deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Handhaving bedrijfswoning en beroep op toekomstige wetgeving

Handhaving bedrijfswoning en beroep op toekomstige wetgeving door gemeentehandhaving bedrijfswoning

Het college van B&W heeft een verzoek om handhaving tegen het gebruik als burgerwoning van een woning afgewezen. Een maatschap exploiteert op hetzelfde perceel een pluimveehouderij. De woning is de voormalige bedrijfswoning bij de pluimveehouderij. In 1995 is de woning afgesplitst van het agrarische bedrijf door de afzonderlijke verkoop van de woning en het agrarische bedrijf. In 1996 heeft de huidige maatschap het agrarische bedrijf gekocht. De woning wordt bewoond door personen die geen binding met het pluimveehouderijbedrijf hebben.

De maatschap heeft een verzoek om handhaving ingediend met het verzoek om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de woning als burgerwoning. De maatschap vreest dat dit gebruik haar bedrijfsvoering kan belemmeren. (handhaving bedrijfswoning).

Het college stelt dat het de woning in voorkomende procedures op basis van de Wabo en Wm als een agrarische woning zal beschouwen. Dit betekent volgens het college dat de bedrijfsvoering van de maatschap op geen enkele wijze zal worden geschaad of belemmerd door bestuursrechtelijk handelen van het college in relatie tot het gebruik van de woning als burgerwoning. Verder is volgens het college het niet aannemelijk dat de inrichting gaat uitbreiden of zal wijzigen, aangezien door de rijksoverheid aangekochte reductie-eisen voor fijnstof voor de pluimveesector, uitbreiding of wijziging van de inrichting onmogelijk maken.

De Afdeling overweegt als volgt:Het staat vast dat het gebruik van de woning als burgerwoning in strijd is met de bestemming ‘Agrarisch gebied’, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden. (…) De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet in geschil is dat er geen concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestaat en dat enkel de vraag aan de orde is of handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college daarvan af behoorde te zien. (…) Het standpunt van het college, dat de maatschap niet in haar bedrijfsactiviteiten wordt beperkt door het gebruik van de woning als burgerwoning, is bovendien onjuist.

Bij zijn standpunt dat uitbreiding of wijziging van de inrichting niet aannemelijk of zelfs onmogelijk is, loopt het college ten onrechte vooruit op de aangekondigde reductie-eisen voor fijnstof en gaat het er ten onrechte van uit dat uitbreiding van het bestaande pluimveebedrijf de enige mogelijke door de maatschap gewenste bedrijfsactiviteit is. Het is niet uitgesloten dat de maatschap in de toekomst een omgevingsvergunning aanvraagt voor een bepaalde bedrijfsactiviteit die uitsluitend vanwege de aanwezigheid van een burgerwoning op het perceel niet kan worden verleend. Daarbij is van belang dat het college die aanvraag moet toetsen aan de toepasselijke wettelijke regelingen, op grond waarvan het college mogelijk niet de beoordelingsruimte heeft om de milieugevolgen voor de woning (…) niet in zijn beoordeling te betrekken. Afgezien van de mogelijkheid tot uitbreiding of wijziging van de pluimveehouderij, heeft de maatschap onweersproken gesteld dat zij door de feitelijke aanwezigheid van een burgerwoning op het perceel niet kan voldoen aan de voorschriften van de nu voor haar inrichting geldende omgevingsvergunning. Ook hierom wordt de maatschap in haar bedrijfsvoering belemmerd door het gebruik van de woning als burgerwoning.” Zie verder uitspraak ABRS 20 maart 2019, no. 201802435/1/A1.(handhaving bedrijfswoning)

Bent u agrariër en heeft u last van een (bedrijfs)woning? Bel 010 – 268 0689 of mail voor een oplossing!

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Agrarische bedrijfswoning noodzakelijk?

Agrarische bedrijfswoning noodzakelijk?agrarische bedrijfswoning

Over de noodzaak van bedrijfswoningen bij een agrarisch bedrijf is de laatste tijd veel te doen. Er zijn zelfs gemeenten die woningen bij een agrarisch bedrijf niet meer nodig vinden. Hoewel dat wellicht bij een tuinbedrijf niet echt nodig is, is het bij een veeteeltbedrijf echt om praktische redenen wel zo handig! Uiteraard is er van alles op afstand in de gaten te houden via camera’s, maar de praktijk van een veehouderij is weerbarstig!

