gemeenteambtenaar is ook maar een mens!

Gemeenteambtenaar is ook maar een mens!gemeenteambtenaar

Het is voor u misschien een open deur en heel normaal, maar behandel aan ambtenaar zoals u zelf ook behandeld wilt worden. Een gemeenteambtenaar krijgt veel narigheid over zich heen: boze burgers, ontevreden ondernemers, bestuurlijke druk van wethouders of raadsleden, ingewikkelde of tegenstrijdige wetgeving, etc.

U hoeft zeker geen medelijden te hebben met een gemeenteambtenaar, maar een respectvolle omgang is op zijn plaats. Veel ondernemers en professionals in de bouw vinden ambtenaren maar een lastige groep: er zijn er te veel van, ze maken te veel regeltjes en houden vrijwel elke ontwikkeling tegen. Dit hardnekkige beeld is nog steeds aanwezig bij een groot deel van ondernemend en bouwend Nederland. Naar mijn mening is dit onterecht. Bij de meeste afdelingen die aanvragen over bouw en ruimtelijke ordening afhandelen wordt over het algemeen hard en met inzet gewerkt.

Een gebrek aan inlevingsvermogen en verkeerde aanpak is een grote oorzaak van vertraging van bouwaanvragen en misverstanden Besef dat een overheidsinstelling geen bedrijf is. Er wordt op een andere manier gewerkt. Een ambtenaar kan geen uitspraken doen of iets mag of niet. Daarover beslist het college van b&w of de gemeenteraad. Een ambtenaar kan u wel informatie geven, maar is geen adviseur. Wilt u meer zekerheid? Dien dan een principeverzoek of verzoek tot vooroverleg in. Dan krijgt u antwoord van het college.

Een probleem waar u nu en in de nabije toekomst extra rekening mee moet houden is dat je vanwege bezuinigingen langer moet wachten. De Afdelingen zijn steeds minder goed ‘bemand’. Steeds minder ambtenaren zullen alle aanvragen of verzoeken moeten behandelen. Hou hier rekening mee en verwacht niet dat een verzoek binnen 2 weken wordt afgehandeld. Dit voorkomt teleurstellingen en verkeerde verwachtingen.

Hoewel u aan bezuinigingen niets kunt doen en de werkwijze van de gemeente niet kunt veranderen, zijn er wel aspecten die u zelf in de hand hebt. Hierbij enkele tips om je bouwaanvraag te versnellen:

  1. dien een principeverzoek of verzoek tot vooroverleg in
    Dien nooit direct een formele bouwaanvraag in, maar leg uw bouwproject of verzoek tot wijziging van een bestemmingsplan informeel voor.
  2. onderbouw uw voorstel met kwaliteit
    Lever kwaliteit aan. Situatieschetsen die even snel met de hand worden gemaakt en niet op schaal, werken vertraging in de hand. Lever in elk geval een situatietekening op schaal aan.
  3. maak een pretoets van uw verzoek
    Het is belangrijk om een onderbouwd voorstel in te dienen. Betrek hierin Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Laat zien waarom volgens u de ontwikkeling of het bouwplan mogelijk is. Anticipeer alvast op nieuwe wetgeving of ontwikkelingen.
  4. Ga niet in een ‘bokshouding’ naar de gemeente
    Behandel de ambtenaar vriendelijk en met respect. Laat je vooroordelen over ambtenaren thuis. Het blijft mensenwerk. Besef ook dat een ambtenaar niet zelf beslissingen kan nemen, dat doet het college of de gemeenteraad.

Marian Harberink is gespecialiseerd in het bestemmingsplan en het vooroverleg met de gemeente. Door haar uitgebreide gemeentelijke ervaring en juridische achtergrond weet zij hoe u wél toestemming kunt krijgen van de gemeente voor je bouwproject of wijziging van het bestemmingsplan. Ze helpt makelaars, architecten en projectontwikkelaars met:

  • sneller verkrijgen van vergunningen
  • snellere bestemmingsplan wijzigingen.

