Recreatiewoning is geurgevoelig object

Recreatiewoning is geurgevoelig object

essentie: Wanneer is een recreatiewoning geurgevoelig in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij?

De gemeente Hollandse Kroon heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de uitbreiding van een camping. Er komen 5 recreatiewoningen bij en 38 standplaatsen voor vaste kampeermiddelen en door een gedeeltelijke jaarrondopenstelling.

Een nabij gevestigde veehouder geeft in beroep aan dat het plan leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor zijn perceel.

De gemeente betoogt dat het plan niet leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij. De gemeente stelt onder meer dat vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen niet als geurgevoelige objecten kunnen worden aangemerkt, omdat recreanten doorgaans alleen in de weekenden en de schoolvakanties op de camping verblijven zodat geen sprake is van langdurig verblijf.

De Afdeling overweegt het volgende: “(…) Uit die uitspraak die betrekking had op de geurgevoeligheid van een sanitairgebouw en gebouwen voor onderhoud en beheer op een camping, kan echter niet worden afgeleid dat de Afdeling recreatiewoningen niet meer als geurgevoelig object in de zin van de Wgv aanmerkt. Anders dan de raad betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval geen sprake is van de mogelijkheid tot een langdurig verblijf in de recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen. De stelling van de raad dat de recreanten alleen in de weekenden en schoolvakanties op de camping zullen verblijven, maakt dit niet anders, reeds nu een dergelijke beperking niet in de planregels is vastgelegd. (…)”.

Zie uitspraak ABRS 18 februari 2015, no. 201400171/1/R1

Lees meer over wanneer een object geurgevoelig is.

omgevingsjurist

 

Bij plattelandswoning ook onderzoek doen naar luchtkwaliteit

Bij plattelandswoning ook onderzoek doen naar luchtkwaliteit

“Raad van State haalt plattelandswoning onderuit”

Er zijn sinds 4 februari 2015 al verschillende koppen verschenen in de media over de uitspraak van de Raad van State over een belangrijke uitspraak over de plattelandswoning (ABRS 4 februari 2015, no. 201306630/5/R3).

Casus

De gemeente Weert heeft in het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied de mogelijkheid opgenomen voor een plattelandswoning. Op de verbeelding is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voormalige agrarische bedrijfswoning’ opgenomen. Appellant, een nabij gevestigde varkenshouder, voert in beroep aan dat de toegekende aanduiding niet het door de raad beoogde effect kan hebben, te weten dat het laten bewonen van de voormalige bedrijfswoning door een derde, geen effecten heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de inrichting van de varkenshouder. Volgens hem dient de luchtkwaliteit overeenkomstig de Europese richtlijn (bijlage III bij Richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit) ook te worden beoordeeld ter plaatse van de woning.

Volgens de Afdeling is het gegeven dat een bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan bewoond mag worden, en daarom voor de toepassing van de Wabo (…) wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting, los staat van de vraag of ingevolge artikel 5.19, tweede lid van de Wm de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel waarop die woning staat al dan niet moet worden beoordeeld. De reden is dat een voormalige bedrijfswoning die tevens door een burger mag worden bewoond niet langer kan worden aangemerkt als een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 5.19, tweede lid van de Wm. Er is dan ook geen sprake van een uitzondering. Om die reden dient zo’n woning getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen voor de bescherming van de gezondheid van de mens. Ondanks het bepaalde in artikel 1.1a van de Wabo.

Is de plattelandswoning nu een illusie?

Neen. Het is alleen niet zo dat indien het gemeentebestuur een voormalige bedrijfswoning juridisch kwalificeert als plattelandswoning de woning geheel niet meer wordt beschermd tegen milieuemissies van de bijbehorende inrichting. Er dient dan ook luchtkwaliteitsonderzoek plaats te vinden. Verder bestaat er altijd het ‘vangnet’ van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het bijvoorbeeld zo zijn in verband met de nabije ligging van percelen met fruitteelt, onderzoek moet worden gedaan naar de effecten van drift van gewasbeschermingsmiddelen. Lees meer …

Maatlat duurzame veehouderij in bestemmingsplan ruimtelijk niet relevant

Maatlat duurzame veehouderij in planregels bestemmingsplan ruimtelijk niet relevant

Gemeenten stellen steeds vaker eisen met betrekking tot duurzaamheid. De vraag is of deze eisen via het bestemmingsplan kunnen worden gerealiseerd. Planregels in een bestemmingsplan dienen immers ruimtelijke relevantie te hebben.

