Assortiment detailhandel in bestemmingsplan is ruimtelijk niet relevant

In bestemmingsplan regelen van welk assortiment detailhandel is toegestaan is ruimtelijk niet relevant

In een bestemmingsplan heeft de gemeente via een assortimentslijst geregeld welk assortiment bouwmarkten in huis mogen hebben.

De Afdeling zegt er het volgende over: “het vaststellen van het toegestane assortiment in de assortimentslijst PDV is een te vergaande beperking van de gebruiksmogelijkheden van het perceel (…). Een bestemmingsplan kan weliswaar regels bevatten met betrekking tot branches van detailhandel, maar daaronder valt niet tevens het gedetailleerd vaststellen van het toegestane assortiment. De Afdeling komt tot deze uitleg omdat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening als zodanig niet van belang is welke specifieke goederen verkocht worden wanneer deze binnen de toegestane branche vallen.”

Zie uitspraak ABRS 20 november 2013, no. 201302826/1/R1

Tuincentrum en branchevreemde goederen bestemmingsplan

Tuincentrum en branchevreemde goederen:  vallen ook branchevreemde goederen onder de definitie van tuincentrum?

De casus die zich afspeelt in de uitspraak van ABRS 26 september 2012, no. 201107508/1/T1/R4 komt bijna in elke gemeente voor. Tuincentra zijn halve ‘Blokkers’ geworden. Naast de gebruikelijke tuinverwante producten, zoals bloemen, planten en potten, behoren tegenwoordig ook schalen, pannen en andere huishoudartikelen tot het assortiment van de wat grotere tuincentra.tuincentrum en branchevreemde goederen

Hoewel het voor de concurrentie in de binnenstad niet prettig is, is het de vraag is of dit in planologisch opzicht erg is. Met andere woorden, moet de gemeente zich hiermee bemoeien? 

Een exploitant van een tuincentrum stelt in beroep dat de definitie van ’tuincentrum’ in het bestemmingsplan te nauw is. Volgens hem komt in de definitie tot uitdrukking dat het gebruikelijke assortiment van zijn tuincentrum ook de verkoop behoort van kamerplanten en aanverwante artikelen zoals potten, trendartikelen en decoratieve artikelen voor in huis. Hij stelt verder dat de raad ten onrechte dierbenodigdheden aanduidt als branchevreemde goederen.

De definitie van tuincentrum in het bestemmingsplan luidt: 

een detailhandelsbedrijf met een al dan niet overdekte verkoopvloeroppervlakte, waar levende en niet-levende artikelen voor tuininrichting, tuindecoratie, planten en daaraan verwante artikelen ten verkoop worden aangeboden”.

Volgens de raad is de verkoop van niet-tuingerelateerde dierenspeciaalproducten, behoudens voorzover het een oppervlakte betreft van 150 m², niet toegestaan. Uitgangspunt is volgens de raad de Detailhandelsvisie van de gemeente. Hierin is opgenomen dat op perifere locaties, zoals het tuincentrum, alleen plek is voor branches die door hun aard (volumineus)  niet thuishoren in de binnenstad. Dierenspeciaalzaken zijn volgens de raad geschikt om zich in de binnenstad te vestigen.

De Afdeling overweegt over de kwestie tuincentrum en branchevreemde goederen: “Bij een tuincentrum moet in het algemeen worden gedacht aan de verkoop van artikelen die in directe relatie staan tot tuininrichting en               -onderhoud. Gelet hierop heeft de raad, in aansluiting op de Detailhandelsvisie, zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in tuincentra verkochte dierenbenodigdheden kunnen worden aangemerkt als branchevreemde goederen”. 

Naar mijn mening moet de gemeente zich niet langer met het assortiment van de detailhandel bemoeien. Het levert in de praktijk erg lastige situaties op. Ook voor de gemeente zelf. Zelf heb ik bij een gemeente meegemaakt hoe lastig het is voor bijv. handhavingsambtenaren. Zij moeten bij een verzoek om handhaving van de concurrentie controleren of een bepaald product al dan niet tot het gebruikelijke assortiment behoort: Pannen wel? Kerstslingers niet? Het is niet te doen.