Vormvrije mer beoordeling bij activiteit die voorkomt in bijlage D van Besluit m.e.r.

Vormvrije mer beoordeling – Voer altijd bij een voorgenomen activiteit die voorkomt in bijlage D van het Besluit m.e.r. een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit

Deze bericht is met name gericht aan gemeenten. Ik zie dikwijls uitspraken voorbij komen waaruit blijkt dat de gemeente er alles aan doet om maar geen milieueffectrapport op te stellen. Bij een overheidsorgaan vind ik dit vreemd overkomen. Het komt over alsof bij de gemeente niet het belang van het milieu voorop staat. De gemeente gedraagt zich op deze manier als een projectontwikkelaar.

Vormvrije mer- Voer bij activiteiten die voorkomen in bijlage D van het Besluit m.e.r. altijd een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit. Mocht je van mening zijn dat er geen MER benodigd is, motiveer dan tenminste waarom. Dikwijls blijft een motivering geheel achterwege. Ik vind dit onbegrijpelijk.

In een uitspraak van 19 december 2012, no. 201112785/1/R4 komt het voornoemde aan de orde in combinatie met een wijzigingsplan. Het wijzigingsplan maakt de verplaatsing van een agrarisch bedrijf mogelijk en een uitbreiding van het bedrijf. Appellant betoogt dat in de in het plan voorziene situatie tenminste 200 melkkoeien kunnen worden gehouden. Gelet hierop had volgens hem een milieueffectrapportage-beoordeling moeten worden gemaakt.

Op grond van categorie 14, kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is als m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan de in kolom 2 aangegeven aantallen. Voor melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar geeft kolom 2 een aantal van 200 aan. In kolom 3 zijn als plannen onder meer aangewezen de plannen als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.6, eerste lid, onderdelen a en b van de Wro.

In artikel 8 van het bestemmingsplan wordt geen beperking gesteld aan het te bebouwen oppervlak. De maatschap heeft de wens om het agrarische bedrijf te laten uitgroeien tot een bedrijf met ongeveer 200 melkkoeien. Het houden van een groter aantal melkkoeien of een omschakeling naar andere diersoorten is op grond van de planvoorschriften dan ook mogelijk. 

De Afdeling komt dan ook tot de conclusie dat ten onrechte geen m.e.r.-beoordeling is verricht.

 

 

 

MER en bestemmingsplan

MER en bestemmingsplan – Kijk bij controle of activiteit al dan niet drempelwaarden overschrijdt naar de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan

In een uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012, no. 201109052/1/R2 wordt weer eens duidelijk dat de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan erg belangrijk zijn bij het bepalen of de voorgenomen activiteit de drempelwaarden al dan niet zullen overschrijden.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt zandwinning mogelijk en voorziet in de realisatie van een nieuwe ontsluitingsweg. Na de beëindiging van de zandwinning zal de locatie worden ontwikkeld tot natuur- en recreatiegebied. Het plangebied heeft een omvang van 36 hectare.

Appellanten betogen dat de raad ten onrechte geen milieueffectrapport heeft gemaakt.

Wettelijk kader MER en bestemmingsplan  Op grond van onderdeel C, categorie 16.1, van de bijlage van het Besluit m.e.r., is het maken van een MER verplicht ten aanzien van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een winplaats van 100 hectare of meer, of op een aantal winplaatsen die tezamen 100 hectare of meer omvatten en die in elkaars nabijheid liggen. In kolom 3 is als MER-plichtig plan bij deze activiteit onder meer het bestemmingsplan aangewezen.

