maximale planologische mogelijkheden en akoestisch rapport

Maximale planologische mogelijkheden en akoestisch rapportmaximale planologische mogelijkheden

De onderhavige wijzigingsbepaling in een bestemmingsplan maakt de bouw mogelijk van twee woningen nabij een boomkwekerij. In de wijzigingsvoorwaarden stond aangegeven dat er uit milieuoogpunt geen bezwaren mogen bestaan voor de vestiging van de woningen. Tevens mogen de woningen geen belemmering vormen voor bedrijfsactiviteiten in de omgeving.

De kweker betoogt dat in en bij de woningen, die na de wijziging gebouwd kunnen worden, geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Hij vreest verder een beperking van zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden. Hij betrekt hierin de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ die uitgaat van een afstand van 30 m. Hij geeft aan dat er ter plaatse een te hoge geluidbelasting is te verwachten.

De gemeenteraad stelt dat er aan de aanbevolen afstand uit de VNG-brochure kan worden voldaan. De raad baseert zich op een akoestisch onderzoek waarin de geluidbelasting van het bedrijf op de voorziene woningen is onderzocht. Hierin is uitgegaan van de feitelijke activiteiten op de gronden en is geconcludeerd dat aan het Besluit landbouw kan worden voldaan.

De Afdeling overweegt: “Blijkens het rapport wordt op een deel van de gronden de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) en het maximale geluidsniveau van 70 dB(A) overschreden. Vaststaat dat in het rapport is uitgegaan van de huidige feitelijke bedrijfsvoering en niet van de benutting van de maximale planologische mogelijkheden ter plaatse van de gronden van de kwekerij. Als hiervan wordt uitgegaan en aan de voorzijde van zijn perceel bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, de zone van 30 m ook over de voorziene woningen komt te liggen en dat de desbetreffende grenswaarden bij de woningen kunnen worden overschreden. De raad heeft miskend dat in zoverre geen invulling aan de wijzigingsbevoegdheden kan worden gegeven waarbij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Niet in geschil is dat de inrichting thans onder de werking van het Besluit landbouw milieubeheer valt. Nu het plan voorziet in de bouw van woningen op minder dan 50 m afstand van de inrichting is niet uit te sluiten dat de inrichting in dat geval niet meer onder de werking van het Besluit kan vallen (…).” Zie verder r.o. 2.3.5 e.v. van uitspraak ABRS 25 april 2012, LJN: BW3848.

Tip voor de praktijk: Ga bij het bepalen van een goede ruimtelijke ordening – zowel een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners als dat de bedrijfsvoering van een omliggend bedrijf niet mag worden beperkt – van het worst-case-scenario. Betrek hierin de maximale planologische mogelijkheden.

Voor meer informatie

omgevingsjurist

spuitzones boomgaarden en tuinen woningen

Spuitzones boomgaarden en tuinen woningenspuitzones boomgaarden

Een groot misverstand is dat bij het meten van de afstand tussen een boomgaard en te realiseren woningen wordt gemeten van het bouwvlak (of gevel van woning) tot de boomgaard. Dit komt waarschijnlijk omdat de vergelijking wordt gemaakt met de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering. De aldaar genoemde richtafstanden gaan immers uit van afstanden van de gevels van woningen tot aan de grens van percelen die bedrijvigheid mogelijk maken.

Van belang is om de achtergrond te weten van spuitzones. Bij het bespuiten van gewassen komt namelijk spuitvloeistof (drift) vrij. Deze spuitnevel kan ook op gazons en omliggende perken neerkomen. Dit kan – afhankelijk van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen – een risico vormen voor de gezondheid van omwonenden. De Afdeling heeft al vaker geoordeeld dat ook tuinen bij woningen bescherming toekomen. Met andere woorden: er dient gemeten te worden vanaf het bestemmingsvlak ‘Wonen’ of (in voorkomende gevallen) ‘Tuin’. Dit wordt nog eens bevestigd in een uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012, 201012191/1/R3.

Lees meer over spuitzones van boomgaarden.

Schakel De Omgevingsjurist in voor een onderbouwing over spuitzones van boomgaarden en woningen.

omgevingsjurist

vooroverleg provincie over bestemmingsplan altijd nodig?

