Geurhinder dierenverblijven geen verwerken van mest buiten

Geurhinder dierenverblijven geen verwerken van mest buiten dierenverblijf

Het college van b&w van de gemeente Houten heeft een omgevingsvergunning verleend voor een fruitteeltbedrijf met pluimveehouderij. De verandering in de vergunning betreft de uitbreiding van het aantal legkippen van 62.000 naar 74.000 dieren. Verder wordt de stal voorzien van een biologisch luchtwassysteem en mestdroogtunnel. geurhinder dierenverblijven

Appellant betoogt in beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de geurhinder ten onrechte de geuremissie van de mestdroogtunnel buiten beschouwing heeft gelaten.

De Afdeling overweegt: “Een dierenverblijf wordt in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gedefinieerd als een ruimte en niet als een bouwwerk waarbinnen dieren worden gehouden. De omstandigheid dat de mest wordt nagedroogd binnen een bouwwerk waarbinnen ook dieren worden gehouden, is daarom niet doorslaggevend voor de beoordeling van de vraag of die mestverwerking in het dierenverblijf plaatsvindt. (…) Uit artikel 2 van de Wgv volgt dat de Wgv alleen betrekking heeft op geurhinder dierenverblijven. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wgv, heeft de wetgever niet beoogd regels te stellen voor geur die vrijkomt bij het bewerken of verwerken van mest. De beoordeling van geurbronnen als de bewerking of verwerking van mest, dient plaats te vinden op grond van hoofdstuk 8 van de Wm (…). Onder geurhinder van dierenverblijven wordt derhalve niet mede verstaan de geurhinder als gevolg van het bewerken of verwerken van mest buiten de dierenverblijven. De geuremissie van de mestdroogtunnel is dan ook niet verdisconteerd in de voor het huisvestingssysteem vastgestelde geuremissiefactor. Dat zoals het college in verweer heeft gesteld, de Regeling ammoniak en veehouderij wel betrekking heeft op de verwerking van de in de inrichting ontstane mest, ook indien die verwerking buiten de dierenverblijven plaatsvindt, is voor de beoordeling van de geurbelasting niet relevant. Het college was gehouden de geurbelasting vanwege de mestdroogtunnel te beoordelen aan de hand van artikel 2.14 van de Wabo (…).”

Zie verder uitspraak ABRS 20 april 2016, no. 201504330/1/A4

Geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij en snackbar

Geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij en snackbargeurgevoelig object

Geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij –

De raad van de gemeente Ermelo heeft een bestemmingsplan opgesteld in het agrarisch gebied. Appellant kan zich niet vinden met de bestemming Horeca met de aanduiding specifieke vorm van horeca – 4 dat is toegekend aan het perceel, waarmee de aanwezige snackbar als zodanig is bestemd.

Volgens appellant dient de snackbar als geurgevoelig object te worden aangemerkt en is uit het geuronderzoek naar voren gekomen dat de snackbar als maatgevend object voor de geurbelasting van zijn agrarisch bedrijf geldt. Volgens hem kan vanwege de overschrijding van de toegestane geurnorm ter plaatse van de snackbar, zijn bedrijf niet meer uitbreiden en is het bedrijf met het plan derhalve op slot gezet.

De gemeente stelt dat voor de snackbar reeds in 1996 een bouwvergunning is verleend en dat met het plan de bestaande situatie wordt vastgelegd.

De Afdeling overweegt als volgt: “Voor de vraag of het agrarisch bedrijf van appellant door de aanwezigheid van de snackbar reeds werd belemmerd in zijn bedrijfsvoering is van belang of de snackbar een geurgevoelig object is als bedoeld in artikel 1, van de Wgv. Daarvoor is allereerst relevant of de snackbar moet worden aangemerkt als een gebouw dat is bestemd voor wonen of menselijk verblijf. De Afdeling beantwoord deze vraag bevestigd. Hiertoe is van belang dat het gaat om een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet, te weten een bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Voorts is voor de snackbar op 5 februari 1996 een bouwvergunning met vrijstelling van het bestemmingsplan Buitengebied verleend voor het vernieuwen van een snackverkoop. (…) Voorts wordt het gebouw benut voor langdurig menselijk verblijf, zodat sprake is van een permanent of daarmee vergelijkbare wijze van gebruikt. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een gebouw dat is bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en dat daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Daarmee moet de snackbar worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wgv.”

