Uitbreiding intensieve veehouderij en gezondheid – jurisprudentie

Uitbreiding intensieve veehouderij en gezondheid – jurisprudentie

Er is de laatste tijd meer aandacht voor het onderwerp gezondheid in ruimtelijke planvorming, in het bijzonder de relatie gezondheid en intensieve veehouderij. Gezondheid kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening (aanvaardbaar woon- en leefklimaat) een af te wegen belang zijn met ruimtelijk relevantie. Deze uitspraak van 30 april 2014 laat zien hoe gezondheid kan doorwerken in het bestemmingsplan, bij de afweging of al dan niet uitbreidingen van intensieve veehouderij toe te staan.intensieve veehouderij

Voor een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied heeft de gemeente bij de besluitvorming of er al dan niet een uitbreidingsmogelijkheid moet worden opgenomen voor intensieve veehouderijen, een Gezondheidseffectscreening (GES) laten opstellen. In het GES wordt onder meer het volgende geadviseerd aan de gemeente:

  • houd pluimvee en varkens gescheiden
  • geen nieuwbouw van intensieve veehouderijen toestaan binnen 250 meter van kernen of lintbebouwing
  • gezondheidskundige beoordeling laten opstellen bij uitbreiding, omschakeling of vergroting bouwblok van intensieve veehouderij binnen 250 meter van een woning

De gemeente heeft de adviezen vertaald naar het bestemmingsplan door middel van de aanduiding ‘zone landschap, leefomgeving en gezondheid’. Binnen deze zone zijn geen uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen. Volgens appellant is de volksgezondheid ruimtelijk niet relevant en heeft de gemeente het GES niet in de besluitvorming mogen betrekken.

De Afdeling overweegt als volgt: “(…) de mogelijke besmetting van dierziekten van nabij gelegen agrarische bedrijven is een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan, maar dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten primair zijn regeling vindt in andere wetgeving en daarnaast aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. De raad dient evenwel in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te onderzoeken of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat, gelet daarop, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onvoldoende is gewaarborgd. In de GES is ook onderzocht wat de invloed is van het plan op onder meer de milieuaspecten fijn stof en geur, nu fijn stof en geur een effect kunnen hebben op de volksgezondheid. Gelet hierop heeft de raad in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de vaststelling van het plan in redelijkheid waarde kunnen hechten aan de resultaten van het GES.”

Geur vaste mestopslag en woningbouw: tips bestemmingsplan

Geur vaste mestopslag en woningbouw: tips voor bestemmingsplangeur vaste mestopslag

Bij de meeste veehouderijen ligt de vaste mest buiten op een mestplaat of silo. Zeker bij wat warmer weer kun je de geur ruiken. De geur die nieuwe bewoners op het platteland of aan de rand van een dorp meestal niet zo prettig vinden.

Bij woningbouw nabij een agrarisch bedrijf dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening onder meer rekening te worden gehouden met de geur van vaste mest bij een inrichting. Bij het onderdeel agrarische geur wordt echter meestal alleen rekening gehouden met de afstandsnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Geur van vaste mest valt echter niet onder deze wet.

Hieronder leest u in vogelvlucht waar u rekening mee moet houden bij de onderbouwing van het bestemmingsplan.

Geur vaste mestopslag op platen en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat

Bij de bedrijfsactiviteiten van een veehouderij komt geur vrij. Er kunnen verschillende geurbronnen worden onderscheiden. Geur kan vrijkomen van het opslaan en bereiden van veevoer, het houden van dieren in dierenverblijven, het opslaan en uitrijden van (vaste) mest, etc.

Bij de vaststelling van ruimtelijke besluiten die woningbouw nabij een veehouderij mogelijk maken, wordt meestal alleen gedacht aan de geur afkomstig van dierenverblijven. Dit is echter onvolledig. De geur van dierenverblijven wordt volgens een aparte wet beoordeeld: de Wgv. Deze wet geeft echter geen regels voor andere geurbronnen, zoals de geur van de opslag van vaste mest. Zie hiervoor r.o. 14.2 in uitspraak ABRS 4 september 2013, no. 201211840/1/R2. Met andere woorden: voor de onderbouwing van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij geurgevoelige objecten nabij een mestplaat kunnen niet de afstanden uit de Wgv worden gebruikt of uit de gemeentelijke Geurverordening. Voor het onderdeel ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen onder meer de richtafstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een hulpmiddel zijn.