Vooroverleg provincie over bestemmingsplan altijd nodig?vooroverleg provincie

Juridisch kader vooroverleg provincie: Op grond van artikel 3.1.1 lid 1 van het Bro zijn burgemeester en wethouders verplicht in het kader van de voorbereiding van de bestemmingsplanprocedure overleg te voeren met de diensten van de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening.

Praktijk: In de praktijk worden – is mijn vermoeden – de meeste conceptplannen wel opgestuurd naar de provincie voor het vooroverleg. Dit is voor de meeste gemeenten ook belangrijk, omdat een goede band tussen provincie en gemeente ook bij de beoordeling van latere plannen van belang is.

In de casus die in de uitspraak van 18 januari 2012 aan de orde kwam had de gemeente een bestemmingsplan niet aan de gemeente voorgelegd. Dit klinkt heel ernstig, maar uit ervaring weet ik dat in de praktijk de elektronische aanmelding van conceptplannen via provinciale websites niet altijd even goed verloopt. Het uploaden van bestanden verloopt niet altijd gestroomlijnd. In dat geval kan het voorkomen dat een plan blijft liggen en niet aan de provincie wordt voorgelegd. Het is in dat geval praktisch om even telefonisch contact op te nemen met een provinciale ambtenaar en per e-mail de stukken toe te zenden.

De Afdeling is streng en oordeelt: “Uit hetgeen is weergegeven met betrekking tot de nota van toelichting omtrent artikel 3.1.1, eerste lid van het Bro, (..) volgt daaruit dat slechts bij hoge uitzondering, indien het duidelijk gaat om een herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, geen overleg zal hoeven plaats te vinden. Een dergelijke uitzondering doet zich hier niet voor, aangezien het plan voorziet in de mogelijkheid om na uitwerking meer dan 200 woningen te realiseren”.

 

Opfokken paarden kan vallen onder agrarisch bedrijf

Opfokken paarden kan vallen onder definitie van agrarisch bedrijfopfokken paarden

In deze handhavingszaak kwam wederom het verschil tussen het fokken en het opfokken van paarden aan de orde. Het fokken van paarden wordt in de meeste bestemmingsplannen als aan agrarisch bedrijf aangemerkt, omdat het valt aan te merken als het voortbrengen van producten, door middel van het houden van dieren. Het opfokken van paarden meestal niet. 

Toch is het verschil niet altijd even duidelijk; het is een grijs gebied. Hoe zit het dan met het trainen en africhten van jonge paarden die op het eigen bedrijf zijn gefokt?

De Afdeling overweegt hier: “Van belang is dat het hier niet gaat om het africhten van elders gefokte paarden. Het africhten, trainen (opfokken) van verkopen van ter plaatse op het bedrijf gefokte paarden, die eigendom zijn van appellant, hangt zodanig samen met het fokken van paarden, dat deze activiteiten kunnen worden beschouwd als behorende bij het uitoefenen van een agrarisch bedrijf, als bedoeld in de planvoorschriften. Het bedrijf is ook in zoverre aan te merken als een productiegerichte paardenhouderij, waarbij het africhten van de gefokte paarden ten behoeve van de verkoop dient te worden aangemerkt als onderdeel van de paardenfokkerij, zodat dit gebruik ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan.” Zie ABRS 18 april 2012, 201106938/1/A1.

omgevingsjurist

 

 

maatwerkvoorschrift Activiteitenbesluit en aanvaardbaar woon- en leefklimaat

Maatwerkvoorschrift Activiteitenbesluit en aanvaardbaar woon- en leefklimaatmaatwerkvoorschrift activiteitenbesluit

Casus Bij een vestiging van een nieuwe discotheek zullen omwonenden in de regel bezwaren hebben tegen te verwachten geluidsoverlast. In de casus die in Amsterdam afspeelt was dit ook het geval. Uit deze casus blijkt weer eens hoe belangrijk het is om bijv. in het bestemmingsplan door middel van een voorwaardelijke bepaling vast te leggen dat aan de geluidnormen moet worden voldaan (in verband met een goed w00n- en leefklimaat).

De gemeente stelt zich op het standpunt dat het plan geen onaanvaardbare geluidhinder met zich brengt. De gemeente geeft aan dat aan de geluidnormen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim) kan worden voldaan. Volgens het akoestische onderzoeken zullen de geluidnormen van artikel 2.17 van het Barim op de gevel van het in aanbouw zijnde appartementencomplex worden overschreden. Om die reden dienen er geluidwerende voorzieningen te worden getroffen. Na het treffen van de beoogde voorzieningen zal de geluidbelasting op de gevels van de woningen aan de geluidnormen van art. 2.17 van het Barim voldoen.