Weten hoe?

lesruimte workshops niet geurgevoelig

Lesruimte workshops niet geurgevoeliglesruimte workshops

Naast het gebruik voor akkerbouwactiviteiten is het de bedoeling om toeristisch-recreatieve activiteiten op het perceel mogelijk te maken. Hiervoor is een vrijstelling ex artikel 19, eerste lid WRO verleend. Onder meer wil de initiatiefnemer voor groepen van max. 30 personen workshops aanbieden onder leiding van kunstenaars uit de regio (lesruimte workshops).

Appellant exploiteert een naastgelegen kalkoenhouderij en stelt dat de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen geen geurgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van de Wgv, zodat die wet niet toepasselijk is. De Afdeling redeneert als volgt:

Standaard jurisprudentie ‘gevoelig object’: Gezien de in artikel 1 van de Wgv gegeven definitie is voor het antwoord op de vraag of de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing geurgevoelige objecten zijn, van belang of die bebouwing bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf en of dat gebruik permanent is of daarmee vergelijkbaar. (..) Met de zinsnede  ‘permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik’ is bedoeld om bescherming te bieden tegen langdurige blootstelling. Maar ook een kortdurende verblijfsduur verdient volgens de wetgeschiedenis bescherming, voor zover dit zich tenminste regelmatig voordoet. Met een regelmatig verblijf wordt bedoeld een aanwezigheid op de locatie gedurende een niet onaanzienlijk gedeelte van een tijdseenheid, van een of meer personen, al dan niet met gelijke tussenpozen.”

De Afdeling is in dit geval van mening dat er geen sprake is van een gevoelig object, omdat er niet langdurig personen in de voormalige agrarische bedrijfsruimte verblijven en de bebouwing evenmin op een permanent verblijf vergelijkbare wijze wordt gebruikt. Zie overweging 2.8.4 van uitspraak ABRS 11 april 2012, no. 201109676/1/A1.

Vragen?

omgevingsjurist

Opfokken paarden geen agrarisch bedrijf

Opfokken paarden geen agrarisch bedrijfopfokken paarden

In de praktijk is het een onderwerp dat regelmatig de kop op steekt. Burgers die in het buitengebied paarden gaan houden en denken dat deze activiteit binnen de agrarische bestemming valt. Dit is meestal niet het geval. In de meeste bestemmingsplannen voor het buitengebied wordt de volgende definitie gebruikt voor agrarisch bedrijf: “een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van produkten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.”

Het fokken van paarden valt onder deze definitie omdat het een product voortbrengt. Hoewel het onderscheid tussen fokken en opfokken niet altijd even scherp is, is het ‘grootbrengen en opvoeden’ van veulens, zoals het africhten geen agrarische activiteit volgens de bovengenoemde definitie.

In een uitspraak van 11 april 2012, no. 201109306/1/A1 komt de vraag aan de orde of het opfokken van elders gefokte paarden aangemerkt kan worden als het uitoefenen van een agrarisch bedrijf. De Afdeling vindt van niet: “het opfokken van elders gefokte paarden kan niet aangemerkt worden als het uitoefenen van een agrarisch bedrijf, omdat in dat geval geen sprake is van het voortbrengen van agrarische producten.”

voormalige agrarische bedrijfswoning en goed woon- en leefklimaat

Voormalige agrarische bedrijfswoning en goed woon- en leefklimaatvoormalige agrarische bedrijfswoning

Casus Het bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de bestaande agrarische bestemming naar de bestemming ‘Wonen’ voor een voormalige agrarische bedrijfswoning. De naastgelegen veehouder betoogt in beroep dat hij door de wijziging van de bestemming wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden. Volgens hem heeft het college de woning ten onrechte aangemerkt als een geurgevoelig object dat deel uitmaakt van een andere veehouderij, omdat het bedrijf op dat perceel sinds 1996 feitelijk door de maatschap, en niet door de toenmalige eigenaar van het perceel, werd uitgeoefend. Verder is volgens hem voor de mate van bescherming tegen geurhinder van een voormalige bedrijfswoning die van een bestaande veehouderij is afgesplitst de planologische status van de woning bepalend. Artikel 3, lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij is volgens hem niet van toepassing. Tenslotte betoogt hij dat ter plaatse van de woning een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd.

