Omgevingsvergunning aanvragen nooit direct doen!

Omgevingsvergunning aanvragen: nooit direct doen! – tip 1

Leegstand van onroerend goed komt veel voor: leegstaande kantoren, autoshowrooms, winkelpanden, boerderijen, etc. Vertragende procedures bij de gemeente gooien vaak roet in het eten bij een vlotte herbestemming. De meeste ondernemers of andere initiatiefnemers met een goed idee voor een pand of locatie, denken dan ook vaak dat het direct indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning helpt om het gehele proces te versnellen. “Dan gaan tenminste de wettelijke termijnen lopen“, wordt er vaak gedacht. Vooroverleg met de gemeente vinden ze niet nodig.

Uiteraard hangt het van het project af en de mate van afwijking van het bestemmingsplan. De praktijk is echter weerbarstig. Een aantal belangrijke aandachtspunten in het traject bij de gemeente voor een nieuw idee voor herbestemming van een pand of locatie is:

  • past uw idee in het gemeentelijk of provinciaal beleid?
  • in hoeverre wijkt uw plan af van het geldende bestemmingsplan?
  • zijn er ‘binnenplanse afwijkingsmogelijkheden’? Zo nee, welke andere mogelijkheden zijn er?
  • politieke belangen bij een pand of locatie: onderschat dit niet.
  • presentatie van uw idee: als ondernemer of ontwikkelaar bent u meestal enthousiast over uw nieuwe plan; dim dit enthousiasme bij de gemeente.

Tip 1: toets uw plan vooraf aan het gemeentelijk beleid

Bij het woord ‘beleid’ haken veel ondernemers en ontwikkelaars af. Het klinkt erg stroperig en saai. Toch is dat beleid in de praktijk erg belangrijk. Het geeft een richting aan die de gemeente wenst in te slaan of is de weg die de gemeente al bewandelt. Het komt in de praktijk zelden voor dat de gemeente van beleid afwijkt. Zeker in het geval dat beleid recentelijk is vastgesteld. Het heeft dan ook niet zo veel zin om een project door te zetten indien dat op belangrijke punten afwijkt van dat beleid. Wijkt het op kleine punten af, doe dat een onderbouwd voorstel richting gemeente en geef duidelijk aan hoe er kan worden afgeweken en hoe dat alternatief eruit ziet. Maak vervolgens een afspraak met de beleidsadviseur van de betreffende afdeling en licht uw verhaal toe.

De toetsing aan beleid geeft tevens voor u een belangrijke indicatie of het plan kans van slagen heeft. Dien daarom altijd eerst een conceptaanvraag of een verzoek om vooroverleg in. Uw plan wordt in dat geval getoetst aan gemeentelijk beleid. In deze fase kunt u uw bouwplan nog gemakkelijk bijschaven of bijstellen aan de eisen van de gemeente.

De volgende tips ontvangt u in ons ezine. Meld u hiervoor gratis aan! Het aanmeldformulier ziet u aan de rechterzijde van de website.

Heeft u vragen over het vooroverleg en hoe u een kansrijk verzoek kunt indienen bij de gemeente?

Plattelandswoning jurisprudentie overzicht

Plattelandswoning jurisprudentie

Inmiddels zijn we een aantal uitspraken verder over bovengenoemd onderwerp. Hieruit blijkt dat er veel meer onderzoek nodig is dan in eerste instantie bij de introductie van de Wet plattelandswoningen werd aangenomen. Hieronder een handig overzicht van de meest recente uitspraken (datum: publicatie 1 augustus 2015):plattelandswoning jurisprudentie

Op basis van de tot dusverre verschenen jurisprudentie kunnen de volgende 4 lessen worden gehaald:

  1. Gezondheid: check bij een beoogde plattelandswoning nabij een intensieve veehouderij welke effecten deze heeft op de gezondheid van de bewoners van de plattelandswoning;
  2. Geluid: breng de geluidbronnen in beeld van het naastgelegen bedrijf en de omgeving en voer een akoestisch onderzoek uit;
  3. Luchtkwaliteit: voor een luchtkwaliteitsonderzoek uit vanwege het naastgelegen agrarische bedrijf;
  4. Maatwerk plattelandswoning: stel per plattelandswoning een onderzoek uit naar een goede ruimtelijke ordening ter plaatse. Dit laatste criterium uit de Wet ruimtelijke ordening blijft altijd als een zwaard van Damocles boven elke plattelandswoning ‘hangen’. Besteed hier dus aandacht aan in de ruimtelijke onderbouwing.

