Vrijkomende agrarische bebouwing oplossen door keuze en zonering

Vrijkomende agrarische bebouwing oplossen door keuze en zonering

De komende jaren neemt de leegstand van gebouwen in het buitengebied explosief toe. Deze kop haalde enkele weken geleden verschillende media. Volgens de publicatie ‘Vrijkomende agrarische bebouwing in het landelijk gebied‘ van Alterra zal die leegstand vele malen groter zijn dan de leegstand van kantoren. Een interessant hoofdstuk uit dit rapport ‘Een stille revolutie: meer burgers dan boeren in het landelijk gebied’, geeft aan dat het platteland van Nederland zich steeds meer beweegt richting multifunctioneel landschap.

Maak van het platteland geen Disneyworld of openluchtmuseum

Een multifunctioneel landschap is min of meer een compromis in grondgebruik voor het platteland en een hang naar nostalgie. Er ontstaat een landschap dat er weliswaar mooi uitziet, maar waar de landbouwgronden niet meer goed gebruikt kunnen worden voor landbouwdoeleinden vanwege nieuwe niet-agrarische functies. De Achterhoek is een voorbeeld van deze ‘vertrutting’ van het landschap met (te) kleine agrarische bedrijven met allerlei nevenactiviteiten, klaterende beekjes, burgerwoningen, poeltjes en bordjes met stiltegebied, etc. De agrariërs kunnen niet meer leven van het agrarisch bedrijf, maar de toeristische nevenactiviteiten mogen ook weer niet te groot worden. Deze halfslachtigheid in het toestaan van nieuwe functies leidt tot grote frustraties bij zowel burgers als boeren.

Ik maak vaak mee dat agrariërs een nieuwe ontwikkeling ‘naast de deur’, zoals bijv. huisvesting voor toeristische groepen in een voormalig agrarisch gebouw, zien als een bedreiging voor de uitoefening voor hun bedrijf. Maar ook burgers klagen over stankoverlast of nieuwe functies bij agrarische bedrijven, zoals de plaatsing van windmolens als nevenactiviteit. Deze functies worden vaak toegestaan via een ‘binnenplanse’ afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan. Ik ben door deze klachten en ervaringen een groot voorstander geworden van het zo veel mogelijk scheiden van functies i.p.v. vermenging. Dit staat haaks op de huidige opvatting van vermenging van functies in een multifunctioneel landschap. Ik denk dat we van het platteland geen Disneyworld moeten maken, maar een gebied waar agrariërs voldoende ruimte hebben voor hun agrarische activiteiten en waar burgers kunnen genieten van stilte en rust. Dit vraagt om duidelijke keuzes van gemeenten.

Zonering is noodzakelijk

Zonering zorgt ervoor dat nieuwe niet-agrarische functies in het buitengebied op een verantwoorde afstand van agrarische bedrijven gesitueerd worden. Met zonering kan via het ruimtelijk spoor voorkomen worden dat burgers in bijv. nieuwe woningen last krijgen van onevenredige overlast van agrarische activiteiten, zoals het bemesten en bespuiten van teelten en dat agrariërs hun bedrijfsactiviteiten kunnen blijven uitoefenen. Ook gezondheidsbelangen kunnen ten grondslag liggen aan zonering. Bijv. bij intensieve veehouderijen.

Recente jurisprudentie over zonering in het buitengebied

Over het vastleggen van zonering in het buitengebied zijn recentelijk de volgende uitspraken verschenen:

  • rekening houden met bestaande belangen agrariër

De gemeente Houten heeft in een bestemmingsplan geregeld dat er binnen een zone van 50 meter afstand tot woningen, tuinen en erven (gevoelige functies) geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Een fruitteler stelt in beroep dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd door deze planregel. Volgens de Afdeling (uitspraak van 10 september, no. 201308924/1/R2) had de gemeente het bestaande gebruik van de agrarische percelen niet onder het overgangsrecht mogen brengen.