In een uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018 komt de al dan niet aanwezige noodzaak van een agrarische bedrijfswoning weer ter sprake. Een gemeente in Noord-Holland heeft een last onder dwangsom doen uitgaan over het vermeend illegaal gebruiken van een stolpwoning als agrarische bedrijfswoning en de bewoning te staken.

De maatschap exploiteert een melkveehouderij en een schapenhouderij. Het bedrijf is gevestigd op drie percelen. De afstand tussen de percelen is ten hoogste 3 km. De agrarische bestemming laat wonen ten behoeve van het agrarisch bedrijf toe. Onder een agrarische bedrijfswoning wordt verstaan: “een woning liggend op het erf of terrein van een agrarisch bedrijf, uitsluitend bestemd voor de huisvesting van één of meer personen wiens/wier huishouding daar, gelet op de bestemming, en bedrijfsvoering van het bedrijf, noodzakelijk is.”

De Afdeling overweegt het volgende: “Op het perceel is een agrarisch bedrijf toegestaan. Ingevolge artikel 3 (…) van de planregels is wonen ten behoeve van het agrarisch bedrijf toegestaan op het perceel. De eis dat ten behoeve van het agrarisch bedrijf mag worden gewoond brengt met zich dat er een zekere relatie moet bestaan tussen de woning en het agrarisch bedrijf, wat betekent dat het bedrijf er een redelijk belang bij moet hebben dat de woning op het perceel moet worde bewoond. Deze eis gaat, anders dan waarvan het college uitgaat, niet zover dat wonen op als ‘Agrarisch’ bestemde percelen alleen is toegestaan in het geval dat wonen bij het bedrijf noodzakelijk is. Het college heeft in de in bezwaar gehandhaafde besluiten (…) ten onrechte niet onderzocht of appellant de stolpwoning op het perceel bewoont ten behoeve van het bedrijf als bedoeld in artikel 3 (…) van de planregels. Het betoog slaagt”. 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

grotere milieubelasting toestaan op bedrijfswoning bedrijventerrein

Grotere milieubelasting toestaan op bedrijfswoning bedrijventerreingrotere milieubelasting

De relatie bedrijfswoning en bedrijventerrein is een ongelukkige. Meestal gaat het om situaties die lang geleden zijn ontstaan omdat in een ver verleden de ondernemer bij zijn bedrijf woonde. De ellende begint vaak als de ondernemer de betreffende woning verkoopt aan een derde die vervolgens gaat klagen over stank- of geluidsoverlast. Hoewel door de technologische ontwikkelingen al minder vaak is van geluid- of stankoverlast, zijn er vrijwel altijd factoren aanwezig die zorgen voor hinder voor omwonenden. Dat kan ook laden en lossen zijn in de vroege ochtend. Meestal wil men wel de lusten ervaren (goedkopere woning), maar niet de lasten. Men vergeet zich vaak de vraag te stellen: waarom woon ik eigenlijk op een bedrijventerrein?

In een uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018 komt de relatie bedrijfswoning en bedrijventerrein aan de orde. Wat was er aan de hand?

De raad heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor een bedrijventerrein. De appellant betreft een eigenaar van een bedrijfswoning op het bedrijventerrein. Op grond in de nabijheid van zijn woning worden in het nieuwe plan bedrijven toegestaan met een milieucategorie van 3.1 en 3.2 in plaats van milieucategorie 1 en 2, zoals in het voorheen geldende plan. Appellant vreest als gevolg hiervan een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij wijst erop dat niet aan de aanbevolen richtsafstand wordt voldaan zoals aangegeven in de VNG-brochure.

