Bedrijfswoning bedrijventerrein en beperkingen geluidgevoelige bebouwing

Bedrijfswoning bedrijventerrein en planregel die beperkingen inhoudt voor geluidgevoelige bebouwing

In het bestemmingsplan is de aanduiding ‘geluidszone – industrie’ opgenomen. De geluidzone van het bestaande bedrijventerrein is bij KB van 24 juni 1993 vastgesteld.bedrijfswoning bedrijventerrein

De zone is het gebied rondom het bedrijventerrein en de zogenoemde 50 dB(A)contour. Binnen de zone mag de geluidbelasting op gevels van woningen niet hoger zijn dan 50 dB(A), tenzij het college van B&W een hogere waarde vaststellen. Deze waarde is ten hoogste 60 dB(A) voor bestaande of in aanbouw zijnde woningen.

Voor 6 woningen op het terrein is een hogere waarde vastgesteld. Voor 1 bestaande woning niet.

In het bestemmingsplan is in artikel 33.3 bepaald dat op gronden met de aanduiding ‘geluidzone – industrie’ geen geluidgevoelige bebouwing mag worden opgericht, tenzij ingevolge de Wet geluidhinder een hogere waarde is vastgesteld en gebouwd wordt met inachtneming van die hogere waarde.

De Afdeling “gaat er bij die woning waarvoor geen hogere waarde is vastgesteld, vanuit dat de geluidbelasting op de gevel van deze woning in overeenstemming is met de in artikel 57, eerste lid van de Wet geluidhinder genoemde waarden. In dat geval staat artikel 33.3 van de planregels en de daarbij behorende aanduiding ‘geluidzone – industrie’ in de weg aan mogelijke herbouw of nieuwbouw op het perceel, nu die planregel met zich brengt dat uitsluitend geluidgevoelige bebouwing mag worden opgericht als daarvoor een hogere waarde is vastgesteld. De Afdeling is van oordeel dat deze beperking niet valt terug te voeren op de Wet geluidhinder. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom deze beperking in het plan is opgenomen en of het gevolg dat bestaande woningen zonder hogere waarden niet mogen worden herbouwd was beoogd”

Noot: veel gemeenten besteden het opstellen van bestemmingsplannen geheel uit. Het gevaar daarbij is dat gemeentelijke ro-medewerkers de meestal standaardregels die bureaus gebruiken, niet goed meer controleren. Uit eigen ervaring weet ik dat het opstellen van bestemmingsplannen iets geheel anders is dan het controleren van bestemmingsplannen. Als je als ambtenaar alleen bestemmingsplannen controleert, ‘zit je onvoldoende in de inhoud’ van het bestemmingsplan en raak je de regie kwijt. Ook bij deze casus heb ik het sterke vermoeden dat door een bureau een standaardregel is gebruikt die je vaak ziet bij de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en waar de gemeente de consequenties niet heeft opgemerkt.

bedrijfswoning bedrijventerreinZie uitspraak ABRS 27 juni 2012, no. 201008988/1/R3.

Kleinschalig kamperen geen verblijfsrecreatie VNG-brochure

Kleinschalig kamperen geen verblijfsrecreatie ingevolge VNG-brochurekleinschalig kamperen

Een bestaande minicamping ligt op een afstand van 15 tot 20 meter van de bestemmingsgrens van een bedrijventerrein. De minicamping maakt onderdeel uit van een agrarisch bedrijf. Deze gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch’. Op grond van een omgevingsvergunning (afwijken bestemmingsplan) mag de grond gebruikt worden voor kleinschalig kamperen van 1 april tot 1 november voor ten hoogste 25 standplaatsen.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat de minicamping niet behoeft te worden beschermd tegen omliggende bedrijvigheid. Volgens de gemeente zijn de richtafstanden van de VNG-brochure niet van toepassing, omdat de minicamping geen zelfstandig recreatiebedrijf is, maar een nevenfunctie van het agrarisch bedrijf.