  • zonering intensieve veehouderij i.v.m. woningen daadkrachtig onderbouwen

Om de gezondheidsrisico’s te beperken heeft de gemeente Bernheze afstanden gehanteerd die moeten worden aangehouden tussen intensieve veehouderijen en kwetsbare functies. De gemeente heeft hierbij zones gehanteerd van 250 m en 1000 m tot kernen met als onderbouwing een GGD-advies (Gezondheidseffectscreening). Uit deze uitspraak blijkt dat de gemeente niet alleen kan leunen op het GGD-advies, maar dat zij zelf moet onderbouwen waarom een uitbreiding of vestiging van een intensieve veehouderij moet worden verboden binnen de in het plan aangegeven afstanden. Zie r.o. 5 e.v. van uitspraak ABRS 10 september 2014, no. 201208940/1/R3.

______________________________________________

Onderbouwing zonering is specialistisch maatwerk

______________________________________________

Tal van bestemmingsplannen gaan ‘onderuit’ bij de Raad van State vanwege onvoldoende onderbouwing bij de keuze voor zonering. Dat is jammer en onnodig. Schakel daarom een specialist in. Mr. Marian Harberink en mr. Evelien Speelman helpen u graag met het opstellen van de onderbouwing. Onze specialisaties zijn onderbouwingen voor zonering van:

  • spuitzones van boomgaarden en andere open teelten
  • agrarische geur
  • gezondheid
  • afwijken afstanden VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’.

Fietspad is geen gevoelige functie spuitzone bestemmingsplan

Fietspad geen gevoelige functie spuitzone bestemmingsplan

Het bestemmingsplan in kwestie maakt de aanleg van een fietspad mogelijk. Volgens een fruitteler dient tenminste een afstand van 50 meter in acht te worden genomen tot zijn agrarische percelen in verband met mogelijke risico’s voor de gezondheid van fietsers bij bespuitingen in verband met spuitzone bestemmingsplan.

De Afdeling overweegt: “Gelet op de aard van het gebruik van het fietspad en de korte verblijfsduur ter plaatse, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een fietspad niet moet worden beschouwd als een functie die gevoelig is voor de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De raad heeft derhalve niet aannemelijk hoeven achten dat ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen de gezondheid van langsrijdende fietsers ernstig wordt aangetast en dat in verband hiermee de bedrijfsvoering van appellant kan worden belemmerd. In aansluiting hierop heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening het niet noodzakelijk is om een afstand van ten minste 50 meter te bewaren tussen de landbouwpercelen en de fietsroute.”

Zie uitspraak ABRS 3 september 2014, no. 201310924/1/R3

Bij gebruik metam-natrium bufferzone van 150 meter verplicht

Bij gebruik metam natrium bufferzone van 150 meter verplicht

In een brief van 25 augustus 2014 deelt staatssecretaris Dijksma mede dat door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) een herbeoordeling heeft plaatsgevonden ten aanzien van het middel metam-natrium. Het Ctgb geeft in het onderzoek aan dat er een aantal risicobeperkende maatregelen nodig zijn om een veilig gebruik mogelijk te maken. Dit vanwege een waarschijnlijk ernstig risico voor de gezondheid van de mens. Deze maatregelen zullen volgens de brief door het Ctgb worden opgelegd:

  • een onbehandelde bufferzone van 150 meter tussen behandeld perceel en de kadastrale grens van woningen en overige verblijfplaatsen waar mensen langere tijd verblijven, zoals winkels, bedrijven en kantoren;
  • afdekking van het perceel direct na behandeling voor minstens 10 dagen met VIF
  • inbrengen op tenminste 20 cm diepte
  • maximaal te behandelen areaal van 1 hectare, met minimaal 150 meter afstand tussen behandelde velden.

De eerder ingestelde schorsing wordt opgeheven en de hiervoor genoemde beperkende maatregelen voor gebruik worden ingesteld als toelatingsvoorwaarde (expiratiedatum: 31 december 2014).

De genoemde zone sluit goed aan bij mijn oproep aan gemeenten om bufferzones in te stellen tussen landbouwgronden met open teelten en woningen en deze juridisch te vertalen naar het bestemmingsplan. Dit is heel goed mogelijk en biedt zowel voor agrariërs als bewoners voordelen.

