locatiespecifiek onderzoek spuitzones boomgaarden

locatiespecifiek onderzoek spuitzones boomgaardenlocatiespecifiek onderzoek spuitzones

Bij milieuzonering geldt in het algemeen, hoe groter de afwijking van de richtafstand, hoe zwaarder de motiveringseis. Dit geldt zowel voor het afwijken van de richtafstanden in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, maar ook voor de door de Afdeling gehanteerde ’50 m afstandsnorm’ tussen boomgaarden en gevoelige bestemmingen, zoals woningen. Deze vaak toegepaste norm is een op een in een ver verleden gehanteerde beleidsregel die werd toegepast in de provincie Gelderland en is naar mijn mening natte vingerwerk. Dat er een verantwoorde afstand nodig is tussen tuinen van woningen en een boomgaard, moge duidelijk zijn. Bij het onderzoek dient onder meer te worden te worden uitgegaan van het meest toxische middel, dat is in de meeste gevallen Captan. In de meeste onderzoeken leunt men alleen op de WUR-onderzoeken die in omloop zijn. Die worden vaak 1-op-1 toegepast op de praktijksituatie. Dat is echter onvoldoende.

In onderhavige casus in uitspraak ABRS 7 december 2011, 201102611/1/T1/R2 stelde de gemeente dat een afstand van 10 m tussen een kampeerterrein en een boomgaard voldoende was. De gemeente verwees naar een algemeen onderzoek dat verricht was door de Wageningen Universiteit. De Afdeling overweeg m.i. terecht “dat dit een gestandaardiseerd onderzoek betreft waarbij de specifieke omstandigheden van het geval niet zijn betrokken. Daardoor is niet duidelijk in hoeverre de gezondheid van de kampeerders kan worden gewaarborgd.”

Inmiddels zijn er al tal van uitspraken verschenen waar iets dergelijks aan de orde was.[Locatiespecifiek onderzoek spuitzones boomgaarden]

Ons bureau houdt zich al jaren bezig met de relatie spuitzonering en de bouw van woningen. Dit gebeurt zowel op basis van technisch onderzoek als de juridische vertaling ervan naar een bestemmingsplan. Heeft u een onderbouwing nodig? Bel 010 – 2680689 voor meer informatie of lees meer over spuitzones en woningbouw.

locatiespecifiek onderzoek spuitzones

Activiteitenbesluit en bestemmingsplan

Activiteitenbesluit en bestemmingsplanactiviteitenbesluit en bestemmingsplan

Casus: Een bedrijf is reeds 20 jaar gevestigd op 3 bedrijfslocaties binnen de gemeente. Hiervoor is in het verleden onder meer een milieuvergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Vanaf 1 januari 2008 viel het bedrijf onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barro, thans: Activiteitenbesluit milieubeheer). Aan het bedrijf waren tevens maatwerkvoorschriften opgelegd. Op de gronden waar het bedrijf verspreid is gevestigd gelden verschillende planologische regimes. Omdat Gedeputeerde Staten destijds goedkeuring had onthouden aan een plandeel, liet dit plandeel geen bedrijfsactiviteiten toe in milieucategorie 3.2. Met andere woorden: een deel van het bedrijf was qua gebruik en bouwvoorschriften in strijd met het bestemmingsplan. De andere bedrijfslocaties waren op grond van het bestemmingsplan wel toegestaan.

Overweging Afdeling over aanvaardbaar woon- en leefklimaat: De Afdeling overweegt als volgt: “Hoewel op het plandeel waar bedrijfshal 3 thans staat in het hiervoor geldende plan wel een planologisch regime van toepassing was, moet gelet op de samenhang met bedrijfshallen 1 en 2 worden geconcludeerd dat (…) sprake is van een planologisch nieuwe situatie in de zin van de VNG-brochure. Weliswaar is in  het verleden een bouwvergunning verleend voor de bouw van de bedrijfshallen die het bedrijf huurt, ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf is een milieuvergunning verleend en de raad heeft ter zitting bevestigd dat maatwerkvoorschriften zijn opgelegd die gelijkluidend zijn aan de voorschriften uit de milieuvergunning, maar uit de stukken (…) volgt niet dat er ooit een ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden voor de vestiging van het bedrijf ter plaatse. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor appellanten en anderen is gewaarborgd.” 

