Definitie bijbehorend bouwwerk bestemmingsplan en Bor

Definitie bijbehorend bouwwerk bestemmingsplan en Bor zijn verschillenddefinitie bijbehorend bouwwerk

In een bestemmingsplan is een definitie opgenomen van bijbehorend bouwwerk die afwijkt van de definitie bijbehorend bouwwerk in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Volgens appellant wekt dit verwarring in de hand.

De raad stelt dat zij niet verplicht is om de aangehaalde definitie uit het Bor te gebruiken. In het bestemmingsplan is een ‘bijbehorend bouwwerk’, een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd gebouw of overkapping. Bijbehorende bouwwerken betreffen zowel aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken als vrijstaande bijbehorende bouwwerken en overkappingen. De planregels maken ruimtelijk onderscheid tussen het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken en voorzien daarmee in samenhang in een goede ruimtelijke ordening, aldus de raad (…).

De Afdeling stelt vast dat het de raad is toegestaan om in het bestemmingsplan af te wijken van de begripsbepaling van ‘bijbehorend bouwwerk’ die gebruikt is in het Bor. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) staat het de raad vrij om planregels vast te stellen die hij uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. In die uitspraak overweegt de Afdeling dat de regels in het Bor en de regels in een bestemmingsplan naast elkaar kunnen bestaan, waarbij geldt dat de planregels buiten toepassing blijven ten aanzien van bouwwerken waarop artikel 2 van bijlage II bij het Bor van toepassing is. Dit neemt niet weg dat een begripsomschrijving in een planregel duidelijk moet zijn.

De Afdeling is in dit geval van oordeel dat de planregels in dit opzicht niet duidelijk zijn. Lees meer in r.o. 6.4 van uitspraak ABRS 6 februari 2019, no. 201801541/1/R3.

Omgevingsvergunning plattelandswoning met kruimelgevallenregeling onmogelijk?

Omgevingsvergunning plattelandswoning met beleid kruimelgevallenregeling onmogelijk gemaakt?omgevingsvergunning plattelandswoning

De gemeente heeft een omgevingsvergunning geweigerd voor het bewonen van een agrarische bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf door derden. Bij een controle door de gemeente is geconstateerd dat de bedrijfswoning wordt gebruikt als burgerwoning. Op het aanvraagformulier voor de omgevingsvergunning is vermeld: “Aanvraag omgevingsvergunning o.b.v. Kruimelgevallenregeling Besluit omgevingsrecht, voor het bewonen van de bedrijfswoning door derden (plattelandswoning) voor een periode van maximaal 10 jaar.”

De rechtbank heeft overwogen dat wederpartij in dit geval expliciet heeft gevraagd om een omgevingsvergunning voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de leden 1 tot en met 10 van artikel 4, van bijlage II, bij het Bor, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar, zoals bedoeld in het 11e lid van dat artikel. (…) Volgens de rechtbank heeft het college met de beleidsregel “Beleid plattelandswoning gemeente Haaren” de mogelijkheid om voor het tijdelijke gebruik van een woning als plattelandswoning een vergunning te verkrijgen op grond van de kruimelgevallenregeling geheel onmogelijk gemaakt.

Het college brengt naar voren dat het de aanvraag op inhoudelijke gronden heeft geweigerd, op grond van criteria die gelden voor een plattelandswoning. Volgens het college heeft het zich niet op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een kruimelgeval, en evenmin dat sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo.  Een en ander neemt volgens het college niet weg dat vanwege zijn beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid ten aanzien van gronden van goede ruimtelijke ordening de eis van het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure voor de plattelandswoning mag stellen.

In de beleidsregel van de gemeente wordt ten aanzien van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bewonen van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning de voorkeur uitgesproken voor het toepassen van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3 van de Wabo.

Volgens de Raad van State wordt evenwel niet onmogelijk gemaakt om voor een tijdelijk gebruik van een bedrijfswoning als plattelandswoning een vergunning te verkrijgen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II. Van een categorale uitsluiting van de toepasselijkheid van deze regeling in de beleidsregel is geen sprake. (…) Het betoog van het college slaagt.