Volgens de Afdeling heeft de gemeente zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat in het onderhavige geval het kleinschalig kamperen niet hoeft te worden gelijkgesteld met verblijfsrecreatie als bedoeld in de VNG-brochure. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het kleinschalig kamperen gelet op de systematiek van het bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied’ ondergeschikt is aan het agrarische bedrijf en voorts gelet op het aantal toegestane standplaatsen en de toegestane openingsduur van beperkte omvang is.

Het voorgaande betekent volgens de Afdeling echter niet dat de kampeeractiviteiten in het kader van een goede ruimtelijke ordening op geen enkele wijze bescherming behoeven tegen de gevolgen van de door het plan mogelijk gemaakte milieubelastende activiteiten. De Afdeling stelt vast dat de raad de gevolgen van de door het plan mogelijk gemaakte milieubelastende activiteiten voor de gebruikers en exploitanten van de minicamping, waaronder het mogelijk optreden van geluid- en stankhinder, ten onrechte niet heeft betrokken in zijn afweging of de vestiging van het bedrijventerrein, zoals dat door het plan mogelijk wordt gemaakt, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Dit getuigt, mede gelet op de geringe afstand tussen de minicamping en de door het plan mogelijk gemaakte milieubelastende activiteiten, niet van een zorgvuldige belangenafweging in het kader van de voorbereiding van het plan. Zie verder ABRS 27 juni 2012, 201112199/1/R2.

omgevingsjurist

Stedelijk ontwikkelingsproject MER

Stedelijk ontwikkelingsproject MERstedelijk ontwikkelingsproject MER

In deze uitspraak van 13 januari 2010 komen twee belangrijke aspecten aan de orde:

  • wanneer is sprake van een stadsproject in de zin van categorie 11.2, onderdeel D bijlage, Besluit mer
  • wat beoordelen bij een m.e.r.-(beoordelings)plicht
Stadsproject Deze term is sinds 1 april 2011 vervangen door het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject‘. De Nota van Toelichting (Stb. 2011, 102) vermeldt: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. (..) Wat ‘stedelijke ontwikkeling’ inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Wat van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. “
M.e.r.-beoordelingsplicht (D-lijst Besluit m.e.r.)
  • check of het plan of besluit activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D bevat
  • ligt de activiteit boven de indicatieve drempelwaarden? Dan bestaat er een directe beoordelingsplicht of er een m.e.r. nodig is;
  • ligt de activiteit beneden de drempelwaarden? motiveer waarom er wel of geen m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Hierbij dienen de criteria uit bijlage III van de M.e.r.-richtlijn te worden betrokken.
  • omgevingsjurist

milieuvergunning en bestemmingsplan

Milieuvergunning en bestemmingsplan – hoe is de verhouding?milieuvergunning en bestemmingsplan

In deze uitspraak van 28 december 2011, LJN: BU9438  komt de verhouding tussen milieuvergunning en bestemmingsplan aan de orde. En dan vooral het aspect een goede ruimtelijke ordening. Welk deel wordt ingevuld door de milieuvergunning en welk deel door de afweging die bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet worden gemaakt.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt een vergroting van een agrarisch bouwperceel mogelijk voor een bestaande melkveehouderij. Het bouwperceel is uitgebreid om een tweede bedrijfswoning en een werktuigenberging mogelijk te maken. Er vind volgens de raad geen uitbreiding plaats in dieren, dieraantallen en aan- en afvoerbewegingen ten behoeve van het agrarisch bedrijf, te meer nu de geldende milieuvergunning van kracht blijft.

Volgens de Afdeling zijn de gevolgen van het plan beoordeel op grond van de vigerende milieuvergunning. “Een milieuvergunning kent echter een ander toetsingskader dan de Wro en kan in de toekomst worden gewijzigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient daarom te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan. Volgens de raad is de milieuvergunning nog niet geheel benut en is aldus rekening gehouden met een eventuele uitbreiding van het bedrijf op het nieuwe bouwvlak. De raad heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen de milieuvergunning nog aan uitbreidingsruimte biedt, overeenkomt met de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. Gelet hierop is niet zonder meer duidelijk dat het bestemmingsplan in zoverre, zoals de raad stelt, niet in betekenende mate kan bijdragen aan de concentratie stoffen als gevolg van de inrichting en de daarbij behorende verkeersbewegingen. Evenmin is inzichtelijk welke gevolgen appellanten daarvan anderszins kunnen ondervinden. Nu de raad niet heeft beoogd meer mogelijk te maken dan het toestaan van een tweede bedrijfswoning en op termijn de bouw van een werktuigenberging, ziet de Afdeling niet in waarom de raad er niet voor heeft kunnen kiezen de uitbreidingsmogelijkheden daartoe te beperken.”

