wijzigingsbevoegdheid woningen bestemmingsplan op voorhand een geuronderzoek uit – cumulatie geurbelasting en aanvaardbaar woon- en leefklimaat

wijzigingsbevoegdheid woningen in bestemmingsplan op voorhand een geuronderzoek uit vanwege aspect woon- en leefklimaat

Het is vaste jurisprudentie dat bij opname van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan voor nieuwe ontwikkelingen, het uit te voeren onderzoek of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, niet mag worden doorgeschoven naar de besluitvorming bij het wijzigingsplan.

In een uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2013, no. 201209115/1/R3 komt dit wederom aan de orde. Dit keer gaat het om onderzoek naar geurhinder voor toekomstige woningen en een nabijgelegen agrarisch bedrijf. Ook een wijzigingsplan dient te voldoen aan het criterium ‘een goede ruimtelijke ordening’. Bij de te bouwen woningen dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het agrarische bedrijf mag niet in de bedrijfsvoering worden gehinderd.

Het betreffende bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegdheid voor woningbouw. Een nabij gelegen varkenshouder is niet blij met deze mogelijkheid en stelt in beroep dat hij door deze mogelijkheid in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt. Ook kan er ter plaatse van de beoogde woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.

De raad stelt dat de agrariër reeds in de huidige situatie in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt vanwege woningen. Verder is er volgens de raad geen directe bouwmogelijkheid opgenomen in het bestemmingsplan aan gronden waar geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

De Afdeling overweegt: “Voor het gebied waarvoor de wijzigingsbevoegdheid geldt is op grond van de geurverordening een maximale voorgrondbelasting vastgesteld van 14 Ou/m3, zodat in zoverre aan de gestelde norm wordt voldaan. Dit neemt echter niet weg dat de raad inzichtelijk dient te maken dat de toegestane geurbelasting, rekening houdend met mogelijke cumulatie van geurbelasting, in overeenstemming is met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening (…). In de plantoelichting en het geurrapport is opgenomen dat als grenswaarde bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen minimaal de kwalificatie ‘redelijk goed’ heeft te gelden, hetgeen overeenkomt met een achtergrondbelasting van meer dan 13 Ou/m3. Uit het geurrapport volgt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de gronden waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft als matig kan worden gekwalificeerd, hetgeen overeenkomt met een achtergrondbelasting van meer dan 13 Ou/m3. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt dat desondanks sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebied (…). Het betoog slaagt.”

omgevingsjurist

 

geluidscontour bedrijventerrein kan worden teruggelegd in geval van een verzoek om een burgerwoning nabij een bedrijventerrein

geluidscontour bedrijventerrein kan worden teruggelegd in geval van verzoek om burgerwoning nabij het bedrijventerrein

Persoonlijk vind ik dit een zeer vergaande uitspraak van de Afdeling. Wat is er aan de hand? De gemeente heeft een actualisatieplan opgesteld voor een bestaande woonwijk. Appellant wil graag een woning bouwen op zijn perceel en kan zich niet vinden in de bestemming ‘Tuin’ met de aanduiding ‘geluidzone – industrie’. Het standpunt van de raad dat dat niet kan worden toegestaan omdat het perceel in een geluidzone ligt, snijdt volgens hem geen hout, omdat mogelijke geluidhinder met eenvoudige maatregelen kan worden voorkomen. Daarnaast heeft de raad, aldus appellant, woningbouw op percelen in de nabije omgeving, die ook in de geluidzone liggen, in het verleden wel toegestaan.

De raad stelt zich op het standpunt dat woningbouw op het perceel van appellant niet kan worden toegestaan, omdat het perceel in een geluidzone ligt vanwege het nabijgelegen bedrijventerrein. Volgens de raad kan het desbetreffende deel van de geluidzone niet worden verschoven in de richting van het bedrijventerrein, omdat ter plaatse reeds sprake is van een gesaneerde zone industrielawaai. De geluidruimte binnen de geluidzone van 50 dB(A) en 55 dB(A) wordt voor het overgrote deel volledig benut door de bedrijven op het bedrijventerrein. Om de kunnen voldoen aan die gesaneerde zone hebben deze bedrijven reeds vergaande maatregelen moeten treffen en de raad acht het niet reëel in zoverre nog meer investeringen van de bedrijven te verlangen.