Voor meer informatie over het opnemen van bufferzones in bestemmingsplannen:

Intrekking bouwvergunning en financiële belangen vergunninghouder

Intrekking bouwvergunning en financiële belangen vergunninghouder

Vanwege de crisis komt het nogal eens voor dat bouwprojecten niet worden opgestart of dat er later wordt begonnen met de bouw. Het is voor projectontwikkelaars en bouwbedrijven belangrijk om hierbij goed de ’26 weken termijn’ in de gaten te houden en ook daadwerkelijk te starten met bouwen, dan wel om verslagen bij te houden van besprekingen met allerlei mogelijke partijen die het bouwproject wellicht later gaan starten.

Op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan het bevoegd gezag (college van b&w) een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als er gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

Dit is een bevoegdheid van het college van b&w, dus intrekking hoeft niet als er binnen genoemde periode geen bouwactiviteiten plaatsvinden. Toch gebeurt het nog regelmatig dat gemeenten er wel gebruik van maken en bouwvergunningen intrekken. Zo ook de gemeente Noordwijk.

De gemeente heeft in 2005 een bouwvergunning verleend voor de bouw van appartementen, winkels en een parkeergarage. De vergunninghouder, een investeringsmaatschappij, wil het bouwproject nog steeds uitvoeren. Volgens de gemeente heeft de investeringsmaatschappij niet aannemelijk gemaakt dat zij op korte termijn beginnen met bouwen. Verder hebben ze evenmin stukken, zoals verslagen van gesprekken met aannemers, planningen, offertes, etc. overlegd aan de gemeente. De investeringsmaatschappij zegt dat het intrekkingsbesluit grote financiële risico’s met zich meebrengt en dat zij schade lijst. Bovendien blijft de plek van het bouwproject op deze manier nog langer leeg, aldus de investeringsmaatschappij.

De Raad van State zegt er het volgende over: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in uitspraak van 15 januari 2014, no. 201304961/1/A1, is de enkele omstandigheid dat de vergunninghoudster niet aannemelijk weet te maken dat zij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten voldoende om de intrekking van de bouwvergunning te rechtvaardigen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Investeringsmaatschappij weliswaar sinds de bezwaarfase heeft betoogd dat onderhandelingen plaatsvinden met derdepartijen en dat de bouwwerkzaamheden op korte termijn worden hervat, maart dat zij dat niet met concrete informatie aannemelijk heeft gemaakt. 

De rechtbank heeft in hetgeen de Investeringsmaatschappij heeft aangevoerd over haar financiële belangen en de langdurige aanwezigheid van een bouwput op het perceel, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot intrekking van de bouwvergunning. Deze omstandigheden kunnen er niet aan afdoen dat ieder zicht op hervatting van de bouwwerkzaamheden en daadwerkelijke verwezenlijking van het bouwplan ontbreekt.”

Zie uitspraak ABRS 27 augustus 2014, no. 201400028/1/A1.

spuitvrije zone vastleggen in bestemmingsplan

Spuitvrije zone vastleggen in bestemmingsplanspuitvrije zone

In de praktijk bestaat er veel onzekerheid bij omwonenden van met name percelen met bollen- en fruitteelt over de risico’s van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen op hun gezondheid.

Over de vraag of omwonenden van boomgaarden en bollenvelden meer kans op gezondheidsschade lopen heeft de Gezondheidsraad (GR) zich dit jaar gebogen. In het door de GR in januari 2014 uitgebrachte advies wordt aanbevolen om nader onderzoek te doen naar de blootstelling en het gezondheidsrisico voor omwonenden. Het kabinet heeft deze aanbeveling overgenomen. Het onderzoek wordt op zijn vroegst verwacht in 2015.

In de tussentijd kan er in de praktijk al veel gedaan worden om de risico’s voor omwonenden te beperken. Met het citeren van mijn artikel in Milieu & Recht (Intensief gewasbeschermingsmiddelengebruik bij open teelten. Zet de Wro in ter bescherming van omwonenden, geeft de GR ook als aanbeveling om in bestemmingsplannen spuitvrije zones en afstandseisen op te nemen. Ik raad gemeenten ten zeerste aan om dit te doen. Het is zowel in het belang van de omwonenden als voor de agrariër.