Lees meer in uitspraak ABRS 16 januari 2019, no. 201706158/1/A1. [omgevingsvergunning plattelandswoning]

Een plattelandswoning mogelijk maken? Bel 06-55897008 voor meer informatie of mail.

 

Paarden buitengebied ongewenst bij gemeenten

Paarden in buitengebied ongewenstpaarden buitengebied

De titel is wat dik aangezet. Toch merk ik in de praktijk heel vaak dat mensen die al dan niet beroepsmatig paarden willen houden, veel weerstand ontmoeten van gemeenten. Het principeverzoek wordt afgewezen of de omgevingsvergunning wordt geweigerd. Voor veel initatiefnemers is dit onbegrijpelijk. Men heeft bijvoorbeeld een voormalige agrarische locatie in het buitengebied op het oog. De omstandigheden lijken ideaal: genoeg ruimte, bestaande (paarden)stalruimte en men is bereid de locatie op te knappen. Genoeg voordelen zou je zeggen! Helaas is de praktijk anders.

Gedimdam over definities paardenhouderij, paardenfokkerij, etc.

De meeste gemeenten hanteren de gangbare definities uit het bestemmingsplan buitengebied. Veel nieuwe vormen van het houden van paarden, zoals bijv. paardencoaching, dagbesteding met paarden voor volwassenen of kinderen met leerproblemen, zorgboerderijen met paarden, etc. vallen niet direct onder de bestaande definities uit het geldende bestemmingsplan, en dus wordt vaak de vergunning geweigerd. In juridisch opzicht helemaal juist. Maar de juridische wereld is niet de echte wereld. Het vreemde voor de ondernemer is bijv. dat de ambtenaar van de afdeling Welzijn (of iets dergelijks) vaak al wel positief heeft gereageerd op bijv. de zorgboerderij in de gemeente.

Paarden buitengebied eisen en oplossingen – In de praktijk zie ik dat veel van deze ondernemers gevechten moeten aangaan met gemeenten. Er worden eindeloos veel eisen gesteld of er wordt gehandhaafd wegens strijd met het bestemmingsplan. Dat is heel frustrerend en kost onnodig veel energie en geld bij de initiatiefnemer. Vooral omdat het ook om een bedrijf gaat of kan gaan met een behoorlijke omzet.

Zoals iedereen in de RO-praktijk weet is het buitengebied erg veranderd en nog steeds aan verandering onderhevig. Er komen nieuwe vormen van agrarisch ondernemerschap of andere niet-agrarische activiteiten met dieren. Dit betekent uiteraard niet dat alles maar moet worden toegelaten. Maar het houdt wel in dat op een meer creatieve manier moet worden gekeken naar nieuwe vormen van ondernemerschap met paarden in het buitengebied. Beste ambtenaar, probeer wat ruimer te kijken naar dergelijke initiatieven en wijs de aanvraag niet direct af. Geen enkel initiatief is hetzelfde.  Ook de weerstand van gemeenten tegen rijbakken is ergerniswekkend. Eventueel kan hier de eis gesteld worden de rijbak achter de bebouwing te situeren, mocht het directe zicht op de rijbak een probleem zijn. Paarden moeten immers bereden en getraind worden.

Waar moeten paarden anders gehouden worden? In de stad of het dorp? Het platteland is daar bij uitstek geschikt voor, zeker nu steeds meer (voormalige) agrarische locaties leeg staan.

De oplossing: kijk naar de planologisch impact van het initiatief en niet zo zeer naar strakke – veelal oude – definities uit het geldende bestemmingsplan. Die zijn niet meer van deze tijd! Onderken ook dat een bestemmingsplan geen vaststaand iets is. De omgeving is telkens in beweging en ontwikkelingen gaan snel. Te snel voor bestemmingsplannen en beleid.