Zie verder in ABRS 23 maart 2016, no. 201506199/1/R2

Meer weten of een object al dan niet geurgevoelig is?

Minicamping geen geurgevoelig object

Minicamping geen geurgevoelig object geurgevoelig object

De raad van de gemeente Giessenlanden heeft het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld. Zij heeft een minicamping bestemd als ‘Recreatie – Minicamping’. Een nabij gelegen rundveehouder stelt in beroep dat hij hinder vreest vanwege de mogelijkheid voor uitbreiding van de minicamping en vreest hierdoor in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt.

Op het betrokken perceel zijn binnen het bouwvlak een ontvangstruimte en sanitaire voorzieningen toegestaan en buiten het bouwvlak mogen kampeermiddelen worden geplaatst. De Afdeling oordeelt – evenals de voorzitter deed in de uitspraak van 16 juni 2014, no. 201308826/4/R4 – dat in de ontvangstruimte en de sanitaire voorzieningen, gelet op de aard van het gebruik en de omvang hiervan, alsmede gelet op de geringe omvang van de minicamping niet langdurig door een persoon verbleven, zodat deze gebouwen niet zijn aan te merken als geurgevoelige objecten (…).”

Lees verder in uitspraak ABRS 11 maart 2015, no. 201308826/1/R4

Lees meer over geurgevoelige objecten…

Recreatiewoning is geurgevoelig object

Recreatiewoning is geurgevoelig object

essentie: Wanneer is een recreatiewoning geurgevoelig in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij?

De gemeente Hollandse Kroon heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de uitbreiding van een camping. Er komen 5 recreatiewoningen bij en 38 standplaatsen voor vaste kampeermiddelen en door een gedeeltelijke jaarrondopenstelling.

Een nabij gevestigde veehouder geeft in beroep aan dat het plan leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor zijn perceel.

De gemeente betoogt dat het plan niet leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij. De gemeente stelt onder meer dat vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen niet als geurgevoelige objecten kunnen worden aangemerkt, omdat recreanten doorgaans alleen in de weekenden en de schoolvakanties op de camping verblijven zodat geen sprake is van langdurig verblijf.

De Afdeling overweegt het volgende: “(…) Uit die uitspraak die betrekking had op de geurgevoeligheid van een sanitairgebouw en gebouwen voor onderhoud en beheer op een camping, kan echter niet worden afgeleid dat de Afdeling recreatiewoningen niet meer als geurgevoelig object in de zin van de Wgv aanmerkt. Anders dan de raad betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval geen sprake is van de mogelijkheid tot een langdurig verblijf in de recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen. De stelling van de raad dat de recreanten alleen in de weekenden en schoolvakanties op de camping zullen verblijven, maakt dit niet anders, reeds nu een dergelijke beperking niet in de planregels is vastgelegd. (…)”.

Zie uitspraak ABRS 18 februari 2015, no. 201400171/1/R1

Lees meer over wanneer een object geurgevoelig is.

omgevingsjurist

 

Geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij? Hierbij enkele aanknopingspunten

Geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij? Hierbij enkele aanknopingspunten.geurgevoelig object

Over dit onderwerp is veel jurisprudentie van de Afdeling verschenen. Het begrip ‘geurgevoelig object’ is een kernbegrip uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De definitie is opgenomen in artikel 1 Wgv:

gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder ‘gebouw’, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf wordt verstaan: gebouw dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, (…) mag worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf.

Zie hier de volledige en actuele definitie.

De definitie wordt ingekleurd door jurisprudentie. Tot 13 februari 2013 kon ook kortdurend verblijf van een persoon in een gebouw onder de werking van geurgevoelig object vallen. Dat is sinds de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013, no. 20111498/1/R4 echter niet meer het geval. Voortaan is alleen langdurige blootstelling aan geurhinder relevant om van een geurgevoelig object te kunnen spreken.

Therapieboerderij geen geurgevoelig object. In een uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013, no. 201300114/1/R3 komt aan de orde of een stal waarin koeien en paarden worden gehouden en een rijhal die kunnen worden gebruikt voor therapeutische begeleiding van cliënten, ook als zodanig moet worden aangemerkt. In de stal worden hooguit twee- à driemaal per dag enkele personen korte tijd aanwezig zijn om de dieren te voeren en zal in de rijhal aan een tiental cliënten per dag gedurende 20 minuten therapie worden gegeven.

