deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerd

Omgevingsvergunning bedrijfswoning terecht geweigerdomgevingsvergunning bedrijfswoning

Het komt regelmatig voor dat men wil wonen in een bedrijfspand op een bedrijventerrein. Het lijkt aantrekkelijk: de prijs is lager dan een reguliere woning. Ook ondernemers zelf proberen vaak een voormalige bedrijfswoning te verkopen aan iemand die niet bij het bedrijf betrokken is. Hoewel dat uit financiële reden wel te begrijpen ben ik blij dat er gemeenten zijn die hierop handhaven of de vergunning weigeren. Op de lange termijn blijkt vaak dat de combinatie wonen op een bedrijventerrein niet werkt. De bewoners gaan meestal klagen over geluidsoverlast en de ondernemers ter plaatse (kunnen) worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Het is de laatste paar jaar zo dat alle aandacht uit gaat naar woningen, woningen en nog eens woningen. Er moeten aantallen bijkomen omdat de vraag naar woningen zo groot is. Ik vind dit korte termijn politiek. Bedrijven hebben namelijk ruimte nodig. Ruimte voor de bedrijfsactiviteiten.

In deze casus heeft de gemeente een omgevingsvergunning geweigerd voor woningen in een bestaand bedrijfsverzamelgebouw op een bedrijventerrein. De geldende bestemming ‘Bedrijventerrein’ laat geen (bedrijfs)woningen toe. Appellanten zijn het niet eens met de weigering en stellen in hoger beroep dat de combinatie milieucategorieën 1 en 2 en woningen goed kunnen samengaan. Het bedrijventerrein is volgens hen in transformatie naar een gebied met zowel woningen als bedrijven. Volgens het college kan bij de gewenste woningen geen goed woon- en leefklimaat gerealiseerd worden en geldt niet voor alle bedrijven die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan dat zij niet in hun bedrijfsvoering kunnen worden gehinderd vanwege woningen.

De Afdeling overweegt onder meer het volgende: “(…) Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat regels waaraan bedrijfsactiviteiten moeten voldoen. Het bevat grenswaarden voor geluid die gelden voor geluidgevoelige objecten. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dienen woningen, ook als zij tot een bedrijf behoren, als een geluidgevoelig object te worden aangemerkt voor andere bedrijven dan het bedrijf waartoe de woningen behoren. De bedrijfsunits (…) grenzen aan bedrijfsunits van anderen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij realisering van woningen in de directe omgeving van de bedrijfsunits, de bedrijven in de bedrijfsverzamelgebouwen beperkingen in hun bedrijfsvoering kunnen ondervinden. Het college heeft dit, mede gezien de gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen, ongewenst kunnen achten.” 

Lees meer in uitspraak ABRS 11 december 2019, no. 201900853/1/A1. (omgevingsvergunning bedrijfswoning)

De Omgevingsjurist is tegen woningen op bedrijventerreinen en voor ruimte voor bedrijven. Bel 010 – 2680689 voor meer informatie.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Milieuvergunning bestemmingsplan – bij keuze bestemming in bestemmingsplan ten onrechte uitgegaan van vergunde milieuvergunning

Milieuvergunning bestemmingsplan – bij leggen van bestemmingen rekening houden met ruimere mogelijkheden van het Activiteitenbesluit ten opzichte van vergunde milieuvergunning

Een nieuw bestemmingsplan maakt de bouw van 300 woningen mogelijk. Appellante heeft nabij de beoogde woningen een bedrijf en stelt in beroep dat er ter plaatse van de woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat zij in haar bedrijfsvoering wordt beperkt door de komst van de woningen. Ze betoogt dat haar bedrijf inmiddels valt onder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim) en niet meer wordt gereguleerd door een milieuvergunning. Er zijn geen maatwerkvoorschriften opgelegd. Dit betekent dat de volledige ruimte uit het Barim benut kan worden. Volgens haar is de gemeente ten onrechte uitgegaan van de vergunde situatie, met name nu het Barim meer mogelijkheden biedt dan de inmiddels vervallen vergunning.

De Afdeling overweegtdat de raad in het plan is uitgegaan van de situatie waarin de activiteiten van appellante nog door een vergunning werden gereguleerd. Vaststaat dat de geluidruimte die het Barim biedt, groter is dan de geluidruimte van de voormalige vergunning. De raad is in het plan gelet op het voorgaande uitgegaan op verkeerde uitgangspunten. Nu de geluidruimte uit de voormalige vergunning verschilt van de geluidruimte uit het Barim, heeft de raad miskend dat de in het plan voorziene woningbouw mogelijk gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van appellante. Ook is niet gebleken dat de raad een volledige beoordeling heeft gemaakt van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen, nu de geluidruimte uit het Barim daarbij niet is betrokken”.