In een herziening van het bestemmingsplan buitengebied zijn wijzigingsregels opgenomen dat nieuwe stallen moeten voldoen aan de voorwaarden uit het certificeringsysteem MDV (Maatlat Duurzame Veehouderij). De gemeente motiveert dit door aan te geven dat de MDV op objectieve wijze kan worden toegepast om de duurzaamheid van een uitbreiding van een intensieve veehouderij te toetsen. Hierdoor kan volgens de gemeente tevens een verbetering van het woon- en leefklimaat van omwonenden worden bewerkstelligd.

Appellanten voeren in beroep aan dat de wetgever in sectorale regelgeving, zoals de Wabo en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, reeds heeft voorzien in een exclusief en uitputtend toetsingskader voor diverse milieuaspecten waaraan een uitbreiding van een intensieve veehouderij moet voldoen. Zij betogen dat de raad niet bevoegd is om in aanvulling daarop verdergaande eisen te stellen in een bestemmingsplan.

Volgens de Afdeling stellen appellanten terecht “dat de voorwaarden die in de MDV worden gesteld ook betrekking hebben op aspecten die niet ruimtelijk relevant zijn, zoals (…) de voorwaarden ten aanzien van het energieverbruik en de omgevingsgerichtheid zoals daarin omschreven. Daarnaast bestaat de MDV uit een zeer groot aantal, zeer gedetailleerde voorwaarden waaraan stallen moeten voldoen. De MDV leent zich daarom niet voor de door de raad gekozen toepassing via een wijzigingsvoorwaarde. Gelet op het voorgaande is artikel 10 (…) van de planregels in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt.”

Zie r.o. 7 van uitspraak ABRS 21 januari 2015, no. 201308140/1/R3

Heeft u een vraag over deze uitspraak?

Regel in bestemmingsplan over spuitapparatuur gewasbescherming niet toegestaan

Regel in bestemmingsplan over spuitapparatuur gewasbescherming niet toegestaan

Spuitapparatuur gewasbescherming – In een bestemmingsplan mogen alleen regels worden opgenomen die ruimtelijk relevant zijn. In een bestemmingsplan heeft de gemeente Houten de volgende planregel opgenomen:spuitzones

Ingevolge artikel 3.3.1 is het gebruik van gronden ten behoeve van fruitteelt uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘fruitteelt’, met dien verstande dat chemische bestrijdingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen alleen mogen worden verwerkt met apparatuur met een driftreductieklasse van 90% danwel maatregelen worden genomen die in dezelfde mate de drift tot buiten de aanduiding ‘fruitteelt’ beperken.”

Appellant betoogt dat deze planregel het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zijn perceel ten onrechte beperkt. Hij voert onder meer aan dat de wijze waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet in een bestemmingsplan kan worden geregeld, omdat dit reeds uitputtend is geregeld in de Verordening (EG) 1107/2009 (…).

De Afdeling overweegt: “(…) De Afdeling stelt vast dat de Machinerichtlijn van toepassing is op deze planregel. Met de Machinerichtlijn wordt een volledige harmonisatie op Unie-niveau tot stand gebracht en kunnen lidstaten geen afwijkende normen stellen, tenzij de richtlijn zelf in een afwijkingsmogelijkheid voorziet. In dit kader gewezen worden op afdeling 2.4 van bijlage 1 van de Machinerichtlijn. (…) Blijkens de tekst van het Warenwetbesluit en de bijbehorende transponeringstabel (Stb. 2011, 594, p. 34) zijn de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen voor de bescherming van het milieu zoals vervat in bijlage 1, afdeling 2.4, van de Machinerichtlijn in de Nederlandse rechtsorde geïmplementeerd via een dynamische verwijzing in het Warenwetbesluit machines. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen ruimte om een dergelijke gezondheids- en veiligheidseis in een bestemmingsplan op te nemen. Het betoog van appellant slaagt.”

