Geurhinder recreatiewoning en woon- en leefklimaat

Geurhinder recreatiewoning en woon- en leefklimaatgeurhinder recreatiewoning

Een eigenaar van een recreatiewoning nabij een veehouderij heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de gemeente om de woning niet te wijzigen naar een woonbestemming.

De gemeente geeft aan dat het toekennen van een woonbestemming niet mogelijk is. De recreatiewoning ligt namelijk binnen de geurcontour van de nabij gelegen veehouderij. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom en in een concentratiegebied als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. De geurbelasting ter plekke van de recreatiewoning bedraagt 15,7 OU/m³.

Geurhinder recreatiewoning en bestemmingsplan – De Raad van State zegt er het volgende over: “De normen met betrekking tot geurbelasting ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij zijn van toepassing bij de vergunningverlening aan veehouderijen en werken niet rechtstreeks bij de vaststelling of de beoordeling van een bestemmingsplan in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Het feit dat de voor de vergunningverlening geldende norm wordt overschreden, betekent dus niet dat ter plaatse geen sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het bestreden besluit blijkt dat de raad slechts heeft geconstateerd dat de geurnorm voor vergunningverlening wordt overschreden. Hiermee heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet gemotiveerd waarom ter plaatse van de recreatiewoning geen sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve slaagt het beroep.” 

Het is dus belangrijk om ook altijd een aparte onderbouwing te maken of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zie uitspraak ABRS 27 juli 2016, no. 201507647/1/R2.

Drempelwaarden Besluit mer in planregels bestemmingsplan rechtsonzeker

Drempelwaarden Besluit mer in planregels bestemmingsplan rechtsonzeker

  • Besluit m.e.r. (hierna: Besluit mer)Besluit mer
  • Ruimtelijke relevantie
  • Milieubelasting

De raad van de gemeente Utrecht heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor een bedrijventerrein. De gemeente heeft als uitgangspunt de bestaande bebouwing gehanteerd en het gebruik van de gronden als zodanig te bestemmen. Er zijn maar beperkte uitbreidingsmogelijkheden.

In één van de planregels is een verbod opgenomen op inrichtingen en installaties als bedoeld in bijlagen C en D van het Besluit mer, waarbij de drempelwaarde genoemd in kolom 2 van de betreffende onderdelen wordt overschreden. Volgens appellant is deze planregel niet aanvaardbaar. Volgens appellant is deze regel ruimtelijk niet relevant.

De Raad van State overweegt als volgt: “De raad heeft toegelicht dat het opnemen van dit gebruiksverbod is ingegeven door de wens de milieubelasting vanwege activiteiten op het bedrijventerrein in de hand te houden. Hierbij heeft de raad van belang geacht dat activiteiten die m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn over het algemeen een hogere milieubelasting met zich zullen brengen dan activiteiten die dat niet zijn. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door appellant bestreden planregel niet ruimtelijk relevant is. 

(…) Dat de raad voor het opnemen van deze planregel heeft gekozen om de milieubelasting vanwege de activiteiten op het bedrijventerrein (…) in de hand te houden, acht de Afdeling als uitgangspunt niet onredelijk. Wel is de Afdeling van oordeel dat het voorschrift, zoals het nu is geformuleerd, onvoldoende rechtsonzeker is. Hiertoe acht de Afdeling van belang dat het mogelijk is dat gedurende de planperiode een wijziging wordt aangebracht in de bijlagen bij het Besluit mer. Door de directe koppeling in de planregels met de drempelwaarden uit het Besluit mer kan dat met zich brengen dat de planologische mogelijkheden van gronden in het plangebied gedurende de planperiode worden gewijzigd of beperkt. Dit had kunnen worden voorkomen door in de planregel duidelijk te maken van welke drempelwaarden moet worden uitgegaan, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de drempelwaarden uit de bijlagen bij het Besluit mer zoals die op een bepaalde datum golden. Daarin voorziet het plan echter niet. Het betoog van appellant slaagt in zoverre.”

Zie uitspraak ABRS 29 juni 2016, no. 201408365/1/R2

Plattelandswoning en onderzoek spuitzone boomgaard

Plattelandswoning en onderzoek spuitzone boomgaard – uitspraak Raad van Stateplattelandswoning

Plattelandswoning realiseren?Onderzoek spuitzones boomgaard of boomteeltbedrijf  – Bij een omgevingsvergunning of wijziging van de bestemming voor een plattelandswoning dienen alle facetten van een goede ruimtelijke ordening te worden onderzocht. Dit wordt heel vaak vergeten. In de volksmond wordt vaak gezegd, ‘een plattelandswoning moet meer milieuoverlast velen‘. Hoewel dat op onderdelen wel zo is, kan men dat niet in het algemeen zo zeggen. Eén van de aandachtspunten: ligt de woning nabij een boomteeltbedrijf of een boomgaard? Zo ja, onderbouw dan waarom er al dan niet sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning. Dat dient met een op locatie uitgevoerd onderzoek te gebeuren en niet vanachter een bureau.