50 meter afstand is natte vingerwerk

In de praktijk en rechtspraak wordt uitgegaan van een afstand van 50 meter tussen een gevoelige functie en een agrarisch perceel met (fruit)bomenteelt. Deze vuistregel wordt bijna toegepast als een wettelijke regeling. De afstand van 50 meter is echter natte vingerwerk. De afstand hangt vooral af van het soort teelt, de giftigheid van de gewasbeschermingsmiddelen die gebruikt worden, de wijze van spuiten, de plaatselijke situatie, windhagen, het geldende bestemmingsplan, etc. Deze omstandigheden zijn overal verschillend. Om die reden is het bepalen van een geschikte en verantwoordelijke afstand en de onderbouwing ervan maatwerk. Zowel grotere als kleinere afstanden zijn mogelijk.

Waarom bufferzones in het bestemmingsplan?

Bij de voorbereiding van de meeste bestemmingsplannen voor het buitengebied wordt niet goed nagedacht over het al dan niet toestaan van specifiek fruit- of bollenteelt op agrarische percelen en het instellen van bufferzones, spuitzones of teeltvrije zones. Binnen de meeste agrarische bestemmingen zijn vrijwel alle vormen van agrarische open teelten zonder enige beperking mogelijk. Ik adviseer gemeenten om hierover na te denken bij een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied.

Voor zowel telers als omwonenden is het prettig dat ze naast elkaar kunnen leven zonder dat ze elkaar onnodig tot last zijn en elkaar in de haren vliegen. In onze praktijk hebben we regelmatig contact met zowel fruit- en boomtelers als met gemeenten en particulieren. Er is vaak sprake van wederzijds onbegrip. De teler wordt meestal een gebrekkige communicatie verweten en de gemeente wordt vaak tegengeworpen dat ze de woningen te dicht bij boomgaarden of andere open teelten situeren zonder enig onderzoek of maatregelen.

Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (watertoevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht. Hoewel de doelstelling van het Activiteitenbesluit bij deze bepalingen meer ziet op de bescherming van het milieu (in dit geval het water) kan het juridisch vertalen van dergelijke bufferzones in bestemmingsplannen ertoe leiden dat er in de buurt van woningen bijv. geen (fruit)bomen meer worden gesitueerd en dat er dus in die zone ook geen chemische gewasbeschermingsmiddelen meer hoeven te worden gebruikt. Onderdeel van de afweging die bij het bestemmingsplan gemaakt dient te worden – een goede ruimtelijke ordening – is ook de volksgezondheid. Ik adviseer gemeenten om bij een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied dit onderdeel ook voortaan te onderzoeken en in gesprek te gaan met zowel de telers als met de omwonenden.

Meer weten over het instellen van spuitvrije zones en spuitzones in het bestemmingsplan?

Nge bestemmingsplan omvang stalruimte ruimtelijk niet relevant

Nge bestemmingsplan ter bepaling omvang stalruimte is ruimtelijk niet relevant

‘Een goede ruimtelijke ordening’ is de centrale norm bij het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan. Er mogen in een bestemmingsplan alleen zaken geregeld worden die ruimtelijke relevantie hebben. Dit geldt zowel voor de te leggen bestemmingen als voor de planregels. De wet geeft geen houvast voor de beantwoording van de vraag wat hieronder moet worden verstaan. Dit wordt ingevuld door jurisprudentie. In een uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2014, no. 201307521/1/R3 komt het aspect ‘ruimtelijke relevantie’ weer eens ter sprake.

Een bestemmingsplan voorziet in het vastleggen van de maximaal toegestane omvang van de stalruimte van een tweetal veehouderijen, waarbij de omvang wordt beperkt tot een equivalent van 300 Nederlandse grootte-eenheden (Nge). Twee veehouders voeren in beroep aan dat de raad het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft vastgesteld. Zij voeren aan dat ter onderbouwing van het bestreden besluit en de daarin neergelegde beperking van de maximale omvang van de stalruimte van hun veehouderijen ten onrechte aansluiting is gezocht bij de norm van 300 Nge. Deze norm is volgens hun niet ruimtelijk relevant.

