Onderscheid fokken en opfokken paarden

Onderscheid fokken en opfokken paarden is een grijs gebied Het verschil tussen het fokken van paarden en het opfokken van onderscheid fokken en opfokken paardenpaarden is een enigszins grijs gebied. Dit komt omdat bedrijven die paarden fokken ook vaak de paarden opfokken (trainen, zadelen en berijden). Dit is echter niet altijd zo. Het onderwerp zorgt in  gemeenten met een agrarisch gebied vaak voor discussie. In een uitspraak van de Afdeling van 28 december 2011, no. 201012078/1/R1 komt het onderscheid nog eens aan de orde.

Ervaring uit de praktijk [Onderscheid fokken en opfokken paarden] De initiatiefnemer die een voormalig agrarisch bedrijf heeft gekocht en wil transformeren tot manege, vindt doorgaans dat hij paarden fokt en dat zijn bedrijf agrarisch is. De definitie van agrarisch bedrijf in het bestemmingsplan luidt meestal: “een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren”. De gemeente laat zich vaak adviseren door een agrarische adviescommissie. Die commissies zijn doorgaans van mening dat het bedrijf paarden opfokt en dat het fokken van paarden maar een klein onderdeel is, en dat het bedrijf geen agrarisch bedrijf is. Aan de hand van het advies weigert het gemeentebestuur vervolgens haar medewerking.

Gemeente, laat onderscheid los In juridische zin kan dat juist zijn. Vervolgens ontstaat de discussie of de niet-agrarische activiteiten dan met een afwijking van het bestemmingsplan (of anderszins) kunnen worden gerealiseerd. In de praktijk heb ik ervaren dat gemeenten in het algemeen niet zo van paarden in het buitengebied houden. Dit komt omdat veel ambtenaren, maar ook bestuurders, nog heel traditioneel denken aan  een buitengebied met koeien in de weide en veeboeren. Evenmin houden ze van buitenbakken en maneges. Het buitengebied verandert echter in hoog tempo. Traditionele boerenbedrijven verdwijnen en nieuwe initiatieven komen ervoor in de plaats, zoals maneges of stallen voor het houden van paarden. Deze laatste initiatieven worden echter nog vaak afgewezen. Mijn vraag is dan altijd: “Waar moet de manege dan gevestigd worden? In het dorp of nabij de stad? Naar mijn mening is het veel belangrijker om te onderzoeken wat het ruimtelijke impact is van de manege of de stal op een bepaalde locatie, zoals de verkeersaantrekkende werking, verwachte bezoekersaantallen, etc. Het onderscheid tussen fokken en opfokken is veel minder relevant en zorgt alleen maar voor irritatie bij veel betrokkenen.

omgevingsjurist

stemgeluid terras en een goede ruimtelijke ordening

Stemgeluid terras en een goede ruimtelijke ordeningstemgeluid terras

Overlast stemgeluid terras Appellant stelt dat het terras bij een horeca-onderneming overlast geeft. Hij betoogt dat de geluidsoverlast onvoldoende is onderzocht en dat het stemgeluid dat geproduceerd zal worden op het terras ten onrechte niet is meegenomen bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van geluidsoverlast een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden kan worden gegarandeerd. Er is aansluiting gezocht bij artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit dat bepaalt dat stemgeluid op een terras geen binnenterrein is, buiten beschouwing kan blijven. De gemeente stelt dat er sprake is van een buitenterrein. De gemeente heeft ter onderbouwing een akoestisch onderzoek laten opstellen waarin er wordt uitgegaan dat het terras, waarvan het tijdgemiddelde niveau bij 50 tot 100 couverts tussen de 51 en 54 dB(A) zal bedragen, zal opgaan in het omgevingsgeluid waarvan het tijdgemiddelde niveau in de avond 58 dB(A) is.  In het geluidsrapport is uitgegaan van openingstijden van het terras van 17.00 tot 22.00 uur.