De Afdeling overweegt:Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat het plan niet de drempelwaarde overschrijdt zoals genoemd in categorie 16.1 voor zover dat betreft een winplaats van 100 hectare of meer. Naar het oordeel van de Afdeling moet echter tevens worden gekeken naar de drempelwaarde voor zover dat betreft een aantal winplaatsen die in elkaars nabijheid liggen. Hiertoe wordt overwogen dat ten zuiden van het gebied een bestaande ontgronding in uitvoering is, en dat deze ontgronding op een afstand van slechts ongeveer 40 meter van het plangebied plaatsvindt. Uit het deskundigenbericht blijkt dat het gehele ontgrondingenproject een oppervlakte heeft van 65 hectare. De beide ontgrondingslocaties (…) omvatten tezamen een totale oppervlakte van 101 hectare. Hiermee wordt de in categorie 16.1 opgenomen drempelwaarde voor het maken van een MER overschreden. 

(…) Gelet hierop dient ook voor de locatie (…) te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden en niet slechts van de oppervlakte van gronden waar uiteindelijk de recreatieplas zal worden gerealiseerd.”

Zie voor details r.o. 3.4.2 e.v.

 

Uitbreiding intensieve veehouderij in geldend bestemmingsplan, moet bij vaststelling nieuw bestemmingsplan de uitbreiding worden getoetst aan de Natuurbeschermingswet 1998

Uitbreiding intensieve veehouderij – Ondanks bestaande uitbreidingsmogelijkheid van intensieve veehouderij in geldend bestemmingsplan, moet bij actualisatie van bestemmingsplan de uitbreidingsmogelijkheid worden getoetst aan de Natuurbeschermingswet 1998

Het actualiseren van een bestemmingsplan voor het buitengebied is voor de gemeente veel werk. De grootte van het gebied is vaak aanzienlijk en verder zijn er tal van nieuwe ontwikkelingen die in het buitengebied gaande zijn, zoals het vrijkomen van agrarische objecten, handhavingskwesties, etc. Ook het opnemen van bestaande rechten voor belanghebbenden in het plangebied is een aspect dat de gemeente moet meenemen in de besluitvorming. De Afdeling geeft standaard aan dat “de raad de aanvaardbaarheid van een bestemmingsplan bij het vaststellen opnieuw moet bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving.” Bij bestaande bouwmogelijkheden voor agrarische bedrijven moet de gemeente nog scherper opletten.

Hierbij een rechtsoverweging uit een uitspraak van 12 februari 2014 die belangrijk is voor de gemeentelijke praktijk:

Dat deze bouwvlakken voor agrarische bedrijven overeenkomen met de bouwvlakken in het voorheen geldende plan, leidt derhalve niet tot het oordeel dat het plan op dit punt in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998 en dat daarvoor geen passende beoordeling nodig is. (…) Voor zover de raad stelt dat niet te verwachten is dat significante effecten zich zullen voordoen, omdat de laatste jaren de ammoniakemissie is afgenomen en dit zal doorzetten, overweegt de Afdeling dat dit de raad niet ontslaat van de verplichting om bij de vaststelling van het plan te beoordelen of het plan in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998″

Zie uitspraak ABRS 12 februari 2014, no. 201303905/1/R3.

Verder nog een overweging uit een uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012:

“Uit artikel 19j van de Nbw 1988 volgt dat reeds bij de vaststelling van een plan dient te worden bezien of daarbij ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die effecten kunnen hebben op Natura-2000 gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelstelling ervan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 200906702/1/R3) dient de raad bij de vaststelling van een (nieuw) bestemmingsplan de aanvaardbaarheid (opnieuw) te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving. Uit de enkele omstandigheid  dat een bouwmogelijkheid voor intensieve veehouderij overeenstemt met de bouwmogelijkheid van het voorheen geldende plan, volgt niet dat het plan op dit punt in overeenstemming is met de Nbw 1988. Derhalve dient in dit geval, ten aanzien van de vraag of het plan significante gevolgen heeft voor het desbetreffende gebied, uitgegaan te worden van de bestaande bebouwing van ongeveer 3.100 m² en de door het plan mogelijk gemaakte uitbreiding tot een oppervlakte van maximaal 5.000 m². (…)

Gelet hierop en op de afstand van 3,3 kilometer van het bouwvlak tot de rand van het Natura 2000-gebied met daarin de genoemde, voor verzuring zeer gevoelige habitattypen, heeft de raad ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt of voor de in het plan geboden mogelijkheid tot uitbreiding van de intensieve veehouderij (..) een passende beoordeling is vereist.”