De Afdeling overweegt als volgt: “Appellanten betogen terecht dat de door de raad bij de vaststelling van het plan gehanteerde Nge-normering ter bepaling van het maximale aantal m² aan stalruimte niet ruimtelijk relevant is. De Nge is een door het Landbouw Economisch Instituut vastgestelde economische norm voor statistische vergelijking van agrarische bedrijven en biedt bij een bestemmingsplan geen adequaat handvat voor de beoordeling van de ruimtelijke effecten van een veehouderij op de omgeving. Niet is zonder meer inzichtelijk dat het hanteren van deze normering een adequaat middel is om de gewenste beperking van nadelige effecten van een veehouderij op de omgeving te kunnen bereiken, nu deze effecten van verschillende factoren afhankelijk zijn, waaronder de individuele bedrijfsvoering, de ligging van het bedrijf, de landschappelijke inpassing en de lokale omgevingsfactoren. (…). De betogen slagen.”

Afwijkingsregels bestemmingsplan moeten ruimte hebben voor belangenafweging

Afwijkingsregels bestemmingsplan moeten ruimte hebben voor belangenafweging gemeentebestuur

  • artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, Wro

In een bestemmingsplan is de volgende afwijkingsbepaling opgenomen:

Ingevolge artikel 12.5.2 wordt de omgevingsvergunning verleend, indien is gebleken dat de in lid 12.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden geschaad, of kunnen worden verkleind dan wel dat de uitvoering van de werkzaamheden niet noodzakelijk zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.”

De Afdeling overweegt: “De Afdeling stelt vast dat de afwijkingsregeling in artikel 12, lid 12.5, van de planregels imperatief is geformuleerd en dat daarmee voor het bevoegd gezag sprake is van een verplichting tot het verlenen van de omgevingsvergunning tot afwijken van bij het bestemmingsplan aangegeven regels, indien aan de in de regeling gestelde voorwaarden wordt voldaan. Weliswaar laat artikel 12, lid 12.5, onder 12.5.2, van de planregels het bevoegd gezag enige beoordelingsruimte of aan de gestelde voorwaarden is voldaan, doch van een mogelijkheid tot belangenafweging ter zake van het verlenen van de omgevingsvergunning tot afwijken van bij het bestemmingsplan aangegeven regels is geen sprake. Naar het oordeel van de Afdeling kan een bevoegdheid om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bij het bestemmingsplan aangegeven regels echter niet zo ver strekken dat onder bepaalde voorwaarden het bevoegd gezag verplicht is een omgevingsvergunning te verstrekken.”

Zie r.o. uitspraak ABRS 30 juli 2014, no. 201308424/1/R1

Gezondheid in ruimtelijke ordening vastgelegd in Wro voor Brabant

Gezondheid in ruimtelijke ordening wordt vastgelegd in Wro voor Brabant

Er is steeds meer aandacht voor het aspect gezondheid in ruimtelijke ordening. Met name door schaalvergroting van intensieve veehouderijen worden er vanuit de politiek en bevolking twijfels en bezorgdheid geuit over de mogelijke bedreiging van de volksgezondheid. Al eerder schreef ik over dit onderwerp.

Er is thans een voorstel ingediend tot aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en van de bijlage bij de Crisis- en herstelwet (Chw) (9e tranche).

Het voorstel maakt het mogelijk dat provinciale staten van Noord-Brabant in aanvulling op artikel 4.1 juncto artikel 3.1, eerste lid, Wro in de provinciale verordening ruimte ook regels kunnen stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Met deze bepaling wordt vooruitgelopen op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het betreft een experiment.

De regels die provinciale staten in hun verordening ruimte kunnen stellen zijn:

  • in afwijking van de artikelen 2 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij kunnen voorschriften worden gesteld over de cumulatieve geurhinder veroorzaakt door veehouderijen;
  • in afwijking van artikel 5.6, eerste lid van de Wet milieubeheer voor veehouderijen kan een grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) worden gesteld die strenger is dan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) gesteld in paragraaf 4 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer.