De realisatie van een plattelandswoning kan een oplossing zijn voor een voormalige agrarische bedrijfswoning die al jaren wordt gebruikt als burgerwoning, maar erg dicht bij het agrarische bedrijf ligt waar de woning voorheen deel van uitmaakte.

De eerste uitspraak over de plattelandswoning in relatie tot spuitzones, komt aan de orde in een uitspraak van de Raad van State van 8 juni 2016, no. 201408339/2/A1. Het spuitzonerapport dat hier aan de orde komt is opgesteld door mw. mr. H.H. Harberink (De Omgevingsjurist). Ze is gespecialiseerd in spuitzones van boomgaarden en boomkwekerijen in relatie tot woningbouw. Het rapport is in beroep ‘overeind gebleven’.

In dit geval ging het om een voormalige bedrijfswoning bij een boomkwekerij. Beide onderdelen waren kadastraal gesplitst en verkocht. Beide eigenaren leefden helaas al jaren in onmin met elkaar. In eerste instantie had de gemeente de omgevingsvergunning verleend voor de planologische realisatie van de plattelandswoning. Dat ging in beroep niet goed. Vergeten was een onderbouwing aan te leveren dat er ondanks het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen sprake was van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning. In tweede instantie is het wel gelukt, dankzij een onderbouwing van De Omgevingsjurist.

Dove gevel bestemmingsplan en overgangsrecht

Dove gevel bestemmingsplan en overgangsrecht

De gemeente heeft een uitwerkingsplan vastgesteld voor een voorzien woonzorggebouw. Daarnaast zijn hogere waarden vastgesteld als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder. Daarnaast is omgevingsvergunning verleend voor een multifunctionele accommodatie (MFA).

Appellanten voeren aan dat zij door het realiseren van de MFA in hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering worden belemmerd. Het gaat hun vooral om de planregel in het bestemmingsplan dat de verplichting om te voorzien in dove gevels buiten toepassing kan blijven (planregel dove gevel bestemmingsplan). Volgens hen is hierdoor het behoud van voldoende geluidruimte voor hun bedrijven op de lange termijn onvoldoende gewaarborgd.

De planregel houdt kortweg in dat indien bijv. uit akoestisch onderzoek blijkt dat de gevelbelasting voldoet aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder geen dove gevel meer hoeven te worden gerealiseerd. De uitzondering geldt ook indien nieuwvestiging van bedrijven in categorieën hoger dan categorie 1 van de lijst van bedrijfstypen niet meer mogelijk is. dove gevel bestemmingsplan

Dove gevel bestemmingsplan en overgangsrecht  De Raad van State zegt hier het volgende over: “Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college niet onderkend dat in de situatie dat een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld voor de bedrijfspercelen (…) waarin uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 1 zijn toegestaan, terwijl de bedrijven van appellant en anderen feitelijk nog wel aanwezig zijn, de bestaande bedrijfsactiviteiten van appellant en anderen onder de beschermende werking van het overgangsrecht komen te vallen, hetgeen betekent dat het bestaande gebruik mag worden voortgezet. Indien de gevels van de MFA niet meer als dove gevels hoeven te worden uitgevoerd omdat nieuwvestiging van bedrijven in categorieën hoger dan categorie 1 niet meer mogelijk is, dan vaststaat dat appellanten niet kunnen voldoen aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit waardoor zij ernstig worden beperkt in de onder het overgangsrecht gebrachte bedrijfsvoering.

Ook is de Raad van State van mening dat de planregel waarin staat dat de verplichting om te voorzien in dove gevels buiten toepassing kan blijven indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de gevelbelasting voldoet aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, onvoldoende rechtszekerheid biedt.

Lees meer in uitspraak ABRS 8 juni 2016, no. 201507539/1/R1.

