deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemming

Hakselen hout in strijd met agrarische bestemminghakselen hout

Het college van B&W heeft een last onder dwangsom opgelegd voor het opslaan van hout en het verwerken van boomstammen tot hoogwaardige micro-chips. Het ter plaatse gevestigde bedrijf produceert kleine houtsnippers die aan andere bedrijven verkocht worden. Ze hakselen zowel wijnranken op eigen terrein als stamhout afkomstig uit bos in de omgeving.

Volgens het college zijn voornoemde activiteiten in strijd met de geldende agrarische bestemming. Appellant stelt in hoger beroep dat het hout afkomstig is van eigen wijnranken en een bijproduct is van zijn eigen wijngaard. Deze activiteit moet worden aangemerkt als agrarisch bedrijf overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Volgens appellant is de activiteit gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen.

De Afdeling overweegt als volgt: “De activiteit die het bedrijf verricht  – het hakselen van hout dat deels van eigen grond en deels van elders afkomstig is – kan niet worden aangemerkt als (behorend bij) grondgebonden veehouderij. (…) De activiteit kan naar het oordeel van de Afdeling ook niet worden aangemerkt als akker- en vollegrondstuinbouw (…). Het hakselen van stamhout is niet hetzelfde als het telen van gewassen. Het is (…) ook niet een activiteit die nauw samenhangt met het telen van gewassen, want stamhout is geen gewas. Bovendien is het productieproces van de micro-chips niet beperkt tot een ondergeschikte verwerking van bijproduct van de eigen ter plaatse toegestane wijngaard, aangezien [het bedrijf] ook hout van andere bedrijven gebruikt. Dit gebruik van het perceel is dan ook niet toegestaan op gronden met de bestemming Agrarische doeleinden. Lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 26 februari 2020, zie rechtspraak.nl.

MH: Belangrijk is om te kijken naar de definities die gebruikt worden in het geldende bestemmingsplan. Sommige definities van agrarisch bedrijf zijn ruimer dan de andere. In dit geval is de definitie uitgesplitst in bepaalde vormen van agrarisch bedrijf.

Meer weten over de uitleg van definities in een geldend bestemmingsplan? Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Reikwijdte plattelandswoning artikel 1.1a Wabo

Reikwijdte plattelandswoning – artikel 1.1a Waboreikwijdte plattelandswoning

De raad heeft een herziening van het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld voor een wijziging van een pelsdierhouderij. De eigenaar stelt in beroep dat de gemeente ten onrechte geen aanduiding heeft opgenomen voor een plattelandswoning. Volgens hem zullen de huidige bedrijfsactiviteiten binnenkort wijzigen. Het houden van pelsdieren moet met ingang van 1 januari 2024 gestaakt worden. Hij overweegt echter ook om alle agrarische activiteiten te staken. Op de zitting heeft de eigenaar toegelicht dat een plattelandswoning voor hem de mogelijkheid biedt om in de toekomst het resterende agrarische bedrijf te verkopen. Hij wil de keuze hebben om zelf in de bedrijfswoning te blijven wonen of het bedrijf en de bijbehorende bedrijfswoning te verkopen.

De raad stelt in beroep dat het toekennen van een aanduiding als plattelandswoning geen toekomstbestendige oplossing is. Volgens de raad kan op grond van artikel 1.1a Wabo een agrarische bedrijfswoning uitsluitend als plattelandswoning worden toegekend als ter plaatse of in de directe omgeving een agrarisch bedrijf in werking is.

De Afdelingvolgt de raad niet in het standpunt dat een aanduiding van een agrarische bedrijfswoning in een bestemmingsplan als plattelandswoning in de toekomst ertoe kan leiden dat strijd met het bestemmingsplan of artikel 1.1a Wabo ontstaat als het bijbehorende agrarische bedrijf zou stoppen. Aan dat standpunt van de raad ligt de veronderstelling ten grondslag dat de wettelijke regeling voor plattelandswoningen in artikel 1.1a van de Wabo uitsluitend van toepassing is als ter plaatse sprake is van een feitelijk aanwezige en in werking zijnde landbouwinrichting. (Reikwijdte plattelandswoning)

(…) In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de zinsnede “een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, uit artikel 1.1a van de Wabo met zich brengt dat de raad een woning in twee situaties met het oog op bewoning door een derde kan bestemmen als plattelandswoning. Lees meer in r.o. 5.2 van uitspraak ABRS 26 februari 2020, no. 201801850/3/R2.

