Ruimtelijke aanvaardbaarheid wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan

Ruimtelijke aanvaardbaarheid wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan – Let bij opnemen wijzigingsbevoegdheid in bestemmingsplan of datgene wat met wijzigingsbevoegdheid wordt  beoogd ook ruimtelijk aanvaardbaar is

Dit is standaardjurisprudentie van de Afdeling over het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan. Toch blijkt dat het in de praktijk regelmatig fout gaat, omdat vooraf niet onderzocht wordt of datgeen wat met de wijzigingsbevoegdheid mogelijk kan worden gemaakt ook ruimtelijk aanvaardbaar is.

In het betreffende bestemmingsplan heeft de gemeente een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming ‘Natuur’ te kunnen wijzigen in de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’.

De Afdeling overweegt: “(…) kan met het bestaan van een wijzigingsbevoegdheid in een plan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemmingen binnen de gebieden waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd indien voldaan wordt aan de bij het plan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit brengt in dit geval met zich dat reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan dien te worden beoordeeld of de woning die door de wijzigingsbevoegdheid mogelijk kan worden gemaakt, in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar is. De raad heeft ter zitting erkend dat hij ten onrechte niet heeft onderzocht of de woning in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar is. (…) Het bestreden besluit dient  in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.”

Zie uitspraak ABRS 8 mei 2013, no. 20120759/1/R1

Stadslandbouw haalbaarheid

Stadslandbouw haalbaarheid: een verkenning van groen en boer zijn in en om de stad

Mede vanwege de crisis in de bouw staat stadslandbouw en groen in de stad steeds meer in de belangstelling. De Wageningen Universiteit heeft een interessante notitie geschreven over dit fenomeen. Er staan tal van bestaande voorbeelden in van stadslandbouw en welke vormen er bestaan.

Nu er ook op rijksniveau belangstelling is voor stadslandbouw – zie ook de brief van de Staatssecretaris – hoop ik dat deze ontwikkeling meer vaste grond krijgt in Nederland. Al denk ik dat de financiering van dergelijke projecten een sta-in-de-weg kan zijn voor blijvend succes.

Zie verder de notitie ‘Stadslandbouw – een verkenning van groen en boer zijn in en om de stad’

bestemmingsplan Buitengebied: check goed of voor wijzigingsplan melkveehouderij een plan-MER nodig is

bestemmingsplan Buitengebied: check goed of voor wijzigingsplan voor melkveehouderij een plan-MER nodig is

Via een wijzigingsplan heeft de gemeente de verplaatsing en uitbreiding van een melkveehouderij met  bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Appellant betoogt dat er ten onrechte geen milieueffectrapportage dan wel een m.e.r.-beoordeling is gemaakt. Het college van b&w stelt dat het plan de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschrijdt, zodat geen m.e.r.-plicht dan wel een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 7.2, tweede lid, in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit m.e.r. moet, terzake van de activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste, onder a en b, van de Wet milieubeheer, een MER voor plannen worden gemaakt voor de categorieën van plannen die zijn omschreven in kolom 3 van onderdeel C, onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit als omschreven in artikel 2, vierde lid, van het Besluit m.e.r. en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid.

Op grond van onderdeel D, onder 14, sub 9, van de bijlage van het Besluit m.e.r. is bepaald dat beoordeeld dient te worden of een m.e.r. dient te worden gemaakt in het kader van de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 340 stuks melkkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. In kolom 3 van onderdeel D zijn plannen als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wro opgenomen (wijzigingsplan).

De Afdeling overweegt:Niet in geschil is dat partij de wens heeft om het agrarisch bedrijf uit te laten groeien tot een bedrijf met ongeveer 200 melkkoeien die ouder zijn dan 2 jaar en 140 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. De Afdeling stelt echter vast dat in het plan niet is gewaarborgd dat niet meer dan 340 dieren op deze locatie gehouden kunnen worden. De door partij ter zitting vermelde omstandigheid dat op het perceel naast koeienstallen ook stallingen voor opslag van voer en machines worden gebouwd doet daaraan niet af, nu het plan er niet aan in de weg staat dat het gehele plangebied, dat ongeveer 1,5 ha groot is, mag worden bebouwd ten behoeve van stalruimte voor dieren. Gelet op het voorgaande geldt op grond van artikel 7.13 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit m.e.r., voor het wijzigingsplan een plan-m.e.r.-plicht.” 