De Afdeling overweegt: “In de plantoelichting staat dat in het hiervoor geldende bestemmingsplan (…) uit 2009 de grens van de geluidscontour is teruggelegd in de richting van het bedrijventerrein (…), zodat meer ruimte kon worden gecreëerd voor woningbouw (…). Dit was mogelijk door het door het college van GS vastgestelde saneringsprogramma, waarbij de bedrijven op het bedrijventerrein (…) maatregelen hebben getroffen om de geluidsemissie in de gesaneerde zone te beperken. De raad heeft in de stukken noch ter zitting kunnen toelichten waarom het niet redelijk zou zijn opnieuw van die bedrijven te verlangen dat zij maatregelen treffen om woningbouw op het perceel van appellant mogelijk te maken. De Afdeling acht in dat verband van belang dat ter zitting is gebleken dat de raad niet heeft onderzocht welke maatregelen dat zouden moeten zijn. Bovendien heeft de raad niet onderzocht welke  maatregelen aan de woning van appellant zelf, bijvoorbeeld door de aanleg van een dove gevel zoals (…) ook is gerealiseerd bij de woning op het perceel (locatie B), een aanvaardbaar geluidniveau kan worden bereikt. Voorts is van andere redenen waarom de raad een woning niet mogelijk wil maken, niet gebleken.”

Zie uitspraak ABRS 19 juni 2013, no. 201209399/1/T1/R1

omgevingsjurist

Geluidsoverlast horeca beperken via Activiteitenbesluit en bestemmingsplan

Geluidsoverlast horeca in binnenstad beperken via regels geluid uit Activiteitenbesluit en bestemmingsplan

Onlangs heb ik voor een gemeente een onderbouwing gemaakt voor de toelichting van een bestemmingsplan dat ging over de invulling van een nieuwe bestemming voor een reeds gevestigde horecazaak in een drukke binnenstad. De horecazaak is gevestigd in een monumentaal pand waar de Monumentenwet 1988 op van toepassing is. Naast een nieuw bestemmingsplan liep er ook gelijktijdig een handhavingszaak vanwege geluidsoverlast door muziek en luidruchtig stemgeluid vanwege bezoekers op het terras. De gemeente vroeg me om een oplossing hoe dit het beste ingepast kon worden in het bestemmingsplan.

De oplossing is een combinatie van regels uit het Activiteitenbesluit, de APV en het bestemmingsplan. Allereerst is het belangrijk om het juridische kader dat hierbij een rol kan spelen op een rijtje te zetten:geluidsoverlast horeca

  • Activiteitenbesluit milieubeheer
  • APV
  • Een goede ruimtelijke ordening (Wro)
  • VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering.

In deze publicatie bespreek ik alleen de relatie tussen geluid in het Activiteitenbesluit en het bestemmingsplan. De VNG-brochure laat ik hier verder buiten beschouwing, maar speelt tevens een rol bij het bestemmingsplan. Besteed hier dus wel aandacht aan in de ruimtelijke onderbouwing!

Activiteitenbesluit

In afdeling 2.8 zijn de algemene regels opgenomen over geluidhinder van inrichtingen van type A of B. Met name artikel 2.17 is van belang bij de beoordeling van geluidhinder vanwege allerlei activiteiten van een horecabedrijf, zoals werkzaamheden in het bedrijf, maar ook los- en laadactiviteiten en bijv. muziekinstallaties. In de bijbehorende tabel staan de maximaal toegestane geluidsniveaus op de gevels van geluidgevoelige gebouwen (milieuspoor).

Een goede ruimtelijke ordening

De relatie tussen het bestemmingsplan en het Activiteitenbesluit komt regelmatig ter sprake in jurisprudentie. Uit uitspraken van de Afdeling blijkt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening uitsluitend beoordeeld dient te worden of bijv. het bestemmingsplan niet kan worden vastgesteld, omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidnormen (r.o.-spoor). Andersom hoeft volgens jurisprudentie het enkele feit dat nog geen milieuvergunning is verleend niet te maken dat er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

APV

Op grond van artikel 2.18, lid 5 van het Activiteitenbesluit is het mogelijk voor gemeenten om akoestische normen aan te passen op lokaal niveau. Dat kan via de APV. In deze verordening kunnen nadere eisen worden gesteld om geluidhinder te voorkomen van onder meer versterkte muziek.