Bel voor praktische oplossingen voor uw bedrijfswoning 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan bewijzen

Bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan bewijzenbedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan

De gemeente heeft een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld. Eén van de appellanten stelt dat zijn perceel ten onrechte is bestemd als Wonen. Hij voert in beroep aan dat hij sinds 1970 een agrarisch loonbedrijf ter plaatse uitoefent. Die activiteiten waren ook in voorgaande bestemmingsplannen als zodanig bestemd.

De gemeente stelt dat er niet langer bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend. Ook ontbreekt volgens de gemeente een concreet zicht op een op een ruimtelijk aanvaardbare manier opnieuw gebruiken van het perceel ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie. Volgens de raad wordt voldaan aan de kwalificatie ‘bedrijfsmatig’ wanneer er sprake is van een meer dan symbolische vergoeding en wordt deelgenomen aan het normaal economisch verkeer. Daarbij heeft de raad aansluiting gezocht bij de criteria voor een onderneming die door de Kamer van Koophandel worden gehanteert. Volgens de gemeente horen verder melkwagens niet meer bij het bedrijf. Er is ook geen sprake van een aanvraag voor een milieuvergunning of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is het bedrijf uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kvk.

De Afdeling overweegt: “dat de raad zich voor zijn standpunt heeft gebaseerd op de uitschrijving uit het handelsregister van de Kamer van koophandel, op de bevindingen van een milieucontrole (…) en op het ontbreken van een nieuwe aanvraag voor een milieuvergunning of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit het verslag van de milieucontrole blijkt dat de twee melkvrachtwagens geen deel meer uitmaken van de bedrijfsmiddelen, maar dat rechtvaardigt nog niet de conclusie dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse geheel zouden zijn gestaakt. Daarbij betrekt de Afdeling dat de controle ongeveer 10 jaar voor de vaststelling van het plan plaatsvond. Om aan te tonen dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten op het perceel heeft appellant in het kader van de zienswijzeprocedure bij brief (…) 9 verklaringen van cliënten over verrichte diensten overgelegd en ook een opsomming van machines die door appellant worden ingezet, een verklaring over een intentie tot samenwerking en een bouwtekening van een nog aan te vragen omgevingsvergunning voor een nieuw te bouwen bedrijfshal/loods. Uit de overgelegde verklaringen, die de raad niet betwist, volgt dat door appellant reparatie- en herstelwerkzaamheden worden verricht aan land- en tuinbouwmachines. Met de overgelegde stukken heeft appellant naar het oordeel van de Afdeling een begin van bewijs geleverd dat op zijn perceel bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. (…)”. (bedrijfsmatige activiteiten bestemmingsplan)

Lees meer in r.o. 4.3 van uitspraak ABRS 18 december 2019, no. 201807048/1/R1.

Benieuwd of uw activiteiten wel bedrijfsmatig zijn? Bel 010 – 268 0689 of mail. 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Verrijdbare kas buiten bouwvlak bestemmingsplan?

Verrijdbare kas buiten bouwvlak bestemmingsplan?verrijdbare kas

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een verrijdbare kas. Het bouwplan bestaat uit twee verrijdbare kasonderdelen. De kassen hebben elk een oppervlakte van 400 m². Het baanvak waarover de kas rijdt heeft een lengte van 160 meter.

Volgens appellant past het bouwplan niet in het nieuwe bestemmingsplan. Hij voert aan dat de verrijdbare kassen zich buiten het bouwvlak kunnen bevinden.

De standplaats van de twee verrijdbare kassen bevindt zich in het bouwvlak van het bestemmingsplan. Volgens de aanvrager van de omgevingsvergunning is de rolkas nodig om voor het buitensluiten van regen om droogteproeven te kunnen uitvoeren. Wanneer het niet regent is de kas geparkeerd. Wanneer het regent moet de kas over het proefveld. De rolkas staat voor het grootste gedeelte van de tijd op de parkeerplek naast de bestaande loods.

De Afdeling is van oordeel dat “het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt gebouwd buiten het bouwvlak als de tunnelkas wordt verplaatst op de buiten het bouwvlak aanwezige palen. Daarbij is van belang dat de tunnelkas alleen buiten de voormelde incidentele werkzaamheden wordt geplaatst op de palen (…). Anders dan appellant stelt behoeft het traject waarover de kassen kunnen worden uitgereden gelet op het voorgaande niet te worden meegeteld bij de beantwoording van de vraag of voldaan wordt aan het maximum aan te bebouwen oppervlakte als bedoeld in (…) van de planregels. Het betoog faalt.”