Noot

Deze uitspraak laat zien dat het erg belangrijk is om grenzen in de planregels van het bestemmingsplan aan te geven met betrekking tot aantallen stuks vee. Verder adviseer ik om tenminste altijd een m.e.r.-beoordeling te maken voor dergelijke plannen. Het simpel afdoen met de zin ‘de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. worden niet overschreden’ kan echt niet!

Zie uitspraak ABRS 8 mei 2013, no. 201208118/1/R1

 

Kamerverhuur bestemmingsplan en 10% norm Huisvestingsverordening is ruimtelijk relevant

Kamerverhuur bestemmingsplan en 10% norm in Huisvestingsverordening is ruimtelijk relevant 

Zo op het eerste oog een wat vreemde uitspraak.

Het college van b&w heeft een ‘buitenplanse’ omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een gebouw tot studentenkamers. Op het perceel rust de bestemming ‘Woondoeleinden’ en het gebruik van het gebouw voor studentenhuisvesting is hiermee in strijd.

Volgens appellant kon het college ter motivering van de verlening van de omgevingsvergunning niet volstaan met verwijzing naar de 10%-norm uit de Huisvestingsverordening van de gemeente, nu daarin geen ruimtelijk relevante belangen zijn betrokken. Volgens hem is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de voorziene overlast en kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet worden gegarandeerd.

Volgens de 10%-norm in voornoemde verordening kan het college van b&w een omzettingsvergunning weigeren indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de omzettingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur of kamerverkoop zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend  woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw wordt in ieder geval aanwezig geacht indien meer dan 10% van de tot bebouwing bestemde gebouwen in de betreffende staat met dezelfde postcode wordt gebruikt voor huisvesting als bedoeld in artikel 2.2.2.

De Afdeling overweegt:Anders dan appellant stelt, is de in de verordening opgenomen 10%-norm blijkens de tekst van artikel 2.2.4 van de verordening alsmede de toelichting daarop mede tot stand gekomen op basis van ruimtelijke argumenten, op grond waarvan in een concreet geval voor woonruimte al dan niet een vergunning kan worden verleend. Gebleken is dat in de Bildsestraat met hetzelfde postcodegebied nog tien van de elf zelfstandige woningen overblijven, zodat minder dan 10% van deze woningen wordt gebruikt als onzelfstandige woonruimte. (…) Ter zitting heeft het college voorts toegelicht dat de omstandigheid dat het bouwplan aan de 10%-norm voldoet, onverlet laat dat per concreet geval dient te worden onderzocht of in de directe omgeving van het gebouw onaanvaardbare overlast wordt ondervonden.”

Zie uitspraak ABRS 24 april 2013, no. 201206706/1/A1.

 

 

bodemenergiesystemen en bestemmingsplan

bodemenergiesystemen en bestemmingsplan

Het wordt steeds drukker in de ondergrond van Nederland. Er liggen diverse leidingen, systemen voor ondergrondse warmte- en koudeopslag, ondergrondse bouwwerken, archeologische schatten, etc. in de bodem.

Hoewel het regelen van de ondergrond in het bestemmingsplan al sinds lange tijd mogelijk is, wordt er in de praktijk door gemeenten nog relatief weinig gebruik van gemaakt. We zijn namelijk nogal visueel ingesteld. De ondergrondse belevingswereld bestaat eigenlijk niet voor ons.

Op 1 juli 2013 treedt het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen in werking. Hiermee wordt een belangrijke impuls gegeven aan het regelen op gemeentelijk niveau van de ondergrond. Het college van b&w krijgt een grotere rol toebedeeld bij ondergrondse energiesystemen.

Hoewel dit specifieke besluit voornamelijk regels bevat voor warmte- en koudeopslag systemen, is het belangrijk om te realiseren dat er voor gemeenten een belangrijke taak ligt om de drukte in de bodem te reguleren via het bestemmingsplan. Dit beperkt zich uiteraard tot de ruimtelijk relevante aspecten.

Het Besluit bodemenergiesystemen in vogelvlucht

Volgens de Nota van Toelichting wordt met het besluit beoogd de toepassing van bodemenergiesystemen te stimuleren voor het verwarmen en koelen van woningen en bedrijven. Bij de toepassing ervan moet sprake zijn van een duurzaam gebruik van bodem en water. Naar verwachting zal het gebruik van duurzame bodemenergie de komende jaren sterk toenemen.

Wat zijn bodemenergiesystemen?