Gepubliceerd op 6 december 2011

Zie ABRS 30 november 2011, 200906620/1/R1, r.o. 2.12.6.

Bel voor meer info over Activiteitenbesluit en bestemmingsplan:

omgevingsjurist

verbreding weg en akoestisch onderzoek

Verbreding weg en akoestisch onderzoekverbreding weg

In het oude bestemmingsplan was een bestaande weg bestemd als ‘Weg’ en waren zowel de middenberm als de zijbermen bestemd als ‘Openbaar groen, plantsoen en berm’. Een aanleg van een weg was op grond van laatstgenoemde bestemming niet toegestaan.

In het geactualiseerde bestemmingsplan is de bestaande weg bestemd als ‘Verkeer’, maar is ook aan de midden- en zijbermen de bestemming ‘Verkeer’ toegekend. Hierdoor is het planologisch mogelijk om de weg te verbreden, en dus feitelijk midden- en zijbermen te vervangen door asfalt ten behoeve van een wegverbreding. De Afdeling overweegt in een uitspraak van 23 november 2011 (no. 201002568/1/R1) dat ter zitting namens de raad is meegedeeld dat in het plan is beoogd om de bestaande situatie als zodanig te bestemmen en dat het niet de bedoeling is om in het plan reeds te anticiperen op een eventuele toekomstige verbreding van de weg. “Gelet op het voorgaande is sprake van een planologische wijziging, aangezien immers door de toegekende bestemming aan de bestaande midden- en zijbermen de verbreding naar 2×2 rijstroken van de weg niet langer planologisch is uitgesloten. Hierbij is van belang dat blijkens de plankaart de breedte van het plandeel dat ziet op de weg (…) varieert van ongeveer 30 tot 40 m en dat ter zitting vast is komen te staan dat dit plandeel hiermee voldoende ruimte biedt om de weg van 2×1 rijstrook naar 2×2 rijstrook te kunnen verbreden. 

Uitgaan van maximale planologische mogelijkheden van plan Bij de beoordeling van de ruimtelijke effecten dient te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt. Nu het voorliggende plan de mogelijkheid biedt om de weg te verbreden naar 2×2 rijstroken, had voorafgaand aan de vaststelling van het plan onderzoek moeten worden gedaan naar de gevolgen van de wegverbreding voor onder meer de luchtkwaliteit en mogelijke geluidhinder. Blijkens de stukken is geen enkel onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke gevolgen van een eventuele verbreding, zodat het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt stelt dat in het plan slechts de bestaande situatie is vastgelegd en dat geluidhinder en luchtkwaliteit pas in het kader van een eventuele reconstructieprocedure op grond van de Wet geluidhinder behoeven te worden onderzocht. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.”

Bestemmingsplan en spuitzones vanwege gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Spuitzones bestemmingsplan en locatiespecifiek onderzoekspuitzones bestemmingsplan

Vanwege het ontbreken van wetgeving bestaat er een vuistregel dat er een afstand van 50 m moet worden aangehouden tussen een gevoelige bestemming en een agrarisch perceel met open teelten waarop chemische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze afstand – die door de Afdeling niet onredelijk wordt gevonden – is m.i. echter ‘natte vingerwerk’. De aan te houden afstand hangt namelijk met name af van de toxiciteit van het gebruikte gewasbeschermingsmiddel en de intensiteit van de bespuitingen. Met name in de fruitteelt is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen het meest intensief.

In de praktijk wordt dikwijls van voornoemde afstand afgeweken zonder onderzoek. In de casus die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2011, no. 201004293/1/R4 hanteerde de gemeente een afstand van respectievelijk 10 m en 32 m tussen de fruitboomgaarden en de voorziene woningen. De gemeente gaf aan dat deze afstanden voldoende waren om het risico van blootstelling aan bestrijdingsmiddelen tot een aanvaardbaar niveau te beperken, op voorwaarde dat de fruitboomgaarden worden afgeschermd door een (winter)groene windhaag. De Afdeling gaat hier niet in mee en vernietigt het besluit vanwege strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het onderzoek dat de gemeente had uitgevoerd was niet toereikend.

Praktijktip: De afscherming van een groene haag kan in bepaalde gevallen de drift van gewasbeschermingsmiddelen beperken. Dit dient echter wel onderzocht te worden door middel van locatiespecifiek onderzoek. M.a.w. welke middelen worden gebruikt in de boomgaard? Wat is de toxiciteit van de gewasbeschermingsmiddelen, etc.