 

Verschil definitie woning en hoofdgebouw in bestemmingsplan

Verschil definitie woning en hoofdgebouw in bestemmingsplan

De gemeente Monster heeft een uitwerkingsplan vastgesteld. Het uitwerkingsplangebied heeft betrekking op de bestemming ‘Uit te werken woondoeleinden’, en voorziet in 5 kleine uitgeefbare kavels met bijbehorende infrastructuur ten behoeve van 5 tot 8 onder zelfrealisatie te bouwen woningen. definitie woning

Appellant betoogt in beroep dat het uitwerkingsplan 16 woningen in plaats van 8 woningen mogelijk maakt. De gemeente geeft aan dat met hoofdgebouwen woningen bedoeld zijn en dat dit ook uit de toelichting van het uitwerkingsplan blijkt.

Definitie woning in bestemmingsplan: een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van een huishouden.

De Raad van State overweegt als volgt: “Vast staat dat is beoogd in het plangebied maximaal 8 woningen toe te staan. Uit (…) de planregels volgt naar het oordeel van de Afdeling dat maximaal 8 hoofdgebouwen zijn toegestaan. De planregels sluiten echter niet uit dat in een hoofdgebouw meerdere woningen als bedoeld in (…) de planregels worden gerealiseerd, nu in een hoofdgebouw meerdere complexen van ruimten die blijkens de indeling en inrichting bestemd zijn voor de huisvesting van een huishouden aanwezig kunnen zijn. In zoverre bestaat er een discrepantie tussen wat de planregels mogelijk maken en de bedoeling van het college. Het betoog slaagt (…)”.

Definitie woning en hoofdgebouw opnemen in bestemmingsplan/uitwerkingsplan. Uit deze uitspraak blijkt dat het belangrijk is om goede afgebakende definities op te nemen van de termen die worden gebruikt in de planregels. Dit klinkt weliswaar als een open deur, maar het wordt in de praktijk vaak vergeten. Let er dus goed op. Appartementen zijn immers ook woningen, die mogelijk kunnen worden gemaakt in een hoofdgebouw. Lees meer in de uitspraak van 8 juni 2016, no. 201506677/1/R4 

Rekening houden met hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen bollenteelt in bestemmingsplan

Rekening houden met hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen bollenteelt in bestemmingsplan

De gemeente Ommen heeft een bestemmingsplan vastgesteld dat betrekking heeft op het verbod op bollenteelt en akkerbouwmatige sierteelt ter plaatse van grondwaterbeschermingsgebieden. Volgens de gemeente draagt het verbod bij aan de bescherming van de waterkwaliteit in de grondwaterbeschermingsgebieden. Gewezen wordt op het Alterra rapport ‘De ecologische gevolgen van bollenteelt op de Veluwe’.

Appellant betoogt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt bij de bollenteelt (gewasbeschermingsmiddelen bollenteelt) en akkerbouwmatige sierteelt, het grondwater dusdanig verontreinigen dat een verbod op deze teelten in grondwaterbeschermingsgebieden noodzakelijk is. gewasbeschermingsmiddelen bollenteelt

Gewasbeschermingsmiddelen bollenteelt De Raad van State geeft het volgende aan: “Een regulering waarbij rekening wordt gehouden met de hoeveelheid te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen in verschillende teelten kan vanuit planologisch oogpunt gewenst zijn. De raad dient bij het opnemen van een dergelijke regeling wel te onderzoeken of dit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor is het onvoldoende om te verwijzen naar de afweging die in het kader van het voorheen geldende plan is gemaakt. In zijn afweging dient de raad ook nieuwe inzichten te betrekken ten opzichte van het moment dat het voorheen geldende plan werd vastgesteld. De verwijzing naar het Alterra rapport, de Nota en het rapport van de Gezondheidsraad is onvoldoende als onderbouwing van het verbod in (…) de planregels. (…) Voorts is van belang dat volgens de voortgangsrapportage er geen aanwijzingen zijn dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de bollenteelt en akkerbouwmatige sierteelt een nadelig effect heeft op de kwaliteit van het grondwater. De raad heeft verder geen gegevens over de lokale situatie overlegd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen schieten de aan het plan ten grondslag gelegde rapporten tekort om als grondslag te dienen voor het standpunt van de raad dat er een verband tussen verontreiniging van het grondwater en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de bollenteelt en akkerbouwmatige sierteelt.” Lees verder in uitspraak ABRS 8 juni 2016, no. 201410338/2/R1

Uit deze uitspraak blijkt weer eens hoe belangrijk het is om onderbouwingen af te stemmen op de locatie en niet alleen algemene onderzoeken te gebruiken.

Ladder duurzame verstedelijking en VNG brochure

Ladder duurzame verstedelijking en VNG brochure

In het bestemmingsplan is voor een deel de agrarische bestemming toegevoegd en voor het andere deel de bestemming Bedrijf.