Lees meer in r.o. 9 van uitspraak ABRS 4 september 2019, no. 201709787/1/A1.

Alleen voor agrariërs: Check of uw kas in het bestemmingsplan past! Bel 010 – 268 0689 of mail.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Agrarische bedrijvigheid bestemmingsplan niet onbegrensd

Agrarische bedrijvigheid op grond van bestemmingsplan niet onbegrensd

  • omgevingsvergunningagrarische bedrijvigheid
  • bestemmingsplan
  • bouwvlak
  • bewoning
  • onbelemmerde ontwikkelingsmogelijkheden agrarische bedrijvigheid?

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor een woon-zorggebouw in het buitengebied. Het betreft een woongemeenschap voor maximaal 4 ouderen. Het doel van de initiatiefnemers is om samen te wonen en zelfvoorzienend te zijn op het gebied van energie en verzorging. In het gebouw worden 4 woningen gerealiseerd en een gemeenschappelijke ruimte.

De nabij gevestigde veehouder stelt dat hij door het plan ten onrechte in de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van zijn veehouderij wordt beperkt. Op een groter gedeelte van zijn perceel kan hij door het plan geen bedrijfsbebouwing met emissiepunten meer kan oprichten.

Voor zover de gemeente stelt dat uitbreiding gezien de beperkte grondpositie en het huidige aantal dieren niet mogelijk is, miskent de gemeente volgens appellant dat er planologisch meer mogelijk is dan alleen het houden van rundvee.

Ten aanzien van mogelijke beperkingen van toekomstige bedrijfsmogelijkheden stelt de gemeente dat hij niet gehouden is om bij planologische veranderingen altijd uit te gaan van blijvende onbelemmerde ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de gemeente kunnen ook de uitbreidingsverwachting, een uitbreidingsalternatief, de ernst van de belemmering en de waarschijnlijkheid van de belemmering in de afweging worden betrokken. Er is volgens de gemeente sprake van een theoretische belemmering van 400 m² extra gronden waar appellant in de toekomst geen bedrijfsbebouwing met emissiepunten meer kan oprichten. Deze gronden zijn volgens de gemeente gelegen op een plaats waar agrarische bedrijfsbebouwing gelet op stedenbouwkundige uitgangspunten niet voor de hand ligt.  Voorts acht de gemeente het gelet op algemene ontwikkelingen in de agrarische sector, de ontwikkeling in dit gebied, en de huidige veebezetting van het bedrijf niet aannemelijk dat appellant of diens rechtsopvolger op de desbetreffende 400 m² bedrijfsbebouwing zou willen oprichten (…).

De Afdeling stelt vast “dat de afstand tussen een dierenverblijf met dieren zonder geuremissefactor en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, zowel op grond van de Wgv als het Activiteitenbesluit milieubeheer, 50 meter moet bedragen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid de afstandseis van het Activiteitenbesluit en niet de richtafstanden van de VNG-brochure als uitgangspunt kunnen nemen. Lees meer in r.o. 5.3 van uitspraak ABRS 20 februari 2019, no. 201806805/1/R3.

Noot MH: De Raad van State lijkt in deze uitspraak niet meer uit te gaan van de maximale planologische mogelijkheden. Aspecten als uitbreidingsverwachting, stedenbouwkundige uitgangspunten, algemene ontwikkelingen in de agrarische sector, etc. mogen dus betrokken worden in de besluitvorming van ruimtelijke besluiten. De vraag is of dit alleen voor agrarische bedrijvigheid geldt of ook voor andere sectoren. Interessant!

Voor meer informatie bel 06-55897008 (Marian Harberink) of stuur een email.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingsvergunning plattelandswoning met kruimelgevallenregeling onmogelijk?

Omgevingsvergunning plattelandswoning met beleid kruimelgevallenregeling onmogelijk gemaakt?omgevingsvergunning plattelandswoning

De gemeente heeft een omgevingsvergunning geweigerd voor het bewonen van een agrarische bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf door derden. Bij een controle door de gemeente is geconstateerd dat de bedrijfswoning wordt gebruikt als burgerwoning. Op het aanvraagformulier voor de omgevingsvergunning is vermeld: “Aanvraag omgevingsvergunning o.b.v. Kruimelgevallenregeling Besluit omgevingsrecht, voor het bewonen van de bedrijfswoning door derden (plattelandswoning) voor een periode van maximaal 10 jaar.”