Bij de afweging van de gemeente bij de beoordeling of er sprake is van een aanvaardbaar woonklimaat voor de omwonenden, heeft de gemeente bovenstaand rapport betrokken, maar heeft niet de juiste openingstijden betrokken. Het bestemmingsplan biedt echter ook de mogelijkheid dat het terras in de nachtperiode wordt gebruikt en volgens de Afdeling is niet onderzocht of ook in die periode sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden.

Praktijktip Let bij het opstellen van het bestemmingsplan goed op of er eventueel beperkingen kunnen worden opgenomen ten aanzien van openingstijden van horeca-gelegenheden, etc. Zoals bekend mogen in een bestemmingsplan slechts planregels worden opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben. Bepaalde openingstijden van horeca – zoals openingstijden tot middernacht – kunnen voor omwonenden ruimtelijk relevant zijn in verband met bijv. geluids- en parkeeroverlast voor de omgeving. Controleer verder goed of de tijdstippen van het onderzochte geluidsniveau in het akoestische onderzoek overeenkomen met wat het bestemmingsplan toelaat. Laat het bestemmingsplan het gebruik als horeca toe met openingstijden tot middernacht, dan moet het akoestische onderzoek hier ook betrekking op hebben.

Vragen?

omgevingsjurist

geluid horeca is ruimtelijk relevant voor omgeving

Geluid horeca is ruimtelijk relevantgeluid horeca

Casus In deze casus was het gebruik van een sportcafé in strijd met het bestemmingsplan.   Het sportcafé was doorgaans op vrijdag, zaterdag en zondag geopend en werd ook gebruikt voor niet-sportgerelateerde horeca-activiteiten. Volgens appellant waren sinds de peildatum het soort feesten en het geluid dat daarbij werd geproduceerd door het gebruik van geluidsinstallaties, gewijzigd. Het college was van mening dat alle in het sportcafé gehouden activiteiten als gelijksoortige niet-sportgerelateerde activiteiten moesten worden aangemerkt. Het college had hierbij niet de gestelde wijziging in het karakter van de feesten en het bij die feesten geproduceerde geluid betrokken. Het college voerde hierbij aan dat het aspect geluid een milieuaspect is en in een separate handhavingsprocedure op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer aan de orde was geweest.

Overweging Afdeling [geluid horeca] – “Dat het college heeft aangevoerd dat het aspect geluid een milieuaspect is en in een separate handhavingsprocedure op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer aan de orde is geweest, betekent niet dat dit aspect niet kan worden betrokken bij  de beantwoording van voormelde vraag. Een verandering in de wijze waarop de activiteiten worden uitgeoefend dan wel een verschuiving in het type horeca-activiteit waarop de exploitatie is gericht, kan ertoe leiden dat de strijdigheid met het bestemmingsplan wordt vergroot. Een aan die verandering of verschuiving inherente toename van geluid is in dat verband niet zonder betekenis. Zie ABRS 17 augustus 2011, 201011090/1/H1. 

Conclusie voor de praktijk  Geluid is voor de omgeving van een horecaonderneming, naast een belang aspect in milieu regelgeving, ook een ruimtelijk relevant criterium. Dit betekent dat bij ruimtelijke besluiten, zoals de vaststelling van een  bestemmingsplan, geluid een rol kan spelen.

omgevingsjurist

niet geluidgevoelige ruimte Wet geluidhinder en onderzoek

Niet geluidgevoelige ruimte Wet geluidhinder en aanvaardbaar woon- en leefklimaatniet geluidgevoelige ruimte

Beroep op aanvaardbaar leefklimaat voor bedrijfsgebouw Appellant die eigenaar is van een bedrijfslocatie op een gezoneerd bedrijventerrein stelt dat er bij de besluitvorming van het inpassingsplan onvoldoende is onderzocht of er in zijn bedrijfsgebouw een aanvaardbaar leefklimaat aanwezig zal zijn. De aanleg van de weg zo dicht op zijn bedrijf heeft grote milieuhinder tot gevolg te meer nu het plan niet verplicht tot de aanleg van een geluidscherm.

