand van woningen wordt gesitueerd.hangplek jongeren

De gemeente stelt dat een zo ruim mogelijke afstand van de jongerenactiviteitenplek (hangplek jongeren) tot de woningen zal worden aangehouden. Met betrekking tot de gestelde overlast stelt de raad dat hij verwacht dat de overlast juist zal afnemen omdat het aanbieden van sportactiviteiten vandalisme en verveling bij jongeren zal voorkomen.

De Afdeling geeft aan: “Hoewel de raad ter zitting heeft toegelicht dat is beoogd alleen in de noordelijke punt van het perceel een skatebaan, een trapveldje en bijbehorende voorzieningen en daarbij een afstand van tenminste 40 meter aan te houden tot de in de omgeving aanwezige woningen, volgt dit niet uit het plan. De betrokken planregels verduidelijken niet wat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – jongerenactiviteitenplek’ en de term jongerenactiviteitenplek is in het plan niet gedefinieerd. Verder is de aanduiding blijkens de verbeelding toegekend aan de gehele noordelijke helft van het perceel en daarmee ook aan gronden die thans zijn ingericht ten behoeve van de aanwezige ijsbaan, alsmede aan gronden op korte afstand van de aanwezige woningen.”

Zie verder r.o. 23.9 van uitspraak ABRS 5 september 2012, LJN: BX6528.

omgevingsjurist

 

Geluidsoverlast multifunctioneel centrum en woon- en leefklimaat

Geluidsoverlast multifuntioneel centrum en woon- en leefklimaatgeluidsoverlast multifunctioneel centrum

Vrees voor geluidsoverlast multifunctioneel centrum

Zoals u weet dient de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan alle belangen mee te wegen die met de beoogde activiteit kunnen worden geschaad. In dit geval had de raad een bestemmingsplan vastgesteld dat een multifunctioneel centrum mogelijk maakte. In het centrum worden onder andere sportactiviteiten toegelaten.

De buurman vreest geluidsoverlast van de activiteiten in de gebouwen i.v.m. een afstand van slechts 5 m van zijn perceel. De gemeente stelt dat de voorziene bebouwing geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden met zich zal brengen, gelet op de maximale hoogte van 3,5 m van de gebouwen. Tevens zal de bestaande haag van 2,5 m hoog en 80 cm breed in stand worden gelaten.

De Afdeling overweegt “dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van deze bebouwing op een dergelijke korte afstand van de percelen van appellant voor hun woon- en leefklimaat. Daarbij is van belang dat de planregels uitsluitend een maximale goothoogte van 3,5 m voorschrijven, maar hierin geen bouwhoogte is opgenomen die niet mag worden overschreden. Voor zover de raad wijst de op de bestaande beukenhaag ter plaatse, overweegt de Afdeling dat het plan met de bestemming ‘Maatschappelijk’ weliswaar groenvoorzieningen mogelijk maakt, maar dat, zoals appellant terecht stelt, in het plan niet is gewaarborgd dat deze haag, zoals de raad heeft beoogd, ook zal blijven worden gehandhaafd. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom een verschuiving van het bouwvlak in westelijke richting (..) niet mogelijk zou zijn”. Zie uitspraak ABRS 11 juli 2012, no. 201109353/1/R3.

Praktijktip: In de praktijk wordt er naar mijn mening onvoldoende gekeken naar de borging van bepaalde zekerheden voor omwonenden in de planregels van het bestemmingsplan, terwijl dat – binnen bepaalde grenzen – wel mogelijk is. Via een voorwaardelijke bepaling is het bijvoorbeeld mogelijk vast te leggen dat een groene haag moet worden behouden. Een voorwaarde hiervoor is wel dat het vast te leggen onderdeel wel ruimtelijk relevant moet zijn.

 

Geluid kinderopvang en goede ruimtelijke ordening

Geluid kinderopvang en een goede ruimtelijke ordeninggeluid kinderopvang

Geluid (s) (overlast) van spelende kinderen zorgt in de ruimtelijke ordening vaak voor hoofdbrekens. Dit specifieke geluidsaspect dient bij bijv. kinderopvang, scholen, e.d. mee te worden genomen bij de afweging of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Wanneer is daar nu sprake van? Zoals in onderstaande uitspraak valt op te maken is dit zeer casuïstisch.

De Afdeling laat zich hierover uit in een uitspraak van 10 augustus 2011, 201006174/1/R1:

Hoewel in de tuin van de woning enige geluidsoverlast ondervonden kan worden van spelende kinderen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geluidsoverlast als gevolg van de kinderopvang aanvaardbaar is. Hierbij acht de Afdeling van belang dat tussen de tuin van de woning en het speelterrein een afschermende groenhaag staat en dat de kinderen niet allemaal tegelijk buiten spelen. Voorts is de kinderopvang gesloten na 18.30 uur en in de weekeinden. Gelet hierop behoefde de raad, anders dan appellant betoogt geen akoestisch onderzoek uit te voeren.”

Hoewel er in dit geval geen akoestisch onderzoek hoefde te worden uitgevoerd, raad ik het altijd wel aan. De restcategorie ‘een goede ruimtelijke ordening’ is riskant om over te slaan. Het is verder een kleine moeite om hier onderzoek naar te doen.

datum blog: 12 augustus 2011 (geluid kinderopvang)