STAP 1

Inventariseer allereerst alle klachten over geluidsoverlast horeca. Welke geluidsbronnen zijn aanwezig? Gaat het om incidentele muziekactiviteiten of wekelijkse?  Laat vervolgens een akoestisch onderzoek uitvoeren. Erg belangrijk voor het onderzoek is dat het moet uitgaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Zie hiervoor uitspraak ABRS 3 april 2013, no. 201202100/1/R3.

STAP 2

Kan er met geluidsreducerende maatregelen worden voldaan aan de wettelijke geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit? Let op! Dit kan een probleem zijn bij rijksmonumenten, omdat er bijv. niet gewenste voorzieningen mogen worden aangebracht. Kunnen incidentele muziekactiviteiten waarbij de wettelijk toegestane geluidsnormen overschreden wellicht worden geregeld via de APV? Zie artikel 2.18, lid 5 Activiteitenbesluit.

STAP 3

Na de beoordeling van geluid inzake het Activiteitenbesluit, dient de beoordeling plaats te vinden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De vraag is of er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd voor omwonenden. Gaat het om een stedelijke omgeving waar bewoners meer geluid hebben te dulden dan in een rustige woonwijk? Wijkt de situatie van de afstand van 30 m die wordt aanbevolen in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ tussen een muziekcafé en woningen? In dat geval grijp je weer terug naar het akoestische onderzoek uit stap 1. Dit heb je namelijk nodig om het aspect geluid te motiveren.

Uit het akoestisch onderzoek kan blijken dat met behulp van geluidsreducerende maatregelen kan worden voldaan aan het Activiteitenbesluit. Het kan in dat geval raadzaam zijn om de vereiste voorzieningen vast te leggen in een bestemmingsplan. Dit kan in de vorm van een voorwaardelijke bepaling in de planregels.

Bel De Omgevingsjurist voor:

  • juridische onderbouwingen over geluid in bestemmingsplan
  • akoestisch onderzoek

Stemgeluid terras bij restaurant meenemen in bestemmingsplan

Stemgeluid terras en openingstijden terras bij restaurant meenemen in besluitvorming inzake het bestemmingsplan

Het blijft oppassen geblazen bij stemgeluid van terrassen. Bij de afweging of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening speelt stemgeluid van terrassen een rol. Het is belangrijk om hier in het akoestisch onderzoek aandacht aan te besteden.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt een uitbreiding van een horecagelegenheid mogelijk. Het restaurant staat aan het begin van de toegangsweg van een recreatiepark (dat geen onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan). Bewoners van een aantal naastgelegen recreatiewoningen voeren in beroep aan dat zij ernstige geluidhinder verwachten als gevolg van feesten en onder meer het terras. Volgens de raad is echter een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de recreatiewoning gewaarborgd. Volgens het akoestisch onderzoek leidt het toegestane gebruik niet tot overschrijding van de geluidnormen in het Activiteitenbesluit.

De raad heeft volgens de Afdeling op een juiste manier in het bestemmingsplan geborgd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Zie voor deze leerzame uitspraak ABRS 26 juni 2013, no. 201210616/1/R4.

omgevingsjurist

Uitbreiding recreatiepark voer altijd een beoordeling uit of een milieueffectrapport nodig is

Uitbreiding recreatiepark: beoordeling altijd of een milieueffectrapport nodig is

Het nieuw vastgestelde bestemmingsplan maakt in een bestaand recreatiepark nieuwe recreatiewoningen mogelijk. Gedeeltelijk op gronden die al bestemd zijn voor recreatiedoeleinden. Voor een ander gedeelte – 11 hectare – is het nieuw bestemmingsplan vastgesteld. In dit nieuwe gedeelte zijn grotere chalets en recreatiewoningen mogelijk.  De totale oppervlakte van het recreatiepark zal na realisering van de uitbreiding ongeveer 30 hectare bedragen.

