deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

grotere milieubelasting toestaan op bedrijfswoning bedrijventerrein

Grotere milieubelasting toestaan op bedrijfswoning bedrijventerreingrotere milieubelasting

De relatie bedrijfswoning en bedrijventerrein is een ongelukkige. Meestal gaat het om situaties die lang geleden zijn ontstaan omdat in een ver verleden de ondernemer bij zijn bedrijf woonde. De ellende begint vaak als de ondernemer de betreffende woning verkoopt aan een derde die vervolgens gaat klagen over stank- of geluidsoverlast. Hoewel door de technologische ontwikkelingen al minder vaak is van geluid- of stankoverlast, zijn er vrijwel altijd factoren aanwezig die zorgen voor hinder voor omwonenden. Dat kan ook laden en lossen zijn in de vroege ochtend. Meestal wil men wel de lusten ervaren (goedkopere woning), maar niet de lasten. Men vergeet zich vaak de vraag te stellen: waarom woon ik eigenlijk op een bedrijventerrein?

In een uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018 komt de relatie bedrijfswoning en bedrijventerrein aan de orde. Wat was er aan de hand?

De raad heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor een bedrijventerrein. De appellant betreft een eigenaar van een bedrijfswoning op het bedrijventerrein. Op grond in de nabijheid van zijn woning worden in het nieuwe plan bedrijven toegestaan met een milieucategorie van 3.1 en 3.2 in plaats van milieucategorie 1 en 2, zoals in het voorheen geldende plan. Appellant vreest als gevolg hiervan een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij wijst erop dat niet aan de aanbevolen richtsafstand wordt voldaan zoals aangegeven in de VNG-brochure.

De Afdeling overweegt als volgt: “Aan een voorheen geldend bestemmingsplan kunnen in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels vaststellen. In dit geval heeft de raad ervoor gekozen om, met het oog op een aantrekkelijk vestigingsklimaat, ter plaatse van in het geding zijnde gronden, bedrijven van milieucategorie 3.2 en 3.1 toe te staan. (…)

De Afdeling stelt vast dat het aan de orde zijnde gebied gekwalificeerd kan worden als een ‘gemengd gebied’. De raad heeft vanwege de omstandigheid dat in dit geval sprake is van een bedrijfswoning op een bedrijventerrein aanleiding gezien voor de bedrijven van milieucategorie 3.2 een richtafstand van 30 meter te hanteren. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid  deze richtafstand heeft kunnen hanteren voor bedrijven van milieucategorie 3.2 tot de bedrijfswoning van appellant. Hierbij acht de Afdeling (…) het van belang dat voor een bedrijfswoning op een bedrijventerrein in het algemeen een grotere milieubelasting aanvaardbaar kan worden geacht dan voor een burgerwoning (…). Lees meer in r.o. 4.4 van uitspraak ABRS 19 september 2018, no. 201709944/1/R1.


Meer weten over richtafstanden, het verkorten ervan of een andere oplossing voor bedrijfswoningen op een bedrijventerrein?

de omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

bedrijfswoning bedrijventerrein gevoelig object geluid

Bedrijfswoning bedrijventerrein gevoelig object geluidbedrijfswoning bedrijventerrein

De gemeente heeft een bestemmingsplan voor een bestaand bedrijventerrein vastgesteld. Aan een aantal woningen die zijn gesitueerd op het bedrijventerrein is de bestemming ‘Bedrijf’ met de aanduidingen ‘bedrijfswoning’ en ‘wonen’ toegekend. Een Stichting die de bedrijven vertegenwoordigt, vreest dat de bedrijven in het plangebied in hun bedrijfsactiviteiten zullen worden beperkt door het mogelijk maken van burgerwoningen op het bedrijventerrein.

De Afdeling overweegt als volgt: “Vast staat dat de uitsterfregeling een tijdelijk karakter heeft. Er is geen woonbestemming toegekend. De woningen worden al lange tijd als woning gebruikt zonder dat er een bijbehorend bedrijf is gevestigd en de bewoners wensen dat gebruik voort te zetten. (…) Er zijn geen klachten van bewoners van de woningen bekend. Ter zitting is gebleken dat de grootste vrees van de Stichting voor beperkingen van de bedrijven is gelegen in geluidsoverlast die zij voor de omgeving veroorzaken. De Wet geluidhinder kent gelet op de definitie in artikel 1 geen onderscheid tussen bedrijfswoning en burgerwoning. In het Activiteitenbesluit is voor de definities aangesloten bij de Wet geluidhinder. Derhalve vormt zowel een bedrijfswoning als een woning die voor burgerwoning wordt gebruikt een gevoelige object ingevolge deze wetten. In zoverre baat het schrappen van de aanduiding ‘wonen’ de bedrijven niet. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken dat de uitsterfregeling leidt tot een zodanige belemmering van de activiteiten van de omliggende bedrijven dat de raad in redelijkheid niet tot deze regeling heeft kunnen komen. Het betoog faalt.” [bedrijfswoning bedrijventerrein]