Zie uitspraak ABRS 19 december 2012, no. 201111621/1/R2.

Geur en bestemmingsplan – voer snuffelonderzoek uit bij onderzoek of bouwplan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en toets aan rijksgeurbeleid

Geur en bestemmingsplan – Geur kan verschillende gezondheidseffecten veroorzaken. Stress, hoest en vele andere lichamelijke ongemakken. Geurhinder zegt overigens niets over de toxiciteit van de emissies. Persoonlijke beleving van geur heeft grote invloed.

Hoe toets je geur in ruimtelijke ordening? Infomil heeft een handige online-tool ontwikkeld om geur te toetsen bij ruimtelijke planvorming.

Geur en woningbouw komt ook aan de orde in een uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012, no. 201203175/1/R4. Het gaat hierom een bestemmingsplan dat de bouw van 28 grondgebonden woningen en 32 appartementen mogelijk maakt. Op 40 meter afstand van het plangebied ligt een kartonfabriek. Het bedrijf voert in beroep aan dat er ter plaatse van de woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De raad erkent dat de woningen zijn voorzien in een geurcontour waarbinnen volgens het landelijk geurbeleid (Nota stankbeleid 1994) terughoudendheid dient te worden betracht met het bouwen van woningen. De raad erkent verder dat sprake kan zijn van enige geurhinder, maar stelt dat deze geringe hinder acceptabel moet worden geacht.

Uit de toelichting van het bestemmingsplan blijkt dat het plangebied ligt tussen de geurcontouren van 11 en 4 ge/m³ als 98 percentiel. Volgens het rijksbeleid dient ter plaatse aldus terughoudendheid te worden betracht bij het bouwen van woningen. Ook vanuit een goede ruimtelijke ordening dient de raad te bezien of de geurhinder afkomstig van de kartonfabriek ter hoogte van de in het plan voorziene woningen als aanvaardbaar kan worden beoordeeld.

De gemeente heeft een beperkt geuronderzoek laten uitvoeren op een willekeurige dag. Uit het geuronderzoek blijkt dat de geuremissie van de kartonfabriek tijdens de meting in 2008 is toegenomen t.o.v. de situatie in 2005.

De Afdeling overweegt: Gelet op het voorgaande wordt met het snuffelonderzoek niet aangetoond dat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. De raad heeft aangevoerd dat ten tijde van de meting in 2008 niet aan de vergunningvoorschriften werd voldaan. Deze enkele stelling acht de Afdeling echter onvoldoende om aan te tonen dat wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter hoogte van de in het plan voorziene woningen kan worden gewaarborgd indien aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan. (…) Gelet op het voorgaande berust het standpunt van de raad dat ter hoogte van de in het plan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd niet op een deugdelijk onderzoek. Voorts heeft de raad er geen blijk van gegeven rekening te hebben gehouden met het rijksgeurbeleid, welke beleid aangeeft terughoudendheid te betrachten bij het mogelijk maken van woningbouw bij een geurbelasting als hier aan de orde teneinde nieuwe geurhindersituaties te voorkomen, terwijl gelet op het voorgaande niet is verzekerd dat geen nieuwe hindersituatie zal ontstaan.”