De milieuregels voor de opslag van – geur vaste mestopslag – voor een inrichting zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (art. 3.46) en de Activiteitenregeling milieubeheer. Hieruit blijkt dat er in beginsel een afstand van 100 meter moet worden aangehouden tussen een mestplaat en woningbouw.

In het algemeen is het zo dat wanneer geurgevoelige objecten op voldoende afstand van een veehouderij worden gesitueerd, het woon- en leefklimaat bij woningen in beginsel als goed kan worden aangemerkt. Met voldoende afstand wordt bedoeld dat de afstandsnormen die genoemd worden in de Wgv of het Activiteitenbesluit in acht zijn genomen. Zie hiervoor nog recent r.o. 9.4 in uitspraak ABRS 2 april 2014, no. 201306011/1/R3.

Afwijkingen van deze afstanden kunnen onder bepaalde omstandigheden acceptabel zijn, mits voldoende onderbouwd. Belangrijk is om onder meer de geldende Wm-vergunning (of melding) te bekijken. Welke voorschriften moeten in acht worden genomen? Welke voorschriften kunnen aangescherpt worden, etc?

Voorkom onnodige rechtszaken en betrek bij de onderbouwing voor het bestemmingsplan inzake een goede ruimtelijke ordening (agrarische geur en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat) ook de geur van vaste mest op mestplaten!

Gezondheidsrisico’s gewasbeschermingsmiddelen nader onderzocht

Gezondheidsrisico’s gewasbeschermingsmiddelen nader onderzocht

De Gezondheidsraad (GR) heeft op 29 januari 2014 advies uitgebracht over de vraag of omwonenden van landbouwpercelen gezondheidsrisico’s lopen door toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. De GR ziet voldoende reden voor nader blootstellingsonderzoek onder omwonenden en voor aanpassing van de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen. Verder wijst de GR op het nemen van maatregelen die de blootstelling van omwonenden kunnen verminderen. Met name het onderdeel ‘spuitvrije zones en afstandseisen’ krijgt hier speciale aandacht.

De GR verwijst in het rapport onder meer naar de publicatie van mr. H.H. Harberink in het juridische tijdschrift ‘Milieu en Recht’ (Intensief gewasbeschermingsmiddelengebruik bij open teelten. Zet de Wro in ter bescherming van omwonenden). In dat artikel wordt ervoor gepleit om in het bestemmingsplan zones op te nemen rondom agrarische percelen met bomen- en fruitteelt ter bescherming van de gezondheid van omwonenden. Gezondheid is een aspect dat ruimtelijk relevant is. Deze spuitvrije zones kunnen in het bestemmingsplan worden vastgelegd. In deze zones kan via het bestemmingsplan een beperkt gebruik van gewasbescherming worden geregeld. De grootte van de zone is onder meer afhankelijk van het soort teelt en de hierbij toegestane gewasbeschermingsmiddelen. Neem nooit zo maar aan dat zones van 20 of 30 meter in het bestemmingsplan wel voldoende zijn. Er is altijd onderzoek nodig ter plaatse. Elke situatie is namelijk anders. Er zijn ook situaties waar zelfs grotere zones nodig zijn.

Een uitspraak die weer eens duidelijk maakt dat het verkorten van spuitzones maatwerk is, is de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014, no. 201302600/1/A1.

Voor meer informatie over zonering in het bestemmingsplan en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: 

Gemeente neem teeltvrije zone fruitteelt op in bestemmingsplan

Gemeente neem teeltvrije zone fruitteelt op in bestemmingsplan

Waarom de gemeente teeltvrije zones moet opnemen in het bestemmingsplan bij fruitteelt

In de fruitteelt worden vaak chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van omwonenden. Met name de drift – verwaaiing van spuitvloeistof – kan een bedreiging vormen doordat het op korte afstand hoog boven de bomen uitwaait. Het is om die reden belangrijk zo veel mogelijk afstand te houden tussen nieuwe woningen en percelen met fruitteelt.

