Geluidhinder evenementen en bestemmingsplan

Geluidhinder evenementen en bestemmingsplanGeluidhinder evenementen

Een uitspraak is die van 29 januari 2014, no. 201306557/1/R6. Op de gronden met de bestemming ‘Groen’ is het in het bestemmingsplan toegestaan om evenementen te houden. Volgens de raad is het niet nodig om beperkingen te stellen aan het gebruik van deze gronden voor evenementen. Volgens de raad is de oppervlakte van dit gebied zodanig dat grootschalige evenementen ter plaatse niet mogelijk zijn. De raad acht verder de definitie van ‘evenement’ zodanig dat ook daar beperkingen uit voortvloeien voor de toegestane evenementen. Lees meer in r.o. 16.2 e.v. van bovengenoemde uitspraak.

Wanneer moet je geluidhinder evenementen regelen in het bestemmingsplan?

Verwachte geluidshinder van evenementen wordt in de gemeentelijke praktijk meestal via het ‘milieuspoor’ getoetst en – waar mogelijk – via voorschriften in een vergunning geregeld. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen wordt er meestal geen aandacht meer besteed aan ‘geluid’. Dit komt omdat er gedacht wordt dat de getoetste geluidsnormen in het ‘milieuspoor’ van het betreffende evenement ook wel geen obstakel zullen vormen in het ruimtelijk spoor. Deze aanname is niet juist.

Welke aspecten van geluid kunnen geregeld worden in het bestemmingsplan?

In planregels van een bestemmingsplan kunnen alleen ruimtelijk relevante aspecten worden geregeld. Het moet vanuit een oogpunt van ‘een goede ruimtelijke ordening’ noodzakelijk zijn. Bij de keuze voor een locatie als evenemententerrein kunnen de volgende aspecten ruimtelijk relevant zijn:

  • maximale aantallen bezoekers
  • aantal evenementen per jaar
  • soort evenement
  • geluidsoverlast vanwege bezoekers
  • nabije omgeving van het evenemententerrein (omliggende woningen of andere voor geluid gevoelige bestemmingen)
Welke geluidsaspecten van evenementen worden geregeld in de APV?
In de APV zijn regels opgenomen die betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde binnen een gemeente. In artikel 2.2.2 van de Model-APV is bepaald dat het verboden is zonder (evenementen)vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. De vergunning kan geweigerd worden in het belang van:
  • de openbare orde
  • het voorkomen of beperken van overlast
  • de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen
  • de zedelijkheid of gezondheid
Verder kent de APV in artikel 4.1.7 een regeling dat het verboden is toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
Aantal onderdelen van de APV hebben ook ruimtelijke relevantie
Geluidsoverlast van geluidsprekers kan met een evenementenvergunning worden voorkomen. Geluidsoverlast vanwege vertrekkende bezoekers. Indien er sprake is van mogelijke overlast van luidruchtige bezoekers voor omliggende woningen, kan dit een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat opleveren. Dit onderdeel moet dan worden geregeld in het bestemmingsplan.
Welke geluidsaspecten van evenementen worden geregeld in de Wabo?
Een evenemententerrein kan in bepaalde gevallen als een ‘inrichting’ worden aangemerkt. In de vergunning kunnen dan voorschriften worden opgenomen omtrent geluid. Ook in dat geval wil dat nog niet zeggen dat er geen voorschriften over geluid in het bestemmingsplan moeten worden opgenomen. Dit komt omdat niet alle gevolgen van geluidhinder die ook ruimtelijk relevant zijn, in de beoordeling van een omgevingsvergunning m.b.t milieu kunnen worden betrokken.
Hoe geluid regelen in het bestemmingsplan?
Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen voor omwonenden is het nodig om in de planregels bepalingen op te nemen over het aantal evenementen(dagen), het maximale aantal bezoekers en het soort en de omvang van evenementen. Ook het verbieden van bepaalde evenementen (bijv. een rockfestival) kan hierbij een optie zijn.
De Afdeling is hierbij streng en redeneert zelfs dat gemeenten in verband met het rechtszekerheidsbeginsel niet kunnen volstaan met een globale regeling voor een evenemententerrein in het bestemmingsplan. De regeling in het bestemmingsplan moet duidelijkheid geven over de vraag welke milieugevolgen voor de omgeving van de evenementen kunnen optreden.
Deze lijn van de Afdeling maakt het naar mijn mening noodzakelijk om als gemeente bij het bestemmen van een terrein als evenemententerrein, altijd goed in kaart te brengen welke evenementen op het terrein worden toegestaan, de frequentie en welke bezoekersaantallen het evenement zal aantrekken. Een popfestival heeft met betrekking tot geluid een ander effect dan een braderie of een boekenmarkt. Neem het gemaakte overzicht op in de toelichting van het bestemmingsplan en laat zien dat je als gemeente aandacht hebt besteed aan het aspect geluid en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Dit is al een enorme winst, want uit de meeste uitspraken blijkt dat er helemaal geen aandacht aan wordt besteed. Neem vervolgens de nodige beperkingen op in de planregels met betrekking tot het evenemententerrein, zoals een beperking in soort evenement of maximale aantallen bezoekers.
Uitspraken over geluidhinder evenementen en bestemmingsplan