Voor meer informatie over planregels inzake spuitzones 

omgevingsjurist

Lees uitspraak ABRS 7 januari 2015, no. 201305911/1/R6

Verwijzing planregels naar Kwaliteitsplan paarden rechtsonzeker

Verwijzing planregels bestemmingsplan naar Kwaliteitsplan paarden rechtsonzeker

In een bestemmingsplan voor het buitengebied heeft de gemeente een afwijkingsbevoegdheid voor het vergroten van het agrarisch bouwvlak:

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – landschap 2’ bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het agrarische bouwvlak voor de gronden. De vergroting van het bouwvlak is slechts mogelijk indien wordt voldaan aan de eisen uit de Kwaliteitsgids en indien van toepassing het Kwaliteitsplan paardenhouderij behorende bij het bestemmingsplan.

De Afdeling overweegt hierover als volgt: “Gelet op de rechtsonzekerheid van belanghebbenden dient ten aanzien van een afwijkingsbevoegdheid in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende regeling dient derhalve door voldoende objectieve normen te worden begrensd. 

Het Kwaliteitsplan bevat gemeentelijk beleid ten aanzien van het houden van paarden in het buitengebied. Volgens het Kwaliteitsplan is dit beleid bedoeld als ondersteuning bij het beoordelen van inkomende initiatieven op het gebied van paardenhouderijen om op deze wijze ervoor te zorgen dat paardenhouderijen bijdragen aan de gewenste kwaliteiten van het landelijk gebied. In het Kwaliteitsplan staat dat het een achtergronddocument betreft voor het bestemmingsplan. 

Het Kwaliteitsplan (…) is onvoldoende concreet en onvoldoende geobjectiveerd om duidelijkheid te verschaffen omtrent de voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij toepassing van de bevoegdheid voor het college om af te wijken van het agrarisch bouwvlak. Het Kwaliteitsplan (…) is dan ook niet geschikt om als zodanig, zonder nadere uitwerking en objectivering, te worden opgenomen in het bestemmingsplan als toetsingskader voor de afwijkingsbevoegdheid. Het plan is in zoverre rechtsonzeker.”

Zie uitspraak ABRS 17 december 2014, no. 201309177/1/R4

omgevingsjurist

 

Dien tijdig een concreet principeverzoek in bij gemeente

Dien tijdig een concreet principeverzoek gemeente in!

Nieuwe initiatieven die tijdens de voorbereiding van een actualisatie van een bestemmingsplan worden ingediend worden meestal terzijde gelegd door de gemeente. De gemeente neemt vaak de planologische situatie over van het ‘oude’ bestemmingsplan zonder nader onderzoek. Een actualisatie van een groot plangebied is een dure en grote klus voor een gemeente, dus vanuit het oogpunt van tijd en geld is dit begrijpelijk.

Voor een ondernemer of particulier kan het echter belangrijk zijn om een wens tot bedrijfsuitbreiding of wijziging in gebruik tijdig te melden bij de gemeente. Dat is vooral belangrijk als de gemeente bezig is met de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan. Voor nieuwe initiatieven worden meestal aparte planologische procedures doorlopen. De Raad van State kijkt al enige tijd kritisch naar deze praktijk. Concrete (bouw)initiatieven mag de gemeente tijdens de actualisatie van een bestemmingsplan niet zo maar opzij leggen.

Bij gemeente berust onderzoeksplicht

De standaardoverweging in uitspraken van de Raad van State is: “(…) De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld.”

Dat de onderzoeksplicht voor de gemeente ver gaat blijkt uit een uitspraak van 12 november 2012, no. 201306356/1/R3. Bij de actualisatie van een bestemmingsplan ‘Buitengebied’ had de gemeente een verzoek van een agrariër niet ‘meegenomen’ tijdens de besluitvorming van het bestemmingsplan. De agrariër had slechts een bedrijfsplan uit 2009 ingediend met informatie over zijn bedrijf en een vergunning op grond van de Wet milieubeheer uit 2010. Volgens de Raad van State ‘heeft de raad noch in het verweerschrift, noch ter zitting concreet aangegeven welke gegevens (nog) noodzakelijk zijn om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de plannen van appellante te beoordelen (…).”