In het spoor van het bestemmingsplan geldt een praktijkregel die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen een gevoelige functie, zoals een woning, en een perceel met fruitteelt volstaat. Dit is echter natte vinger werk. In bepaalde gevallen dient er zelfs meer afstand te worden aangehouden. Soms is een kortere afstand mogelijk. Dit hangt van veel factoren af. Om die reden dient er altijd onderzoek te worden uitgevoerd welke afstand in een specifiek geval geldt. U kunt dus niet één-op-één bestaand onderzoek overnemen zonder dit op het specifieke geval af te stemmen en af te wegen. Verder dient er een vertaling plaats te vinden naar het bestemmingsplan.

In het spoor van milieuregelgeving is het Activiteitenbesluit milieubeheer van belang. In par. 3.5.3 zijn bepalingen opgenomen over het telen van gewassen in de open lucht, zoals de fruit- en bomenteelt. Deze bepalingen zijn met name ingegeven om het watermilieu te beschermen. Binnen een bepaalde afstand vanaf de insteek van een wateroppervlaktelichaam (watertoevoerende sloot) is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen aan banden gelegd. De afstand en het toegelaten gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen is afhankelijk van het soort teelt. Het bevoegd gezag voor de naleving van deze regels is het waterschap.

Het is raadzaam om deze verplichtingen uit het Activiteitenbesluit ook op te nemen in het bestemmingsplan. Er kan dan via twee sporen handhavend worden opgetreden. Door de teeltvrije zone als ‘milieuzone’ op te nemen op de verbeelding en in de planregels kan er ook op grond van het bestemmingsplan handhavend worden opgetreden. Verder is de breedte van de zone bepalend bij de in acht te nemen afstand tussen woningen en open teelten, zoals de fruitteelt.

Meer weten? 

Ladder duurzame verstedelijking en wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan

Ladder duurzame verstedelijking en wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan

Wederom een uitspraak over de ladder duurzame verstedelijking. In dit geval in relatie tot het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan.

In de planregels heeft de gemeente opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied’ het plan gewijzigd kan worden in de bestemming ‘Bedrijventerrein’. Appellant voert aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de regionale behoefte die met de wijzigingsbevoegdheid mogelijk kan worden gemaakt.

De Afdeling overweegt: “(…) Dit betekent dat de raad reeds bij het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid inzicht zal moeten geven in de vraag of binnen de planperiode met een regionale behoefte aan de mogelijk te maken ontwikkeling rekening moet worden gehouden en of deze ontwikkeling in het licht van de overige in artikel 3.1.6, tweede lid, geformuleerde voorwaarden binnen het plangebied zal kunnen worden gerealiseerd. De raad had zich in dit geval dus in de eerste plaats rekenschap moeten geven van de vraag of  een regionale behoefte bestaat of zal ontstaan aan de bedrijfsbestemming die ter plaatse van de gronden waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet, mogelijk gemaakt kan worden. Ter zitting heeft de raad daarover verklaard dat er momenteel geen belangstellenden zijn maar dat hij niet uitsluit dat binnen de planperiode behoefte zal ontstaan aan een uitbreiding van het bedrijventerrein. (…) De Afdeling overweegt dat de raad aldus niet heeft bezien of in de regio, voor de looptijd van het plan buiten de gemeentegrenzen, zou kunnen worden voorzien in de door hem veronderstelde behoefte.”

Zie uitspraak ABRS 5 februari 2014, no. 201305293/1/R1.