Jurisprudentie over paarden [paarden buitengebied]

Hulp nodig bij een aanvraag om een zorgboerderij met paarden, paardencoaching of andere bedrijvigheid met paarden?

  • ruime ervaring met principeverzoeken/aanvragen in het buitengebied
  • we spreken de taal van de gemeente
  • u hoort vooraf of uw initiatief kansrijk is of niet

Bel 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl

gebruiksregel bestemmingsplan niet in definitie opnemen

Gebruiksregel bestemmingsplan niet in definitie opnemengebruiksregel bestemmingsplan

Een gemeente heeft in een bestemmingsplan een definitie opgenomen van ‘bedrijfswoning’ (artikel 1.16):

een woning die een functionele binding heeft met een op hetzelfde perceel gelegen bedrijf, instelling of inrichting, ten behoeve van beheer van en/of toezicht van het bedrijf, de instelling of de inrichting. Naast een bedrijfswoning is een bestaand bedrijf toegelaten tot maximaal milieucategorie 3.1, of hiermee vergelijkbaar, als aangegeven in de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten.”

De Afdeling zegt er het volgende over: “(…) Uit de SVBP 2012 volgt dat in hoofdstuk 1 van de planregels de begrippen worden verklaard die in de planregels voorkomen en een nadere beschrijving behoeven. In hoofdstuk 2 worden de bestemmingsregels opgenomen, waaronder specifieke gebruiksregels. De Afdeling stelt vast dat met de eerste zin van artikel 1.16 van de planregels (…) een omschrijving is gegeven van het begrip bedrijfswoning. De laatste zin van deze bepaling (…) betreft echter een gebruiksregel, die op grond van de SVBP2012 in de bestemmingsregels had moeten worden opgenomen. Derhalve heeft de raad in strijd met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling, in samenhang gelezen met artikel 1.2.6 van het Bro, zoals uitgewerkt in de SVBP 2012, een gebruiksregel opgenomen in de bedoelde begripsomschrijving. Het betoog slaagt.” Lees meer in uitspraak ABRS 19 september 2018, no. 201709944/1/R1, r.o. 3.3.

 

de plattelandswoning: een bron van burenruzies!

De plattelandswoning: een bron van burenruzies!de plattelandswoning en burenruzie

Regelmatig komen er aanvragen om advies bij ons binnen over plattelandswoningen. Wonen op het platteland is voor velen – ondanks een grote trek naar de stad – nog steeds aantrekkelijk. Behalve de relatief lage prijs van een plattelandswoning voor een burger, is er vaak ook een financiële reden voor een agrariër om de woning apart te willen verkopen. Twee vliegen in één klap zou je denken! Helaas is de praktijk nogal weerbarstig en is de plattelandswoning vaak een bron voor burenruzies en grote ergernis.

Dat komt vooral door het feit dat de plattelandswoning in de meeste gevallen veel te dicht op het agrarische bedrijf staat. In het begin vinden burgers het leuk om bij een boerderij te wonen. Dat wordt minder naarmate de tijd vordert. Als voorbeeld noem ik het wonen bij een fruitboomgaard. In het voorjaar ziet dat er prachtig uit met alle bloesem. Totdat de fruitteler de bomen gaat bespuiten; telefoontjes en brieven richting gemeente en een burenruzie tot gevolg. Het gaat vaak zover dat de betrokkenen niet meer slapen en elkaar de ergste verwijten maken tot aan de Raad van State toe.

Het grootste misverstand in de praktijk is dat toekomstige bewoners in juridische zin niet meer kunnen klagen over stank, geluid en andere milieuoverlast. De woning heeft immers een andere planologische status gekregen, die van plattelandswoning. In juridische zin is dat op zekere hoogte waar: “voor de mate van bescherming die een woning op grond van de Wabo en Wet milieubeheer toekomt tegen omliggende agrarische bedrijven is niet langer het feitelijk gebruik, maar de planologische status bepalend.” (vaste overweging Raad van State).