Voor vragen: bel met Marian Harberink via 06-55897008

VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ toepassen bij nieuwe situaties

VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering toepassen bij nieuwe situatiesVNG-brochure

Het bestemmingsplan in kwestie maakt onder meer de bouw van 2 suikersilo’s mogelijk ten behoeve van de Suikerunie. Omwonenden betogen in beroep dat er onvoldoende rekening is gehouden bij de besluitvorming met hun belangen. Ze betogen onder meer dat de aanbevolen afstanden uit de VNG-brochure niet in acht zijn genomen. Volgens hen is er sprake van een nieuwe situatie en is de VNG-brochure van toepassing. De raad stelt dat er geen sprake is van een nieuwe situatie, maar van een bestaande situatie waarbij de bouwgrens 4,5 m wordt opgeschoven.

De Afdeling overweegt: “In dit geval is sprake van bestaande woningen en een bestaand bedrijf. De Afdeling overweegt echter dat de in het plan voorziene uitbreiding kan worden aangemerkt als een nieuwe ontwikkeling. De in de VNG-brochure genoemde afstanden geven derhalve ook in deze situatie een indicatie van die afstand die, ter voorkoming van hinder, aangehouden dien te worden. De woningen van appellanten liggen op een afstand van ongeveer minimaal 50 m van de gronden met de bestemming ‘Bedrijventerrein’. Volgens de VNG-brochure vallen suikerfabrieken met een verwerkingscapaciteit van meer dan 2.500 ton per jaar onder milieucategorie 5.3 en is de grootste richtafstand vanwege het milieuaspect geur, 1000 m.”

Zie uitspraak ABRS 23 februari 2012, no. 201108372/1/T1/R4.

Meer informatie?

omgevingsjurist

 


dove gevels woningen borgen in planregels bestemmingsplan

Dove gevels woningen borgen in planregels bestemmingsplandove gevels woningen

Een zeer leerzame uitspraak inzake dove gevels woningen en de borging van ‘geluid’ in het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt de bouw van 360 woningen mogelijk. Het college van b&w heeft ten behoeve van deze geluidgevoelige bestemmingen hogere waarden vastgesteld vanwege industrielawaai en wegverkeerslawaai.

In de planregels van het bestemmingsplan is het volgende opgenomen:

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

d. het oprichten van woningen is slechts toegestaan indien de woningen voorzien zijn van een dove gevel, tenzij:

  1. de woningen voldoen aan de door het bevoegd gezag vastgestelde hogere grenswaarde en niet meer dan 55 dB(A) aan industrielawaai op de gevel van het hoofdgebouw hebben;
  2. of de woningen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde.
De Afdeling stelt “voorop dat, anders dan de raad betoogt, een aanvraag om een omgevingsvergunning getoetst wordt aan het bestemmingsplan en niet tevens aan het besluit hogere waarden. De Afdeling heeft dit eerder overwogen in de uitspraak van 11 augustus 2010, no. 200905674/1/R3.
Verder is gezien de samenhang tussen de planregels, onvoldoende gewaarborgd dat binnen de bestemmingen ‘Gemengd’, ‘Wonen-1’ en ‘Wonen-2’, ter plaatse van iedere woning aan de geldende geluidnormen kan worden voldaan. De Afdeling overweegt daartoe dat, hoewel het begrip ‘bouwen’ blijkens de doeleindenomschrijving meer omvat dan alleen oprichten en bijvoorbeeld ook ziet op het vernieuwen en veranderen, dit begrip alleen is opgenomen in de aanhef van de hierboven genoemde bepalingen en niet in het artikelonderdeel waarin de regel is neergelegd. Deze bepalingen zien daarmee (…) naar het oordeel van de Afdeling alleen op het oprichten van woningen. (…)De planregels staan er niet aan in de weg dat woningen binnen de plandelen met de bestemmingen ‘Gemengd’, ‘Wonen-1’ en ‘Wonen-2’ op een later tijdstip zodanig worden gewijzigd dat de dove gevel teniet wordt gedaan. Daarmee is niet afdoende gegarandeerd dat indien niet aan de voorkeursgrenswaarde dan wel de vastgestelde hogere waarde kan worden voldaan, de woning van een dove gevel blijft voorzien na de oprichting daarvan. Zie r.o. 2.11.3