De Omgevingsjurist – specialist in de doorwerking van milieu in het bestemmingsplan

 

 

Geluidmaatregelen woningen borgen in planregels van bestemmingsplan – voldoen aan een goede ruimtelijke ordening

Geluidmaatregelen woningen – Om te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening, kan het nodig zijn om in de planregels van het bestemmingsplan te borgen dat de geluid- en geurwerende maatregelen ook worden uitgevoerd

Op de gronden naast een bestaande bakkerij wordt met een bestemmingsplan een appartementencomplex mogelijk gemaakt. De eigenaar van de bakkerij stelt in beroep dat met uitsluitend een vliesgevel aan de zijkant van het voorziene appartementgebouw de geluiduitstraling vanuit de bakkerij op de achterzijde van het appartementencomplex niet voldoende kan worden gereduceerd.

Volgens de gemeente wijst het akoestisch onderzoek uit dat na het toevoegen van een zogenaamde vliesgevel geen sprake is van een overschrijding van geluidnormen en dat binnenwaarden door de getroffen maatregelen aan de gevels van de nieuwbouw worden gewaarborgd. De gemeente wijst erop dat in het plan is voorgeschreven dat het appartementencomplex alleen mag worden gebouwd in combinatie met een vliesgevel.

De Afdeling overweegt: Ter zitting heeft de raad aangegeven dat sprake is van een overschrijding van de aanvaardbare geluid- en geurbelasting vanuit de bakkerij op de voorziene appartementen. De raad heeft daarbij gesteld dat deze belasting kan worden beperkt door maatregelen te treffen bij de bakkerij en de voorziene appartementen. De Afdeling stelt echter vast dat de uitvoering van deze maatregelen bij realisering van het plan niet is gewaarborgd. Daartoe neemt de Afdeling in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat de bij appellante te nemen maatregelen ter beperking van de geurbelasting zullen worden uitgevoerd. Voorts heeft de raad aangegeven dat in de verleende bouwvergunning een vliesgevel is opgenomen bij het appartementencomplex, ter voorkoming van een te hoge geluidbelasting op de eigenlijke gevel van dat complex. Hieruit volgt dat zonder het treffen van maatregelen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de appartementen kan worden gerealiseerd vanwege de geluiduitstraling van de bakkerij. Nu het plan voor de gronden waarop de appartementen zijn voorzien geen voorschrift bevat  op grond waarvan de geluidbelasting op de gevel van de appartementen vanwege de bakkerij maximaal 50 dB(A) mag bedragen, de geluidwaarde die door de raad maximaal aanvaardbaar wordt geacht, wordt niet gewaarborgd dat ter plaatse van de appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.”

Zie uitspraak ABRS 12 december 2012, no. 201206363/1/T1/R4

omgevingsjurist

wijzigingsbevoegdheid terras – ten onrechte in akoestisch onderzoek niet mogelijkheid onderzocht van horeca met terras

Wijzigingsbevoegdheid terras – Vergeet bij opname wijzigingsbevoegdheid in bestemmingsplan niet een akoestisch onderzoek uit te voeren voor een horeca met terras

Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat de mogelijkheden die een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan zijn voorzien op voorhand moeten worden getoetst aan het criterium ‘een goede ruimtelijke ordening’.

In dit geval was in een bestemmingsplan de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het college van b&w voor het wijzigen van horeca 3 naar horeca 1. Na de wijziging is het mogelijk om een horeca met terras te vestigen. Dit was voorheen niet toegestaan.

De Afdeling overweegt:  “Ingevolge de Horecanota is bij een horecabedrijf met ten hoogste categorie 1 de exploitatie van een terras mogelijk. De wijzigingsvoorwaarden sluiten de mogelijkheid van een terras niet uit. De raad heeft bij de vaststelling van het plan ten onrechte niet bezien of een maximale invulling van de wijzigingsbevoegdheid ingevolge artikel (…) van de planregels (…) planologisch aanvaardbaar is.”