Het is dus voor de gemeente raadzaam initiatieven altijd in behandeling te nemen en indien nodig, om aanvullende gegeven te vragen. Doe initiatieven niet te snel af als onvoldoende concreet.

Wanneer is een initiatief voldoende concreet?

  • de besluitvorming over het concrete (bouw)initiatief hoeft niet te zijn afgerond;
  • het initiatief moet tijdig kenbaar zijn gemaakt en voldoende duidelijk zijn voor de toets naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid;
  • het initiatief hoeft niet (altijd) vergezeld te gaan van een ruimtelijke onderbouwing of onderzoek. (Dit hangt uiteraard af van het soort project. Voor een project dat naar verwachting grote milieugevolgen zal hebben of impact op de omgeving, zal onderzoek nodig zijn);
  • uitgewerkte schetsen kunnen voldoende zijn.

Actuele jurisprudentie

Heeft u vragen over dit onderwerp?

plattelandswoning ook onderzoek doen naar spuitzones

Plattelandswoning ook onderzoek doen naar spuitzonesplattelandswoning

Met de aanduiding ‘Plattelandswoning’ of ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ in een bestemmingsplan wordt in planologisch opzicht geregeld dat een voormalige agrarische bedrijfswoning ook door derden (burgers) bewoond mag worden. Deze woningen worden niet beschermd tegen milieugevolgen (geur, geluid en luchtverontreiniging) van het bijbehorende agrarisch bedrijf. Het planologisch regime, en niet langer het feitelijk gebruik, is bepalend voor de bescherming die een gebouw of functie geniet tegen negatieve milieueffecten.

Wat door velen wordt vergeten is dat ook hier het ‘vangnet’ van een goede ruimtelijke ordening geldt. In een uitspraak van de Afdeling van 12 november 2014 wordt dit nog eens onderstreept.

Aan een perceel is in het bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch’ toegekend, met een bouwvlak en de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’. Het bouwvlak wordt door de figuur ‘relatie’ verbonden met het bouwvlak van appellant. Appellant betoogt dat er ten onrechte geen rekening is gehouden dat zij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt op haar nabij de woning gelegen percelen.

De gemeenteraad betoogt dat het door de wet Wijziging van de Wabo (…) om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen mogelijk is een voormalige agrarische bedrijfswoning te voorzien van de aanduiding ‘plattelandswoning’ en dat in die wet is geregeld dat een dergelijke woning niet beschermd wordt tegen de milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf. Daarom zal volgens de raad appellant geen gevolgen ondervinden van de aanduiding.

De Afdeling overweegt: “De raad heeft de door appellant gestelde effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat van de woning niet nader onderzocht, maar volstaan met een enkele verwijzing naar artikel 1.1a van de Wabo. Nog daargelaten of de gronden waarop de betrokken gewasbeschermingsmiddelen worden aangewend moeten worden gerekend tot de inrichting van appellant, stelt de Afdeling vast dat op grond van artikel 1.1a van de Wabo de woning slechts voor de toepassing van de Wabo en de daarop berustende bepalingen als onderdeel van de inrichting kan worden beschouwd. Nu ten tijde hier van belang het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen deel uitmaakte van de toetsing van de gevolgen voor het milieu dan wel de bescherming van het milieu van de inrichting van appellant, kon de raad niet volstaan met een verwijzing naar artikel 1.1a van de Wabo. De raad heeft het besluit in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt.”

Zie uitspraak ABRS 12 november 2014, no. 201306356/1/R3

Bel voor meer informatie over plattelandswoningen en spuitzones naar mr. Marian Harberink,

Mogelijkheden tijdelijk gebruik leegstaande kantoren verruimd

Mogelijkheden tijdelijk gebruik leegstaande kantoren juridisch verruimd

Goed nieuws voor eigenaren van vastgoed en projectontwikkelaars!