Bodemenergiesystemen maken voor de verwarming en koeling van gebouwen gebruik van de warmte en koude die in de bodem aanwezig is als gevolg van de constante temperatuur van de bodem. Er wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten bodemenergiesystemen. Bij open systemen is sprake van verplaatsing van grondwater. Bij gesloten systemen is dit niet het geval en wordt het water door buizen geleid, zonder dat het direct in contact komt met het grondwater. Na afkoeling of opwarming onder invloed van de constante bodemtemperatuur kan het water voor de verwarming en/of koeling van gebouwen worden gebruikt.

Op dit moment zijn er nog weinig specifieke regels voor het plaatsen van bodemenergiesystemen in de ondergrond en geldt het beginsel ‘Wie het eerst komt, wie het eerst pompt’, terwijl de druk op de ondergrond steeds meer toeneemt. Het Wijzigingsbesluit heeft onder meer de volgende doelstellingen:

  • verbeteren kwaliteit en betrouwbaarheid van bodemenergiesystemen;
  • voorkomen van interferentie tussen bodemenergiesystemen buiten interferentiegebieden;
  • invoeren van gebiedsgericht beleid in drukke gebieden of gebieden met een grote energiebehoefte;
  • voorkomen dat voor bodemenergiesystemen in vergelijkbare omstandigheden verschillende eisen gelden.

Als gevolg van de inwerkingtreding worden onder meer het Besluit omgevingsrecht, de Waterwet en het Activiteitenbesluit aangepast.

Wat zijn de ruimtelijk relevante aspecten?

In de praktijk wordt er nog relatief weinig geregeld in bestemmingsplannen over de ondergrond, ondanks het feit dat artikel 1.1, lid 2 Wro expliciet bepaalt dat het begrip ‘grond’ ook de ondergrond betreft. In de gevallen dat er wat geregeld is over het ondergronds bodemgebruik hangt dit meestal samen met een bovengronds bouwwerk, zoals een parkeergarage. De ordening van op zichzelf staande vormen van ondergronds ruimtegebruik, zoals leidingen en kabels, vindt nog maar weinig plaats.

Door de toenemende drukte in de bodem kunnen de diverse leidingen, bouwwerken, etc. elkaar in de weg zitten. Dit geldt ook voor bodemenergiesystemen. Een al aanwezig bodemenergiesysteem kan een nieuw energiesysteem belemmeren als er niet vooraf is nagedacht over het gewenste bodemgebruik in een bepaald gebied.

Volgens de NvT bij het wetsvoorstel is één van de doelstellingen dat het meer gebruik maken van bodemenergie niet ten koste mag gaan van het belang en de bescherming van de bodem. Het beginsel ‘Wie het eerst komt, wie het eerst maalt’ dient volgens de NvT dan ook doorbroken te worden. De verstoring kan voorkomen worden door een betere ordening van de bodemenergiesystemen en andere bodemfuncties. Welke rol kan het bestemmingsplan hierin vervullen?

Ruimtelijke relevantie ondergrondse energiesystemen

De vraag is welke onderdelen van het ondergrondse ruimtegebruik voor energiesystemen ruimtelijk relevant zijn en via het bestemmingsplan (nader) geregeld kunnen worden. Het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen beperkt zich het algemene beschermingsniveau van de bodem en een doelmatig gebruik van bodemenergie. Dit laatste aspect is niet ruimtelijk relevant. Het beschermingsniveau van de bodem is wel ruimtelijk relevant en kan via het bestemmingsplan meer specifiek worden geregeld. Bij de aanleg van ondergrondse energiesystemen kunnen als gevolg van zettingen bijv. gebouwen verzakken, kabels of leidingen worden beschadigd, etc.

Dit kan voorkomen worden door vooraf – op gebiedsniveau – na te denken over het gewenste bodemgebruik binnen een gemeente. Ook kunnen voorkeurslocaties worden aangewezen voor bodemenergiesystemen, buisleidingen, etc. in een bestemmingsplan. Het kan ook nodig zijn om bepaald ondergronds bodemgebruik te verbieden in een gebied.

Om nadelige gevolgen te voorkomen en te overzien is het belangrijk dat de gemeente de regie houdt over het gebruik van de ondergrondse ruimte. De gewenste richting voor  bodemenergiesystemen in een gebied kan planologisch-juridisch worden verankerd in een bestemmingsplan, bijv.:

  • gebieden aanwijzen waar ondergrondse energiesystemen (niet) zijn toegestaan;
  • bepalen welke ondergrondse energiesystemen in een gebied worden toegelaten (voorzover deze van invloed kunnen zijn op het gebruik van de bodem en dus ruimtelijk relevant zijn).