De Afdeling overweegt als volgt: “Aan een voorheen geldend bestemmingsplan kunnen in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels vaststellen. In dit geval heeft de raad ervoor gekozen om, met het oog op een aantrekkelijk vestigingsklimaat, ter plaatse van in het geding zijnde gronden, bedrijven van milieucategorie 3.2 en 3.1 toe te staan. (…)

De Afdeling stelt vast dat het aan de orde zijnde gebied gekwalificeerd kan worden als een ‘gemengd gebied’. De raad heeft vanwege de omstandigheid dat in dit geval sprake is van een bedrijfswoning op een bedrijventerrein aanleiding gezien voor de bedrijven van milieucategorie 3.2 een richtafstand van 30 meter te hanteren. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid  deze richtafstand heeft kunnen hanteren voor bedrijven van milieucategorie 3.2 tot de bedrijfswoning van appellant. Hierbij acht de Afdeling (…) het van belang dat voor een bedrijfswoning op een bedrijventerrein in het algemeen een grotere milieubelasting aanvaardbaar kan worden geacht dan voor een burgerwoning (…). Lees meer in r.o. 4.4 van uitspraak ABRS 19 september 2018, no. 201709944/1/R1.


Meer weten over richtafstanden, het verkorten ervan of een andere oplossing voor bedrijfswoningen op een bedrijventerrein?

de omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Noodzaak agrarische bedrijfswoning aangetoond

Noodzaak agrarische bedrijfswoning aangetoondnoodzaak agrarische bedrijfswoning

Het is in de praktijk steeds moeilijker geworden om de noodzaak van een bedrijfswoning aan te tonen bij agrarische bedrijven. Naar mijn mening is het altijd van belang bij een agrarisch bedrijf te wonen, niet alleen bij het houden van vee. Af en toe verschijnen er uitspraken waarin de bedrijfswoning ‘in stand blijft’ en om die reden deze publicatie.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt de bouw van een agrarische bedrijfswoning mogelijk, op gronden met de bestemming Agrarisch-Glastuinbouw. De raad heeft zich bij het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan gebaseerd op het ondernemingsplan van LTO.

Volgens appellant had de raad geen bruik mogen maken van dit rapport, omdat de opzet van het bedrijf niet volwaardig is en de urenomvang van de huidige situatie niet overeenstemt met het idee van een volwaardige arbeidsbehoefte. Er is volgens appellant geen sprake van een volwaardig bedrijf en het is ook niet realistisch dat te verwachten, aldus appellant.

Verder stelt appellant dat het bij de beoordeling van de noodzaak van een bedrijfswoning gaat om de onmisbaarheid van toezicht en controle buiten de normale werkuren, of om de grote kwetsbaarheid van de teelt of productie. Dat is volgens appellant niet aan de orde. Volgens hem wordt er uitsluitend hobbymatig geteeld. Voor hobbymatig gebruik is volgens hem geen bedrijfswoning noodzakelijk.

LTO concludeert in het Ondernemingsplan op basis van de begrote arbeidsvraag en de bedrijfsresultaten van het bedrijf dat er sprake is van een levensvatbaar en volwaardig bedrijf. Dat hij daar in de huidige situatie nog niet volledig invulling aan heeft kunnen geven, doet daar aan niet af.

Volgens het andere rapport dat is uitgevoerd is het noodzakelijk dat de agrariër bij zijn bedrijf woont. Door het afwijkende afzetconcept en de afhankelijkheid van de inbreng van eigen arbeid is het noodzakelijk dat hij bij zijn eigen bedrijf woont. Lees meer in r.o. 6.2 van uitspraak ABRS 12 juli 2017, no. 201608609/1/R3.

Hulp nodig bij het aantonen van de noodzaak van een agrarische bedrijfswoning?

noodzaak agrarische bedrijfswoning

omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Definitie grondgebonden veehouderij bestemmingsplan

Definitie grondgebonden veehouderij bestemmingsplan

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van een bestaande melkrundveehouderij. Vergund is een toename van het aantal dieren en het uitbreiden van de bestaande stal met 106 dierplaatsen. definitie grondgebonden veehouderij

Appellant betoogt in hoger beroep dat de veehouderij als een grondgebonden agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan aan te merken. Volgens hem is het daarvoor niet voldoende dat het voer voor de veestapel in overwegende mate afkomstig is van de grond van het bedrijf. Indien dat wel zo zou zijn is volgens appellant evenmin sprake van grondgebondenheid omdat het bedrijf slechts beschikt over 57% van de grond die nodig is om het voer voor de veestapel volledig te produceren.

In het bestemmingsplan is de definitie grondgebonden veehouderij: “een agrarisch bedrijf dat is gericht op het houden van dieren en dat voor de bedrijfsvoering afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond die tot dat bedrijf behoort.”