Lees meer in uitspraak ABRS 2 augustus 2017, no. 201606046/1/R2

Vragen over geluid en de doorwerking in het bestemmingsplan? Bel 010 – 268 0689 voor meer informatie!

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Volwaardig agrarisch bedrijf en bestemmingsplan

Volwaardig agrarisch bedrijf en bestemmingsplanvolwaardig agrarisch bedrijf

In de meeste bestemmingsplannen voor het buitengebied is een definitie opgenomen van een volwaardig of reëel agrarisch bedrijf. Bij een startend agrarisch bedrijf kan dit vaak tot problemen leiden. De meeste gemeenten leggen de vraag of een bedrijf al dan niet volwaardig is voor aan een agrarische adviescommissie. Persoonlijk vind ik dat deze commissies veel te rigide en behoudend het bedrijf beoordelen. Ook aan de objectiviteit van deze commissies twijfel ik regelmatig. Het is echter wel zo dat de meeste gemeenten klakkeloos het oordeel van deze commissies volgen. Het is dus belangrijk om goed beslagen ten ijs te komen!

In een uitspraak van 24 januari 2018 komt een dergelijk geval aan de orde. De gemeente had een omgevingsvergunning geweigerd voor het oprichten van 3 bedrijfsgebouwen voor een agrarisch bedrijf. Volgens het college van B&W behoren de bouwwerken niet bij een volwaardig agrarisch bedrijf als bedoeld in de planregels van het geldende bestemmingsplan.

Volgens appellant hoeft er geen sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. Het college had volgens hem, gelet op de voorgeschiedenis, ervan op de hoogte kunnen zijn dat de door hem aangevraagde gebouwen noodzakelijk zijn voordat hij zijn agrarische bedrijfsvoering kan starten.

In 2012 heeft de gemeente een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel. De agrariër was destijd van plan een land- en tuinbouwbedrijf te starten conform het ingediende bedrijfsplan. Volgens de gemeente heeft appellant echter geen uitvoering gegeven aan het bedrijfsplan en om die reden is de omgevingsvergunning voor de bedrijfsgebouwen geweigerd. Het college wil ongewenste leegstand van gebouwen in het buitengebied voorkomen.

Appellant heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij in eerste instantie voornemens was de percelen te gebruiken voor fruitteelt, maar de inkomsten daarvan zijn voor hem achteraf onvoldoende gebleken om dat plan door te zetten. Om die reden is hij mais en gras gaan kweken. Daarnaast is hij voornemens koeien te gaan houden, maar daarvoor stelt hij de aangevraagde gebouwen nodig te hebben voor de opslag van machines.

De Afdeling overweegt als volgt: “Aan appellant is een omgevingsvergunning verleend voor een agrarische bedrijfswoning en vervolgens is het door appellant gewenste agrarische gebruik in het bestemmingsplan opgenomen. In deze procedures heeft het college het in het bedrijfsplan door appellant gepresenteerde gebruik als een agrarisch bedrijf aangemerkt. Bovendien is in artikel (…) van de planregls niet opgenomen dat sprake dient te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. Het is van belang dat het bedrijf gericht dient te zijn op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waarbij een bedrijfsmatige, op de markt gerichte productie plaatsvindt die een wezenlijke bijdrage aan de inkomensvorming levert. Onder die omstandigheden kan het college niet volstaan met de motivering dat het door appellant van het perceel gemaakte gebruik niet kan worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf als bedoeld in het bestemmingsplan en het het appellant in de gelegenheid dienen te stellen nader uiteen te zetten op welke wijze hij, al dan niet in afwijking van zijn bedrijfsplan, voornemens is het perceel te gebruiken. Daarbij is van belang dat appellant de vergunde bedrijfswoning heeft gebouwd, dat appellant een verklaring heeft gegeven voor het niet gebruiken van het perceel voor fruitteelt conform zijn bedrijfsplan, dat hij ter zitting te kennen heeft gegeven dat de afgelopen jaren mais is verbouwd op de percelen en hij nog steeds voornemens is het perceel agrarisch te blijven gebruiken. Het betoog slaagt.”