 

 

Grens bestemmingsplan door raad

Grens bestemmingsplan door de raad

De standaardoverweging van de Afdeling bij het bepalen van de plangrens is als volgt:

Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad beleidsvrijheid tot bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht”. 

Dit is een hele ruime bevoegdheid. Dat er toch grenzen aan deze bevoegdheid zitten bewijst de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2013, no. 201204344/1/R2

Vaststaat dat het perceel van appellant in het ontwerp-bestemmingsplan was opgenomen. Naar de raad ter zitting heeft toegelicht, is het perceel van appellant bij de vaststelling van het plan buiten de begrenzing gelaten omdat bij de raad op het moment van vaststelling van het plan onvoldoende kennis bestond omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Hoewel de raad dit heeft onderkend, heeft de raad omwille van de tijd en de belangen van derden het bestemmingsplan vastgesteld voor de overige gronden in het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan. Nu de raad geen andere argumenten heeft gegeven voor het buiten het plan laten van het perceel van appellant, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de plangrens in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt”.

 

 

Handreiking Wet geurhinder en veehouderij bij motivering afstanden tussen woningen en intensieve veehouderij

Handreiking Wet geurhinder en veehouderij bij motivering voor afstanden tussen woningen en intensieve veehouderij

De gemeente heeft een projectbesluit met bouwvergunning verleend voor de bouw van 3 stallen, een loods, mestopslagsilo’s en een sleufsilo voor een intensieve veehouderij van meer dan 10.000 varkens.

Appellant stelt in beroep dat het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare geurhinder en dat hij ernstig in zijn woongenot zal worden aangetast. Volgens hem heerst er ter plaatse van zijn woning een slecht woon- en leefklimaat. Dit blijkt volgens hem uit de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij’, bijlagen 6 en 7. Deze praktische Handreiking is te downloaden via de website van Infomil. Al in een eerdere uitspraak van 25 januari 2012, no. 201008833/1/R1 accepteerde de Afdeling het gebruik hiervan ter facilitering van het bevoegd gezag. Dit blijkt nu bestendige jurisprudentie te zijn en dat is voor de praktijk erg prettig.

Zie uitspraak ABRS 3 april 2013, no. 201204483/1/A1

 

Ontgrondingenwet en bestemmingsplan

Ontgrondingenwet en bestemmingsplan: dalen grondwaterstand door zandwinning – nu de Ontgrondingenwet het kader is voor voorschriften hoeft het bestemmingsplan geen planregels te bevatten over mitigerende maatregelen

Het betreffende bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van de zandwinning van 15 hectare. Een nabij gevestigde agrariër stelt in beroep dat de grondwaterstand als gevolg van de uitbreiding van de zandwinning zowel tijdelijk als permanent zal dalen en dat dit zal leiden tot verminderd opbrengend vermogen van de gronden en daarmee tot droogteschade aan zijn gewassen. Volgens hem zullen zijn aan het plangebied grenzende landbouwgronden daarom minder geschikt zijn voor het telen van gewassen. Volgens hem is de mitigerende maatregel om binnen de groeiperiode van de gewassen geen zandwinning te laten plaatsvinden niet vastgelegd in de planregels.

De Afdeling overweegt: Niet in geschil is dat de grondwaterstand ten noorden van de zandwinplas, waar ook de gronden van appellant zijn gelegen, zal dalen als gevolg van de uitbreiding van de zandwinning. Om nadelige effecten zoveel mogelijk te beperken, is in het geohydrologische rapport aanbevolen om de zandwinning buiten het groeiseizoen van de gewassen te doen plaatsvinden. Er worden in het rapport geen mitigerende maatregelen aanbevolen ten behoeve van de landbouw. De aanbevolen beperking van de zandwinning is niet vastgelegd in de planregels. (…)

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, is het verboden zonder vergunning te ontgronden dan wel als eigenaar, erfpachter, (…) of gebruiker van enige onroerende zaak toe te laten, dat aldaar zonder vergunning ontgronding plaatsvindt. Ingevolge het tweede lid kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de ontgronding, de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken. 