Het college stelt zich op het standpunt dat de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij dienen te worden beoordeeld aan de hand van art. 3, lid 2 van de Wgv, aangezien de woning na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij. Het college is verder van  mening dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aangezien er wordt voldaan aan de norm die geldt op grond van de Wgv. De Afdeling is het eens met de eerste deel van het betoog van het college. Echter niet met het tweede gedeelte:

Afdeling De enkele stelling van het college dat aan de normen op grond van de Wgv wordt voldaan is onvoldoende om te kunnen aannemen dat ter plaatse van de in het plan voorziene woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Niet is gebleken van enig nader onderzoek naar de daar te verwachten geurbelasting. (..) Gezien het voorgaande is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.” Zie ABRS 4 april 2012, no. 201009530/1/R4

Vaste jurisprudentie: “Indien de voor veehouderijen toepasselijke norm wordt overschreden, volgt hieruit niet dat ter plaatse geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Evenzeer geldt dat, ook indien de voor veehouderijen toepasselijke norm niet wordt overschreden, er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.” 

Tip: Voer altijd een onderzoek uit naar een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit ter plaatse. Betrek hierin de plaatselijke geurbelasting. Laat tenminste zien dat er aandacht aan is besteed.

omgevingsjurist

mer windturbines op twee afzonderlijke bedrijventerreinen

mer windturbines op twee afzonderlijke bedrijventerreinenmer windturbines

Het komt regelmatig voor dat gemeenten beoordelen dat er geen MER nodig is voor een bepaalde activiteit. Deze ‘krappe’ beoordelingen over milieueffecten van een project vind ik niet gepast bij de overheid die naar mijn mening een voorbeeldfunctie vervult. Bij met name de burger, maar ook bij de rechterlijke macht, ‘scoort’ de overheid punten als er uitvoerig onderzoek is gedaan naar milieueffecten van een bepaald project. Een anticiperende houding kan verder ook nog eens beroepschriften voorkomen bij de Afdeling waardoor de procedure vlotter verloopt.

mer windturbines – Het onderhavige bestemmingsplan maakt de komst van 4 windturbines mogelijk. Op het naastgelegen bedrijventerrein – in een andere gemeente – worden 5 windturbines voorzien. Appellanten stellen dat in een afzonderlijk MER had moeten worden ingegaan op de milieueffecten van de windturbines in het voorliggende bestemmingsplan in samenhang met de voorziene windturbines op het naastgelegen bedrijventerrein, nu sprake is van één project.

De raad stelt zich op het standpunt dat alle milieueffecten zijn onderzocht. Voor de 5 windturbines op het naastgelegen bedrijventerrein is door de buurgemeente een aparte MER opgesteld. Ook heeft volgens de raad intensief overleg plaatsgevonden en zijn diverse onderzoeken gezamenlijk uitgevoerd. In de m.e.r.-beoordeling zijn de effecten van de windturbines in samenhang bezien, aldus de raad. De raad heeft geconcludeerd in de m.e.r.-beoordeling dat er in het kader van de m.e.r.-regelgeving sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

De Afdeling stelt de volgende vragen:

  1. Moeten de in het plan voorziene windturbines en de voorziene windturbines op het aangrenzende bedrijventerrein als één activiteit te worden aangemerkt? Volgens de Afdeling is er sprake van één activiteit. De hoogte van de windturbines is op elkaar afgestemd en er is gekozen voor hetzelfde type windturbine. Daarnaast worden de windturbines in een lijnopstelling opgericht, waarbij tussen de windturbines sprake is van een regelmatige onderlinge afstand.
  2. Voldoet de activiteit aan de drempelwaarde? De windturbines hebben gezamenlijk een vermogen van meer dan 15 megawatt. Daarmee wordt voldaan aan de in cat. 22.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer. Derhalve is sprake van een plan als bedoeld in 3.1 van de Wro en diende een m.e.r. voor plannen te worden uitgevoerd.
Hieruit volgt dat niet kan worden volstaan met een m.e.r.-beoordeling. Deze procedure is immers met minder procedurele waarborgen omkleed, terwijl voorts – aldus de Afdeling – aan een m.e.r. voor plannen andere inhoudelijke eisen worden gesteld dan aan een m.e.r.-beoordeling. Het bestreden besluit is in strijd met art. 7.26c van de Wet milieubeheer. Zie verder ABRS 29 februari 2012, no. 201003801/1/R2.