De Afdeling overweegt over maatwerkvoorschrift Activiteitenbesluit dat “gelet op het voorgaande de gemeente aannemelijk heeft mogen achten dat bij het treffen van de voorgestelde maatregelen de toegelaten discotheek aan de geluidnormen van art. 2.17 van het Barim kan voldoen. Voorts heeft de gemeente zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er bij het voldoen aan de normen van art. 2.17 van het Barim sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat niet op enigerlei wijze is uitgesloten dat de gemeente toepassing zal geven aan art. 2.20 van het Barim, op grond waarvan het bevoegd gezag, in afwijking van de geluidnormen van art. 2.17 bij maatwerkvoorschrift hogere waarden kan vaststellen. Dit klemt temeer, nu Bedrijf X ter zitting heeft verklaard dat zij weliswaar bereid is de voorgestelde geluidisolerende maatregelen te treffen, maar dat zij zal bezien in hoeverre een aanvraag voor het vaststellen van maatwerkvoorschriften om af te wijken van de geluidnormen van art. 2.17 van het Barim, een goedkoper en efficiënter alternatief is.

Het vaststellen van hogere waarden bij maatwerkvoorschrift krachtens  art. 2.20 van het Barim betekent evenwel niet zonder meer dat nog een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden is gegarandeerd. Bij de beoordeling of alsdan sprake is van een goed woon- en leefklimaat dienen alle omgevingsfactoren te worden betrokken. Hierbij speel onder meer een rol dat in de notitie is vermeld dat het energetisch gemiddeld muziekniveau in de toegelaten discotheek 100 dB(A) bedraagt en ter zitting is gebleken dat de afstand van de toegelaten discotheek tot de dichtstbijzijnde woningen 25 meter is.

Gelet hierop heeft de gemeente zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre geen onevenredige geluidhinder voor de omwonenden met zich brengt, zonder dat hij ofwel de toepassing van de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschriften hogere waarden vast te stellen op enigerlei heeft uitgesloten, ofwel heeft gemotiveerd dat in het licht van alle omgevingsfactoren met het vaststellen van hogere waarden bij maatwerkvoorschrift krachtens art. 2.20 van het Barim nog een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden is gegarandeerd.” Zie ABRS 11 april 2012, no. 201005158/1/T1/R2, r.o. 2.4.6.

omgevingsjurist

VNG-brochure jachthaven en recreatiewoningen

VNG-brochure jachthaven en afstand recreatiewoningenvng-brochure jachthaven

Zoals bekend zijn de in de VNG-brochure genoemde afstanden indicatief van aard. In deze casus gaat het om de aan te houden afstand tussen een bestaande jachthaven en voorziene recreatiewoningen. Volgens de VNG-brochure behoort een jachthaven tot milieucategorie 3.1. Voor deze categorie wordt in een gemengd gebied een afstand van 30 m aanbevolen tussen de perceelsgrens van een bedrijf en de gevel van een woning vanwege het aspect geluid.

De feitelijke afstand tussen de jachthaven en de beoogde recreatiewoningen bedraagt 25 m en 10 m. In de plantoelichting staat vermeld dat gezien de aard en schaal van het gebied en de jachthavens in overweging nemende, de bouw van de recreatiewoningen in het plangebied aanvaardbaar wordt geacht en dat mogelijke (milieu)hinder van jachthavens inherent is aan een gebied voor recreatie en – toerisme.

De Afdeling oordeelt in een uitspraak van 11 april 2012, (no. 201103639/1/R3) dat in het kader van een goed woon- en leefklimaat een onderzoek om te bepalen of en hoe een vergelijkbare geluidkwaliteit (zoals bij de aanbevolen afstand van 30 m) bij de voorziene recreatiewoningen behaald kan worden, ontbreekt. Met de enkele stelling dat de hinder van jachthavens voor recreatiewoningen inherent is aan het voor waterrecreatie en watertoerisme bestemde gebied heeft de raad niet aannemelijke gemaakt dat de hinder ter plaatse van de voorziene recreatiewoningen niet onevenredig belastend zijn. (VNG-brochure jachthaven).