Appellant betoogt dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (Ladder duurzame verstedelijking). Volgens hem is de actuele regionale behoefte voor wat met de bestemming Bedrijf wordt mogelijk gemaakt niet aangetoond.

Volgens de gemeente worden er in het plandeel geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Weliswaar is het busbedrijf nieuw in het plangebied, maar deze onderneming is gevestigd in een bestaand gebouw, zodat er volgens de gemeente geen sprake is van nieuw ruimtebeslag. Mocht er volgens de gemeente wel sprake zijn van een functiewijziging, dan is dit een wijziging naar een lichtere vorm van bedrijvigheid dan het voorheen gevestigde bedrijf.

Ladder duurzame verstedelijking (nieuwe stedelijke ontwikkeling)

De Raad van State overweegt als volgt: “Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid Bro, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. (…) Het plan voorziet in zoverre ten opzichte van het voorheen geldende planologisch regime niet in uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden, en derhalve niet in nieuw ruimtebeslag, maar uitsluitend in wijziging van de gebruiksmogelijkheden. 

(…) Uit artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, in samenhang bezien met artiktel 1.2.6, van het Bro, volgt dat de raad een bestemmingsplan dient vorm te geven en in te richten overeenkomstig de standaard SVBP2012 (…). In de bijbehorende functielijst zijn de functies agrarisch loonbedrijf en hovenier ondergebracht onder de hoofdbestemming bedrijf en niet onder de hoofdbestemming agrarisch. Nu het voorheen geldende planologisch regime voorzag in bedrijvigheid, die volgens de systematiek van de SVBP thans onder de hoofdbestemming bedrijf valt, heeft de raad in het plan de bestemming Bedrijf aan de betreffende gronden toegekend. Weliswaar hadden de gronden (…) in het voorheen geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming, dat bestemmingsplan alsmede verleende bouwvergunningen en vrijstellingen voorzagen aldaar in de functies fruitbedrijf, hoveniersbedrijf en agrarische hulp- en nevenbedrijven. Dat zijn functies die in SVBP2012 niet worden gerekend tot een agrarische bestemming, maar tot een bedrijfsbestemming. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het voorheen geldende planologische regime ter plaatse van de gronden die in het plan de bestemming Bedrijf hebben, ook reeds voorzag in bedrijfsactiviteiten die thans als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro zijn aan te merken. 

Daarnaast zijn de ruimtelijke relevante milieugevolgen van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, kleiner, althans niet groter dan die waarin het voorheen geldende planologische regime voorzag. Lees meer over de VNG-brochure in de uitspraak

ABRS 2 juni 2016, no. 201505677/1/R2

Wet geurhinder en veehouderij en geurregels bestemmingsplan

Wet geurhinder en veehouderij en geurregels bestemmingsplanwet geurhinder en veehouderij

Inhoud: geurregels in bestemmingsplan doorkruisen wettelijk stelsel Wet geurhinder en veehouderij

Het bestemmingsplan in kwestie maakt een nieuw akkerbouwbedrijf met een vleeskalverenhouderij mogelijk. Appellanten vrezen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast. Verder wordt aangevoerd dat de planregeling in het bestemmingsplan een milieutechnisch aspect staat dat niet thuishoort in een bestemmingsplan.

In de planregels van het bestemmingsplan is de volgende geurregel opgenomen:

Ingevolge de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ zijn deze gronden bestemd voor een agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’, met dien verstande dat:

  • de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, te berekenen conform de Wet geurhinder en veehouderij of dienst rechtsopvolger, niet meer mag bedragen dan 14,0 OUE/m³ (…)

De Afdeling overweegt dat voornoemd artikel niet in stand kan blijven omdat dit het wettelijk stelsel van de Wet geurhinder en veehouderij doorkruist: “Voor sommige diercategorieën zijn in bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij namelijk geen geuremissiefactoren bepaald. Voor de veehouderijen met dieren behorende tot deze categorieën wordt bij de berekening van de geurbelasting die diercategorie buiten toepassing gelaten. Ingevolge artikel 4, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor die categorieën afstandsnormen. Met dit wettelijk systeem verdraagt zich niet dat artikel 3 (…) van de planregels voor veehouderijen met een dergelijke afstandsnorm tevens een maximale geuremissienorm oplegt. Gelet op het voorgaande is artikel 3 (…) van de planregels in ieder geval in strijd met de artikelen 3 en 4 van de Wet geurhinder en veehouderij in onderlinge samenhang bezien. Het betoog slaagt.”

