Uitbreiding recreatiepark voer altijd een beoordeling uit of een milieueffectrapport nodig is

Uitbreiding recreatiepark: beoordeling altijd of een milieueffectrapport nodig is

Het nieuw vastgestelde bestemmingsplan maakt in een bestaand recreatiepark nieuwe recreatiewoningen mogelijk. Gedeeltelijk op gronden die al bestemd zijn voor recreatiedoeleinden. Voor een ander gedeelte – 11 hectare – is het nieuw bestemmingsplan vastgesteld. In dit nieuwe gedeelte zijn grotere chalets en recreatiewoningen mogelijk.  De totale oppervlakte van het recreatiepark zal na realisering van de uitbreiding ongeveer 30 hectare bedragen.

Op grond van artikel 7.2, vierde lid van de Wet milieubeheer juncto onderdeel D categorie 10 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. moet bij de wijziging van een vakantiedorp met een oppervlakte van 25 hectare of meer, worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Volgens de Afdeling blijkt niet dat er een dergelijke beoordeling heeft plaatsgevonden die betrekking heeft op het gehele park. De gemeente heeft de beoordeling beperkt tot de uitbreiding van 11 hectare. De beroepen zijn gegrond.

Een milieueffectrapport is – kort gezegd – bij bepaalde activiteiten nodig om de gevolgen van die activiteiten voor het milieu te bezien in het kader van de besluitvorming van het bestuur. Helaas is het nog steeds zo dat gemeentebesturen deze taak zeer rigide opvatten en er vooral alles aan doen om aan deze beoordeling te ontkomen dan wel zich beperken tot de grenzen die in het Besluit m.e.r. staan aangegeven. Lees meer over m.e.r.-beoordelingen

Zie voor uitspraak ABRS 26 juni 2013, no. 201207945/1/R2

bestemmingsplan Buitengebied: check goed of voor wijzigingsplan melkveehouderij een plan-MER nodig is

bestemmingsplan Buitengebied: check goed of voor wijzigingsplan voor melkveehouderij een plan-MER nodig is

Via een wijzigingsplan heeft de gemeente de verplaatsing en uitbreiding van een melkveehouderij met  bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Appellant betoogt dat er ten onrechte geen milieueffectrapportage dan wel een m.e.r.-beoordeling is gemaakt. Het college van b&w stelt dat het plan de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschrijdt, zodat geen m.e.r.-plicht dan wel een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 7.2, tweede lid, in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit m.e.r. moet, terzake van de activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste, onder a en b, van de Wet milieubeheer, een MER voor plannen worden gemaakt voor de categorieën van plannen die zijn omschreven in kolom 3 van onderdeel C, onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit als omschreven in artikel 2, vierde lid, van het Besluit m.e.r. en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid.

Op grond van onderdeel D, onder 14, sub 9, van de bijlage van het Besluit m.e.r. is bepaald dat beoordeeld dient te worden of een m.e.r. dient te worden gemaakt in het kader van de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 340 stuks melkkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. In kolom 3 van onderdeel D zijn plannen als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wro opgenomen (wijzigingsplan).

De Afdeling overweegt:Niet in geschil is dat partij de wens heeft om het agrarisch bedrijf uit te laten groeien tot een bedrijf met ongeveer 200 melkkoeien die ouder zijn dan 2 jaar en 140 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. De Afdeling stelt echter vast dat in het plan niet is gewaarborgd dat niet meer dan 340 dieren op deze locatie gehouden kunnen worden. De door partij ter zitting vermelde omstandigheid dat op het perceel naast koeienstallen ook stallingen voor opslag van voer en machines worden gebouwd doet daaraan niet af, nu het plan er niet aan in de weg staat dat het gehele plangebied, dat ongeveer 1,5 ha groot is, mag worden bebouwd ten behoeve van stalruimte voor dieren. Gelet op het voorgaande geldt op grond van artikel 7.13 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit m.e.r., voor het wijzigingsplan een plan-m.e.r.-plicht.” 

Noot

Deze uitspraak laat zien dat het erg belangrijk is om grenzen in de planregels van het bestemmingsplan aan te geven met betrekking tot aantallen stuks vee. Verder adviseer ik om tenminste altijd een m.e.r.-beoordeling te maken voor dergelijke plannen. Het simpel afdoen met de zin ‘de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. worden niet overschreden’ kan echt niet!

