Besluit activiteiten leefomgeving in het kort

Besluit activiteiten leefomgeving in het kort – deel 1 

Het Besluit activiteiten leefomgeving in het kort weergeven is een onmogelijke opgave. Het ontwerpbesluit inclusief toelichting bevat 1305 pagina’s. Toch ga ik het proberen. Ik ga wekelijks op hoofdlijnen in op de belangrijkste aspecten en gevolgen voor de praktijk. Dat gebeurt aan de hand van het ontwerpbesluit die in juni 2017 is verschenen. Omdat niemand er nog praktijkervaring mee heeft hoop ik dat ik er elke week een element kan uithalen dat belangrijk is voor de praktijk. Hoewel het nog geen 2019 is (beoogde inwerkingtreding) kunnen we er niet vroeg genoeg mee beginnen. Alleen al om vertrouwd te raken met de nieuwe begrippen en het stelsel. In deel 1 wordt kort ingegaan op:

  • milieubelastende activiteitenbesluit activiteiten leefomgeving
  • het begrip ‘inrichting’ is verdwenen

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) maakt onderdeel uit van het vernieuwde stelsel van het omgevingsrecht en is één van de 4 AMvB’s die uitvoering geven aan de Omgevingswet. Het Bal stelt rechtstreeks werkende rijksregels over activiteiten in de fysieke leefomgeving aan burgers, bedrijven en overheden in de rol van initiatiefnemer. Het gaat daarbij vooral om milieubelastende activiteiten en wateractiviteiten. Het Bal heeft betrekking op het brongerichte spoor. Het bevat regels om emissies van activiteiten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Het Bal geeft aan welke algemene rijksregels gelden voor bepaalde activiteiten in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het Bal is het principe van ‘decentraal, tenzij‘ vrij ver doorgevoerd. Het uitgangspunt is dat locatieafhankelijke regels met betrekking tot bijvoorbeeld geluid, geur en externe veiligheid ter bescherming van omwonenden of ter bescherming van regionale watersystemen beter kunnen worden gesteld door gemeenten en waterschappen, gekoppeld aan specifieke locaties. Vooral gemeenten krijgen er veel werk bij.

Milieubelastende activiteiten zullen straks echter niet alleen door het Bal of de omgevingsvergunning worden geregeld, maar kunnen ook via het omgevingsplan worden gereguleerd. De vraag voor de praktijk is straks welke milieubelastende activiteiten er door de decentrale overheid mogen worden geregeld. Met andere woorden, welke ruimte en flexibiliteit is hier voor. Daar zit een zekere spanning in.

Milieubelastende activiteit in plaats van inrichting – Of een bepaalde activiteit onder de reikwijdte van het Bal valt en/of vergunningplichtig is bepaalt Hoofdstuk 3 van het Bal. Van belang is of een activiteit al dan niet milieubelastend is.

Wat is een milieubelastende activiteit? Dat is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk of een waterontrekkingsactiviteit. (Zie bijlage 1 bij artikel 1.1 van de Omgevingswet voor de definitie).

Is een activiteit niet als milieubelastende activiteit genoemd in het Bal, dan is het Bal niet van toepassing. In een omgevingsplan kunnen daarvoor dan nog wel regels gelden. Nu het begrip inrichting is losgelaten kunnen ook hobbymatige of kortdurende activiteiten milieubelastende activiteiten zijn ingevolge H. 3 van het Bal.

Voor meer informatie over de ontwerpbesluiten en de ontwerp-Omgevingswet zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/.

Op naar deel 2 van de ontdekkingstocht…

omgevingsjurist

Gezondheid in ruimtelijke ordening vastgelegd in Wro voor Brabant

Gezondheid in ruimtelijke ordening wordt vastgelegd in Wro voor Brabant

Er is steeds meer aandacht voor het aspect gezondheid in ruimtelijke ordening. Met name door schaalvergroting van intensieve veehouderijen worden er vanuit de politiek en bevolking twijfels en bezorgdheid geuit over de mogelijke bedreiging van de volksgezondheid. Al eerder schreef ik over dit onderwerp.

Er is thans een voorstel ingediend tot aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en van de bijlage bij de Crisis- en herstelwet (Chw) (9e tranche).

Het voorstel maakt het mogelijk dat provinciale staten van Noord-Brabant in aanvulling op artikel 4.1 juncto artikel 3.1, eerste lid, Wro in de provinciale verordening ruimte ook regels kunnen stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Met deze bepaling wordt vooruitgelopen op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het betreft een experiment.

De regels die provinciale staten in hun verordening ruimte kunnen stellen zijn:

  • in afwijking van de artikelen 2 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij kunnen voorschriften worden gesteld over de cumulatieve geurhinder veroorzaakt door veehouderijen;
  • in afwijking van artikel 5.6, eerste lid van de Wet milieubeheer voor veehouderijen kan een grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) worden gesteld die strenger is dan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) gesteld in paragraaf 4 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer.