Flexibel bestemmingsplan en milieu: voorkom de valkuilen

Flexibel bestemmingsplan en milieu: voorkom de valkuilen

Flexibel bestemmen is een grote wens uit de praktijk en de politiek. Vanwege de crisis bestaat er veel onzekerheid over het al dan niet doorgaan van (bouw)projecten. Een bestemmingsplan met flexibiliteit lijkt om die reden dé oplossing voor zowel gemeenten als initiatiefnemers om soepel en snel te kunnen inspelen op steeds veranderende behoeften vanuit de markt.

De juridische werkelijkheid is echter anders. Met name milieuonderzoek en het rechtszekerheidsbeginsel kunnen leiden tot belemmeringen bij het flexibel bestemmen. Hieronder heb ik een aantal uitspraken opgenomen die leerzaam zijn voor iedereen die flexibel wil gaan bestemmen en twijfelt of er op voorhand milieuonderzoek moet worden uitgevoerd. In onderstaande uitspraken worden de juridische grenzen aangegeven door de Afdeling.

Lees deze uitspraken en voorkom dat je bestemmingsplan of project strandt bij de Raad van State!

#Grenzen aan flexibiliteit in het bestemmingsplan

Er zijn verschillende vormen van flexibiliteit mogelijk in een bestemmingsplan. De meest voorkomende zijn:

  • ruime bestemming (functieverruiming onder voorwaarden)
  • wijzigingsbevoegdheid
  • uitwerkingsplicht
  • afwijkingsbevoegdheid

Er zijn de laatste tijd nogal wat uitspraken van de Afdeling verschenen waarin de juridische grenzen van flexibiliteit in het bestemmingsplan worden aangegeven:

#Ruime bestemming (functieverruiming onder voorwaarden)

In bestemmingsplannen worden in de praktijk ook bestemmingen opgenomen waarin bepaalde functies niet zonder meer zijn toegelaten, maar onder de voorwaarden die worden genoemd in de regels bij de bestemming. Een voorbeeld van een dergelijke bepaling tref je aan in r.o. 20 van uitspraak ABRS 4 juni 2014, no. 201308719/1/R2. De Afdeling zegt het volgende over een dergelijke flexibele vorm van bestemmen:

De Afdeling is van oordeel dat de voorwaarden in (…) de planregels niet geschikt zijn om zonder nadere objectivering te worden opgenomen in de planregels. Voor elk van deze voorwaarden geldt namelijk dat een nadere afweging word vereist. De realisering van de bestemming wordt daarmee afhankelijk gesteld van een nadere afweging die, gelet op de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid van het plan, reeds bij de vaststelling had moeten zijn gemaakt (…).”

#Wijzigingsbevoegdheid – algemeen

De wijzigingsbevoegdheid is ‘erg populair’ als flexibel instrument in bestemmingsplannen. Vaak wordt er gedacht dat er zonder al te veel moeite een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan kan worden opgenomen om tijdens de planperiode van 10 jaar soepel op nieuwe ontwikkelingen te kunnen inspelen. Dit is echter niet het geval. De juridische grens is inmiddels bestendige jurisprudentie van de Afdeling. Lees bijv. r.o. 6.3 in uitspraak ABRS 12 februari 2014, no. 201309151/1/R6:

Met betrekking tot het standpunt van de raad dat onderzoek – bijvoorbeeld wat betreft het aspect milieu – kan plaatsvinden op het moment dat van de bestreden wijzigingsbevoegdheden gebruik wordt gemaakt, overweegt de Afdeling (…) dat met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het plan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemmingen binnen de gebieden waarop de wijzigingsbevoegdheden betrekking hebben in beginsel als een gegeven kan worden beschouwd indien wordt voldaan aan de bij het plan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Indien een wijzigingsbevoegdheid een  bestemming mogelijk maakt die het woon- en leefklimaat dan wel bedrijfsbelangen raakt, dient aan het plan dan ook voldoende onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de nieuwe bestemming op dat woon- en leefklimaat en de desbetreffende bedrijfsbelangen ten grondslag liggen.”