groene buffer borgen in planregels bestemmingsplan

Groene buffer borgen in planregels bestemmingsplangroene buffer

Het bestemmingsplan maakt een groene buffer met een breedte van 17 tot 24 m mogelijk. De gronden waarop de bufferzone is gesitueerd hebben de bestemming ‘Groen’ en de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – recreatief gebruik’. De raad motiveert dat de groene buffer de overlast van de naastgelegen sportvelden moet beperken voor de aangrenzende woningen. Het uitgangspunt van het plan is volgens de raad om de sportactiviteiten die plaatshebben bij of op de sportvelden niet dichter bij het perceel van appellant te laten komen dan in de bestaande situatie het geval is. Daarbij wordt de thans aanwezige beplanting volgens de raad in stand gehouden. Nu is ter plaatse van de gronden met de bestemming ‘Groen’ en de hiervoorgenoemde nader aanduiding gras en een strook beplanting aanwezig van ongeveer 4 m.

De Afdeling overweegt: “De raad heeft mede gelet op de ter plaatse toegestane activiteiten voor verenigingsdoeleinden evenwel in het plan niet geregeld of gemotiveerd op welke wijze het behoud van de aanwezige beplanting in de strook is gewaarborgd”. Zie ABRS 28 maart 2012, 201104309/1/R1.

Noot

Het basisprincipe in het ruimtelijke ordeningsrecht is ’toelatingsplanologie’. Dit houdt in dat met de toekenning van een bestemming in een bestemmingsplan de verwezenlijking daarvan niet is gegeven. Evenmin is de feitelijke inrichting juridisch af te dwingen. Sinds de uitspraak ‘Linderveld’ is enige relativering van dit uitgangspunt op zijn plaats. Met een voorwaardelijke bepaling in de planregels bestaat de mogelijkheid om de buffer min of meer ‘af te dwingen’. Voor meer details en een praktijkvoorbeeld verwijs ik naar de uitspraak van ABRS 29 december 2010, LJN: BO9160, r.o. 2.7.1.

omgevingsjurist

bedrijfswoningen op bedrijventerrein en goede ruimtelijke ordening

Bedrijfswoningen op bedrijventerrein en goede ruimtelijke ordeningbedrijfswoningen

Deze uitspraak van 28 maart 2012 laat weer eens zien dat bij de vaststelling van ruimtelijke besluiten het afwegingskader – en vangnet –  ‘een goede ruimtelijke ordening’ vrijwel altijd geldt. Het onderhavige projectbesluit maakt de opslag van autowrakken mogelijk op een bedrijventerrein. Met het projectbesluit wordt een illegale situatie gelegaliseerd. Op een afstand van 90 m staan op het bedrijventerrein twee woningen gesitueerd. Deze woningen kunnen als bedrijfswoningen worden aangemerkt (met de bestemming ‘Industriële doeleinden’). De aanbevolen afstanden uit de VNG-brochure zijn hier niet van toepassing, nu de beide bedrijfswoningen op een bedrijventerrein zijn gesitueerd en de afstanden uit de VNG-brochure betrekking hebben op burgerwoningen, scholen, ziekenhuizen en andere gevoelige bestemmingen. Toch – zo overweegt de Afdeling – diende het college ‘uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te beoordelen of het project geen onevenredige geluidhinder meebrengt. (..) De gevolgen van het gebruik van de wrakkenopslag diende in de belangenafweging te worden betrokken.” Zie ABRS 28 maart 2012, no. 201101705/1/A1.