Spuitzone 50 meter afstand in bestemmingsplan is natte vingerwerk

Spuitzone 50 meter afstand in bestemmingsplan tussen boomgaard en woning is natte vingerwerk

Het wonen in een gebied omgeven door fruitbomen wordt door veel mensen als aantrekkelijk ervaren. In de praktijk worden dan ook regelmatig woningen gebouwd op bouwpercelen die in de nabijheid liggen van agrarische percelen met open teelten, zoals fruitbomen. Met name de drift die vrijkomt bij het bespuiten van fruitbomen of andere agrarische gewassen kan schadelijk zijn voor de gezondheid van omwonenden. Voor agrarische percelen met open teelten gelden geen wettelijke afstandseisen. In de praktijk bestaat een vuistregel dat tenminste een afstand van 50 m moet worden aangehouden tussen een woning en een boomgaard. Deze vuistregel wordt door de Afdeling niet onredelijk geacht.spuitzone 50 meter

Afstanden tussen agrarische percelen en woningen zijn belangrijk

Voldoende afstand tussen een perceel met fruitbomen en een nieuw te bouwen woning is erg belangrijk. Aan de ene kant vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de bijbehorende gezondheidsrisico’s, aan de andere kant mag de agrariër niet in zijn bedrijfsvoering worden gehinderd vanwege de aanwezigheid van een woning. Afhankelijk van de toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel die de agrariër gebruikt, kan met name de drift die vrijkomt bij het bespuiten van gewassen een gevaar vormen voor de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het houden van afstand belangrijk indien er voor de gezondheid van omwonenden risicovolle gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Vuistregel spuitzone 50 meter afstand is natte vingerwerk

De afstand die in de praktijk bestaat om tenminste 50 meter aan te houden is willekeurig gekozen. Voor sommige middelen is het zelfs raadzaam om grotere afstanden aan te houden. De te bepalen afstand is geheel afhankelijk van de toxiciteit van het door de agrariër gebruikte gewasbeschermingsmiddel. Om die reden moet altijd onderzocht worden welke middelen de agrariër gebruikt bij het bespuiten van de gewassen. Deze stap wordt in de praktijk vaak overgeslagen. Klakkeloos wordt een 50 meter afstand aangehouden of verkort zonder nadere onderbouwing. De bepaling van de afstand moet altijd gemotiveerd worden en gebaseerd zijn op onderzoek. Elk dossier is anders.

Dit artikel is een korte bewerking van een artikel dat eerder verscheen van mr. Marian Harberink in Milieu & Recht: ‘Intensief gewasbeschermingsmiddelen gebruik bij open teelten – Zet de Wro in ter bescherming van de gezondheid van omwonenden’ (M en R 2011, 168). 

Meer weten? Bel, mail of lees dit artikel

Verspreiden door agrariër van uien(schillen) op land: bijproduct of verspreiding van afvalstof?

Verspreiden van (uien)schillen op land is het ontdoen of storten van afvalstof ingevolge artikel 1.1, zesde lid Wm

Een wat merkwaardige zaak waarin het college van b&w aan een agrariër een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens het hebben, opslaan of verspreiden van uien of uienschillen in een aantal weilanden. Deze uien(schillen) worden meestal gebruikt als diervoeder en kunnen een behoorlijke stank veroorzaken.

In eerste instantie heeft het college strijd met artikel 7b, tweede lid, onder b en c van de Woningwet in samenhang met strijd met de bouwverordening ten laste gelegd. In het besluit op bezwaar heeft het college in plaats van voornoemde strijdigheden overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) ten laste gelegd.

Appellant voert onder meer aan dat de door hem over de weilanden verspreide uien en uienschillen geen afvalstoffen zijn. Volgens hem zijn de uien een bijproduct als bedoeld in art. 1.1, zesde lid Wm  en geen afvalstof, zoals bepaald in art. 1.1, eerste lid Wm (afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen en zich moet ontdoen).

Volgens de Afdeling moet het begrip ‘afvalstof’ niet restrictief worden uitgelegd en dat de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de kaderrichtlijn (richtlijn 2008/98/EG), terwijl ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan:

Daarbij heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen beklemtoond dat voor de beoordeling of een stof moet worden aangemerkt als afvalstof de wetenschap dat een stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig voor later gebruik was beoogd, een belangrijke aanwijzing is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de uien en uienschillen productieresiduen zijn. Daartoe heeft de rechtbank met juistheid van belang geacht dat de uien en uienschillen die appellant over de weilanden verspreidt, afkomstig zijn uit de voedingsmiddelenindustrie en oorspronkelijk zijn geproduceerd voor menselijke consumptie, maar daarvoor niet (meer) bedoeld zijn. (…) Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de uien en uienschillen een afvalstof zijn, te weten een stof waarvan de leverancier zich ontdoet of moet ontdoen, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer.”