#Wijzigingsbevoegdheid – vormveranderingen, vergroting agrarische bouwvlakken en omschakeling agrarische bedrijven

Met name bij wijzigingsbevoegdheden in bestemmingsplannen voor het agrarisch gebied is het opletten geblazen. Lees hierover r.o. 43 van uitspraak ABRS 4 juni 2014, no. 201207015/1/R3:

Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat de gevolgen van de toepassing van de (…) wijzigingsbevoegdheden voor Natura 2000-gebieden zal worden bezien in een wijzigingsprocedure wordt (…) overwogen dat dit de raad niet ontslaat van de verplichting om bij de vaststelling van het plan te beoordelen of het plan in overeenstemming is met artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw. Die verplichting hangt mede samen met het uitgangspunt dat opname van een wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel als in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht.”

#Afwijkingsbevoegdheid

Op ondergeschikte onderdelen kan onder de voorwaarden zoals genoemd in de afwijkingsbevoegdheid met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bestemmingsplan. Een voorwaarde die regelmatig voorkomt is ‘dat er vanuit het oogpunt van milieu geen belemmeringen zijn.’ De Afdeling geeft de volgende grens aan in uitspraak ABRS 4 juni 2014, no. 201308719/1/R2:

Met het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid moet de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid in beginsel als planologisch aanvaardbaar worden geacht. Dit brengt met zich dat de raad bij de vaststelling van het plan, en niet eerst bij de toepassing van de afwijkingsvoorwaarden, moet hebben afgewogen of de situatie die kant ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid planologisch aanvaardbaar is.”

De lessen die we kunnen trekken uit bovengenoemde uitspraken voor de praktijk – voorkom de valkuilen

  • voer het milieuonderzoek uit voor het gehele bestemmingsplan, neem de mogelijkheden die de flexibele instrumenten bieden hierin mee;
  • ga hierbij uit van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan;
  • zorg ervoor dat de betreffende flexibiliteitsbepalingen objectief zijn begrensd: in welke gevallen en op welke wijze mag hiervan gebruik worden gemaakt;
  • neem als gemeente niet zonder meer de flexibiliteitsinstrumenten uit het voorheen geldende bestemmingsplan over zonder opnieuw (milieu)onderzoek uit te voeren, ook al heeft het nieuwe plan een conserverend karakter.

auteur: mr. Marian Harberink

Kuikenbroederij is geen intensieve veehouderij

Kuikenbroederij is geen intensieve veehouderij

De gemeente heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor het uitbreiden van een bestaande kuikenbroederij. De buren betogen in beroep dat de raad het bestemmingsplan ten onrechte heeft vastgesteld. Zij voeren onder meer aan dat het perceel waar de broederij is gevestigd ten onrechte niet als intensieve veehouderij is aangemerkt als bedoeld in de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant. De raad is van mening dat op het bedrijf geen dieren worden gehouden. Het bedrijf laat eieren uitbroeden tot kuikens, die binnen maximaal 3 dagen na geboorte de broederij weer verlaten.

De definitie van ‘intensieve veehouderij’ in de Verordening ruimte is als volgt: “een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.”

De Afdeling redeneert als volgt: “In de broederij wordt een bevrucht kippenei eenmalig 48 uur warm gehouden, waarna het ei 21 dagen een broedproces doorgaat. Binnen het bedrijf worden twee broedprocessen naast elkaar toegepast, te weten het traditionele broedproces en het Brood-broedproces. Het voornaamste verschil tussen deze twee processen is dat de uitgekomen kuikens bij een traditioneel broedproces geen water of eten krijgen en binnen één dag na het uitbroeden in een gesloten kast naar een pluimveehouderij worden vervoerd. (…). De Afdeling is van oordeel, gelet op bovenvermelde bedrijfsvoering, dit bedrijf is gericht op het uitbroeden van eieren en niet op het houden van dieren. Dit betekent dat het bedrijf niet als intensieve veehouderij moet worden aangemerkt. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de uitgekomen kuikens de broederij vrijwel direct verlaten om naar een pluimveehouderij te worden vervoerd, die wel is ingericht om kuikens te houden. (…)” Lees meer…