spuitzones boomgaarden en bestaande woningen

Spuitzones boomgaarden en bestaande woningenspuitzones boomgaarden

Over het algemeen wordt over het al dan niet opnemen van spuitzones in bestemmingsplannen erg lichtvaardig gedacht door gemeenten. In dit geval ging het om het niet opnemen van spuitzones rondom bestaande kernen in het buitengebied  van een gemeente in de Betuwe. Zoals bekend mag worden verondersteld kan het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid van omwonenden van een boomgaard. Bij het bespuiten van de bomen komt drift vrij dat schadelijk kan zijn. Dit geldt echter niet voor alle middelen. Ik verwijs verder naar mijn publicatie in het juridische tijdschrift Milieu & Recht nr. 9, 2011. Ook in onderhavige uitspraak – evenals vele andere uitspraken over spuitzones – ontbreekt het aan onderbouwing waarom geen spuitzones in het plan zijn opgenomen.

Spuitzones boomgaarden – De gemeente stelt zich op het standpunt dat geen verplichting bestaat tot het opnemen van spuitzones en dat bestemmingen zodanig kunnen worden gelegd dat aan de afstand van een spuitzone wordt voldaan. (..) Volgens de gemeente is verder van belang dat het plan een conserverend karakter heeft en dat de bestaande situaties daarin zijn gehandhaafd. De gemeente wijst erop dat er in de kernen van oorsprong een sterke vermenging van agrarische functies en woonfuncties kent en dat in een groot aantal gevallen de afstand tussen deze functies minder dan 50 m bedraagt. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de normafstand van 50 m.

De Afdeling overweegt: “Ter zitting is gebleken dat de gemeente voorafgaand aan de keuze om in het plan geen spuitzones op te nemen rond de genoemde bebouwingsconcentraties, geen nader onderzoek heeft verricht naar de feitelijke situaties ter plaatse. Daardoor is niet inzichtelijk gemaakt of binnen een zone van 50 m en minder rondom deze bebouwingsconcentraties gronden liggen, waar volgens het plan fruitteelt mag plaatsvinden en met gewasbeschermingsmiddelen gespoten mag worden, maar deze gronden geheel of gedeeltelijk voor dat doel nog niet worden gebruikt en zo ja, of aanleiding bestaat voor de betreffende gronden geheel of gedeeltelijk in een spuitzone te voorzien. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van de gemeente om in het geheel af te zien van het opnemen van spuitzones in het plan onvoldoende onderbouwd. Het betoog slaagt.”

Zie ABRS 18 april 2012, no. 201006290/1/R2.

Woningen mogelijk maken bij boomgaarden? 2nd opinion nodig?

omgevingsjurist

Richtafstanden VNG-brochure en feitelijke bedrijfsactiviteiten

Richtafstanden VNG-brochure en feitelijke bedrijfsactiviteitenrichtafstanden VNG-brochure

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet de invloed van bestaande bedrijvigheid op nieuwe ontwikkelingen, zoals woningbouw, worden afgewogen. Met milieuzonering kunnen grenzen worden gesteld aan de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten. Als hulpmiddel hierbij wordt meestal de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. De lijsten in dit boekje hanteren richtafstanden voor alle denkbare activiteiten (Richtafstanden VNG-brochure). De afstanden zijn indicatief van aard, zodat er gemotiveerd van kan worden afgeweken. Omdat volgens jurisprudentie deze afstanden worden gezien als basisafstanden, is het goed om te beseffen dat bij het afwijken van de richtafstanden de motivering ‘goed in elkaar’ moet steken en gebaseerd moet zijn op onderzoek.

In een uitspraak van 11 april van de Afdeling (no. 201101342/1/T1/R1) is de afstand tussen een bestaande bakkerijgrondstoffenfabriek en beoogde nieuwbouw van woningen aan de orde. Appellant vreest een onaanvaardbare geurhinder voor de bewoners van de in het plan voorziene woningen. Volgens hem is ten onrechte geen rekening gehouden met de richtafstanden uit de VNG-brochure. Volgens hem valt het bedrijf onder categorie 4.1, als gevolg waarvan een afstand van tenminste 200 m tot de voorziene woningbouw moet worden aangehouden. Het bedrijf van appellant ligt op ongeveer 70 m afstand van het plangebied.