Zie uitspraak ABRS 8 mei 2013, no. 201208118/1/R1

 

vormvrije mer -Afdeling laat rechtsgevolgen in stand

Vormvrije mer – Als voor een besluit ten onrechte geen vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd, kan het besluit in stand blijven als alsnog goed wordt gemotiveerd waarom geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt

Het college van b&w heeft een Wm-revisievergunning verleend voor een varkenshouderij, akkerbouwbedrijf en rundveehouderij. Appellant stelt in beroep dat een m.e.r.-beoordeling had moeten worden uitgevoerd.

De Afdeling overweegt:Anders dan appellant ter zitting heeft gesteld moet voor het toetsen aan de drempelwaarden, worden uitgegaan van de toename van het aantal vergunde dieren. Omdat de toename van het vergunde aantal dieren de drempelwaarden van categorie D14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (oud) niet overschrijdt, hoefde geen MER te worden opgesteld. 

De inrichting is aan te merken als een project als bedoeld in bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…), moet het bevoegd gezag (…) kijken naar andere factoren als bedoeld in bijlage III van de M.e.r.-richtlijn, die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een MER, ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden. Uit de vergunning blijkt dat het college heeft beoordeeld of de in categorie D14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (oud) genoemde drempelwaarden worden overschreden. Uit de vergunning blijkt niet dat het college andere factoren als bedoeld in bijlage III van de M.e.r.-richtlijn die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een MER, bij de beoordeling heeft betrokken. Daarom is niet goed gemotiveerd waarom geen MER opgesteld hoeft te worden. Het college heeft de vergunning in strijd met artikel 3:46 Awb onvoldoende gemotiveerd. 

De Afdeling laat desondanks de rechtsgevolgen in stand. Voor de motivering ervan wordt verwezen naar r.o. 3.7 van uitspraak

ABRS 6 februari 2013, no. 201107379/1/A4.

 

 

Stedelijk ontwikkelingsproject – zijn er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn

Stedelijk ontwikkelingsproject – Belangrijk bij binnenstedelijke herontwikkeling – Van belang bij stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 in Besluit m.e.r., onderdeel D, is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie 11.2 bepaald dat de m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden gevolgd in het kader van een plan dat voorziet in de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, indien het betreft een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2000 of meer woningen omvat, dan wel een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. 

Ter beantwoording van de vraag of de herontwikkeling van het centrum de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject betreft, overweegt de Afdeling als volgt:

“Volgens de geschiedenis van totstandkoming van onderdeel D, categorie 11.2 (…) kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Wat stedelijke ontwikkeling inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.”

Zie uitspraak ABRS 9 januari 2013, no. 201108126/1/R2

Bestemmingsplan en MER: ondanks dat drempelwaarden niet worden overschreden kan er toch een milieueffectrapport nodig zijn – categorie 14 onderdeel D Besluit m.e.r.

Bestemmingsplan en MER – ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden, kan er toch een milieueffectrapport nodig zijn.

Het is inmiddels vaste jurisprudentie en toch gaat het in de praktijk nog regelmatig mis.  De gemeente laat een onverplichte m.e.r.-beoordeling achterwege, omdat er gedacht wordt dat bij het niet overschrijden van de aangegeven drempelwaarden, er geen MER nodig is. Hierbij nog eens de standaardoverweging van de Afdeling:

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 september 2011 in zaak no. 201004411/1/M2, dient het bevoegd gezag, gelet op eerder genoemd arrest van het Hof van Justitie, gekeken te worden naar andere factoren als bedoeld in bijlage III van de mer-richtlijn, die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een milieueffectrapport, ondanks dat de drempelwaarden zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. In deze bijlage zijn kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect als omstandigheden genoemd waarmee het bevoegd gezag rekening dient te houden bij de beoordeling of een milieueffectrapport opgesteld dient te worden. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college naar deze of naar andere factoren van bijlage III heeft gekeken, dit in dit geval aanleiding zouden kunnen geven tot het opstellen van een milieueffectrapport.”

Ik verwijs hierbij naar de tips in het artikel ‘Trap niet in de valkuil bij m.e.r.-beoordeling!’

omgevingsjurist