Lees meer in uitspraak ABRS 24 januari 2018, no. 201701101/1/A1.

Hulp nodig bij de realisatie van uw bedrijfswoning of agrarisch bedrijf? 

Bel De Omgevingsjurist voor:

  • onderbouwingen voor de noodzaak van een bedrijfswoning
  • onderbouwingen voor een volwaardig agrarisch bedrijf
  • contra-advies Agrarische adviescommissies

Bel 010 – 268 0689 voor meer informatie.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bedrijfswoning Activiteitenbesluit niet gedefinieerd

Bedrijfswoning Activiteitenbesluit niet gedefinieerdbedrijfswoning activiteitenbesluit

Deze uitspraak gaat over een handhavingszaak. De gemeente heeft een caféhouder onder oplegging van een dwangsom gelast om te voldoen aan de geluidsnormen uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Gelast is om het geluidniveau van het café in overeenstemming te brengen met de normen van het Activiteitenbesluit, door ervoor te zorgen dat het muziekgeluid afkomstig van het café de normen uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit niet overschrijdt.

Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de geluidsnormen opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, niet van toepassing zijn op de woning van belanghebbende, omdat deze woning een bedrijfswoning is in de zin van artikel 6.15 Activiteitenbesluit. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vraag of een woning als zodanige bedrijfswoning kan worden aangemerkt, moet worden beantwoord aan de hand van de juridisch-planologische status van de woning. Volgens hem is bepalend of tussen de studio en de woning feitelijk een technische, organisatorische of functionele binding bestaat. Dit is volgens hem het geval, nu de woning wordt bewoond door de eigenaar van de studio en de tuin en schuur op het perceel worden gebruikt voor zowel de woning als de studio.

Bedrijfswoning Activiteitenbesluit niet gedefinieerd.

De Afdeling overweegt: “De begrippen dienstwoning en bedrijfswoning zijn in het Activiteitenbesluit niet gedefinieerd. In de Nota van Toelichting bij het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415, p. 294-295) staat dat met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit niet is beoogd geluidsbescherming te bieden aan dienst- of bedrijfswoningen die onder het Besluit horeca-inrichtingen geen geluidsbescherming genoten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen met betrekking tot de Wet milieubeheer (…) is bij de vraag of aan een hindergevoelig object bescherming toekomt niet de planologische status van dit object doorslaggevend, maar het feitelijk gebruik dat hiervan wordt gemaakt. (…) Dit betekent dat het feitelijk gebruik van de woning (…) bepalend is voor het antwoord op de vraag of deze als dienst- of bedrijfswoning in de zin van artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit moet worden aangemerkt. Het betoog is gegrond.”

Lees meer in r.o. 2.3 van uitspraak ABRS 23 augustus 2017, no. 201603925/1/A1

omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Plattelandswoning bij bedrijfswoning glastuinbouw

Plattelandswoning bij bedrijf glastuinbouw

Plattelandswoning en glastuinbouwbedrijf – De gemeente Lansingerland heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld “Schil om Bleiswijk”. Het plan voorziet in een nieuwe bestemming voor agrarische gronden. Appellanten kunnen zich niet verenigen met de aan hun percelen toegekende bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’. Zij betogen onder meer dat de wettelijke regels voor de plattelandswoning niet van toepassing zijn op bedrijfswoningen bij glastuinbouwbedrijven.bedrijfswoning glastuinbouw

De Afdeling zegt er het volgende over: “Anders dan appellant betoogt, is de keuze van de raad om een voor burgerwoning gebruikte bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf te bestemmen als plattelandswoning, niet in strijd met de wettelijke regeling voor plattelandswoningen. Daartoe overweegt de Afdeling dat de wettelijke regeling voor de plattelandswoning (…) blijkens het bepaalde in het tweede lid van dat artikel onder meer van toepassing is op voor burgerbewoning gebruikte bedrijfswoningen bij een glastuinbouwbedrijf. (…)”. 

Lees hier meer informatie over de plattelandswoning en het bestemmingsplan.