De rechtbank heeft overwogen dat wederpartij in dit geval expliciet heeft gevraagd om een omgevingsvergunning voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de leden 1 tot en met 10 van artikel 4, van bijlage II, bij het Bor, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar, zoals bedoeld in het 11e lid van dat artikel. (…) Volgens de rechtbank heeft het college met de beleidsregel “Beleid plattelandswoning gemeente Haaren” de mogelijkheid om voor het tijdelijke gebruik van een woning als plattelandswoning een vergunning te verkrijgen op grond van de kruimelgevallenregeling geheel onmogelijk gemaakt.

Het college brengt naar voren dat het de aanvraag op inhoudelijke gronden heeft geweigerd, op grond van criteria die gelden voor een plattelandswoning. Volgens het college heeft het zich niet op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een kruimelgeval, en evenmin dat sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo.  Een en ander neemt volgens het college niet weg dat vanwege zijn beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid ten aanzien van gronden van goede ruimtelijke ordening de eis van het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure voor de plattelandswoning mag stellen.

In de beleidsregel van de gemeente wordt ten aanzien van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bewonen van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning de voorkeur uitgesproken voor het toepassen van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3 van de Wabo.

Volgens de Raad van State wordt evenwel niet onmogelijk gemaakt om voor een tijdelijk gebruik van een bedrijfswoning als plattelandswoning een vergunning te verkrijgen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II. Van een categorale uitsluiting van de toepasselijkheid van deze regeling in de beleidsregel is geen sprake. (…) Het betoog van het college slaagt.

Lees meer in uitspraak ABRS 16 januari 2019, no. 201706158/1/A1. [omgevingsvergunning plattelandswoning]

Een plattelandswoning mogelijk maken? Bel 06-55897008 voor meer informatie of mail.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Paarden buitengebied ongewenst bij gemeenten

Paarden in buitengebied ongewenstpaarden buitengebied

De titel is wat dik aangezet. Toch merk ik in de praktijk heel vaak dat mensen die al dan niet beroepsmatig paarden willen houden, veel weerstand ontmoeten van gemeenten. Het principeverzoek wordt afgewezen of de omgevingsvergunning wordt geweigerd. Voor veel initatiefnemers is dit onbegrijpelijk. Men heeft bijvoorbeeld een voormalige agrarische locatie in het buitengebied op het oog. De omstandigheden lijken ideaal: genoeg ruimte, bestaande (paarden)stalruimte en men is bereid de locatie op te knappen. Genoeg voordelen zou je zeggen! Helaas is de praktijk anders.

Gedimdam over definities paardenhouderij, paardenfokkerij, etc.

De meeste gemeenten hanteren de gangbare definities uit het bestemmingsplan buitengebied. Veel nieuwe vormen van het houden van paarden, zoals bijv. paardencoaching, dagbesteding met paarden voor volwassenen of kinderen met leerproblemen, zorgboerderijen met paarden, etc. vallen niet direct onder de bestaande definities uit het geldende bestemmingsplan, en dus wordt vaak de vergunning geweigerd. In juridisch opzicht helemaal juist. Maar de juridische wereld is niet de echte wereld. Het vreemde voor de ondernemer is bijv. dat de ambtenaar van de afdeling Welzijn (of iets dergelijks) vaak al wel positief heeft gereageerd op bijv. de zorgboerderij in de gemeente.

Paarden buitengebied eisen en oplossingen – In de praktijk zie ik dat veel van deze ondernemers gevechten moeten aangaan met gemeenten. Er worden eindeloos veel eisen gesteld of er wordt gehandhaafd wegens strijd met het bestemmingsplan. Dat is heel frustrerend en kost onnodig veel energie en geld bij de initiatiefnemer. Vooral omdat het ook om een bedrijf gaat of kan gaan met een behoorlijke omzet.

Zoals iedereen in de RO-praktijk weet is het buitengebied erg veranderd en nog steeds aan verandering onderhevig. Er komen nieuwe vormen van agrarisch ondernemerschap of andere niet-agrarische activiteiten met dieren. Dit betekent uiteraard niet dat alles maar moet worden toegelaten. Maar het houdt wel in dat op een meer creatieve manier moet worden gekeken naar nieuwe vormen van ondernemerschap met paarden in het buitengebied. Beste ambtenaar, probeer wat ruimer te kijken naar dergelijke initiatieven en wijs de aanvraag niet direct af. Geen enkel initiatief is hetzelfde.  Ook de weerstand van gemeenten tegen rijbakken is ergerniswekkend. Eventueel kan hier de eis gesteld worden de rijbak achter de bebouwing te situeren, mocht het directe zicht op de rijbak een probleem zijn. Paarden moeten immers bereden en getraind worden.