Overweging Afdeling [niet geluidgevoelige ruimte] “De bedrijven zijn onbetwist geen geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen bedrijfsruimten waar gedurende een langere periode van de dag personen verblijven die een zekere bescherming tegen geluidhinder behoeven wel als geluidgevoelig te worden aangemerkt. Deze objecten hoeven niet dezelfde bescherming te krijgen als een woning of andere geluidgevoelige ruimten als bedoeld in de Wet geluidhinder. (..) Provinciale staten hebben zich gelet op het feit dat de geluidbelasting onder de 60 dB zal blijven in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijke geluidbelasting op de gevel van het bedrijf van appellant aanvaardbaar te achten, nu het niet gaat om geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder en het een beperkte overschrijding betreft ten opzichte van de in de Wet geluidhinder opgenomen voorkeursgrenswaarde van geluidgevoelige objecten. De Afdeling betrekt hierbij dat de bedrijven zijn gesitueerd op een gezoneerd industrieterrein en dat gelet op de aard van de bedrijven van appellant niet op voorhand is uitgesloten dat dit bedrijf zelf ook geluid produceert.” ABRS 14 december 2011, 201000335/1/R2, r.o. 2.6.

vooraankondiging bestemmingsplan ex artikel 1.3.1 Bro ontbreekt

Vooraankondiging bestemmingsplan ex artikel 1.3.1 Bro ontbreektvooraankondiging bestemmingsplan

Artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat een bestuursorgaan dat voornemens is een bestemmingsplan voor te bereiden – kortgezegd – kennis moet geven van dat plan overeenkomstig artikel 3:12 Awb. In de praktijk roept een dergelijke publicatie in het plaatselijke huis-aan-huisblad vaak vragen op bij burgers: ‘waarom staat het in de krant als er nog geen reactie mogelijk is tegen het bestemmingsplan, hoe ver is de gemeente met het plan, etc.’

De Afdeling geeft in een uitspraak van 7 december 2011, LJN: BU7053, het volgende aan:

Bij de voorbereiding van het ontwerpplan dient, waar nodig, overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Bro en onderzoek als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb plaats te vinden. Deze overleg- en onderzoeksverplichtingen maken naar het oordeel van de Afdeling onderdeel uit van de bestemmingsplanprocedure. De verplichting om een kennisgeving als bedoeld in artikel 1.3.1 van het Bro te doen dient reeds in een eerder stadium, voorafgaand aan de daadwerkelijke voorbereiding van het ontwerpplan, plaats te vinden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het doen van een kennisgeving als bedoeld in artikel 1.3.1 van het Bro geen onderdeel uitmaakt van de bestemmingsplanprocedure, zodat het geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wanneer een dergelijke kennisgeving niet heeft plaatsgevonden.”

gewijzigde vaststelling bestemmingsplan en procedure

Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan en procedure opnieuw doorlopen?gewijzigde vaststelling bestemmingsplan

Appellant betoogt dat ten onrechte een nieuwe bepaling in de planregel is toegevoegd. De raad heeft deze wijziging volgens appellant niet in de ‘Nota ambthalve aanpassingen’ of in het besluit zelf opgenomen. Appellant betoogt dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door hier niet op te wijzen.

De Afdeling overweegt in een uitspraak van 7 december 2011, 200909881/1R1 als volgt: “De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vast staat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Dit betreft een beperkt aantal en met name redactionele wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt.” 

locatiespecifiek onderzoek spuitzones boomgaarden

locatiespecifiek onderzoek spuitzones boomgaardenlocatiespecifiek onderzoek spuitzones

Bij milieuzonering geldt in het algemeen, hoe groter de afwijking van de richtafstand, hoe zwaarder de motiveringseis. Dit geldt zowel voor het afwijken van de richtafstanden in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, maar ook voor de door de Afdeling gehanteerde ’50 m afstandsnorm’ tussen boomgaarden en gevoelige bestemmingen, zoals woningen. Deze vaak toegepaste norm is een op een in een ver verleden gehanteerde beleidsregel die werd toegepast in de provincie Gelderland en is naar mijn mening natte vingerwerk. Dat er een verantwoorde afstand nodig is tussen tuinen van woningen en een boomgaard, moge duidelijk zijn. Bij het onderzoek dient onder meer te worden te worden uitgegaan van het meest toxische middel, dat is in de meeste gevallen Captan. In de meeste onderzoeken leunt men alleen op de WUR-onderzoeken die in omloop zijn. Die worden vaak 1-op-1 toegepast op de praktijksituatie. Dat is echter onvoldoende.