Zie verder uitspraak ABRS 22 juli 2015, no. 201403289/1/R4.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bedrijfswoning bedrijventerrein en beperkingen geluidgevoelige bebouwing

Bedrijfswoning bedrijventerrein en planregel die beperkingen inhoudt voor geluidgevoelige bebouwing

In het bestemmingsplan is de aanduiding ‘geluidszone – industrie’ opgenomen. De geluidzone van het bestaande bedrijventerrein is bij KB van 24 juni 1993 vastgesteld.bedrijfswoning bedrijventerrein

De zone is het gebied rondom het bedrijventerrein en de zogenoemde 50 dB(A)contour. Binnen de zone mag de geluidbelasting op gevels van woningen niet hoger zijn dan 50 dB(A), tenzij het college van B&W een hogere waarde vaststellen. Deze waarde is ten hoogste 60 dB(A) voor bestaande of in aanbouw zijnde woningen.

Voor 6 woningen op het terrein is een hogere waarde vastgesteld. Voor 1 bestaande woning niet.

In het bestemmingsplan is in artikel 33.3 bepaald dat op gronden met de aanduiding ‘geluidzone – industrie’ geen geluidgevoelige bebouwing mag worden opgericht, tenzij ingevolge de Wet geluidhinder een hogere waarde is vastgesteld en gebouwd wordt met inachtneming van die hogere waarde.

De Afdeling “gaat er bij die woning waarvoor geen hogere waarde is vastgesteld, vanuit dat de geluidbelasting op de gevel van deze woning in overeenstemming is met de in artikel 57, eerste lid van de Wet geluidhinder genoemde waarden. In dat geval staat artikel 33.3 van de planregels en de daarbij behorende aanduiding ‘geluidzone – industrie’ in de weg aan mogelijke herbouw of nieuwbouw op het perceel, nu die planregel met zich brengt dat uitsluitend geluidgevoelige bebouwing mag worden opgericht als daarvoor een hogere waarde is vastgesteld. De Afdeling is van oordeel dat deze beperking niet valt terug te voeren op de Wet geluidhinder. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom deze beperking in het plan is opgenomen en of het gevolg dat bestaande woningen zonder hogere waarden niet mogen worden herbouwd was beoogd”

Noot: veel gemeenten besteden het opstellen van bestemmingsplannen geheel uit. Het gevaar daarbij is dat gemeentelijke ro-medewerkers de meestal standaardregels die bureaus gebruiken, niet goed meer controleren. Uit eigen ervaring weet ik dat het opstellen van bestemmingsplannen iets geheel anders is dan het controleren van bestemmingsplannen. Als je als ambtenaar alleen bestemmingsplannen controleert, ‘zit je onvoldoende in de inhoud’ van het bestemmingsplan en raak je de regie kwijt. Ook bij deze casus heb ik het sterke vermoeden dat door een bureau een standaardregel is gebruikt die je vaak ziet bij de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en waar de gemeente de consequenties niet heeft opgemerkt.

bedrijfswoning bedrijventerreinZie uitspraak ABRS 27 juni 2012, no. 201008988/1/R3.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bestemmingsplan en zonering – woon- en leefklimaat van bedrijfswoning op bedrijventerrein

Voor bedrijfswoningen op bedrijventerreinen geldt in het algemeen dat zij minder beschermd worden tegen geluid, stof, etc. afkomstig van bedrijven die op het bedrijventerrein gevestigd zijn. Er geldt echter wel een minimaal beschermingsniveau.

De Afdeling schenkt aandacht aan het minimale beschermingsniveau in r.o. 2.3.3 in een uitspraak van 24 augustus 2011 (nr. 201002550/1/R3): “Dat de betreffende bedrijfswoning op een bestaand bedrijventerrein staat, waarbij in zekere mate een minder goed woonklimaat moet worden aanvaard, neemt echter niet weg dat voor deze gevoelige functie een minimaal beschermingsniveau noodzakelijk is. Bij de zonering van het plan had de raad daarom rekening dienen te houden met deze bedrijfswoning. Uit het bestreden besluit noch uit de plantoelichting blijkt waarom een afstand van 20 m tussen de bedrijfswoning en het nieuwe bedrijventerrein aanvaardbaar is. Het gegeven dat de bedrijfswoning op een bestaand bedrijventerrein ligt, waar bedrijven zijn toegelaten met een hinderzone van 200 m, is geen rechtvaardiging voor een nieuw bedrijventerrein op een korte afstand van deze woning. De opmerking van de raad dat in een mogelijke vergunning krachtens de Wabo voorschriften kunnen worden opgenomen ter bescherming van de bewoners van de bedrijfswoning is in dit verband onvoldoende.”

Ontvang 1x per maand actuele jurisprudentie en actuele tips over succesvolle integratie van milieu in het bestemmingsplan