Zie uitspraak ABRS 12 december 2012, no. 201200992/T1/R1

webshop bestemmingsplan met mogelijkheid om ter plaatse producten te bekijken juridisch al snel in te delen als detailhandel

Webshop bestemmingsplan – internetwinkel met mogelijkheid om ter plaatse producten te bekijken juridisch als snel in te delen als detailhandel in de zin van het bestemmingsplan

Webshops zijn sterk in opkomst. Steeds meer verkopen vinden plaats via internet. Als nadeel wordt vaak genoemd dat het product niet gepast of vooraf ingezien kan worden. De hieronder te bespreken webshop bood die mogelijkheid wel. Op vrijdag en zaterdag tussen 10.00 en 17.00 uur was de shop voor publiek geopend. Er was een toonkamer van ongeveer 350 m² waar de collectie spelcomputers stond uitgestald.

Deze praktische tegemoetkoming aan (potentiële) klanten had echter grote gevolgen. De activiteiten van de webshop waren als zodanig onder te brengen onder de definitie van ‘detailhandel’ in de zin van het bestemmingsplan.

Naar mijn mening kan een ‘pop-up-showroom’ wel uitkomst bieden. Geen showroom op een vaste plek, maar telkens op een andere locatie. Bijv. via een mobiele vrachtwagen of huur voor voor bepaalde dagen per maand een leegstand pand op telkens een andere locatie.

Voor de uitspraak zie ABRS 26 september 2012, no. 201200490/1/A1.

 

 

 

Milieuvergunning bestemmingsplan – bij keuze bestemming in bestemmingsplan ten onrechte uitgegaan van vergunde milieuvergunning

Milieuvergunning bestemmingsplan – bij leggen van bestemmingen rekening houden met ruimere mogelijkheden van het Activiteitenbesluit ten opzichte van vergunde milieuvergunning

Een nieuw bestemmingsplan maakt de bouw van 300 woningen mogelijk. Appellante heeft nabij de beoogde woningen een bedrijf en stelt in beroep dat er ter plaatse van de woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat zij in haar bedrijfsvoering wordt beperkt door de komst van de woningen. Ze betoogt dat haar bedrijf inmiddels valt onder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim) en niet meer wordt gereguleerd door een milieuvergunning. Er zijn geen maatwerkvoorschriften opgelegd. Dit betekent dat de volledige ruimte uit het Barim benut kan worden. Volgens haar is de gemeente ten onrechte uitgegaan van de vergunde situatie, met name nu het Barim meer mogelijkheden biedt dan de inmiddels vervallen vergunning.

De Afdeling overweegtdat de raad in het plan is uitgegaan van de situatie waarin de activiteiten van appellante nog door een vergunning werden gereguleerd. Vaststaat dat de geluidruimte die het Barim biedt, groter is dan de geluidruimte van de voormalige vergunning. De raad is in het plan gelet op het voorgaande uitgegaan op verkeerde uitgangspunten. Nu de geluidruimte uit de voormalige vergunning verschilt van de geluidruimte uit het Barim, heeft de raad miskend dat de in het plan voorziene woningbouw mogelijk gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van appellante. Ook is niet gebleken dat de raad een volledige beoordeling heeft gemaakt van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen, nu de geluidruimte uit het Barim daarbij niet is betrokken”.

Zie uitspraak ABRS 12 december 2012, no. 201112659/1/R4

omgevingsjurist

Geluidzonebeheerplan – Geen wettelijke verplichting voor gemeente om bij vaststelling bestemmingsplan geluidzonebeheerplan vast te stellen

Geluidzonebeheerplan – Geen wettelijke verplichting voor gemeente om bij vaststelling bestemmingsplan geluidzonebeheerplan vast te stellen

De gemeente heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de wijziging van een geluidszone rond een industrieterrein. Appellant stelt in beroep dat de gemeente ten onrechte geen geluidreductieplan heeft vastgesteld. Volgens hem is de gemeente daartoe verplicht, omdat de cumulatieve geluidbelasting vanwege de bedrijven op het  gezoneerde industrieterrein de waarde van 50 dB(A) buiten de geluidszone overschrijdt.