Voor meer informatie over spuitzones en bestemmingsplan, lees verder

detailhandel bestemmingsplan try en buy

Detailhandel bestemmingsplan try en buy en oppervlaktedetailhandel bestemmingsplan

Appellant betoogt dat de voor try en buy bedoelde oppervlakte ten onrechte niet is meegerekend als detailhandel bij de berekening van de maximaal toegestane oppervlakte aan detailhandel in het plangebied.

De Afdeling overweegt in een uitspraak van 16 november 2011, 201101435/1/R2:

“dat eventuele try en buy volgens de plantoelichting in de winkelruimte kan worden gecreëerd om bepaalde artikelen te testen. Gelet op de definitiebepaling in het bestemingsplan is try en buy verbonden aan detailhandel. De oppervlakte voor try en buy maakt deel uit van het gedeelte van de winkelruimte dat bedoeld is voor het winkelend publiek. Niet valt in te zien dat er een ruimtelijk relevant verschil bestaat tussen de oppervlakte voor try en buy en de oppervlakte voor detailhandel.” 

Gepubliceerd op 18 november 2011

duurzame ontwrichting detailhandel bestemmingsplan

Duurzame ontwrichting detailhandel voorkomen via planregel bestemmingsplanduurzame ontwrichting detailhandel

Standaardoverweging Afdeling duurzame ontwrichting detailhandel: Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 10 juni 2009 in zaak nr.200808122/1/R3 en van 2 december 2009 in zaak nr. 200901438/1/R3) komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse boodschappen en hun geregelde inkopen kunnen doen.

Planregel: Het onderhavige bestemmingsplan maakt een leisurecenter mogelijk met onder voorwaarden detailhandel. De plantoelichting geeft de volgende voorwaarden aan:

  • de invulling van de detailhandel heeft een directe relatie met het concept van de dagattractie;
  • de invulling van de detailhandel is voor het belangrijkste deel complementair met het detailhandelsaanbod in de bestaande winkelcentra, en mag geen ontwrichting toebrengen aan de structuur van het bestaande detailhandelsaanbod in de kern.In het bestemmingsplan is dit als volgt vertaald in de planregels:
  • voor detailhandel:
    • deze staat in direct verband met één van de toegestane daadwerkelijk gerealiseerde functies zoals genoemd in lid 3.1 onder a en b en is complementair aan, dan wel mag geen ontwrichtende gevolgen hebben voor het aanwezige detailhandelsaanbod in de kern.

Overweging Afdeling: De Afdeling redeneert in een uitspraak van 16 november 2011 (no. 201101435/1/R2) als volgt:”Met deze planregel wordt het realiseren van detailhandel evenwel afhankelijk gesteld van het voldoen aan een voorwaarde waarvan ten tijde van de vaststelling van het plan niet zeker is of en wanneer daaraan zal worden voldaan. Er zal immers eerst onderzoek verricht moeten worden naar het aanwezige detailhandelsaanbod en de gevolgen daarvoor indien uit het onderzoek naar voren komt dat de leisuregerelateerde detailhandel niet complementair is aan het aanwezige detailhandelsaanbod. Op grond van voornoemde planregel is dan ook onzeker of het gebruik van het leisurecenter voor leisuregerelateerde detailhandel mogelijk is. Dit verdraagt zich niet met de rechtszekerheid.”

jaar publicatie: 2011

huisvesting seizoensarbeiders en bestemmingsplan

Huisvesting seizoensarbeiders en bestemmingsplanhuisvesting seizoensarbeiders

Praktijkprobleem In de praktijk ondervinden veel gemeenten problemen met het huisvesten van tijdelijke – veelal buitenlandse – seizoensarbeiders. Meestal is er wel de wil om een oplossing te zoeken, maar ontbreken de juridische mogelijkheden. Onderhavige gemeente had in 2007 een beleidsnotitie vastgesteld waarin was bepaald dat tijdelijke woonunits en stacaravans voor de huisvesting van seizoensarbeiders na 6 maanden verwijderd dienden te worden. Voortschrijdend inzicht had geleid tot een gewijzigde bepaling in een nieuw bestemmingsplan.