Praktijktip: Besteed altijd aandacht in de toelichting van een ruimtelijke besluit aan het aspect ‘een goede ruimtelijke ordening’, ook al laat bijv. het uitgevoerde (technische) akoestische onderzoek zien dat de grenswaarden niet worden overschreden. Zonder ‘juridische vertaling’ van het technische milieuonderzoek naar een goede ruimtelijke ordening, loopt de gemeente het risico dat een besluit alsnog ‘onderuit gaat’ bij de rechter vanwege een motiveringsgebrek.

Vragen of een onderbouwing nodig?

omgevingsjurist

elektromagnetische straling en afstand tot woning

Elektromagnetische straling tractieonderstation en afstand tot woningelektromagnetische straling

In een uitspraak van 21 maart 2012, no. 201104688/1/A1 komt een bestemmingsplan aan de orde dat een tractieonderstation mogelijk maakt ten behoeve van het openbaar vervoer (tramlijnen). Volgens Wikipedia is een onderstation een elektrische installatie in het hoogspanningsnet. Een tractieonderstation voedt de bovenleidingen van de railinfrastructuur. Het bouwplan voorziet in de realisering van een tractieonderstation ten behoeve van het openbaar vervoer, bestaande uit twee containers met daaromheen een muur.

Volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt in verband met het aspect gevaar een afstand aanbevolen van tenminste 10 m tussen een woning en een onderstation. Het onderstation is voorzien op minder dan 10 m van een woning zonder nadere motivering. De gemeente heeft erkend middels een onderzoek dat een tractieonderstation elektromagnetische storing kan veroorzaken in woningen dan wel aan de apparatuur van omwonenden. De Afdeling oordeelt dat om die reden nader onderzoek nodig was naar de gevolgen van de realisering van het tractieonderstation op de locatie in kwestie.

omgevingsjurist

meetpunt Activiteitenbesluit en meetpunt bestemmingsplan

Meetpunt Activiteitenbesluit en meetpunt bestemmingsplan zijn verschillendmeetpunt activiteitenbesluit

Het bestemmingsplan in kwestie maakt onder meer (burger)woningen mogelijk nabij een melkveehouderij. De agrariër stelt dat hij gelet op de afstand tussen zijn bedrijf en de woningen onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Hij wijst erop dat binnen een afstand van 50 m van zijn inrichting, die onder meer bestaat uit een verblijf voor landbouwhuisdieren en een kuilvoeropslag, woningen zullen worden opgericht.

De raad stelt dat op het agrarische bedrijf het Besluit landbouw milieubeheer (thans: Activiteitenbesluit) van toepassing is, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen vanaf de inrichting een afstand van 50 m moet worden aangehouden om het Blm op de inrichting van appellant van toepassing te laten blijven. Een van de woningen valt weliswaar binnen de afstand van 50 m, maar hierin mogen geen geurgevoelige activiteiten plaatsvinden, aldus de raad.

De Afdeling overweegt over meetpunt Activiteitenbesluit: “dat voor de vraag of het Blm op een inrichting van toepassing is ingevolge artikel 4, vierde lid van het Blm de afstanden bedoeld in het tweede en derde lid, weliswaar worden gemeten vanaf de buitenzijde van een object tot het dichtsbijzijnde emissiepunt van het dierenverblijf, maar dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel als meetpunt de grens van het bouwvlak van het agrarische bedrijf dient te worden  genomen. Binnen het gehele bouwvlak kan immers bedrijfsbebouwing tot stand komen waarin landbouwhuisdieren worden gehouden. Een uitzondering hierop kan slechts worden gemaakt als zeker is dat het bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheid meer heeft noch de mogelijkheid om binnen het bouwvlak nieuwe bebouwing voor het houden van landbouwhuisdieren op te richten. In het laatste geval kan gemeten worden vanaf de grens van de bebouwing. Niet kan worden uitgesloten dat op het bouwvlak van appellant bedrijfsbebouwing kan worden opgericht waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, op een afstand van minder dan 50 m van op de percelen toegestane geurgevoelige bebouwing. Niet duidelijk is derhalve of de hiervoor beschreven uitzondering zich voordoet. De raad heeft dit onvoldoende onderzocht. Daarom is ook niet duidelijk of het plan ertoe kan leiden dat het Blm niet meer op de inrichting van appellant van toepassing is.” Zie uitspraak ABRS 21 maart 2012, 201104247/1/R3, r.o. 2.11 e.v.