Zie verder r.o. 5.3 e.v van ABRS 5 februari 2014, no. 201304822/1/A4

omgevingsjurist

Waarde Archeologie in bestemmingsplan kan tot onevenredige aantasting van bedrijfsvoering boomteler leiden

Waarde Archeologie in bestemmingsplan kan leiden tot onevenredige aantasting van bedrijfsvoering boomteler 

In een bestemmingsplan heeft de gemeente de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ opgenomen. Aan deze regeling is tevens een omgevingsvergunningstelsel gekoppeld, waarin is opgenomen dat deze vergunning slechts wordt verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Dit dient met een archeologisch onderzoek te worden aangetoond. In een apart lid van de bepaling is een opsomming gegeven van de werkzaamheden die uitgezonderd worden van de onderzoeksplicht.

Een boomkweker kan zich in beroep niet vinden in deze bepaling. Volgens hem leidt het aanvragen van een omgevingsvergunning voor hem tot een onaanvaardbare lastenverzwaring en belemmering tot de uitoefening van zijn boomkwekerij. Volgens hem is het vrijwel zeker dat er na vele decennia van intensief bodemgebruik geen archeologisch waardevolle objecten aanwezig zijn. Zijn werkzaamheden zijn in het bestemmingsplan niet uitgezonderd van de onderzoeksplicht.

De raad heeft niet specifiek een onderzoek laten uitvoeren of er nog archeologisch waardevolle vondsten in het gebied aanwezig zijn. De raad is afgegaan op het gemeentelijke archeologiebeleid.  Dat dit onzorgvuldig is laat de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014, no. 201205174/1/R4 zien in r.o. 68.4.

De Afdeling overweegt als volgt: “Bij het exploiteren van de boomkwekerij vinden werkzaamheden plaats die in artikel (…) zijn opgesomd. Dat de uitzonderingen van lid (…) op het verbod deze werken en werkzaamheden zonder omgevingsvergunning uit te voeren op de bestaande boomteelt niet van toepassing zijn, volgt naar het oordeel niet eenduidig uit de planregels. Uit de zienswijzennota blijkt dat de boomteeltactiviteiten niet tot het normale gebruik behoren, nu bij dergelijke activiteiten de grond dieper dan 50 cm onder maaiveld wordt bewerkt. Ook in artikel (…) waarin het normale gebruik is gedefinieerd, komen de desbetreffende activiteiten niet voor. 

De raad heeft er geen blijk van gegeven dat bij het toekennen van de dubbelbestemming en het daaraan gekoppelde omgevingsvergunningstelsel rekening is gehouden met de belangen van appellant. De raad heeft niet bezien of de dubbelbestemming leidt tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering van appellant. Van een zorgvuldige afweging van de belangen die mogelijk zijn betrokken bij de bescherming van de archeologische waarden en het belang van appellant bij een onbelemmerende bedrijfsvoering is niet gebleken. Dit klemt te meer nu een gericht inventariserend onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden op de betreffende gronden ontbreekt en die gronden (…) reeds gedurende ongeveer 40 jaar in gebruik zijn voor boomteelt, waaronder de teelt van laanbomen. (…) Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd (…)”.  

Belangrijk voor de praktijk

Deze uitspraak laat zien dat een gemeente niet zo maar voorbij kan gaan aan de bedrijfsbelangen van agrariërs en boomtelers bij het toekennen van de bestemming ‘Waarde Archeologie’. Indien tijdens de voorontwerpfase of ontwerpfase van een bestemmingsplan dergelijke bezwaren naar voren komen adviseer ik gemeenten altijd een nader archeologisch ter plaatse uit te voeren om te bepalen of er ter plaatse nog wel sprake is van archeologische waarden. Met een verwijzing naar het gemeentelijke archeologiebeleid kom je als gemeente – zoals blijkt uit deze uitspraak – niet ver.