In onderhavige casus in uitspraak ABRS 7 december 2011, 201102611/1/T1/R2 stelde de gemeente dat een afstand van 10 m tussen een kampeerterrein en een boomgaard voldoende was. De gemeente verwees naar een algemeen onderzoek dat verricht was door de Wageningen Universiteit. De Afdeling overweeg m.i. terecht “dat dit een gestandaardiseerd onderzoek betreft waarbij de specifieke omstandigheden van het geval niet zijn betrokken. Daardoor is niet duidelijk in hoeverre de gezondheid van de kampeerders kan worden gewaarborgd.”

Inmiddels zijn er al tal van uitspraken verschenen waar iets dergelijks aan de orde was.[Locatiespecifiek onderzoek spuitzones boomgaarden]

Ons bureau houdt zich al jaren bezig met de relatie spuitzonering en de bouw van woningen. Dit gebeurt zowel op basis van technisch onderzoek als de juridische vertaling ervan naar een bestemmingsplan. Heeft u een onderbouwing nodig? Bel 010 – 2680689 voor meer informatie of lees meer over spuitzones en woningbouw.

locatiespecifiek onderzoek spuitzones

Activiteitenbesluit en bestemmingsplan

Activiteitenbesluit en bestemmingsplanactiviteitenbesluit en bestemmingsplan

Casus: Een bedrijf is reeds 20 jaar gevestigd op 3 bedrijfslocaties binnen de gemeente. Hiervoor is in het verleden onder meer een milieuvergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Vanaf 1 januari 2008 viel het bedrijf onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barro, thans: Activiteitenbesluit milieubeheer). Aan het bedrijf waren tevens maatwerkvoorschriften opgelegd. Op de gronden waar het bedrijf verspreid is gevestigd gelden verschillende planologische regimes. Omdat Gedeputeerde Staten destijds goedkeuring had onthouden aan een plandeel, liet dit plandeel geen bedrijfsactiviteiten toe in milieucategorie 3.2. Met andere woorden: een deel van het bedrijf was qua gebruik en bouwvoorschriften in strijd met het bestemmingsplan. De andere bedrijfslocaties waren op grond van het bestemmingsplan wel toegestaan.

Overweging Afdeling over aanvaardbaar woon- en leefklimaat: De Afdeling overweegt als volgt: “Hoewel op het plandeel waar bedrijfshal 3 thans staat in het hiervoor geldende plan wel een planologisch regime van toepassing was, moet gelet op de samenhang met bedrijfshallen 1 en 2 worden geconcludeerd dat (…) sprake is van een planologisch nieuwe situatie in de zin van de VNG-brochure. Weliswaar is in  het verleden een bouwvergunning verleend voor de bouw van de bedrijfshallen die het bedrijf huurt, ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf is een milieuvergunning verleend en de raad heeft ter zitting bevestigd dat maatwerkvoorschriften zijn opgelegd die gelijkluidend zijn aan de voorschriften uit de milieuvergunning, maar uit de stukken (…) volgt niet dat er ooit een ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden voor de vestiging van het bedrijf ter plaatse. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor appellanten en anderen is gewaarborgd.” 

Gepubliceerd op 6 december 2011

Zie ABRS 30 november 2011, 200906620/1/R1, r.o. 2.12.6.

Bel voor meer info over Activiteitenbesluit en bestemmingsplan:

omgevingsjurist

verbreding weg en akoestisch onderzoek

Verbreding weg en akoestisch onderzoekverbreding weg

In het oude bestemmingsplan was een bestaande weg bestemd als ‘Weg’ en waren zowel de middenberm als de zijbermen bestemd als ‘Openbaar groen, plantsoen en berm’. Een aanleg van een weg was op grond van laatstgenoemde bestemming niet toegestaan.