Vragen?

omgevingsjurist

 

MER varkens en milieuvergunning

MER varkens en milieuvergunningMER varkens

In onderdeel C, onder 14, van de bijlage van het Besluit mer (oud), is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht voor een plan dat het kader vormt voor het houden van meer dan 3000 vleesvarkens.

Op grond van de geldende agrarische bestemming is het houden van dieren toegestaan. In de op dit perceel gevestigde varkenshouderij zouden op basis van het geldende bestemmingsplan meer dan 3000 vleesvarkens kunnen worden gehuisvest. Op grond van de onherroepelijke milieuvergunning is het houden van maximaal 3000 vleesvarkens toegestaan.

Voor het perceel is een wijzigingsplan vastgesteld. Dit wijzigingsplan maakt het mogelijk om het bouwvlak te verplaatsen. Als gevolg hiervan is het mogelijk om het houden van meer dan 3000 vleesvarkens mogelijk te maken. De Afdeling oordeelt dat dit wijzigingsplan het kader vormt voor het houden van meer dan 3000 vleesvarkens. Evenmin is uitgesloten dat het plan het kader vormt voor andersoortige activiteiten waarvoor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van artikel 2, vierde lid, van het Besluit mer moet worden genomen. Het voorliggende plan is derhalve het eerste plan waarbij gelet op hetgeen hiervoor is overwogen een m.e.r. moet worden uitgevoerd. (..) Omdat het ontbreken van een m.e.r. een essentieel onderdeel vormt van de voorbereiding van dit wijzigingsplan, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.”

Lessen voor de praktijk: Deze uitspraak maakt weer eens duidelijk hoe belangrijk het is om de diverse besluiten die bij een plan worden genomen, te onderscheiden en te betrekken bij de beoordeling of er al dan niet een m.e.r. moet worden genomen. Oordeel niet te snel dat er geen m.e.r. nodig is, omdat het geldende bestemmingsplan de activiteit reeds mogelijk maakt, maar check zorgvuldig de lijsten die in bijlage C en D van het Besluit mer worden genoemd.  Als een wijzigingsplan meer mogelijk maakt dan een eerder verleende vergunning, dan kan dat plan wel kaderstellend zijn voor nog te nemen besluiten. Dit heeft als gevolg dat voor het wijzigingsplan een plan-m.e.r.- moet worden doorlopen. Bedenk hierbij dat de gevolgen voor het milieu van het project in kaart moeten worden gebracht. Als een wijzigingsplan geen 1-op-1 inpassing van de vergunde activiteit is, zijn de gevolgen van het project en van het plan niet gelijk.

Zie voor de uitspraak ABRS 20 juni 2012, no. 201104811/1/R2, r.o. 2.5.1 e.v.

omgevingsjurist

 

Onlosmakelijke samenhang omgevingsvergunning

Onlosmakelijke samenhang omgevingsvergunningonlosmakelijke samenhang

Deze uitspraak van 12 oktober 2011 betreft een handhavingszaak. De gemeente had een kinderdagverblijf aangeschreven om de verbouwing van fysioruimte naar kinderdagverblijf ongedaan te maken. De volgende werkzaamheden moesten ongedaan worden gemaakt:

  • het dempen van het zwembad met zandpakket
  • het maken van een vloer
  • het realiseren van een verdiepingsvloer
  • het plaatsen van een vluchttrap aan de buitenzijde van het gebouw
  • het aanbrengen van diverse gevelwijzigingen in de voorgevel en de rechterzijgevel
  • het maken van scheidingswanden op de vloeren
De voorzieningenrechter had eerder geoordeeld dat het college van b&w niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen het dempen van het zwembad met een zandpakket en het maken van scheidingswanden op de vloeren. Het college tekende hiertegen beroep aan.
Volgens de Afdeling terecht: “Het college draagt terecht voor dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat tussen de verschillende genoemde werkzaamheden een onlosmakelijke samenhang bestaat, nu deze werkzaamheden deel uitmaken van één samenhangend, aanvankelijk vergund bouwplan en derhalve voor de bevoegdheid tot handhaving van het college als één geheel dienen te worden beschouwd. Daarbij is van belang dat het bouwplan als geheel, dat diende ten behoeven van het omvormen van een fysioruimte naar een kinderdagverblijf, niet kon worden gerealiseerd zonder het dempen van het zwembad met een zandpakket.
De Afdeling sluit hierbij aan bij haar jurisprudentie met betrekking tot de aanvraag om bouwvergunning, waarin is bepaald dat splitsing van een bouwplan dat uit verschillende onderdelen bestaat, waaronder mogelijk op zichzelf beschouwd niet-vergunningplichtige onderdelen, in beginsel niet mogelijk is en dit als één geheel dient te worden beschouwd. 
Het kan alleen worden gesplitst indien het bestaat uit onderdelen die in functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden, hetgeen naar het oordeel van de Afdeling het geval is.”
omgevingsjurist

maatregelen akoestisch onderzoek borgen in planregels

Maatregelen akoestisch onderzoek borgen in planregels bestemmingsplanmaatregelen akoestisch onderzoek

Het bestemmingsplan dat ter sprake komt in de uitspraak van 20 juni 2012, 201009359/1/R1 maakt de bouw van 500 woningen mogelijk. De eigenaar van de naastgelegen drukkerij stelt beroep in en geeft aan dat  hij door de woningbouw in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Hij stelt dat er op grond van de VNG-brochure minimaal 30 m afstand moet worden aangehouden tussen zijn bedrijf en de woningen vanwege het aspect geluid.

Volgens de raad blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen voldoet aan de geluidnorm van 50 dB(A) (dagperiode) die in het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim) is gesteld en aan de norm van 45 dB(A) die in de gemeentelijke geluidnota is gesteld. De geluidbelasting vanwege de bedrijfsactiviteiten overschrijdt volgens de raad weliswaar ter plaatse van één van de in het plan voorziene woningen de geluidnorm die in de gemeentelijke geluidnota is gesteld, maar deze overschrijding kan worden weggenomen door het plaatsen van een erfafscheidingsmuur. 

De Afdeling over maatregelen akoestisch onderzoek:  “dat de oprichting van de erfafscheidingsmuur niet in (de planregels van) het plan is gewaarborgd: “Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad de oprichting van de muur wel noodzakelijk acht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, heeft de raad de aanleg daarvan ten onrechte niet in het plan geregeld.”

Praktijktip: controleer altijd of er in het akoestische rapport maatregelen worden aangekondigd die eventueel in het bestemmingsplan moet worden gewaarborgd. De waarborging kan plaatsvinden in de planregels door middel van een voorwaardelijke verplichting.

Vragen?

omgevingsjurist

Stemgeluid kinderen en geluidsoverlast voor omwonenden

Stemgeluid kinderen en geluidsoverlast voor omwonendenstemgeluid kinderen

In een uitspraak van 20 juni 2012, no. 201109654/1/T1/R1, gaat het over de vermeende geluidsoverlast vanwege stemgeluid kinderen die gebruik maken het grasveld als speelplaats en voetbalveld.  De achtertuinen van appellanten grenzen aan het grasveld. Dit grasveld is publiek toegankelijk en grenst voor een gedeelte aan het schoolplein.