Minister Blok wil ruimere afwijkingsmogelijkheden in bestemmingsplannen om gebiedsontwikkeling te versnellen

Minister Blok wil ruimere afwijkingsmogelijkheden in bestemmingsplannen om gebiedsontwikkeling te versnellen 

Gebiedsontwikkeling versnellen: Wie wil dat nou niet? Snelheid in ruimtelijke besluitvorming en het afschaffen van overbodige regels. Helaas is de dagelijkse praktijk anders. Minister Blok schrijft in een brief van 27 november 2013 aan de voorzitter van de Tweede Kamer dat de crisis in de bouwsector een urgent vraagstuk is dat actie van sociale partners en kabinet vergt. Uit een recente rapportage van de Wereldbank blijkt namelijk dat Nederland bij het verlenen van vergunningen om een bedrijfsgebouw neer te zetten, op een ranglijst van 189 landen als 97e zwak scoort.

Volgens hem zet het kabinet met de Omgevingswet in op vereenvoudiging en bundeling van regels voor ruimtelijke projecten. Het wordt op deze manier gemakkelijker om ruimtelijke projecten te realiseren, ook voor de bouwsector. De verwachte inwerkingtreding is 2018. Gezien de nog 4 jaar die het duurt voordat ‘dit wondermiddel’ de boel gaat redden, geeft hij bij voornoemde brief een aantal tips voor de praktijk. Met name gemeenten moeten het ontgelden. Er wordt ingezet om verandering van zekerheid zoekende bestuurlijke en ambtelijke cultuur die vertragend en belemmerend werkt in de uitvoeringspraktijk van de bouw. Verder is het doel om het stapelen van regelgeving  door onder andere het plaatsen van lokale koppen op landelijke regels, terug te dringen.

In de brief staat verder dat er behoefte is aan een gefaseerde en praktische opzet van planvorming en het daarbij behorende onderzoek. (…) Bij binnenstedelijke ontwikkelingen kunnen andere eisen worden gesteld dan bijv. bij een ontwikkeling in een belangrijk natuurgebied. (Goh, nooit geweten :-)).

Zoals u wellicht al wel merkt aan de toon van dit bericht erger ik me aan dit soort populistische taalgebruik van politici. De woorden ‘aanpakken’ en ‘vereenvoudiging’ scoren goed. De praktijk is echter weerbarstiger dan de simpele voorstelling van zaken die een politicus naar voren brengt. Naar mijn stellige mening heeft de praktijk vooral behoefte aan rust. Rust in wetgeving. Laat een gekozen systeem voor de bouw en ruimtelijke ordening nou eens een aantal jaren draaien of schaf echt regels af. Bij het gemeentelijke loket weten ze het echt niet meer en dat verbaast me niets: vrijstelling, ontheffing, projectbesluit, afwijken via omgevingsvergunning? Weet u het nog?

Verder vloeien een groot aantal onderzoeksplichten voor het realiseren van ruimtelijke projecten voort uit Europese richtlijnen. Nederland heeft daar volmondig ja tegen gezegd en deze kunnen niet zo maar opzij worden geschoven.

Een tip van de minister: “Een andere best-practise is het standaard in bestemmingsplannen opnemen van ruimere afwijkings- en vrijstellingsmogelijkheden en hardheidsclausules. Het Rijk en de VNG zullen hier nadere bekendheid aan geven”. 

Ja gemeenten, volgens de minister wordt het dan allemaal veel gemakkelijker en flexibeler. Ik wijs de minister graag op het volgende. Volgens uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijv. ABRS 15 augustus 2012, no. 201105700/1/R4) mogen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden slechts betrekking hebben op ondergeschikte delen van het bestemmingsplan, zoals hoogtematen of beperkte overschrijding van bestemmingsgrenzen. Met andere woorden: de afwijking mag niet te groot zijn. Deze mogelijkheid valt dus af.

Welke flexibele mogelijkheden zijn er nog meer? De wijzigingsbevoegdheid? Ook hier geldt op basis van vaste jurisprudentie dat bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid voldoende inzicht moet bestaan in de gevolgen van de toepassing van de bevoegdheden. Voor de praktijk betekent dit dat er vooraf onderzoek moet worden gedaan naar de gevolgen en impact van de wijziging op de omgeving. Dit kan betekenen dat er bijv. akoestisch onderzoek moet worden verricht, onderzoek naar flora en fauna, onderzoek naar verkeerstechnische situatie, cumulatieve geurbelasting, aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor toekomstige bewoners, etc. Het is dus niet mogelijk om zonder onderzoek en beperkte kosten flexibele plannen te maken. Dit geldt eveneens voor de uitwerkingsbevoegdheid in een bestemmingsplan.

Rust in de tent. Net zoals de minister ben ik een groot voorstander van versnelling in gebiedsontwikkeling en besluitvorming. Wie wil dat nou niet? Dit vraagt echter creativiteit van betrokkenen en begrippen en procedures in regelgeving die een flink aantal jaren meegaan. De laatste jaren wordt de praktijk echter overvoerd door nieuwe regelgeving met nieuwe begrippen en bijbehorende procedures. De praktijk kan zo nooit wennen en blijft zo onnodige fouten maken. Maak een keuze en schaf echt eens wat regels af in plaats van cosmetische veranderingen, zoals bij de Wabo waar zogenaamd allerlei regelingen werden afgeschaft, maar in een andere vorm via de achterkant weer in de Wabo terecht zijn gekomen.

Leestip voor de minister: ‘Deregulering met behoud van ellende’, Jan Struiksma, oratie VU 2003.

omgevingsjurist