De Afdeling oordeelt als volgt: “In deze gebouwen zal derhalve niet langdurig door een persoon worden verbleven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) volgt uit de wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s., waarmee is besloten de term ‘regelmatig’ uit de begripsomschrijving van het begrip geurgevoelig object weg te laten (…), dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Nu (…) aangenomen moet worden dat niet langdurig in de gebouwen zal worden verbleven, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de stal, noch de rijhal kunnen worden beschouwd als geurgevoelig object in de zin van de Wgv. De raad heeft deze derhalve bij de beoordeling van de geursituatie terecht buiten beschouwing gelaten.”

Voor het begrip ‘gebouw’ dient aansluiting te worden gezocht bij de in de Woningwet gebruikte definitie in artikel 1, onder c.

 

Begrip gebouw in definitie van geurgevoelig object in Wet geurhinder en veehouderij is hetzelfde als begrip gebouw in Woningwet

begrip gebouw in de definitie van ‘geurgevoelig object’ in de zin van de Wet geurhinder moet hetzelfde worden uitgelegd als definitie van gebouw in Woningwet.

In de definitie van geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staat het begrip ‘gebouw’ genoemd. Volgens de Afdeling biedt de wetsgeschiedenis van de Wgv geen uitsluitsel over de uitleg van het begrip gebouw, zoals weergegeven in de begripsomschrijving (…).

De Afdeling ziet geen aanleiding het begrip gebouw in de zin van de Wgv anders uit te leggen dan op de wijze waarop de Afdeling het begrip gebouw in de zin van de Woningwet reeds heeft uitgelegd.

Zie verder de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013, no. 201111498/1/T1/R4: Nu niet het oogmerk bestaat de kampeermiddelen die op het kampeerterrein worden toegestaan op vrijwel dezelfde plaats, ieder jaar of gedurende langere tijd te laten terugkeren, zijn de kampeermiddelen niet aan te merken als een gebouw in de zin van de Ww en de Wgv.”

 

Schoonheidssalon geurgevoelig object als bedoeld in Wet geurhinder en veehouderij

Schoonheidssalon geurgevoelig object als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij

Het college van B&W heeft vrijstelling verleend voor de vestiging van een schoonheidssalon in een bedrijfsgebouw in het buitengebied. De beoogde schoonheidssalon ligt op een afstand van minder dan 50 meter van een nertsenfokkerij. Appellant stelt in beroep dat de gemeente ten onrechte de gevraagde vrijstelling (oud) van het bestemmingsplan heeft geweigerd.

Volgens appellant verblijven de klanten in zijn salon zeer kortdurend en is de salon niet aan te merken als geurgevoelig ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij.

De Afdeling volgt het standpunt van de gemeente: “De omstandigheid dat de in de schoonheidssalon te geven behandelingen ongeveer één uur duren, zodat de klanten slechts kort in de schoonheidssalon verblijven, leidt evenmin tot het oordeel dat de rechtbank de schoonheidssalon ten onrechte heeft aangemerkt als geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij, reeds omdat ook een kortdurend verblijf van regelmatig aanwezige klanten bescherming verdient.”

Zie ABRS 10 oktober 2012, no. 201202274/1/A1

omgevingsjurist

Werkplaats garage geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij

Werkplaats garage geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij

Een geurgevoelig object is volgens artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderijgebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Er is al tal van jurisprudentie over verschenen. Hieruit blijkt dat het oppassen geblazen is bij de kwalificatie van een gebouw als geurgevoelig object. Met name de woorden ‘of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik’ zijn lastig te kwalificeren.

In dit geval ging het om een werkplaats en stallingsruimte in een garage. De in de garage aanwezige bijkeuken en toilet heeft de gemeente aangemerkt als geurgevoelig object. De werkplaats en de stallingsruimte in de garage, die door binnenmuren fysiek van elkaar en de overige delen zijn gescheiden, heeft het college niet als geurgevoelig object aangemerkt.

Volgens de Afdeling is de werkplaats in de garage wel degelijk een geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. De Afdeling acht het aannemelijk dat de werkplaats niet slechts een enkele keer per week wordt gebruikt, maar permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze. Het college heeft dan ook ten onrechte  dit deel van de garage niet als geurgevoelig object aangemerkt. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat ook ter plaatse van de werkplaats aan de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen normen voor geurhinder kan worden voldaan. (ABRS 7 november 2012, no. 201103384/1/A4.)

omgevingsjurist

garage geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij?

