Kampeerterrein niet geluidgevoelig wel bescherming tegen geluid

Kampeerterrein niet geluidgevoelig wel bescherming tegen geluidkampeerterrein

Het bestemmingsplan in kwestie maakt een nieuwe entree mogelijk naar het achterliggende natuurgebied. Verder voorziet het plan in recreatieve voorzieningen, horeca, educatiemogelijkheden, kleinschalige verblijfsrecreatie, parkeervoorzieningen en een uitkijktoren. Appellanten exploiteren een camping en een recreatieoord aan weerszijden van de voorziene natuurpoort. Zij stellen onder meer dat het plan leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zie verder r.o. 4 van de uitspraak.

De Afdeling overweegt het volgende: “Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (…) bevat de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening 1998 geen bindende voorwaarden en heeft deze primair tot doel overheden een hulpmiddel te bieden bij het voorkomen en beperken van hinder door industrielawaai in het kader van de vergunningverlening en (in sommige gevallen) het stellen van nadere eisen. Voor de beoordeling van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat hoefde de Handreiking dan ook niet betrokken te worden bij de voorbereiding van het bestreden besluit. (…)

De planregels bevatten voor het kampeerterrein alleen een minimumafstand van 12 m tussen de in het plan mogelijk gemaakte terrassen en de openbare weg en een minimumafstand van 10 m tussen de horecagebouwen en de bestemmingsgrenzen. (…) Dat een kampeerterrein volgens de raad geen geluidgevoelig object is als bedoeld in de milieuwetgeving, betekent (…) niet dat de kampeerplaatsen in het geheel geen bescherming tegen geluidhinder toekomen. Gezien het feit dat onder andere nachtverblijf is toegestaan, is sprake van een situatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven op het kampeerterrein. In het kader van een goede ruimtelijke ordening komt daarom aan de gebruikers van het als zodanig bestemde parkeerterrein, waar stilte, rust, donkerheid en privacy kernwaarden zijn, een zekere mate van bescherming tegen geluidhinder toe.” Zie verder r.o. 4.5 in uitspraak ABRS 8 november 2017, no. 201609544/1/R2. 

Vragen over geluid in relatie tot woon- en leefklimaat? Lees meer

omgevingsjurist

VNG-brochure: onder rustige woonwijk valt ook rustig buitengebied

VNG-brochure: onder rustige woonwijk valt ook rustig buitengebied

In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden richtafstanden genoemd die worden aanbevolen tussen gevoelige functies, zoals wonen, en bedrijvigheid. In een uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013, no. 201207115/1/R1 komt de aanbevolen afstand van een kleinschalige camping tot woningen aan de orde. De richtafstand van 50 meter geldt voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

Appellant voert in beroep aan dat de gemeente deze afstand niet heeft kunnen toepassen, omdat er in dit geval sprake is van het buitengebied en niet van een stedelijke omgeving.

De Afdeling geeft het volgende aan: “In de VNG-brochure wordt een afstand van 50 m geadviseerd tussen een geluidgevoelig object en een kampeerterrein met keuken. Deze richtafstand geldt voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de VNG-brochure staat dat daaronder ook wordt begrepen ‘rustig buitengebied’. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de richtafstand uit de VNG-brochure”. 

De Omgevingsjurist – specialist in onderbouwingen voor bedrijven en milieuzonering

omgevingsjurist

Begrip gebouw in definitie van geurgevoelig object in Wet geurhinder en veehouderij is hetzelfde als begrip gebouw in Woningwet

begrip gebouw in de definitie van ‘geurgevoelig object’ in de zin van de Wet geurhinder moet hetzelfde worden uitgelegd als definitie van gebouw in Woningwet.

In de definitie van geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staat het begrip ‘gebouw’ genoemd. Volgens de Afdeling biedt de wetsgeschiedenis van de Wgv geen uitsluitsel over de uitleg van het begrip gebouw, zoals weergegeven in de begripsomschrijving (…).

De Afdeling ziet geen aanleiding het begrip gebouw in de zin van de Wgv anders uit te leggen dan op de wijze waarop de Afdeling het begrip gebouw in de zin van de Woningwet reeds heeft uitgelegd.

Zie verder de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013, no. 201111498/1/T1/R4: Nu niet het oogmerk bestaat de kampeermiddelen die op het kampeerterrein worden toegestaan op vrijwel dezelfde plaats, ieder jaar of gedurende langere tijd te laten terugkeren, zijn de kampeermiddelen niet aan te merken als een gebouw in de zin van de Ww en de Wgv.”