Maar zoals u ook weet wijkt de juridische realiteit nogal eens af van de praktijk. De praktijk is dat er in de omgeving van plattelandswoningen allerlei agrarische activiteiten plaatsvinden die tot overlast kunnen leiden bij bewoners die dat niet gewend zijn: uitrijden van mest, gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, heen en weer rijden van tractoren en machines (in de oogsttijd tot ’s avonds laat), etc. Zoals u ook bij het tv-programma Boer zoek vrouw kunt zien is het verre van romantisch op het platteland. Vanaf vroeg in de ochtend tot laat in de avond werkt men op het bedrijf.

Dit zijn aspecten die gemeente hoort af te wegen bij de planologische besluitvorming, onder de noemer ‘een goede ruimtelijke ordening’, in het bijzonder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning. In de praktijk gebeurt dit helaas te weinig.

Een tip voor gemeenten: stop met de planologische omzetting van plattelandswoningen! Kijk eens verder dan wetgeving: een burger koopt meestal de woning vanwege de lage prijs, de agrariër verkoopt de woning vanwege financiële motieven. Dit zijn echter korte termijn afwegingen die voor veel ellende kunnen zorgen zonder mensen zich dat beseffen.

Over plattelandswoningen is inmiddels al veel jurisprudentie verschenen. Hieronder een greep uit de meest recente jurisprudentie:

Meer informatie nodig over plattelandswoningen? Wilt u een vervelend dossier afronden over een plattelandswoning?

Bel 010 – 268 0689 voor een oplossing!

Belanghebbende bestemmingsplan correctie op jurisprudentie

Belanghebbende bestemmingsplan: correctie op jurisprudentiebelanghebbende bestemmingsplan

  • belanghebbende bestemmingsplan

Er is heel veel jurisprudentie verschenen over het begrip ‘belanghebbende’ uit de Awb (en overige wetgeving). Een belangrijke correctie die de Raad van State uitvoert ten aanzien van haar bestaande jurisprudentie komt aan de orde in een uitspraak van 25 april 2018 (zaakno. 201705577/R6). In dit geval ging het om het vaststellingsbesluit van een bestemmingsplan voor een bedrijventerrein.

Appellant richt zich in zijn beroepschrift tegen de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Volgens de raad is appellant geen belanghebbende bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein, omdat hij op 800 m van het voorziene bedrijventerrein woont, geen zicht heeft op het bedrijventerrein en gelet op de tussen de woning van appellant en het bedrijventerrein gelegen bebouwing, de A15 en de Betuweroute is uitgesloten dat appellant ruimtelijke gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van het voorziene bedrijventerrein.

De Afdeling overweegt als volgt: “Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017 (…) is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals een bestemmingsplan of een vergunning – toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis‘ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. De Afdeling ziet gelet op de lijn die is neergelegd in de uitspraak van 23 augustus 2017 aanleiding om appellant – in afwijking van de hiervoor onder 3 genoemde uitspraak over het bestemmingsplan (…) niet aan te merken als belanghebbende bij het bestemmingsplan voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein (…). Daardoor acht de Afdeling redengevend dat appellant op ongeveer 750 m van de rand van het zuidelijke deel van het bedrijventerrein woont. Lees meer in r.o. 12.2

 

Opfokken paarden agrarische activiteit?

Opfokken paarden agrarische activiteit?opfokken paarden

De gemeente Haaksbergen heeft een nieuwe partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied opgesteld voor het onder meer mogelijk maken van een opfokbedrijf voor paarden.

Een milieustichting voert bij de Raad van State onder meer aan dat de activiteiten van het bedrijf geen op het in productie gerichte agrarische activiteiten zijn, zoals bedoeld in het bestemmingsplan. De gemeente raad stelt dat het beoogde plan past binnen de bepalingen van het geldende bestemmingsplan. De activiteiten bestaan uit het opfokken, trainen en verkoopklaar maken van jonge hengsten. Het gaat niet om het fokken van paarden ter plaatsen.