In het geactualiseerde bestemmingsplan is de bestaande weg bestemd als ‘Verkeer’, maar is ook aan de midden- en zijbermen de bestemming ‘Verkeer’ toegekend. Hierdoor is het planologisch mogelijk om de weg te verbreden, en dus feitelijk midden- en zijbermen te vervangen door asfalt ten behoeve van een wegverbreding. De Afdeling overweegt in een uitspraak van 23 november 2011 (no. 201002568/1/R1) dat ter zitting namens de raad is meegedeeld dat in het plan is beoogd om de bestaande situatie als zodanig te bestemmen en dat het niet de bedoeling is om in het plan reeds te anticiperen op een eventuele toekomstige verbreding van de weg. “Gelet op het voorgaande is sprake van een planologische wijziging, aangezien immers door de toegekende bestemming aan de bestaande midden- en zijbermen de verbreding naar 2×2 rijstroken van de weg niet langer planologisch is uitgesloten. Hierbij is van belang dat blijkens de plankaart de breedte van het plandeel dat ziet op de weg (…) varieert van ongeveer 30 tot 40 m en dat ter zitting vast is komen te staan dat dit plandeel hiermee voldoende ruimte biedt om de weg van 2×1 rijstrook naar 2×2 rijstrook te kunnen verbreden. 

Uitgaan van maximale planologische mogelijkheden van plan Bij de beoordeling van de ruimtelijke effecten dient te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt. Nu het voorliggende plan de mogelijkheid biedt om de weg te verbreden naar 2×2 rijstroken, had voorafgaand aan de vaststelling van het plan onderzoek moeten worden gedaan naar de gevolgen van de wegverbreding voor onder meer de luchtkwaliteit en mogelijke geluidhinder. Blijkens de stukken is geen enkel onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke gevolgen van een eventuele verbreding, zodat het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt stelt dat in het plan slechts de bestaande situatie is vastgelegd en dat geluidhinder en luchtkwaliteit pas in het kader van een eventuele reconstructieprocedure op grond van de Wet geluidhinder behoeven te worden onderzocht. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.”

Bestemmingsplan en spuitzones vanwege gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Spuitzones bestemmingsplan en locatiespecifiek onderzoekspuitzones bestemmingsplan

Vanwege het ontbreken van wetgeving bestaat er een vuistregel dat er een afstand van 50 m moet worden aangehouden tussen een gevoelige bestemming en een agrarisch perceel met open teelten waarop chemische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze afstand – die door de Afdeling niet onredelijk wordt gevonden – is m.i. echter ‘natte vingerwerk’. De aan te houden afstand hangt namelijk met name af van de toxiciteit van het gebruikte gewasbeschermingsmiddel en de intensiteit van de bespuitingen. Met name in de fruitteelt is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen het meest intensief.

In de praktijk wordt dikwijls van voornoemde afstand afgeweken zonder onderzoek. In de casus die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2011, no. 201004293/1/R4 hanteerde de gemeente een afstand van respectievelijk 10 m en 32 m tussen de fruitboomgaarden en de voorziene woningen. De gemeente gaf aan dat deze afstanden voldoende waren om het risico van blootstelling aan bestrijdingsmiddelen tot een aanvaardbaar niveau te beperken, op voorwaarde dat de fruitboomgaarden worden afgeschermd door een (winter)groene windhaag. De Afdeling gaat hier niet in mee en vernietigt het besluit vanwege strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het onderzoek dat de gemeente had uitgevoerd was niet toereikend.

Praktijktip: De afscherming van een groene haag kan in bepaalde gevallen de drift van gewasbeschermingsmiddelen beperken. Dit dient echter wel onderzocht te worden door middel van locatiespecifiek onderzoek. M.a.w. welke middelen worden gebruikt in de boomgaard? Wat is de toxiciteit van de gewasbeschermingsmiddelen, etc.

Voor meer informatie over spuitzones en bestemmingsplan, lees verder