Op grond van artikel 7.2, vierde lid van de Wet milieubeheer juncto onderdeel D categorie 10 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. moet bij de wijziging van een vakantiedorp met een oppervlakte van 25 hectare of meer, worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Volgens de Afdeling blijkt niet dat er een dergelijke beoordeling heeft plaatsgevonden die betrekking heeft op het gehele park. De gemeente heeft de beoordeling beperkt tot de uitbreiding van 11 hectare. De beroepen zijn gegrond.

Een milieueffectrapport is – kort gezegd – bij bepaalde activiteiten nodig om de gevolgen van die activiteiten voor het milieu te bezien in het kader van de besluitvorming van het bestuur. Helaas is het nog steeds zo dat gemeentebesturen deze taak zeer rigide opvatten en er vooral alles aan doen om aan deze beoordeling te ontkomen dan wel zich beperken tot de grenzen die in het Besluit m.e.r. staan aangegeven. Lees meer over m.e.r.-beoordelingen

Zie voor uitspraak ABRS 26 juni 2013, no. 201207945/1/R2

akoestisch onderzoek parkeerterrein – vrachtwagentrailer kan niet worden ingezet als geluidscherm om te voldoen aan Activiteitenbesluit milieubeheer

Akoestisch onderzoek parkeerterrein – vrachtwagentrailer kan niet worden ingezet als geluidscherm om te voldoen aan Activiteitenbesluit

Een op zich wat merkwaardige titel van een artikel waarin een uitspraak van de Afdeling wordt behandeld. In een bestemmingsplan dat woningen mogelijk moet maken stelt appellant in beroep dat het voorziene gebruik van een parkeerterrein in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege de geluidbelasting van het parkeerterrein.

Volgens appellant is de raad in het akoestisch onderzoek ten onrechte uitgegaan van twee vrachtwagen trailers als geluidscherm. Volgens hem zijn de werkelijke afschermingseffecten van de trailers meettechnisch niet bepaald en niet vergelijkbaar met een geheel gesloten object.

Volgens het akoestisch onderzoek kan door het treffen van maatregelen, waaronder de toepassing van twee vrachtwagentrailers als geluidscherm, het gebruik van het parkeerterrein in overeenstemming met het Activiteitenbesluit worden gebracht. Verder wordt door onder meer deze maatregel aan de binnenwaarden voldaan. Vaststaat dat de trailers een open onderzijde hebben. Om aan de eisen uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (massa per eenheid van oppervlakte moet tenminste 10 kg/m2 bedragen). Volgens de gemeente moeten de trailers in dat geval worden beladen. Volgens de Afdeling is niet vast komen te staan dat de trailers voldoen aan deze eis: “Gelet hierop heeft de raad zich niet in redelijkheid op het akoestisch onderzoek kunnen baseren voor zover vrachtwagentrailers worden ingezet als geluidscherm.”

Voor meer informatie over deze interessante uitspraak zie ABRS 26 juni 2013, no. 201107874/1/R1.

omgevingsjurist

hoogspanningsverbinding en onzekerheid over gevolgen voor gezondheid

Hoogspanningsverbinding – Wonen in nabijheid van hoogspanningsverbinding en de onzekerheid over alle gevolgen van de voorziene hoogspanningsverbinding op de gezondheid

Het Rijk heeft een inpassingsplan vastgesteld om de aanleg van de “Randstad 380 kV-verbinding Noordring Beverwijk – Zoetermeer” mogelijk te maken. Het plan voorziet gedeeltelijk in de aanleg van een gecombineerde bovengrondse verbinding waarvoor een indicatieve magneetveldzone van 50 meter geldt aan weerszijden. Deze hoogspanningsverbinding zal gedeeltelijk een oude verbinding vervangen.

In deze uitgebreide uitspraak van de Afdeling komt het onderdeel ‘gezondheid’ uitvoerig aan de orde. Aan de orde komen:

  • ziekte van Alzheimer
  • mensen met elektronische implantaten en piekbelasting van hoogspanningsverbinding
  • wonen in magneetveldzone

Eén van de omwonenden betoogt in beroep dat de Minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat het risico op het krijgen van de ziekte van Alzheimer door het wonen in de nabijheid van een hoogspanningsverbinding zou worden vergroot. Hij betoogt dat ten onrechte niet duidelijk is wat de gevolgen van de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding op een afstand groter dan 50 meter zijn voor het risico op het krijgen van de ziekte van Alzheimer.