In de planregels van het bestemmingsplan is niet bepaald wat onder afhankelijk moet worden verstaan. De Afdeling is van oordeel dat een redelijke uitleg van van de definitie met zich brengt dat afhankelijkheid niet betekent dat al het voer voor de veestapel afkomstig is van de grond die tot het bedrijf behoort. Het college van B&W heeft als richtlijn aangehouden dat ten minste 75% van het benodigde voer van de bij de veehouderij behorende gronden komt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college hier niet van zou mogen uitgaan.

Lees meer in r.o. 9.5 van uitspraak ABRS 22 maart 2017, no. 201601878/1/A1.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Agrarische bedrijfswoning en noodzaak

Agrarische bedrijfswoning boomkwekerij en noodzaak

De agrarische bedrijfswoning is steeds vaker punt van discussie tussen gemeente en aanvrager. Hoewel ten aanzien van de eerste bedrijfswoning er geen (extra) eisen kunnen worden gesteld voor de noodzaak ervan, wordt dit in de praktijk wel gedaan door de gemeente. Er wordt dan meer gevraagd dan op basis van de definitie in het agrarische bedrijfswoningbestemmingsplan van een agrarische bedrijfswoning noodzakelijk is. Vaak wordt advies ingewonnen bij een Agrarische Adviescommissie.

In de zaak die aan de orde was in een uitspraak van de Raad van State van 23 december 2015, ging het om een bedrijfswoning bij een boomkwekerij. Ik heb deze uitspraak opgenomen omdat deze ingaat op de onderdelen die van belang zijn om de noodzaak aan te tonen voor een bedrijfswoning bij een boomkwekerij. In deze uitspraak wordt onder meer het volgende overwogen: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang, of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de aanvrager opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. In de ruimtelijke onderbouwing (…) is vermeld dat in het afleverseizoen van september tot eind mei gedurende de dagperiode op willekeurige momenten transporteurs langskomen, ook op momenten dat appellant nog op zijn woonlocatie is. Verder is vermeld dat de aanwezigheid van appellant op de locatie van het bedrijf noodzakelijk is voor de te verrichten werkzaamheden en toezicht op de werknemers, waarbij met name in de zomerperiode na zonsondergang nog bevloeiing van planten is vereist in verband met risico op verbranding bij bevloeiing overdag. Ook de gevoeligheid voor diefstal van de coniferen, die een hoge prijs vertegenwoordigen, en de uitgebreide bedrijfsinventaris, maken een bedrijfswoning volgens de ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk.”

Lees meer in uitspraak ABRS 23 december 2015, no. 201500921/1/A4

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Noodzaak bedrijfswoning in bestemmingsplan

Noodzaak bedrijfswoning – bestemmingsplan en definitie van bedrijfswoning: noodzaak aanwezig?

Een veel voorkomende definitie van bedrijfswoning of dienstwoning is: “een woning slechts bestemd voor (het gezin van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.”

In dit geval maakte de bestemming ‘Recreatie’ een dergelijke woning mogelijk. De eigenaar van het terrein brengt bij de Afdeling naar voren dat het terrein wordt gebruikt door een kampeervereniging. Hij wil op dat terrein toezicht houden, het terrein onderhouden en als aanspreekpunt dienen voor de bezoekers van het terrein.

De Afdeling overweegt als volgt: “De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling  (o.m. uitspraak van 26 januari 2005, no. 200404881/1) overwogen dat met betrekking tot de vraag naar de noodzaak van een dienstwoning  het van belang is of de bedrijfsvoering ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de aanvrager opeist, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. De rechtbank heeft voort terecht overwogen dat door appellant niet aannemelijk is gemaakt dat de bedrijfsvoering, voor zover daarvan sprake is, zoveel tijd en aandacht van hem vraagt dat hij daardoor op het terrein moet wonen. Dat het laatste voor hem wellicht praktisch zou zijn, is daarvoor niet voldoende. Uit de omstandigheid dat op het terrein wel eens vernielingen plaatsvinden, vloeit niet rechtstreeks de noodzaak van een dienstwoning voort, te meer nu het terrein op andere manieren zou kunnen worden beveiligd”.

Zie uitspraak ABRS 20 maart 2013, no. 201206577/1/A1