Het fenomeen plattelandswoning is een fictief juridisch instrument dat in de praktijk niet goed werkt. In juridische zin wel, maar niet in praktische zin. In het algemeen is het niet raadzaam dat bewoners die niet behoren bij het agrarische bedrijf, te dicht bij een agrarisch bedrijf wonen. Een agrarisch bedrijf runnen is ‘a way of life’ en gaat altijd door, zeker bij levende have. Dat stopt niet na kantoortijden. Dit ritme past niet goed bij het ritme van de gemiddelde kantoormens. Die wil rust bij thuiskomst en in het weekend. Dit is geen hogere wiskunde maar vergt logisch nadenken. Kijk dus verder dan de juridische werkelijkheid.

 

Plattelandswoning bij bedrijfswoning glastuinbouw

Plattelandswoning bij bedrijf glastuinbouw

Plattelandswoning en glastuinbouwbedrijf – De gemeente Lansingerland heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld “Schil om Bleiswijk”. Het plan voorziet in een nieuwe bestemming voor agrarische gronden. Appellanten kunnen zich niet verenigen met de aan hun percelen toegekende bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’. Zij betogen onder meer dat de wettelijke regels voor de plattelandswoning niet van toepassing zijn op bedrijfswoningen bij glastuinbouwbedrijven.bedrijfswoning glastuinbouw

De Afdeling zegt er het volgende over: “Anders dan appellant betoogt, is de keuze van de raad om een voor burgerwoning gebruikte bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf te bestemmen als plattelandswoning, niet in strijd met de wettelijke regeling voor plattelandswoningen. Daartoe overweegt de Afdeling dat de wettelijke regeling voor de plattelandswoning (…) blijkens het bepaalde in het tweede lid van dat artikel onder meer van toepassing is op voor burgerbewoning gebruikte bedrijfswoningen bij een glastuinbouwbedrijf. (…)”. 

Lees hier meer informatie over de plattelandswoning en het bestemmingsplan.

Zie verder uitspraak ABRS 22 juli 2015, no. 201403289/1/R4.

 

Voor verspreide woningen landgoed geen toets ladder duurzame verstedelijking

Voor verspreide woningen op landgoed geen toets ladder duurzame verstedelijking nodig 

Ladder duurzame verstedelijking – artikel 3.1.6, tweede lid Bro – Op een landgoed worden in totaal verspreid 14 woningen mogelijk gemaakt. De locaties liggen op respectievelijk 600 m en 1,5 kilometer van elkaar.

Appellant betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte is vastgesteld omdat appellant van mening is dat het plan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aangezien het plan voorziet in een samenhangend complex van woningen die in 3 wijken zijn geclusterd en voorts tezamen als kostendragend project voor het landgoed mogelijk zijn gemaakt. Volgens hem is ten onrechte niet onderbouwd dat de voorziene woningen in een actuele regionale behoefte voorzien. Voorts is niet onderzocht in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Volgens appellant staat in de omgeving een groot aantal woningen te koop, zodat nabij het plangebied voldoende woningaanbod is.

De Afdeling overweegt: “(…) Gelet op de onderlinge afstand tussen de verschillende locaties waar de woningen zijn voorzien, kunnen de in het plan voorziene nieuwe woningen naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. (…)”  Lees verder r.o. 6.3 van uitspraak ABRS 22 juli 2015, no. 201408879/1/R3.

 

 

Gemeente moet concrete bouwaanvraag beoordelen bij bestemmingsplan

Gemeente moet concrete bouwaanvraag beoordelen bij nieuw bestemmingsplan

Concrete bouwaanvraag – Het is altijd verstandig om tijdens de (voor)ontwerpfase van een bestemmingsplan een concrete bouwaanvraag of aanvraag om functiewijziging in te dienen. De gemeente is namelijk verplicht om een concrete aanvraag die voldoende informatie bevat te beoordelen. Vaak wimpelen gemeenten dergelijke aanvragen af omdat ze vaak meer tijd in beslag nemen en het planproces kunnen vertragen.

De Raad van State neemt er echter geen genoegen mee. In een uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2015, wordt deze lijn wederom bevestigd:

In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijk instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld. (…). De raad heeft door het voornemen niet in het plan op te nemen, het verzoek daartoe impliciet en zonder motivering afgewezen. De raad voert terecht aan dat in de Uitvoeringsnota Horeca 2014 geen toezegging staat voor horeca op de locatie, maar uit de Uitvoeringsnota 2014 blijkt wel dat horeca op deze locatie niet op voorhand is uitgesloten. Nu het voornemen reeds bekend en concreet was ten tijde van de besluitvorming over het bestemmingsplan, zie de Afdeling niet in dat met dit plan en de gevolgen daarvan op het woon- en leefklimaat van omwonenden bij de vaststelling van het plan geen rekening kon worden gehouden. Het betoog van de raad dat de functiewijziging ingrijpend is voor omwonenden en dat die benadeeld worden omdat zij geen inspraakmogelijkheid hebben gehad, treft geen doel omdat omwonenden de mogelijkheid zouden hebben gehad om een zienswijze over het desbetreffende plandeel in te dienen dat wel beroep tegen het besluit in te stellen (…).”