Zie uitspraak ABRS 12 december 2012, no. 201112659/1/R4

omgevingsjurist

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

parkeerterrein vrachtwagens en geluidseffecten woon- en leefklimaat

Parkeerterrein vrachtwagens – vrachtwagenparkeerplaats kan voor geluidsoverlast zorgen bij omwonenden

De gemeente had in een bestemmingsplan een parkeerterrein voor vrachtwagens aangewezen. Het terrein ligt op een afstand van 30 meter van een bestaande woning. Een omwonende stelt in beroep onder meer dat de vrachtwagenparkeerplaats een aantasting is van zijn woongenot (verslechtering aanvaardbaar woon- en leefklimaat).

Volgens de Afdeling heeft de raad ten onrechte niet onderzocht wat de geluidseffecten zijn van in werking zijnde koelaggregaten die zich op geparkeerde vrachtwagens kunnen bevinden op de woning van appellant. 

De raad had alleen een akoestisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Volgens de Afdeling kan uit de Wet geluidhinder niet zonder meer worden afgeleid dat ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Zie voor de details r.o. 1.3 e.v. van uitspraak ABRS 24 oktober 2012, no. 201113444/1/R3.

Maak na het akoestische onderzoek een onderbouwing in het kader van een goede ruimtelijke ordening. 

Vragen?

parkeerterrein vrachtwagens

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

VNG-brochure schutterij en woon- en leefklimaat woning

VNG-brochure schutterij en woon- en leefklimaat woningVNG-brochure schutterij

In een bestemmingsplan maakt de gemeente een nieuwe woning mogelijk op een afstand van 110 meter van een schutterij. Het buitenterrein van de schutterij wordt gebruikt voor traditioneel schieten. Op kortere afstand van de schutterij zijn 2 bestaande woningen gesitueerd.

De vereniging is niet blij met de komst van de nieuwe woning en stelt onder meer dat er ter plaatse van de voorziene woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Volgens de gemeente zijn in de milieuvergunning van de schutterij voorschriften verbonden aan het gebruik van de schutterij. In de vergunning is het voorschrift opgenomen dat het schieten alleen is toegestaan op zaterdagen tussen 17.30 uur en 19.00 uur en alleen in de periode 1 april tot 15 oktober. Verder is het schieten op schietbomen door meerdere personen tegelijk niet toegestaan.

Volgens de Afdeling is dit uitgangspunt van de gemeente niet meer actueel. In bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), staat dat onder categorie 17.3 dat inrichtingen voor het traditioneel schieten worden uitgezonderd van een vergunningsplicht. Hieruit volgt dat uiterlijk met de inwerkingtreding van het Bor en de wijziging van het Barim de milieuvergunning is vervallen. De raad heeft dit volgens de Afdeling niet onderkend.

Gelet op het vorenstaande, en de omstandigheid dat de woning binnen de richtafstand uit de VNG-brochure is voorzien, heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de voorziene woning een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het plan is op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening”. 

Zie ABRS 24 oktober 2012, no. 201111659/1/R1

De Omgevingsjurist – specialist in doorwerking van milieu in het bestemmingsplan 

omgevingsjurist

 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

ruimtelijke relevantie en planregels over gebruik van hoteltuin

Ruimtelijke relevantie planregels bestemmingsplanruimtelijke relevantie

Op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening moet door de raad een bestemmingsplan worden vastgesteld waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plangebied begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Regels in een bestemmingsplan moeten dus ruimtelijke relevantie in zich hebben. 

Het betreffende wijzigingsplan voorziet in een uitbreiding van het aantal hotelkamers en een wijziging van de hoofdingang. Buurtbewoners maken zich zorgen over toenemende inkijk vanaf het hotel in hun woning en vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat. De gemeente geeft in beroep aan dat het voorziene gebruik als hotel het woon- en leefklimaat van appellanten niet meer aantast of leidt tot meer hinder dan het gebruik dat was toegestaan onder het tot dusverre geldende bestemmingsplan. Het perceel is volgens de raad gelegen in verstedelijkt gebied, zodat omwonenden rekening moeten houden met enige hinder. Volgens de raad is het opnemen van het gebruik van de tuin om hinder en overlast te voorkomen in een bestemmingsplan niet mogelijk, nu dit niet ruimtelijk relevant is.

De Afdeling geeft aan dat de bewoners niet aannemelijk hebben gemaakt dat het gewijzigde plan leidt tot een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat: “Gelet hierop heeft de raad van het opnemen van regels omtrent het gebruik van het tuingedeelte van het perceel (…), nog daargelaten of deze ruimtelijk relevant zijn, kunnen afzien.” Lees meer in uitspraak ABRS 4 juli 2012, no. 201111695/1/R1.

Hoewel ik niet exact op de hoogte ben van de details over het plan, ben ik van mening dat planregels over het gebruik van een hoteltuin wel degelijk ruimtelijk relevant kunnen zijn. Als de hoofdingang van het hotel naast een tuin komt te liggen, zal dit het woon- en leefklimaat wel degelijk onevenredig kunnen aantasten. Bijv. omdat bewoners overlast kunnen ervaren van verkeer, geluid van bezoekers of vrachtwagens van leveranciers, parkeeroverlast, etc. In dit geval maakte het hiervoor geldende bestemmingsplan als het gebruik als hotel mogelijk.