(…) Ten behoeve van de belangen van appellant kunnen aan de vergunning krachtens de Ontgrondingenwet voorschriften worden verbonden om de hinder van de zandwinning op de gronden van appellant zoveel mogelijk te beperken. Nu de Ontgrondingenwet het kader is voor het opnemen van dergelijke voorschriften heeft de raad, anders dan appellant stelt, deze voorschriften niet in het plan hoeven op te nemen.  

Zie uitspraak ABRS 10 april 2013, no. 201207320/1/R4

Dwarsprofiel bestemmingsplan

Dwarsprofiel bestemmingsplan: Neem voor aanleg weg aantal rijstroken, dwarsprofielen of locatie van as van de weg op in bestemmingsplan

Wettelijk kader: Op grond van artikel 3.3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening, geeft het bestemmingsplan, voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder dat vereist aan: de functie van de voornaamste wegen, alsmede het dwarsprofiel of het aantal rijstroken daarvan dan wel de as van de weg waarmee gerekend is, bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt de aanleg van een weg mogelijk.

De Afdeling overweegt: “In de plantoelichting is een ontwerp van de inrichting van de voorziene nieuwe weg opgenomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de weg volgens deze inrichting zal worden aangelegd. Daarbij is aan de zijde van de woning van appellant een fietspad voorzien met daarnaast de weg met twee rijstroken. Uit het rapport van het akoestisch onderzoek volgt dat van dit ontwerp van de inrichting van de weg is uitgegaan. In de planregels is voor gronden met de bestemming ‘Verkeer’ echter geen bepaling opgenomen over het aantal rijstroken. Evenmin is een dwarsprofiel voorgeschreven of de locatie van de as van de weg in het plan opgenomen. De Afdeling overweegt dat gelet hierop en op de omvang van het plandeel met de bestemming ‘Verkeer’ het plan niet uitsluit dat de weg op kortere afstand van de woning van appellant wordt aangelegd, op de locatie waar volgens het inrichtingsontwerp een fietspad komt. De gevolgen voor de geluidsbelasting van deze andere, planologisch mogelijk gemaakte, inrichting van de weg zijn echter niet onderzocht, nu een dergelijke inrichting niet is beoogd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad op grond van artikel 3.3.1, eerste lid, onder b van het Bro in het plan het aantal rijstroken, de as van de weg of een dwarsprofiel had dienen op te nemen.”

Zie uitspraak ABRS 10 april 2013, no. 201110983/1/T1/R3

afwijkingsbevoegdheid bestemmingsplan voor uitbreiding bebouwing intensieve veehouderij milieugevolgen in beeld brengen

Afwijkingsbevoegdheid bestemmingsplan: Breng vóór het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan voor uitbreiding bebouwing intensieve veehouderij de milieugevolgen in beeld 

In een bestemmingsplan heeft de gemeente een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om uitbreiding van bebouwing bij een intensieve veehouderij mogelijk te maken. In het kader van de voorbereiding van het plan heeft de gemeente een milieueffectrapport uitgebracht. In het MER is geconcludeerd dat de voorziene intensieve veehouderij niet leidt tot significante gevolgen op het nabij gelegen Natura-2000 gebied.

Appellant betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht welke gevolgen de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid die is neergelegd in het bestemmingsplan, kan hebben voor het milieu en de natuur.

Volgens het MER is toepassing van de afwijkingsbevoegdheid alleen mogelijk onder voorwaarden die er met name toe strekken dat de milieugevolgen in afdoende mate binnen de perken blijven en is essentie niet anders worden dan in het MER beschreven.

De Afdeling overweegt: “dat met het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid de uitbreiding van de bebouwing die wordt gebruikt ten behoeve van de intensieve veehouderij tot 1 ha in beginsel planologisch aanvaardbaar moet worden geacht. Dit brengt met zich dat de raad reeds bij de vaststelling van het plan, en niet eerst bij de toepassing van de afwijkingsvoorwaarden, moet hebben afgewogen of de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid planologisch aanvaardbaar is. Gelet hierop heeft de raad de vraag of de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid gevolgen kan hebben voor het milieu en de natuur niet mogen afdoen met de enkele verwijzing naar de afwijkingsvoorwaarden. Het had op de weg van de raad gelegen in zoverre reeds bij de vaststelling van het plan nader onderzoek naar deze gevolgen te doen. Het plan is in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid vastgesteld.”

Zie uitspraak ABRS 10 april 2013, no. 201208049/1/R2