Geur agrarische bedrijven en goede ruimtelijke ordening: onderzoek ook uitbreidingsmogelijkheden in bouwvlak bestemmingsplan

Geur agrarische bedrijven en een goede ruimtelijke ordening

Betrek ook uitbreidingsmogelijkheden in bouwvlak bestemmingsplan in onderzoek (maximale planologische mogelijkheden)

In de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014, no. 201205174/1/R4 in r.o. 47.4 wordt weer eens aangetoond hoe venijnig de relatie agrarische geur en een goede ruimtelijke ordening is. Het lijkt een beklonken zaak. De gemeente heeft keurig een geuronderzoek uitgevoerd naar de geurbelasting op een bestaande woning. Deze woning is via een eerdere planologische procedure mogelijk gemaakt. In de betreffende ruimtelijke onderbouwing staat aangegeven dat bij uitbreiding van het agrarische bedrijf ter plaatse van de woning van appellant sprake zal zijn van een lagere voorgrond- en achtergrondbelasting, zodat het plan niet leidt tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat.

In het kader van het bestemmingsplan is tevens een geuronderzoek uitgevoerd. Hierin is ook onderzoek gedaan naar de geurbelasting op de omliggende geurgevoelige objecten. Uit de uitkomsten blijkt onder meer dat ter plaatse van de woning van appellant de geurbelasting onder de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) blijft. In beginsel is er dan nog geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. De toegestane milieubelasting dient volgens de Afdeling in overeenstemming te zijn met de uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbare inrichting van het gebied.

Verder dienen ook de maximale planologische mogelijkheden in het bestemmingsplan – in dit geval de benutting van de uitbreidingsmogelijkheden in het bouwvlak – te worden betrokken bij de afweging. Betrek dus bij de afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening altijd de maximale uitbreidingsmogelijkheden van het bestemmingsplan!

Overgangrecht bestemmingsplan en uitsterfregeling bij illegaal bestaand gebruik

Overgangsrecht bestemmingsplan en uitsterfregelingovergangsrecht bestemmingsplan

Gemeente moet bij bestaand illegaal gebruik altijd onderzoeken of gebruik onder uitsterfregeling overgangsrecht bestemmingsplan kan worden gebracht

Bij de actualisatie van bestemmingsplannen gebeurt het dikwijls dat de raad bestaand gebruik opnieuw onder het overgangsrecht brengt. De raad moet zich echter wel realiseren dat in een dergelijk geval de vorm van gebruik binnen de planperiode van 10 jaar zal of moet worden beëindigd. Indien dit op voorhand niet duidelijk is kan de raad bestaand gebruik niet ‘zo maar’ opnieuw onder het overgangsrecht brengen.

Moet de raad in een dergelijk geval het gebruik positief bestemmen? Nee, dat hoeft ook niet. Het gebruik valt namelijk al onder het overgangsrecht van het vigerende bestemmingsplan. Er bestaat nog een tussenweg: een uitsterfregeling opnemen in het nieuwe bestemmingsplan. Een bestemmingsplan kan een bepaald gebruik dat feitelijk aanwezig is, maar minder gewenst is, wel toestaan in de doeleindenomschrijving en tegelijkertijd de regel bevatten dat indien het gebruik voor bijv. woondoeleinden beëindigd wordt, dat gebruik niet mag worden hervat.

In een uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014, no. 201205174/1/R4 komt de uitsterfregeling ter sprake in r.o. 27.2.1:

De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het gebruik als weiland op zichzelf niet op ruimtelijke bezwaren stuit. Indien de raad niettemin van mening is dat het als zodanig bestemmen van het feitelijke gebruik niet mogelijk is, had het op de weg van de raad gelegen te bezien of voor het gebruik een uitsterfregeling in het plan had kunnen worden opgenomen. Nu de raad niet in redelijkheid het gebruik van de gronden als weiland opnieuw onder  het overgangsrecht heeft kunnen brengen en de raad evenmin heeft bezien of voor deze gronden in het plan een andere regeling had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid tot stand gekomen. (…).”