Afstand spuitzone boomkwekerij onvoldoende onderbouwd

Afstand spuitzone boomkwekerij onvoldoende onderbouwd

De raad van de gemeente Waddinxveen heeft het bestemmingsplan “Ruimte voor ruimte Polder Bloemendaal” vastgesteld. Het plan beoogt sanering en herstructurering van een deel van de glastuinbouw in de polder Bloemendaal. Hiertoe voorziet het plan in woonkavels en landschapsontwikkeling.

Appellanten stellen dat het plan ten onrechte voorziet in nieuwe woningen op korte afstand van hun bedrijfsgronden. Zij achten de afstand te kort omdat zij gewasbeschermingsmiddelen gebruiken voor hun gewassen.

De Afdeling overweegt:Uit de stukken blijkt onvoldoende op basis van welke gegevens de afstand van 10 meter in dit geval als een voldoende afstand moet worden beschouwd ter waarborging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen. Hierbij is in aanmerking genomen dat de adviesafstanden uit de VNG-brochure geen betrekking hebben op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. (…) Uit het advies van de omgevingsdienst blijkt niet van een afweging op maat ten aanzien van de aan te houden afstand tot de boomkwekerij. (…) Bovendien is in het advies uitgegaan dat het teelt in kassen betreft terwijl de boomkwekerij hoofdzakelijk open teelt betreft. Gelet hierop heeft de raad de aangehouden afstand van 10 meter onvoldoende onderbouwd.”

Uit deze uitspraak blijkt weer eens hoe belangrijk onderbouwing is.

Lees de uitspraak (ABRS 15 april 2015, no. 201407066/1/R6).

Lees meer over spuitzones van boomgaarden en/of bomenteelt.

geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij en overgangsrecht bestemmingsplan

geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij en overgangsrecht bestemmingsplan

Bij de beantwoording van de vraag of een woning als een geurgevoelig object moet worden beschouwd, zoals bepaald in de Wet geurhinder en veehouderij, is de juridisch-planologische status van een woning van belang. Hierbij speelt ook het overgangsrecht van het bestemmingsplan een rol.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat op grond van de aangevoerde feiten en omstandigheden kan worden geoordeeld dat het gebruik van de woning als burgerwoning onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan viel, maar dat de werking van het overgangsrecht teniet is gegaan doordat de woning tussen 1991 en 15 oktober 1993 overeenkomstig de bestemming als bedrijfswoning bij de veehouderij is gebruikt. Het college geeft hierbij aan dat appellante de moeder is van de drijver van de veehouderij (…), dat zijn vanaf 17 april 1991 staat ingeschreven op het adres en dat de woning in de hiervoor genoemde periode voorkwam op de balans en de winst- en verliesrekening van het veehouderijbedrijf, maar niet langer als verhuurd object.

De Afdeling overweegt: “Dat appellante de moeder is van de drijver van de veehouderij (…) biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de woning in de door het college genoemde periode als bedrijfswoning bij de veehouderij is gebruikt. Ook de stelling van het college dat, zo begrijpt de Afdeling, de woning eigendom was van het veehouderijbedrijf en appellante deze woning in de genoemde periode heeft bewoond zonder daarvoor huur te hoeven betalen, is daarvoor niet voldoende. Appellante heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij, noch haar man, die de woning tot 7 mei 1992 met haar heeft bewoond, in de door het college genoemde periode actief zijn geweest in de veehouderij (…). Gelet hierop, mede in aanmerking genomen de gevorderde leeftijd en in aanmerking genomen de definitie van bedrijfswoning in artikel 1, onder l, van de planvoorschriften, kan niet worden geoordeeld dat de woning in de door het college genoemde periode als bedrijfswoning bij de veehouderij is gebruikt en dat om die reden de werking van het overgangsrecht teniet zou zijn gegaan.” 

Zie ABRS 7 augustus 2013, no. 201113089/1/A4

VNG-brochure verpleeghuis onderscheid woningen en zorgwoningen

VNG-brochure verpleeghuis: onderscheid reguliere woningen en zorgwoningen is relevantVNG-brochure verpleeghuis

Het bestemmingsplan in kwestie maakt de bouw mogelijk van 18 woningen die zorggerelateerd zijn. Appellanten vinden de woningen niet passend in de omgeving en hebben beroep ingesteld.

In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt tussen woningen en een verpleegtehuis een richtafstand aanbevolen van 30 m vanwege mogelijke geluidhinder. Volgens appellant staan de nieuw te bouwen zorgwoningen op slechts 10 m afstand van het bestaande verpleegtehuis en is dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling overweegt het volgende: “De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene (zorg)woningen, gelet op de combinatie met maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van zorggerelateerd wonen, niet gelijk te stellen zijn met reguliere woningen. Voorts telt mee dat de bewoners van de zorgwoningen juist baat hebben bij de ligging van het verpleegtehuis, vanwege de voorzieningen, zodat zij meer geluidsoverlast moeten dulden dan bewoners van reguliere woningen. (…)“.

Zie ABRS 30 mei 2012, 201110243/1/R1.

Voor meer informatie

omgevingsjurist

spuitzone hobbyboomgaard en goede ruimtelijke ordening

Spuitzone hobbyboomgaard en goede ruimtelijke ordeningspuitzone hobbyboomgaard

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij het bepalen van de afstand tussen een woning (gevoelige functie) en een boomgaard, moet worden uitgegaan van de geldende bestemming in het bestemmingsplan. Immers het bestemmingsplan bepaalt wat ter plaatse aan gebruik is toegestaan. Binnen de meeste agrarische bestemmingen worden fruitbomen of bomenteelt toegelaten. Meestal zijn er in het bestemmingsplan geen beperkingen gesteld met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Om die reden is ook het onderscheid hobbymatig gebruik of professioneel gebruik van de boomgaard niet relevant.

In een uitspraak van 15 februari 2012 (201009748/1/R1) (spuitzone hobbyboomgaard) wijkt de Afdeling van voornoemd uitgangspunt af, ondanks de agrarische bestemming: “In de toelichting bij het wijzigingsplan staat dat ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de loods hoogstamfruitbomen worden geplaatst. Het college van b&w heeft enkele publicaties overgelegd waarin staat dat deze bomen gelet op de arbeidsintensiviteit nauwelijks meer bedrijfsmatig kunnen worden geëxploiteerd en voornamelijk als versiering voor het landschap en het erf worden toegepast. Anders dan appellant vreest, acht de Afdeling dan ook niet aannemelijk dat deze bomen bedrijfsmatig zullen worden geëxploiteerd. Gelet hierop behoeft zijn betoog omtrent de aan te houden afstand tussen deze bomen en milieugevoelige bestemmingen geen bespreking.”

 

Hoewel wel aan te nemen valt dat de bomen die ter landschappelijke inpassing dienen, niet (intensief) zullen worden bespoten, is het aan te raden dat ook in het bestemmingsplan te regelen. Meer weten over spuitzones bij woningen?

omgevingsjurist