Zie uitspraak ABRS 18 mei 2016, no. 201505332/1/R1

Geurhinder dierenverblijven geen verwerken van mest buiten

Geurhinder dierenverblijven geen verwerken van mest buiten dierenverblijf

Het college van b&w van de gemeente Houten heeft een omgevingsvergunning verleend voor een fruitteeltbedrijf met pluimveehouderij. De verandering in de vergunning betreft de uitbreiding van het aantal legkippen van 62.000 naar 74.000 dieren. Verder wordt de stal voorzien van een biologisch luchtwassysteem en mestdroogtunnel. geurhinder dierenverblijven

Appellant betoogt in beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de geurhinder ten onrechte de geuremissie van de mestdroogtunnel buiten beschouwing heeft gelaten.

De Afdeling overweegt: “Een dierenverblijf wordt in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gedefinieerd als een ruimte en niet als een bouwwerk waarbinnen dieren worden gehouden. De omstandigheid dat de mest wordt nagedroogd binnen een bouwwerk waarbinnen ook dieren worden gehouden, is daarom niet doorslaggevend voor de beoordeling van de vraag of die mestverwerking in het dierenverblijf plaatsvindt. (…) Uit artikel 2 van de Wgv volgt dat de Wgv alleen betrekking heeft op geurhinder dierenverblijven. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wgv, heeft de wetgever niet beoogd regels te stellen voor geur die vrijkomt bij het bewerken of verwerken van mest. De beoordeling van geurbronnen als de bewerking of verwerking van mest, dient plaats te vinden op grond van hoofdstuk 8 van de Wm (…). Onder geurhinder van dierenverblijven wordt derhalve niet mede verstaan de geurhinder als gevolg van het bewerken of verwerken van mest buiten de dierenverblijven. De geuremissie van de mestdroogtunnel is dan ook niet verdisconteerd in de voor het huisvestingssysteem vastgestelde geuremissiefactor. Dat zoals het college in verweer heeft gesteld, de Regeling ammoniak en veehouderij wel betrekking heeft op de verwerking van de in de inrichting ontstane mest, ook indien die verwerking buiten de dierenverblijven plaatsvindt, is voor de beoordeling van de geurbelasting niet relevant. Het college was gehouden de geurbelasting vanwege de mestdroogtunnel te beoordelen aan de hand van artikel 2.14 van de Wabo (…).”

Zie verder uitspraak ABRS 20 april 2016, no. 201504330/1/A4

Geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij en snackbar

Geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij en snackbargeurgevoelig object

Geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij –

De raad van de gemeente Ermelo heeft een bestemmingsplan opgesteld in het agrarisch gebied. Appellant kan zich niet vinden met de bestemming Horeca met de aanduiding specifieke vorm van horeca – 4 dat is toegekend aan het perceel, waarmee de aanwezige snackbar als zodanig is bestemd.

Volgens appellant dient de snackbar als geurgevoelig object te worden aangemerkt en is uit het geuronderzoek naar voren gekomen dat de snackbar als maatgevend object voor de geurbelasting van zijn agrarisch bedrijf geldt. Volgens hem kan vanwege de overschrijding van de toegestane geurnorm ter plaatse van de snackbar, zijn bedrijf niet meer uitbreiden en is het bedrijf met het plan derhalve op slot gezet.

De gemeente stelt dat voor de snackbar reeds in 1996 een bouwvergunning is verleend en dat met het plan de bestaande situatie wordt vastgelegd.

De Afdeling overweegt als volgt: “Voor de vraag of het agrarisch bedrijf van appellant door de aanwezigheid van de snackbar reeds werd belemmerd in zijn bedrijfsvoering is van belang of de snackbar een geurgevoelig object is als bedoeld in artikel 1, van de Wgv. Daarvoor is allereerst relevant of de snackbar moet worden aangemerkt als een gebouw dat is bestemd voor wonen of menselijk verblijf. De Afdeling beantwoord deze vraag bevestigd. Hiertoe is van belang dat het gaat om een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet, te weten een bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Voorts is voor de snackbar op 5 februari 1996 een bouwvergunning met vrijstelling van het bestemmingsplan Buitengebied verleend voor het vernieuwen van een snackverkoop. (…) Voorts wordt het gebouw benut voor langdurig menselijk verblijf, zodat sprake is van een permanent of daarmee vergelijkbare wijze van gebruikt. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een gebouw dat is bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en dat daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Daarmee moet de snackbar worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wgv.”

Zie verder in ABRS 23 maart 2016, no. 201506199/1/R2

Meer weten of een object al dan niet geurgevoelig is?