In het Besluit omgevingsrecht (Bor) heeft de wetgever gekozen voor een nieuwe benadering voor tijdelijke vergunningen. In het huidige artikel 5.18 van het Bor vervallen de leden 1 t/m 3. Hiermee is tevens gebroken met de heersende jurisprudentie van de Afdeling waarin nog altijd de eis geldt dat een omgevingsvergunning voor het tijdelijk gebruik alleen kan worden verleend voor een activiteit die voorziet in een tijdelijke behoefte en waarvan het op voorhand, op basis van objectieve gegevens, aannemelijk was dat de activiteit niet langer zou plaatsvinden dan 5 jaar. Eisen waaraan in de praktijk nauwelijks aan voldaan kon worden.

In de nieuwe regeling kan in de vergunning een concrete termijn worden gesteld van 2 dagen, maar ook voor 10 jaar. Verder hoeft niet meer de noodzaak voor de tijdelijke behoefte te worden aangetoond.

Dit betekent in de praktijk dat het voor de gemeente ook mogelijk is om een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die voorziet in een permanente behoefte. Bijv. een leegstaand kantoorgebouw gebruiken voor studentenhuisvesting gedurende voor maximaal 10 jaar. Afhankelijk van de behoefte van die periode kan het gebruik van het kantoorgebouw voor studentenhuisvesting worden beëindigd, maar kan ook worden verlengd. In dat geval kan het planologische gebruik ook worden opgenomen in een bestemmingsplan en permanent worden.

Een ander voorbeeld dat wordt genoemd door de wetgever is de tijdelijke plaatsing van mobiele zorgunits, vooruitlopend op de verwezenlijking van plannen voor nieuwbouw van zorgwoningen. Er is kortom meer flexibiliteit mogelijk voor nieuwe functies in leegstaand vastgoed!

De verwachte inwerkingtreding is 1 november 2014.

Bel voor meer informatie over juridisch praktische oplossingen voor leegstand vastgoed:

Opnemen teeltvrije zones boomteelt in bestemmingsplan niet nodig

Opnemen teeltvrije zones boomteelt in bestemmingsplan niet nodig

De gekozen titel van dit artikel is wat kort door de bocht. Het hangt er namelijk vanaf welk doel de gemeente wil bereiken met een dergelijke zone. De teeltvrije zones die gehanteerd worden in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn opgenomen vanwege de bescherming van het watermilieu. Om die reden is het niet nodig om deze zones ook nog eens op te nemen in een bestemmingsplan. In een uitspraak van de Afdeling van 24 september 2014, no. 201210299/1/R3 in r.o. 18.4.2 wordt dit standpunt ook weergegeven.teeltvrije zones

Worden er door de gemeente ook andere doelen nagestreefd dan bescherming van het watermilieu, bijv. gezondheidsbelangen van omwonenden, dan is het aan te bevelen om wel teeltvrije zones op te nemen in het bestemmingsplan. De relatie gezondheid en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn namelijk ruimtelijk relevante belangen die kunnen worden meegenomen bij de afweging bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

Bel voor meer informatie:

Vrijkomende agrarische bebouwing oplossen door keuze en zonering

Vrijkomende agrarische bebouwing oplossen door keuze en zonering

De komende jaren neemt de leegstand van gebouwen in het buitengebied explosief toe. Deze kop haalde enkele weken geleden verschillende media. Volgens de publicatie ‘Vrijkomende agrarische bebouwing in het landelijk gebied‘ van Alterra zal die leegstand vele malen groter zijn dan de leegstand van kantoren. Een interessant hoofdstuk uit dit rapport ‘Een stille revolutie: meer burgers dan boeren in het landelijk gebied’, geeft aan dat het platteland van Nederland zich steeds meer beweegt richting multifunctioneel landschap.

Maak van het platteland geen Disneyworld of openluchtmuseum

Een multifunctioneel landschap is min of meer een compromis in grondgebruik voor het platteland en een hang naar nostalgie. Er ontstaat een landschap dat er weliswaar mooi uitziet, maar waar de landbouwgronden niet meer goed gebruikt kunnen worden voor landbouwdoeleinden vanwege nieuwe niet-agrarische functies. De Achterhoek is een voorbeeld van deze ‘vertrutting’ van het landschap met (te) kleine agrarische bedrijven met allerlei nevenactiviteiten, klaterende beekjes, burgerwoningen, poeltjes en bordjes met stiltegebied, etc. De agrariërs kunnen niet meer leven van het agrarisch bedrijf, maar de toeristische nevenactiviteiten mogen ook weer niet te groot worden. Deze halfslachtigheid in het toestaan van nieuwe functies leidt tot grote frustraties bij zowel burgers als boeren.