Volgens de Afdeling is de gemeente bij haar onderzoek niet uitgegaan van de juiste feitelijke situatie. De woorden ‘zover bekend’ sluiten niet uit dat de gemeente niet op de hoogte was van de concrete feitelijke situatie van het bakkerijbedrijf. In dat verband is van belang dat een beschrijving van de bedrijfsactiviteiten en de bedrijfsvoering ontbreekt. Niet duidelijk is welke norm in het onderzoek van de gemeente is gehanteerd op basis waarvan de raad het standpunt inneemt dat het bakkerijbedrijf geen ernstige geurhinder tot gevolg heeft en het plan in zoverre een aanvaardbaar woon- en leefklimaat waarborgt voor de bewoners van de voorziene woningbouw.

Tip voor de praktijk Naast informatie over geldende regelgeving (vergunning of melding) dat van toepassing is op het bedrijf, is het van belang de feitelijke situatie vast te stellen. Welke activiteiten voert het bedrijf uit? Wat is de huidige bedrijfsvoering? In de praktijk zie ik te vaak onderbouwingen waarin niet de feitelijke situatie van het bedrijf wordt weergegeven, omdat men al tijden niet bij het bedrijf is geweest. Heel vaak wordt ‘oude informatie’ van een bedrijfsbezoek van jaren geleden in de onderbouwing gebruikt. Daar komt u niet ver mee.

cumulatie geurhinder en aanvaardbaar woon- en leefklimaat

Cumulatie geurhinder en aanvaardbaar woon- en leefklimaatcumulatie geurhinder

Het is standaardjurisprudentie van de Afdeling dat indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm wordt overschreden, dit niet met zich brengt dat ter plaatse van de overschrijding geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal bestaan. Evenmin kan indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele norm niet wordt overschreden, er zonder meer van worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. 

Casus Met een wijzigingsplan wordt een vleeskalverhouderij mogelijk gemaakt. In de toelichting van het wijzigingsplan staat vermeld dat de geurbelasting ter plaatse voldoet aan de gestelde normen in de Wet geurhinder en veehouderij en er dus sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. Gezien bovengenoemde jurisprudentie kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat er in dat geval het wijzigingsplan in overeenstemming is met een goed woon- en leefklimaat. Met andere woorden: daar is meer informatie voor nodig.

De Afdeling geeft onder meer aan dat “de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied had moeten worden onderzocht. In ieder geval had de cumulatie van stankhinder vanwege alle omliggende veehouderijen bij de beoordeling moeten worden betrokken. Zie verder r.o. 2.6.1 van uitspraak ABRS 11 april 2012, 201010477/1/R1.

principeverzoek bouwplan en terugkrabbelen gemeente

Principeverzoek bouwplan en terugkrabbelen gemeenteprincipeverzoek bouwplan

Een hele belangrijke uitspraak voor de praktijk! In deze uitspraak van 15 juni 2012 oordeelt de Afdeling dat een college van b&w niet zonder zwaarwegende reden kan afwijken van een eerdere principeuitspraak. In de principeuitspraak had het college ingestemd met het voorstel en wilde medewerking verlenen. Later bij de formele bouwaanvraag kwam de gemeente hierop terug. De Afdeling overweegt als volgt:

Wel zal het college bij het alsnog weigeren om vrijstelling te verlenen deugdelijk dienen te motiveren waarom het van inzicht is veranderd. Daarbij zal het college voorts de gevolgen van het bij de verzoeker om vrijstelling door de aanvankelijk uitgesproken bereidheid gewekte vertrouwen dienen af te wegen tegen de door de weigering gediende belangen en onder ogen moeten zien, of die afweging tot het verlenen van enige compensatie noopt. (..)

De inbreuk op het door het college bij appellant gewekte vertrouwen kan niet worden gerechtvaardigd door de enkele omstandigheid, dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Juist door het verlenen van vrijstelling wordt hierop een uitzondering gemaakt en de principetoezegging was daarop gericht. ” Zie verder r.o. 2.4.4 van ABRS 15 juni 2011, LJN: BQ7946. 

In een latere uitspraak komt dit onderwerp wederom aan de orde, zie ABRS 7 september 2011, 201104111/1/H1.

Praktijktip over principeverzoek bouwplan: Ik raad u aan om eerst vooroverleg te voeren met de gemeente over een nieuw bouwproject of andere ontwikkeling. Dien nooit direct een formele aanvraag om omgevingsvergunning in bij de gemeente. Met een principeuitspraak heeft u enige zekerheid over uw plan. Wacht vervolgens niet te lang met het daarna indienen van de formele aanvraag.

omgevingsjurist