Volgens een Zwitsers onderzoek bestaat er een statistische relatie tussen het wonen binnen 50 meter van hoogspanningsverbindingen en sterfgevallen als gevolg van de ziekte van Alzheimer. De auteurs van het rapport geven aan dat geen verhoogde kans is geconstateerd als men verder dan 50 meter van de hoogspanningsverbindingen woont. Hoogspanningsverbindingen veroorzaken een magnetisch veld.

Interessant aan deze uitspraak is dat de Afdeling aangeeft dat “het, gelet op de complexiteit daarvan, niet mogelijk is om zekerheid te verkrijgen over alle gevolgen van de voorziene hoogspanningsverbinding op de gezondheid. Het advies van VROM is, (…), aan te merken als een beleidsmatige keuze, gebaseerd op de resultaten van een evaluatie van de beschikbare wetenschappelijke gegevens en in aanmerking genomen de onzekerheden van de uitkomsten van de relevante wetenschappelijke onderzoeken. Verder bestaat (…) thans de behoefte aan de voorziene hoogspanningsverbinding. Daarom hebben de ministers bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij zich op het moment van vaststelling van het rijksinpassingsplan op het advies van VROM mochten baseren.”

Een ander interessante conclusie is dat volgens de Afdeling bedrijven, en landbouwgrond geen gevoelige bestemmingen zijn in de zin van het advies van VROM. Zie r.o. 21.2 van de uitspraak.

Noot MH:

Uit de overwegingen van de Afdeling leid ik af dat je als omwonende in de nabijheid van een toekomstige hoogspanningsverbinding min of meer in de kou staat. Zonder tegenrapport van een wetenschappelijke instelling sta je min of meer kansloos tegenover de overheid. Van een afstand bekeken is het eigenlijk heel vreemd dat het aspect gezondheid zo relatief gemakkelijk wordt weggeschoven en ondergeschikt lijkt aan het economische belang van de aanleg van de 380 kV-verbinding. De vele onzekerheden op de effecten voor de gezondheid zouden toch moeten leiden tot meer grondig onderzoek en het (voorlopig) afzien van de aanleg van bovengrondse hoogspanningsverbindingen in de nabijheid van mensen. Lees meer over hoogspanningsverbindingen en gezondheid.

Zie uitspraak ABRS 5 juni 2013, no. 201210308/1/R1.

Water bestemmingsplan: bebouwingszone uit provinciale Omgevingsverordening hoort thuis in bestemmingsplan, niet in Legger waterschap

Water bestemmingsplan: bebouwingszone uit provinciale Omgevingsverordening hoort thuis in bestemmingsplan, niet in Legger waterschap

Een waterschap heeft in 2010 de Legger Waterkeringen vastgesteld. De provincie heeft onder meer in samenwerking met het waterschap een kustvisie ontwikkeld. Deze visie is doorvertaald naar het POP (Provinciaal Omgevingsplan) en de Omgevingsverordening (POV).

De eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte het profiel van de waterkeringszone dat uit het POP en het POV voorvloeit niet heeft doorvertaald in de Legger. Volgens de rechtbank spitst het geschil zich toe op de vraag of het waterschap ook de bebouwingszone van 70 meter in de Legger had moeten opnemen. Volgens de rechtbank is dat niet het geval: “De bebouwingszone in de waterkeringszone is duidelijk bedoeld als een planologisch instrument ter uitvoering van de plicht die het provinciaal bestuur op grond van (…) de POV heeft opgelegd aan gemeentebesturen en niet als een uitwerking van de verplichten van het waterschap. (…) De verplichting tot het aangeven van de diverse onderdelen binnen de totale waterkeringszone, waaronder de bebouwingszone, geldt (…) uitsluitend voor gemeenten, die overgaan tot vaststelling van een bestemmingsplan waarin de betreffende waterkeringszone is gelegen.  De vaststelling van de bebouwingszone behoort, vanwege haar planologische karakter, bij uitstek thuis in het gemeentelijke bestemmingsplan.”