In het nieuwe bestemmingsplan heeft de grond de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. Op basis hiervan is een agrarisch bedrijf toegelaten. Uit de definitie van de planregels volgt dat er sprake moet zijn van een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren, niet zijnde een paardenhouderij gericht op het gebruik. Nu op het bedrijf alleen wordt opgefokt en niet gefokt, zou uit voorgaande definitie kunnen worden afgeleid dat geen sprake is van het voortbrengen van producten. Uit de definitie van productiegerichte paardenhouderij dat ook in het bestemmingsplan is opgenomen, volgt dat tevens het opfokken van paarden en het bieden van leefruimte aan opgroeiende paarden hieronder moet worden verstaan. Volgens de Raad van State valt op basis hiervan het opfokken van paarden ook onder de definitie van agrarisch bedrijf.

Let op: in de meeste bestemmingsplannen voor het buitengebied is dit echter niet zo, en valt het opfokken van paarden niet onder de definitie van een agrarisch bedrijf. Volgens de gemeente Haaksbergen is de ruimtelijk impact van een opfokbedrijf en een fokbedrijf nagenoeg hetzelfde. Ik ben het hier helemaal mee eens.

Lees meer in de uitspraak van de Raad van State (opfokken paarden) ABRS 23 mei 2018, no. 201702656/1/R3

Parkeernormen bij wijziging gebruik gebouw

Parkeernormen bij wijziging gebruik gebouw jurisprudentieparkeernormen

Het bestemmingsplan maakt een geleidelijke wijziging van een bedrijventerrein mogelijk naar een combinatie van wonen en werken. Appellant stelt dat hij potentiële huurders heeft in het pand dat hij wil ontwikkelen tot een multifunctioneel gezondheidscentrum. Volgens hem zorgen de parkeernormen die de gemeente hanteert ervoor dat geen gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om deze initiatieven te ontwikkelen. Hij meent dat de raad in redelijkheid niet van hem kan verlangen dat hij bij elk nieuw initiatief moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

De gemeente heeft in het bestemmingsplan bij de bestemmingsregeling voor Bedrijf een regeling opgenomen voor parkeren:

Bij het oprichten van gebouwen of het veranderen van gebruik dient de inrichting van elk perceel zodanig te zijn dat voldoende ruimte aanwezig is om zowel het parkeren van motorvoertuigen en fietsen als het eventueel laden en lossen op eigen terrein te kunnen afwikkelen.”

De Afdeling overweegt het volgende: “De Afdeling ziet evenwel aanleiding dat artikel (…) van de planregels in strijd met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro is vastgesteld voor zover het regelt dat ook bij het veranderen van gebruik in voldoende parkeeraccommodatie dient te worden voorzien overeenkomstig de parkeernormen welke zijn of nog kunnen worden vastgesteld door de raad en die momenteel zijn vervat in de als beleidsregel aan te merken Parkeernormen 2015. Anders dan bij het oprichten van gebouwen, voor welke activiteit in beginsel een omgevingsvergunning dient te worden verleend, is het veranderen van gebruik niet afhankelijk van de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a van het Bro. De raad had de uitleg van het begrip ‘voldoende parkeeraccommodatie’ in artikel (…) van de planregels dan ook niet afhankelijk mogen stellen van de bedoelde beleidsregel voor zover het gaat om het veranderen van het gebruik. In zoverre slaagt het betoog.”

Lees meer in r.o. 9 van uitspraak ABRS 9 mei 2018, no. 201800074/1/R6

 

Meten richtafstanden VNG-brochure

Meten richtafstanden VNG-brochure

  • meten richtafstanden VNG-brochure
  • afstanden tussen school en woningen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordenning nodig acht. Daarbij heeft de raad beleidsruimte en moet de raad de betrokken belangen afwegen. Eén van de belangen die vaak een rol speelt zijn de belangen van zittende bedrijven. Bedrijven hebben ruimte nodig voor de bedrijfsvoering. Andersom geldt ook dat bedrijven of scholen niet te dicht bij woningen moeten worden gesitueerd. Klinkt allemaal redelijk en logisch. De praktijk is echter weerbarstig. Vaak worden de grenzen opgezocht en hebben andere belangen, zoals financiële, de overhand.