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Cumulatie geurhinder en woon- en leefklimaat

Cumulatie geurhinder en aanvaardbaar woon- en leefklimaatcumulatie geurhinder

Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat indien de voor de desbetreffende veehouderijen toepasselijke individuele norm uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) niet wordt overschreden, dat nog niet wil zeggen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Toch verschijnen er nog regelmatig uitspraken van de Afdeling waaruit blijkt dat gemeenten hier niet van op de hoogte zijn.

In deze casus heeft de gemeente een bestemmingsplan vastgesteld dat de uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk maakt (‘zoekgebied voor bedrijfsterrein’). De plaatselijke geurverordening bepaalt dat binnen dergelijke gebieden, voor zover het bebouwde kom betreft, een maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object van 14,0 odeur units geldt. Volgens de gemeente kan binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd.

De Afdeling is het hier niet mee eens en overweegt: “In de omgeving van het bedrijf bevinden zich echter meerdere veehouderijen. Nu de geurverordening slechts normen stelt voor de geurbelasting vanwege een individueel bedrijf is door de toets aan de verordening ten onrechte de cumulatie van geurhinder vanwege de omliggende veehouderijen niet meegenomen”. Zie r.o. 2.4.4 van uitspraak ABRS 23 mei 2012, no. 201108109/1/R2.

omgevingsjurist

 

 

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

cumulatie geurhinder en aanvaardbaar woon- en leefklimaat

Cumulatie geurhinder en aanvaardbaar woon- en leefklimaatcumulatie geurhinder

Het is standaardjurisprudentie van de Afdeling dat indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm wordt overschreden, dit niet met zich brengt dat ter plaatse van de overschrijding geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal bestaan. Evenmin kan indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele norm niet wordt overschreden, er zonder meer van worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. 

Casus Met een wijzigingsplan wordt een vleeskalverhouderij mogelijk gemaakt. In de toelichting van het wijzigingsplan staat vermeld dat de geurbelasting ter plaatse voldoet aan de gestelde normen in de Wet geurhinder en veehouderij en er dus sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. Gezien bovengenoemde jurisprudentie kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat er in dat geval het wijzigingsplan in overeenstemming is met een goed woon- en leefklimaat. Met andere woorden: daar is meer informatie voor nodig.

De Afdeling geeft onder meer aan dat “de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied had moeten worden onderzocht. In ieder geval had de cumulatie van stankhinder vanwege alle omliggende veehouderijen bij de beoordeling moeten worden betrokken. Zie verder r.o. 2.6.1 van uitspraak ABRS 11 april 2012, 201010477/1/R1.

deel dit artikel: Print this page
Print
Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

voormalige agrarische bedrijfswoning en goed woon- en leefklimaat

Voormalige agrarische bedrijfswoning en goed woon- en leefklimaatvoormalige agrarische bedrijfswoning

Casus Het bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de bestaande agrarische bestemming naar de bestemming ‘Wonen’ voor een voormalige agrarische bedrijfswoning. De naastgelegen veehouder betoogt in beroep dat hij door de wijziging van de bestemming wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden. Volgens hem heeft het college de woning ten onrechte aangemerkt als een geurgevoelig object dat deel uitmaakt van een andere veehouderij, omdat het bedrijf op dat perceel sinds 1996 feitelijk door de maatschap, en niet door de toenmalige eigenaar van het perceel, werd uitgeoefend. Verder is volgens hem voor de mate van bescherming tegen geurhinder van een voormalige bedrijfswoning die van een bestaande veehouderij is afgesplitst de planologische status van de woning bepalend. Artikel 3, lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij is volgens hem niet van toepassing. Tenslotte betoogt hij dat ter plaatse van de woning een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd.

Het college stelt zich op het standpunt dat de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij dienen te worden beoordeeld aan de hand van art. 3, lid 2 van de Wgv, aangezien de woning na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij. Het college is verder van  mening dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aangezien er wordt voldaan aan de norm die geldt op grond van de Wgv. De Afdeling is het eens met de eerste deel van het betoog van het college. Echter niet met het tweede gedeelte:

Afdeling De enkele stelling van het college dat aan de normen op grond van de Wgv wordt voldaan is onvoldoende om te kunnen aannemen dat ter plaatse van de in het plan voorziene woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Niet is gebleken van enig nader onderzoek naar de daar te verwachten geurbelasting. (..) Gezien het voorgaande is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.” Zie ABRS 4 april 2012, no. 201009530/1/R4

Vaste jurisprudentie: “Indien de voor veehouderijen toepasselijke norm wordt overschreden, volgt hieruit niet dat ter plaatse geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Evenzeer geldt dat, ook indien de voor veehouderijen toepasselijke norm niet wordt overschreden, er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.” 

Tip: Voer altijd een onderzoek uit naar een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit ter plaatse. Betrek hierin de plaatselijke geurbelasting. Laat tenminste zien dat er aandacht aan is besteed.

omgevingsjurist