Zie uitspraak Rechtbank Noord-Nederland, LJN: CA0738

Archeologie en bestemmingsplan: het blijft opletten geblazen

Archeologie en bestemmingsplan: het blijft opletten geblazen

De meeste zaken die niet in ons oogveld liggen bestaan voor ons niet. Dat geldt eigenlijk ook voor archeologische schatten in de bodem. Bij het opstellen van een bestemmingsplan denk ik zelf ook vaak: ‘Weer zo’n dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met strenge regels en een verplichting om bij het roeren in de grond bij een diepte van meer dan 0,30 m, een omgevingsvergunning aan te vragen’. Extra regels waar niemand op zit te wachten.

Dat laatste is natuurlijk niet echt genuanceerd. Er zullen ongetwijfeld vondsten worden gedaan die de moeite waard zijn en ons meer vertellen over de geschiedenis van een gebied. In een uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2013 (no. 201112663/1/R2) wijkt een gemeente af van artikel 41a van de Monumentenwet 1988. In dat artikel is een uitzondering opgenomen voor archeologisch onderzoek voor projecten die qua omvang kleiner zijn dan 100 m².  De gemeente had in het betreffende bestemmingsplan een uitzondering gemaakt voor projecten met een oppervlak van 200 m². Bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat deze afwijking mogelijk had gemaakt, had de gemeente echter aanvullend onderzoek moeten verrichten of deze afwijking wel toelaatbaar was.

De Afdeling overweegt: “Gelet op het voorgaande, acht de Afdeling onvoldoende gemotiveerd dat met de hoge archeologische verwachtingswaarde in het plan voldoende rekening is gehouden. Het betoog slaagt.” 

bestemmingsplan Buitengebied: check goed of voor wijzigingsplan melkveehouderij een plan-MER nodig is

bestemmingsplan Buitengebied: check goed of voor wijzigingsplan voor melkveehouderij een plan-MER nodig is

Via een wijzigingsplan heeft de gemeente de verplaatsing en uitbreiding van een melkveehouderij met  bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Appellant betoogt dat er ten onrechte geen milieueffectrapportage dan wel een m.e.r.-beoordeling is gemaakt. Het college van b&w stelt dat het plan de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschrijdt, zodat geen m.e.r.-plicht dan wel een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 7.2, tweede lid, in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit m.e.r. moet, terzake van de activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste, onder a en b, van de Wet milieubeheer, een MER voor plannen worden gemaakt voor de categorieën van plannen die zijn omschreven in kolom 3 van onderdeel C, onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit als omschreven in artikel 2, vierde lid, van het Besluit m.e.r. en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid.

Op grond van onderdeel D, onder 14, sub 9, van de bijlage van het Besluit m.e.r. is bepaald dat beoordeeld dient te worden of een m.e.r. dient te worden gemaakt in het kader van de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 340 stuks melkkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. In kolom 3 van onderdeel D zijn plannen als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wro opgenomen (wijzigingsplan).

De Afdeling overweegt:Niet in geschil is dat partij de wens heeft om het agrarisch bedrijf uit te laten groeien tot een bedrijf met ongeveer 200 melkkoeien die ouder zijn dan 2 jaar en 140 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. De Afdeling stelt echter vast dat in het plan niet is gewaarborgd dat niet meer dan 340 dieren op deze locatie gehouden kunnen worden. De door partij ter zitting vermelde omstandigheid dat op het perceel naast koeienstallen ook stallingen voor opslag van voer en machines worden gebouwd doet daaraan niet af, nu het plan er niet aan in de weg staat dat het gehele plangebied, dat ongeveer 1,5 ha groot is, mag worden bebouwd ten behoeve van stalruimte voor dieren. Gelet op het voorgaande geldt op grond van artikel 7.13 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit m.e.r., voor het wijzigingsplan een plan-m.e.r.-plicht.” 

Noot

Deze uitspraak laat zien dat het erg belangrijk is om grenzen in de planregels van het bestemmingsplan aan te geven met betrekking tot aantallen stuks vee. Verder adviseer ik om tenminste altijd een m.e.r.-beoordeling te maken voor dergelijke plannen. Het simpel afdoen met de zin ‘de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. worden niet overschreden’ kan echt niet!

Zie uitspraak ABRS 8 mei 2013, no. 201208118/1/R1