omgevingsjurist

webwinkel en bestemmingsplan tips

Webwinkel en bestemmingsplan tipswebwinkel en bestemmingsplan

Detailhandel via internet bezorgt gemeenten hoofdbrekens

De verkoop via internet is in 2011 sterk gegroeid. De verwachting is dat de Nederlandse interneteconomie ook de komende jaren fors zal groeien. Detailhandel via internet bezorgt zowel gemeenten als ondernemers nogal eens hoofdbrekens. Regelmatig komt in het nieuws dat de gemeente een ondernemer belemmert om een webwinkel te beginnen. Dat beeld is naar mijn mening ongenuanceerd en onjuist. Wel is het zo dat deze vorm van detailhandel meestal niet past in de reguliere definities die in bestemmingsplannen worden gebruikt. Ook lastig is dat er verschillende vormen van internetwinkels zijn:

  • webshop waar alleen een elektronische transactie tot stand komt
  • webshop met opslag en verzending
  • webshop met tevens afhaalmogelijkheid
  • webshop met afhaalmogelijkheid en mogelijkheid om producten ter plaatse te bekijken.
Webwinkel en bestemmingsplan: is het mogelijk een webshop te beginnen in een woning?
Het is belangrijk om voor de start van een webshop eerst het bestemmingsplan te bekijken. In het bestemmingsplan is het gebruik van gronden en de hoogte van bouwwerken geregeld. De bestemming en de planregels geven aan wat wel en niet is toegestaan. Bij de gemeente kun je het bestemmingsplan opvragen en inzien. Bestemmingsplannen die na 1 juli 2008 zijn vastgesteld door de gemeente zijn digitaal te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl. Oudere plannen kun je inzien bij het loket van Bouwen en wonen bij de gemeente.
Ruimtelijke uitstraling van webshop is belangrijk
Indien voor de woning de bestemming ‘Wonen’ of ‘Woondoeleinden’ geldt is het in de meeste gevallen mogelijk een webwinkel te beginnen in een woning. Het hangt echter af welke ruimtelijke uitstraling de internetwinkel heeft. De webshop mag geen ‘groot ruimtelijk impact’ hebben. Dit houdt in dat de webshop ondergeschikt moet blijven aan het hoofdgebruik als woning. De verkoop van producten mag bijv. niet leiden tot meer bezoekers. Dit kan immers leiden tot parkeerproblemen in de nabije omgeving. Hou er rekening mee dat gemeenten hier vaak klachten over ontvangen van buurtbewoners. Voorkom dus dat klanten de aangekochte spullen moeten ophalen.
Ook het aanhouden van grote voorraden (opslag van goederen) kan leiden tot overlast voor de buurt of er voor zorgen dat de woonfunctie niet meer het hoofdgebruik van de woning is. Er ontstaat in dat geval strijd met het bestemmingsplan. De gemeente kan dan handhavend gaan optreden. Ook een reclamebord voor de webshop aan de woning is meestal niet toegestaan. Heeft een webshop wel een groot ruimtelijk impact dan zal de gemeente de webshop meestal als detailhandel aanmerken en is het gebruik op grond van de bestemming ‘Wonen’ of ‘Woondoeleinden’ niet toegestaan.
Belangrijkste aandachtspunten
  • check vooraf het bestemmingsplan bij de gemeente
  • laat klanten de aangekochte goederen niet ophalen bij de woning, maar laat de goederen per post verzenden
  • voorkom grote voorraden die tot overlast voor de buurt kunnen leiden of tot strijdig gebruik van de woning
  • reclameborden voor de webshop aan de woning zijn niet toegestaan
  • voorkom overlast voor de buurt
Meer weten?