Waar moeten paarden anders gehouden worden? In de stad of het dorp? Het platteland is daar bij uitstek geschikt voor, zeker nu steeds meer (voormalige) agrarische locaties leeg staan.

De oplossing: kijk naar de planologisch impact van het initiatief en niet zo zeer naar strakke – veelal oude – definities uit het geldende bestemmingsplan. Die zijn niet meer van deze tijd! Onderken ook dat een bestemmingsplan geen vaststaand iets is. De omgeving is telkens in beweging en ontwikkelingen gaan snel. Te snel voor bestemmingsplannen en beleid.

Jurisprudentie over paarden [paarden buitengebied]

Hulp nodig bij een aanvraag om een zorgboerderij met paarden, paardencoaching of andere bedrijvigheid met paarden?

  • ruime ervaring met principeverzoeken/aanvragen in het buitengebied
  • we spreken de taal van de gemeente
  • u hoort vooraf of uw initiatief kansrijk is of niet

Bel 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

de plattelandswoning: een bron van burenruzies!

De plattelandswoning: een bron van burenruzies!de plattelandswoning en burenruzie

Regelmatig komen er aanvragen om advies bij ons binnen over plattelandswoningen. Wonen op het platteland is voor velen – ondanks een grote trek naar de stad – nog steeds aantrekkelijk. Behalve de relatief lage prijs van een plattelandswoning voor een burger, is er vaak ook een financiële reden voor een agrariër om de woning apart te willen verkopen. Twee vliegen in één klap zou je denken! Helaas is de praktijk nogal weerbarstig en is de plattelandswoning vaak een bron voor burenruzies en grote ergernis.

Dat komt vooral door het feit dat de plattelandswoning in de meeste gevallen veel te dicht op het agrarische bedrijf staat. In het begin vinden burgers het leuk om bij een boerderij te wonen. Dat wordt minder naarmate de tijd vordert. Als voorbeeld noem ik het wonen bij een fruitboomgaard. In het voorjaar ziet dat er prachtig uit met alle bloesem. Totdat de fruitteler de bomen gaat bespuiten; telefoontjes en brieven richting gemeente en een burenruzie tot gevolg. Het gaat vaak zover dat de betrokkenen niet meer slapen en elkaar de ergste verwijten maken tot aan de Raad van State toe.

Het grootste misverstand in de praktijk is dat toekomstige bewoners in juridische zin niet meer kunnen klagen over stank, geluid en andere milieuoverlast. De woning heeft immers een andere planologische status gekregen, die van plattelandswoning. In juridische zin is dat op zekere hoogte waar: “voor de mate van bescherming die een woning op grond van de Wabo en Wet milieubeheer toekomt tegen omliggende agrarische bedrijven is niet langer het feitelijk gebruik, maar de planologische status bepalend.” (vaste overweging Raad van State).

Maar zoals u ook weet wijkt de juridische realiteit nogal eens af van de praktijk. De praktijk is dat er in de omgeving van plattelandswoningen allerlei agrarische activiteiten plaatsvinden die tot overlast kunnen leiden bij bewoners die dat niet gewend zijn: uitrijden van mest, gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, heen en weer rijden van tractoren en machines (in de oogsttijd tot ‘s avonds laat), etc. Zoals u ook bij het tv-programma Boer zoek vrouw kunt zien is het verre van romantisch op het platteland. Vanaf vroeg in de ochtend tot laat in de avond werkt men op het bedrijf.

Dit zijn aspecten die gemeente hoort af te wegen bij de planologische besluitvorming, onder de noemer ‘een goede ruimtelijke ordening’, in het bijzonder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning. In de praktijk gebeurt dit helaas te weinig.

Een tip voor gemeenten: stop met de planologische omzetting van plattelandswoningen! Kijk eens verder dan wetgeving: een burger koopt meestal de woning vanwege de lage prijs, de agrariër verkoopt de woning vanwege financiële motieven. Dit zijn echter korte termijn afwegingen die voor veel ellende kunnen zorgen zonder mensen zich dat beseffen.

Over plattelandswoningen is inmiddels al veel jurisprudentie verschenen. Hieronder een greep uit de meest recente jurisprudentie:

Meer informatie nodig over plattelandswoningen? Wilt u een vervelend dossier afronden over een plattelandswoning?

Bel 010 – 268 0689 voor een oplossing!