Afwijkingsbepaling in bestemmingsplan (voor huisvesting seizoensarbeiders): De gemeente had de volgende afwijkingsbepaling opgenomen in het bestemmingsplan:

“Het college is bevoegd een omgevingsvergunning voor afwijking te verlenen van het bepaalde in lid … voor het plaatsen van stacaravans en/of woonunits of de verbouwing van een bedrijfsgebouw voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders met dien verstande dat:

  1. het gebruik als tijdelijke huisvesting slechts is toegestaan gedurende maximaal 6 maanden per jaar;
  2. deze dienen te worden geplaatst binnen het bouwvlak van het betreffende bedrijf;
  3. per bedrijf maximaal 40 seizoensarbeiders mogen worden gehuisvest;
  4. de noodzaak tot het hebben en huisvesten van seizoensarbeiders op het bedrijf afdoende is aangetoond waartoe een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen vereist is;
  5. een goede landschappelijke inpassing, op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, verzekerd is;
  6. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen voor de omliggende bedrijven.
De afwijkingsmogelijkheid is beperkt tot de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. Verder is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afwijken van de bepaling in de beleidsnota dat stacaravans en woonunits voor tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders na een half jaar verwijderd dienen te worden. 
Gepubliceerd op 3 november 2011

Afstand visverwerkingsbedrijf en woningen VNG-brochure

Afstand visverwerkingsbedrijf en woningen VNG-brochure vanwege geurafstand visverwerkingsbedrijf

Deze uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2011 (no. 201001729/1/R2) toont weer eens aan hoe belangrijk motivering en onderzoek is bij het afwijken van de aanbevolen afstanden uit de VNG-brochure. Ten eerste is van belang om het gebied te kwalificeren en te onderbouwen: stedelijk gebied of gemengd gebied. Ten tweede dient bij afwijking onderbouwd te worden waarop de afwijking is gebaseerd. Het lijkt een open deur, maar het gaat in de praktijk regelmatig mis.

De uitspraak gaat over een nieuw te bouwen visverwerkingsbedrijf nabij woningen. De aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure voor een visverwerkingsbedrijf bedraagt 200 m tussen de voorziene locatie en de woningen in een gemengd gebied. De werkelijke afstand tussen de voorziene locatie van het visverwerkingsbedrijf en de woningen van appellanten bedraagt echter 110 meter en respectievelijk 70 meter.

Volgens de VNG-brochure wordt de grootst mogelijke afstand aanbevolen vanwege het aspect geur. Volgens de gemeenteraad kan de geurhinder worden voorkomen dan wel binnen aanvaardbare grenzen worden gehouden door nieuwe installaties en voorzieningen aan te brengen in het visverwerkingsbedrijf. Verder kunnen volgens de raad op grond van het Activiteitenbesluit aanvullende maatwerkvoorschriften worden gesteld. De raad ten eerste niet onderzocht wat een aanvaardbaar niveau van geurhinder is. Ook blijkt achteraf dat de voorzieningen op grond van het Activiteitenbesluit en de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer alleen van toepassing zijn op het afzuigen van dampen en gassen, terwijl een visverwerkingsbedrijf meer diffuse geurbronnen kent, zoals de ‘lijfgeur’ van het bedrijf. Met andere woorden: er is evenmin onderzocht welke soorten geur bij een visverwerkingsbedrijf vrijkomen en welke regelgeving daarop van toepassing om eventuele uitstoot te reguleren.

De Afdeling oordeelt dat het bestreden besluit – vaststelling van een bestemmingsplan – onvoldoende is gemotiveerd. (afstand visverwerkingsbedrijf)

huisvesting tijdelijke werknemers en bestemmingsplan

Huisvesting tijdelijke werknemers en bestemmingsplanhuisvesting tijdelijke werknemers

In een uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011 (no. 201005138/1/R3) komt de tijdelijke huisvestingsproblematiek van (veelal) buitenlandse werknemers aan de orde die door agrarische ondernemers worden ingehuurd om te helpen bij het oogsten. De uitspraak is interessant voor gemeenten hoe nu een en ander moet worden opgenomen in de planregels. Zie hiervoor r.o. 2.5.1.