Uit de uitspraak komen de volgende leerzame aspecten ter sprake:

  1. Stemgeluid en inrichting
    Appellant voert aan dat het grasveld deel uitmaakt van de brede school en het tevens een onderdeel is van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer.
    De Afdeling laat deze opmerking buiten beschouwing, omdat ook als het plangebied onderdeel is van een inrichting als bedoeld in de Wm het stemgeluid van personen op het grasveld op grond van artikel 2.18 van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim) niet hoeft te worden betrokken bij de vraag of wordt voldaan aan de geluidnormen die in het Barim aan een inrichting worden gesteld.Desondanks moet de gemeente wel afwegen of geluidsoverlast als gevolg van menselijk stemgeluid uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.
  2. Stemgeluid en een goede ruimtelijke ordening / Stem bestemmingsplan af op uitkomsten akoestisch rapport
    Uit deze uitspraak blijkt weer eens hoe belangrijk het is om het akoestische rapport en de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, goed af te stemmen.  Het akoestische rapport gaf aan dat het grasveld in totaal 3 uur per dag zal worden gebruikt. De buurtbewoner had echter op de zitting bij de Raad van State met een film aangetoond dat overdag meer dan 20 kinderen tegelijkertijd het plangebied als speelplaats gebruiken. Verder liet het bestemmingsplan lichtmasten toe. De Afdeling merkt op dat indien lichtmasten worden geplaatst, het aannemelijk is dat het plangebied ’s avonds langer en intensiever zal worden gebruikt dan waarvan in het rapport is uitgegaan.

Tenslotte maakt het bestemmingsplan mogelijk dat de voorziene speelvoorziening bij de grens van het plangebied wordt gesitueerd – bij de tuinen van de bewoners – terwijl in het akoestische rapport wordt uitgegaan van een afstand van 40 m van de tuinen van de woningen.

omgevingsjurist

gasleiding borgen in bestemmingsplan

Gasleiding borgen in bestemmingsplangasleiding

Op grond van artikel 14, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft een bestemmingsplan de ligging weer van de in het plangebied aanwezige buisleidingen, alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook voor het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook moet tenminste 5 meter aan weerszijden van de buisleiding bedragen.

De gemeente had in dit geval de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ toegekend. In deze bepaling was tevens een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om af te wijken van het verbod om in een dergelijk gebied te bouwen, mits vooraf advies werd ingewonnen bij de leidingbeheerder. Zie ABRS 20 juni 2012, no. 201200554/1/R4.

De Afdeling keurt deze constructie niet goed en overweegt: “Voor de verlening van een ontheffing is niet voldoende dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de leiding en de veiligheid daarvan, nu ingevolge artikel 14, derde lid, van het Bevb, de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding in het geheel niet mag worden geschaad. Dit artikel biedt geen grondslag voor (..) beoordelingsruimte in planregels. 

Tip voor de praktijk: Deze uitspraak maakt duidelijk dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij artikel 14 Bevb. In het derde lid staat dat de buisleiding niet mag worden geschaad. Dat is iets anders dan ‘geen onevenredige afbreuk doen aan het doelmatig functioneren van de buisleiding’.

omgevingsjurist

 

Overlast evenementen regelen in bestemmingsplan

Overlast evenementen regelen in bestemmingsplanoverlast evenementen

Er zijn inmiddels al aardig wat uitspraken verschenen over het regelen van evenementen in het bestemmingsplan. Hierbij een handig overzicht dat je kunt downloaden. In een uitspraak van 20 juni 2012, no. 201109470/1/R4 bevestigt de Afdeling nog eens haar lijn:

het ligt op de weg van de planwetgever om omtrent, onder meer, het toegestane aantal evenementen per jaar, de soorten en de maximale bezoekersaantallen voorschriften te stellen, voor zover dat uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid van een evenemententerrein op een bepaalde locatie van belang is. Het gaat hier om de beoordeling en de afweging of een bestemming die gedurende een planperiode evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Deze beoordeling en afweging is een andere dan die op grond waarvan, in een concreet geval, voor een evenement al dan niet vergunning op grond van de APV wordt verleend. Regulering van evenementenvergunningen in de APV geschiedt immers met name vanuit het oogpunt van de openbare orde, en waarborgt niet de vereiste planologische zekerheid.”