Bij de invulling van afstanden tussen bedrijvigheid en woningen wordt in de praktijk vaak gebruik gemaakt van de richtafstanden zoals die zijn opgenomen in de VNG-brochure. Deze afstanden zijn indicatoren en bieden ruimte voor maatwerk. Elke situatie is namelijk weer anders. Wat wel overal gelijk is, is de wijze van meten. In de praktijk gaat dit vaak mis. Men gaat vaak uit van het gebouw van een bedrijf i.p.v. de grens van het bestemmingsvlak of het perceel van het bedrijf. In een uitspraak van 18 april 2018 gaat de Raad van State hierop in:

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) wordt de richtafstand gemeten vanaf de grens van de milieubelastende bestemming tot de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De betekent dat voor de vraag of wordt voldaan aan de richtafstand (van in dit geval 10 m) van de VNG-brochure niet bepalend is de afstand van de bouwvlakken op de percelen van appellant en anderen tot het perceel van de HAN. Niet in geschil is dat de woningen van appellant en anderen – al dan niet vergunningvrij – kunnen worden uitgebreid tot de grens met het perceel van de HAN, althans op een afstand van een of een aantal meters tot de perceelsgrens. Gelet hierop stellen appellant en anderen terecht dat het plan, wat betreft de gronden met de aanduiding ‘bijgebouwen niet toegestaan’ (ruimschoots) niet in overeenstemming is met de richtafstand van 10 m als aanbevolen in de VNG-brochure.” 

Schakel voor onderbouwingen en adviezen over afstanden tussen woningen en bedrijven De Omgevingsjurist in!

Bel 010 – 268 0689 voor meer informatie.meten richtafstanden VNG-brochure

 

 

Plattelandswoning bij manege toegestaan

Plattelandswoning bij manegebedrijf toegestaanplattelandswoning

Het bestemmingsplan in kwestie maakt onder meer een plattelandswoning mogelijk. Appellant kan zich hier niet mee verenigen. Hij vreest dat hij als gevolg van de omzetting van de voormalige agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning zal worden beperkt in de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden voor zijn manegebedrijf op het naastgelegen perceel.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat een manegebedrijf een landbouwinrichting is, als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo. Volgens de gemeentelijke notitie over plattelandswoningen zijn deze uitsluitend toegestaan bij in werking zijnde agrarische bedrijven. Volgens de Afdeling dient de manege te worden aangemerkt als een landbouwinrichting als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo: “Uit de toelichting op de Wijzigingswet kan worden afgeleid dat de begrippen ‘landbouwinrichting’ en ‘landbouwhuisdier’ zijn ontleend aan het Besluit landbouw milieubeheer. In dat Besluit, dat inmiddels is vervallen, was niet gedefinieerd wat onder een landbouwhuisdier moet worden verstaan. In de uitspraak van 15 december 2010 in zaak no. 201004062/1/M2 (…) heeft de Afdeling invulling gegegeven aan dit begrip. Onder verwijzing naar deze uitspraak, is de Afdeling van oordeel dat paarden, ook als deze worden gehouden voor het berijden daarvan, zijn aan te merken als landbouwhuisdieren en dat de bedrijfsvoering in een manege is gericht op het houden van landbouwhuisdieren en het verrichten van activiteiten die daarmee verband houden.

Gelet op deze uitspraak heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat een manegebedrijf dient te worden aangemerkt als een landbouwinrichting, als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo, waar de bedrijfsvoering is gericht op het houden van landbouwhuisdieren, in dit geval paarden, en het verrichten van activiteiten die daarmee verband houden.”

Lees meer in uitspraak ABRS 4 april 2018, no. 201609020/1/R2.

Wilt u ook een plattelandswoning mogelijk maken? Advies of bestemmingsplan nodig? Bel 010 – 268 0689 voor meer informatie!