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Opfokken paarden agrarische activiteit?

Opfokken paarden agrarische activiteit?opfokken paarden

De gemeente Haaksbergen heeft een nieuwe partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied opgesteld voor het onder meer mogelijk maken van een opfokbedrijf voor paarden.

Een milieustichting voert bij de Raad van State onder meer aan dat de activiteiten van het bedrijf geen op het in productie gerichte agrarische activiteiten zijn, zoals bedoeld in het bestemmingsplan. De gemeente raad stelt dat het beoogde plan past binnen de bepalingen van het geldende bestemmingsplan. De activiteiten bestaan uit het opfokken, trainen en verkoopklaar maken van jonge hengsten. Het gaat niet om het fokken van paarden ter plaatsen.

In het nieuwe bestemmingsplan heeft de grond de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. Op basis hiervan is een agrarisch bedrijf toegelaten. Uit de definitie van de planregels volgt dat er sprake moet zijn van een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren, niet zijnde een paardenhouderij gericht op het gebruik. Nu op het bedrijf alleen wordt opgefokt en niet gefokt, zou uit voorgaande definitie kunnen worden afgeleid dat geen sprake is van het voortbrengen van producten. Uit de definitie van productiegerichte paardenhouderij dat ook in het bestemmingsplan is opgenomen, volgt dat tevens het opfokken van paarden en het bieden van leefruimte aan opgroeiende paarden hieronder moet worden verstaan. Volgens de Raad van State valt op basis hiervan het opfokken van paarden ook onder de definitie van agrarisch bedrijf.

Let op: in de meeste bestemmingsplannen voor het buitengebied is dit echter niet zo, en valt het opfokken van paarden niet onder de definitie van een agrarisch bedrijf. Volgens de gemeente Haaksbergen is de ruimtelijk impact van een opfokbedrijf en een fokbedrijf nagenoeg hetzelfde. Ik ben het hier helemaal mee eens.

Lees meer in de uitspraak van de Raad van State (opfokken paarden) ABRS 23 mei 2018, no. 201702656/1/R3

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Meten richtafstanden VNG-brochure

Meten richtafstanden VNG-brochure

  • meten richtafstanden VNG-brochure
  • afstanden tussen school en woningen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordenning nodig acht. Daarbij heeft de raad beleidsruimte en moet de raad de betrokken belangen afwegen. Eén van de belangen die vaak een rol speelt zijn de belangen van zittende bedrijven. Bedrijven hebben ruimte nodig voor de bedrijfsvoering. Andersom geldt ook dat bedrijven of scholen niet te dicht bij woningen moeten worden gesitueerd. Klinkt allemaal redelijk en logisch. De praktijk is echter weerbarstig. Vaak worden de grenzen opgezocht en hebben andere belangen, zoals financiële, de overhand.

Bij de invulling van afstanden tussen bedrijvigheid en woningen wordt in de praktijk vaak gebruik gemaakt van de richtafstanden zoals die zijn opgenomen in de VNG-brochure. Deze afstanden zijn indicatoren en bieden ruimte voor maatwerk. Elke situatie is namelijk weer anders. Wat wel overal gelijk is, is de wijze van meten. In de praktijk gaat dit vaak mis. Men gaat vaak uit van het gebouw van een bedrijf i.p.v. de grens van het bestemmingsvlak of het perceel van het bedrijf. In een uitspraak van 18 april 2018 gaat de Raad van State hierop in:

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) wordt de richtafstand gemeten vanaf de grens van de milieubelastende bestemming tot de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De betekent dat voor de vraag of wordt voldaan aan de richtafstand (van in dit geval 10 m) van de VNG-brochure niet bepalend is de afstand van de bouwvlakken op de percelen van appellant en anderen tot het perceel van de HAN. Niet in geschil is dat de woningen van appellant en anderen – al dan niet vergunningvrij – kunnen worden uitgebreid tot de grens met het perceel van de HAN, althans op een afstand van een of een aantal meters tot de perceelsgrens. Gelet hierop stellen appellant en anderen terecht dat het plan, wat betreft de gronden met de aanduiding ‘bijgebouwen niet toegestaan’ (ruimschoots) niet in overeenstemming is met de richtafstand van 10 m als aanbevolen in de VNG-brochure.” 

Schakel voor onderbouwingen en adviezen over afstanden tussen woningen en bedrijven De Omgevingsjurist in!

Bel 010 – 268 0689 voor meer informatie.meten richtafstanden VNG-brochure