Ik maak vaak mee dat agrariërs een nieuwe ontwikkeling ‘naast de deur’, zoals bijv. huisvesting voor toeristische groepen in een voormalig agrarisch gebouw, zien als een bedreiging voor de uitoefening voor hun bedrijf. Maar ook burgers klagen over stankoverlast of nieuwe functies bij agrarische bedrijven, zoals de plaatsing van windmolens als nevenactiviteit. Deze functies worden vaak toegestaan via een ‘binnenplanse’ afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan. Ik ben door deze klachten en ervaringen een groot voorstander geworden van het zo veel mogelijk scheiden van functies i.p.v. vermenging. Dit staat haaks op de huidige opvatting van vermenging van functies in een multifunctioneel landschap. Ik denk dat we van het platteland geen Disneyworld moeten maken, maar een gebied waar agrariërs voldoende ruimte hebben voor hun agrarische activiteiten en waar burgers kunnen genieten van stilte en rust. Dit vraagt om duidelijke keuzes van gemeenten.

Zonering is noodzakelijk

Zonering zorgt ervoor dat nieuwe niet-agrarische functies in het buitengebied op een verantwoorde afstand van agrarische bedrijven gesitueerd worden. Met zonering kan via het ruimtelijk spoor voorkomen worden dat burgers in bijv. nieuwe woningen last krijgen van onevenredige overlast van agrarische activiteiten, zoals het bemesten en bespuiten van teelten en dat agrariërs hun bedrijfsactiviteiten kunnen blijven uitoefenen. Ook gezondheidsbelangen kunnen ten grondslag liggen aan zonering. Bijv. bij intensieve veehouderijen.

Recente jurisprudentie over zonering in het buitengebied

Over het vastleggen van zonering in het buitengebied zijn recentelijk de volgende uitspraken verschenen:

  • rekening houden met bestaande belangen agrariër

De gemeente Houten heeft in een bestemmingsplan geregeld dat er binnen een zone van 50 meter afstand tot woningen, tuinen en erven (gevoelige functies) geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Een fruitteler stelt in beroep dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd door deze planregel. Volgens de Afdeling (uitspraak van 10 september, no. 201308924/1/R2) had de gemeente het bestaande gebruik van de agrarische percelen niet onder het overgangsrecht mogen brengen.

  • zonering intensieve veehouderij i.v.m. woningen daadkrachtig onderbouwen

Om de gezondheidsrisico’s te beperken heeft de gemeente Bernheze afstanden gehanteerd die moeten worden aangehouden tussen intensieve veehouderijen en kwetsbare functies. De gemeente heeft hierbij zones gehanteerd van 250 m en 1000 m tot kernen met als onderbouwing een GGD-advies (Gezondheidseffectscreening). Uit deze uitspraak blijkt dat de gemeente niet alleen kan leunen op het GGD-advies, maar dat zij zelf moet onderbouwen waarom een uitbreiding of vestiging van een intensieve veehouderij moet worden verboden binnen de in het plan aangegeven afstanden. Zie r.o. 5 e.v. van uitspraak ABRS 10 september 2014, no. 201208940/1/R3.

______________________________________________

Onderbouwing zonering is specialistisch maatwerk

______________________________________________

Tal van bestemmingsplannen gaan ‘onderuit’ bij de Raad van State vanwege onvoldoende onderbouwing bij de keuze voor zonering. Dat is jammer en onnodig. Schakel daarom een specialist in. Mr. Marian Harberink en mr. Evelien Speelman helpen u graag met het opstellen van de onderbouwing. Onze specialisaties zijn onderbouwingen voor zonering van:

  • spuitzones van boomgaarden en andere open teelten
  • agrarische geur
  • gezondheid
  • afwijken afstanden VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’.