Wettelijk kader Op grond van artikel 67, eerste lid van de Wet geluidhinder stelt het college van b&w, indien de geluidbelasting buiten een bestaande zone vanwege een industrieterrein de waarde van 50 dB(A) overschrijdt of op een of meer plaatsen binnen de zone of op de zonegrens de geluidbelasting hoger is dan de ten hoogste toegestane geluidbelasting, voor het betreffende industrieterrein een geluidreductieplan vast.

De Afdeling overweegt: “Vaststaat dat geen geluidreductieplan is vastgesteld. Blijkens de MvT (…) is met artikel 67 van de Wgh beoogd om bij een vergunningaanvraag voor een bedrijf op een akoestisch vol industrieterrein ruimte te bieden om aan dat bedrijf wel een vergunning te kunnen verlenen of de bestaande vergunning te kunnen wijzigen, wanneer de gemeente voor een akoestisch vol industrieterrein een realistisch plan maakt om de overschrijding van de grenswaarden binnen een bepaalde periode teniet te doen. Hieruit volgt dat een geluidreductieplan bedoeld is om onder omstandigheden vergunningverlening mogelijk te maken. Er bestaat geen wettelijke verplichting om in het kader van een bestemmingsplan een geluidreductieplan op te stellen. Ook anderszins bestaat daartoe vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid geen aanleiding. Het betoog faalt.”

Zie uitspraak ABRS 12 december 2012, LJN: BY5893

omgevingsjurist

Bestemmingsplan en evenementen voer altijd een geluidsonderzoek uit in kader van een goede ruimtelijke ordening

Bestemmingsplan en evenementen – geluid van evenemententerrein altijd meenemen in akoestisch onderzoek in kader van een goede ruimtelijke ordening.

In een bestemmingsplan had de gemeente aan de bestemming ‘Verkeer’ toegevoegd dat er tevens evenementen mochten worden gehouden. De VvE van een naastgelegen appartementengebouw stelt in beroep dat het in het plan mogelijk gemaakte evenemententerrein in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens de VvE had het evenemententerrein moeten worden meegenomen in het akoestische onderzoek dat voor het plan is uitgevoerd.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat in het akoestisch onderzoek geen rekening behoefde te worden gehouden met geluid afkomstig van het evenemententerrein nu de Wet geluidhinder daartoe niet verplicht. De gemeente stelt verder dat nu er in het bestemmingsplan een bepaling is opgenomen met een maximum van 50 dagen en maximaal 4.000 bezoekers, dat de bewoners geen onaanvaardbare hinder zullen ondervinden van het evenemententerrein.

De Afdeling overweegt:Vast staat dat de extra geluidsoverlast die het evenemententerrein teweeg zal brengen voor de bewoners van het appartementengebouw niet is onderzocht. Gelet op het aantal dagen dat evenementen mogelijk wordt gemaakt, het toegestane aantal bezoekers, het type evenementen dat in de planregels mogelijk wordt gemaakt en de afstand tussen het appartementengebouw en het evenemententerrein, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet inzichtelijk gemaakt of de bestreden aanduiding uit het oogpunt van geluidsbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.”

Regeling APV regelt nagenoeg geen ruimtelijk relevante aspecten:Dat de evenementen mede worden gereguleerd door de APV kan geen reden zijn om onderzoek naar het antwoord op de vraag of de geluidsbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening in dit geval achterwege te laten. Een evenementenvergunning ingevolge de APV is immers met name ingegeven vanuit het oogpunt van handhaving van de openbare orde en vormt geen toetsingskader voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een evenemententerrein. De omstandigheid dat de APV de mogelijkheid biedt om geluidvoorschriften te verbinden aan een evenementenvergunning leidt niet tot een ander oordeel, omdat die niet zijn bedoeld om een goede ruimtelijke ordening te waarborgen.”

Lees meer over evenementen en een goede ruimtelijke ordening… 

Zie uitspraak ABRS 5 december 2012, no. 201200385/1/T1/R2.

omgevingsjurist