Garage geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij?garage geurgevoelig object

Bestreden besluit Het besluit dat wordt aangevochten bij de Afdeling betreft een veranderingsvergunning voor een wijziging van het veebestand van een veehouderij. Op grond van deze vergunning mogen 146 vleesstieren en 150 vleesstierkalveren worden gehouden.

Beroepsgrond De buurman heeft beroep ingesteld tegen het besluit en voert onder meer aan dat zijn garage die op een afstand van 23 m is gesitueerd van de dichtstbijzijnde stal, een geurgevoelig object is. De garage is volgens hem ten onrechte niet bij de beoordeling van de geurhinder vanwege de inrichting aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij betrokken. Hij voert aan dat de garage in directe verbinding staat met zijn woning en dat in de garage onder meer een keuken, een bijkeuken, een hobbyruimte en een speelruimte aanwezig zijn. Volgens appellant wordt de garage dagelijks gebruikt.

Overweging Afdeling over garage geurgevoelig object “Gezien de in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gegeven definitie is voor het antwoord op de vraag of de garage van appellant een geurgevoelig object is, van belang of die bebouwing bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf en of dat gebruik permanent is of daarmee vergelijkbaar. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 19) valt af te leiden dat met de zinsnede ‘permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik’ bedoeld is bescherming te bieden tegen langdurige blootstelling. Maar ook een kortdurende verblijfsduur verdient volgens de wetsgeschiedenis bescherming, voor zover dit zich tenminste regelmatig voordoet. Met een regelmatig verblijf wordt bedoeld een aanwezigheid op de locatie gedurende een niet onaanzienlijk gedeelte van een tijdseenheid, van een of meer personen, al dan niet met gelijke tussenpozen. Zie ABRS 4 juli 2012, 201103384/1/T1/A4.

Niet in geschil is dat de garage van appellant op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor menselijk verblijf mag worden gebruikt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de garage niet permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, voor verblijf wordt gebruikt, en om die reden niet als een geurgevoelig object kan worden aangemerkt. Aan dat standpunt ligt geen onderzoek naar de feitelijke situatie ten grondslag. Gelet op de stellingen van appellant over het gebruik van de garage en de duur daarvan, lag het echter wel op de weg van het college om voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit een dergelijk onderzoek te verrichten. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

omgevingsjurist

tuinen geurgevoelig bij goed woon- en leefklimaat

Tuinen geurgevoelig bij afweging goed woon- en leefklimaattuinen geurgevoelig

Tuinen geurgevoelig? Het bestemmingsplan maakt een verplaatsing van een bestaande melkveehouderij mogelijk naar een andere locatie. Volgens appellanten komt het bedrijf te dicht bij hun woningen te liggen. Volgens hen dient de afstand tussen het emissiepunt en het geurgevoelige object minimaal 100 m te bedragen. Volgens de gemeente is de afstand tot de dichtstbijzijnde gevel van een geurgevoelig object en het emissiepunt 110 m, zodat wordt voldaan aan de afstanden zoals genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en het Besluit landbouw milieubeheer.

De Afdeling merkt op dat het in het plan voorziene bouwvlak voor het bedrijf is gelegen op een afstand van 57 m tot het bouwvlak van de dichtstbijzijnde woning. In het bestemmingsplan is niet opgenomen waar het emissiepunt van de voorziene stallen zal komen te liggen. Dat een inrichtingsplan is opgesteld, is naar het oordeel van de Afdeling ontoereikend om aan te nemen dat de raad mocht uitgaan van de daarin geprojecteerde stallen en het bijbehorende emissiepunt. De stelling van de raad dat de vrees van appellant en anderen dat op het overige deel van het bouwvlak stallen kunnen worden opgericht niet is gerechtvaardigd, omdat in strijd met de Wgv en het Besluit zou zijn, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu dat betekent dat in het plan een bouwmogelijkheid zou zijn opgenomen die niet kan worden uitgevoerd. 

Voor het antwoord op de vraag of een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gerealiseerd kan voorts niet alleen betekenis worden toegekend aan de vraag of ter plaatse sprake is van een geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Dit betekent in het voorliggende geval dat de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat niet slechts dient plaats te vinden van de aan de Dorpstraat aanwezige woningen, maar ook betrekking dient te hebben op de daarachter gelegen tuinen. Zie r.o. 2.10.5 ABRS 6 juni 2012, 201100032/1/R1.