In het betreffende bestemmingsplan had de Brabantse gemeente in de planregels van het plan opgenomen dat huisvesting van tijdelijke werknemers langer dan 6 maanden per kalenderjaar in de bij het bedrijf waar de werknemers zijn behorende bedrijfswoning of in een (agrarisch) bedrijfsgebouw kan plaatsvinden.  Er waren geen regels gesteld over het tegengaan van permanente bewoning van de (agrarische) bedrijfsgebouwen.

Provinciale verordening De provincie stak hier een stokje voor en gaf aan de gemeenteraad een aanwijzing. Hoewel de provincie wel de problematiek rondom de tijdelijke huisvesting erkende, was het in principe niet gewenst dat deze structurele huisvestingsbehoefte wordt opgevangen op plaatsen waar geen toename van de woonfunctie wordt nagestreefd, zoals in het buitengebied, op agrarische bedrijven of op het bedrijventerrein. De permanente oplossing moet – aldus de provincie – in het stedelijk gebied of in woonkernen worden gevonden. Het bieden van huisvesting op het eigen bedrijf gedurende minder dan 6 maanden is wel toegestaan, mits er geen zelfstandige wooneenheden ontstaan.

Overweging Afdeling: De Afdeling legt de provinciale verordening als volgt uit: “De verordening bepaalt dat in een bestemmingsplan regels moeten worden gesteld ter voorkoming van zelfstandige bewoning van onder meer bedrijfsgebouwen. (…). De verordening dwingt er, anders dan waarvan het college van GS is uitgegaan, niet toe dat in de door het college erkende uitzonderingssituaties, waarin een tijdelijke arbeidsbehoefte van meer dan 6 maanden bestaat, in de regels aan de huisvesting in een agrarisch bedrijfsgebouw de beperking wordt gesteld dat een individuele tijdelijke arbeidskracht nooit langer dan 6 maanden in het betrokken gebouw mag verblijven. Gelet hierop heeft het college niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen dat artikel 3.3 niet voorziet in een bepaling als voorgeschreven in de verordening, die de periode gedurende welke een individuele tijdelijke werknemer op het bedrijf gehuisvest mag worden, beperkt tot 6 maanden. (..)”. Zie verder r.o. 2.5.1.


Bestemmingsplan Q-koorts intensieve veehouderij

Bestemmingsplan Q-koorts van intensieve veehouderij

Een bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van een intensieve veehouderij. Bij de voorbereiding ervan was tevens een MER opgesteld waarin ook het aspect gezondheid was onderzocht.

Een vereniging voert in beroep bij de Afdeling aan dat de raad de risico’s voor de volksgezondheid die het plan meebrengt onvoldoende heeft onderkend. Met name het gevaar van besmettelijke ziekten als de Q-koorts en de vogelgriep zijn volgens de vereniging onvoldoende onderzocht en meegewogen.

De Afdeling erkent wel dat het aspect volksgezondheid mee moet worden genomen bij de afweging of er sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’, maar wuift voor het overige de bezwaren met betrekking tot de volksgezondheid erg gemakkelijk weg. De Afdeling overweegt: “Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat voorziet in de uitbreiding van (intensieve) veehouderij is de mogelijke besmetting van dierziekten zoals Q-koorts en vogelgriep vanwege nabij gelegen woningen een mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt echter zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken.”

In het MER wordt onder meer geconcludeerd dat het wenselijk is dat er meer landelijk onderzoek moet worden verricht naar MSRA, gericht op de (intensieve) veehouderij als geheel. Omdat resultaten van dat onderzoek niet op korte termijn te verwachten zijn, wordt hierover ten behoeve van het plan nog advies uitgebracht door de GGD. Voor wat betreft fijn stof is de conclusie van het MER dat pluimveebedrijven afhankelijk van de omvang maatregelen dienen toe te passen om aan de grenswaarden te kunnen voldoen, hetgeen bij de verlening van de omgevingsvergunningen onder ogen dient te worden gezien. Meer hierover in r.o. 2.10.2 e.v. van de uitspraak van 5 oktober 2011, (no. 201003856/1/R3).  

MH: Er dient veel meer onderzoek te worden uitgevoerd naar gezondheid in de voorfase van een bestemmingsplan. Het ‘doorschuiven’ richting omgevingsvergunning is te gemakkelijk. Met het bestemmingsplan wordt immers een bepaalde ontwikkeling, zoals een uitbreiding van een bedrijf, mogelijk gemaakt.