Praktijktip: Deze uitspraak laat zien hoe belangrijk de gebruikte termen en definities in het bestemmingsplan zijn. De begrippen ‘bouwen’ en ‘oprichten’ worden in de praktijk veel gebruikt en lijken nauwelijks van elkaar te verschillen. Uit de overweging van de Afdeling blijkt dat kleine verschillen aanzienlijke gevolgen kunnen hebben. Gebruik daarom eenduidig ‘bouwen’.

Uitspraak: ABRS 23 mei 2012, no. 201109858/1/R1.

Meer weten over dove gevels en bestemmingsplan?

omgevingsjurist

Mer-beoordeling Pas op voor valkuil die m.e.r.-beoordeling heet!

Mer-beoordeling – Pas op voor de valkuil die mer-beoordeling heet!mer-beoordeling

Sinds 1 april 2011 is in de Nederlandse wetgeving geregeld dat indien een project valt onder een activiteit als genoemd in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit mer, altijd een m.e.r.-beoordeling (hierna vanwege het gemak: mer-beoordeling) moet plaatsvinden: een vormvrije m.e.r.-beoordeling of op basis van een m.e.r.-beoordelingsplicht. In beide gevallen moet beoordeeld worden of er sprake is van mogelijke nadelige gevolgen voor het project op het milieu. Kunnen deze gevolgen niet worden uitgesloten, dan geldt een mer-plicht. Indien een project niet valt onder een categorie zoals genoemd in kolom 1 hoeft er geen m.e.r.-beoordeling plaats te vinden, zie hiervoor de recente uitspraak van de Afdeling van 18 april 2012 waar dit nog eens bevestigd wordt.

In kolom 2 staan de drempelwaarden (sinds 1 april 2011 ‘richtwaarden’) genoemd. Deze waarden lijken zekerheid te geven, maar dit is sinds het arrest van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (C-255/08) niet meer het geval. Ook indien de voorgenomen activiteit onder de aangegeven drempelwaarde blijft, is een m.e.r.-beoordeling vereist: een vormvrije. De genoemde drempelwaarden zijn richtwaarden geworden en dit is lastig voor de praktijk, omdat de aangegeven grenzen niet meer ‘hard’ zijn. Een uitzondering geldt voor de categorieën D 49.1 t/m D 49.3. Deze zijn absoluut. De vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt voor zowel kaderstellende plannen als besluiten.

Onder de waarden moet een vormvrije beoordeling plaatsvinden aan de hand van bijlage III van de Mer-richtlijn. Denk dus niet te snel dat een m.e.r.-beoordeling niet nodig is, omdat een project onder de aangegeven waarden blijft. 

Kolom 4 bevat voor activiteiten zoals genoemd in kolom 1, de besluiten waaraan de m.e.r.-beoordelingsplicht is gekoppeld. In kolom 3 staan de kaderstellende plannen genoemd.

Wat is een mer-beoordeling?

Bij een mer-beoordeling breng je – zo vroeg mogelijk – de milieugevolgen van een project in beeld. Indien de activiteit geen belangrijke milieugevolgen heeft kan worden volstaan met louter een beoordeling en de conclusie dat geen MER (milieueffectrapport) nodig is. Verwacht je wel belangrijke milieugevolgen, dan moet voor het project een mer worden doorlopen. In de onderbouwing van de mer-beoordeling ga je in op:

  • samenhang
  • voorzienbaarheid
  • wijziging van omstandigheden
  • referentiesituatie
  • maximale mogelijkheden
  • bijlage III van de Mer-richtlijn (kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect).
Bij een milieueffectrapportage ga je nog een stap verder. Dan moet je ook de (voornaamste) alternatieven en maatregelen opnemen en met elkaar vergelijken (zie artikel 1.11 Crisis- en herstelwet voor de uitzonderingen).
Doorloop bij twijfel altijd een m.e.r.-procedure! Zeker een gemeente (of andere overheid) heeft bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor het milieu een voorbeeldfunctie. Het komt tijdens een bestemmingsplanprocedure een beetje vreemd over dat de gemeente een project wil realiseren zonder dat de belangrijkste milieugevolgen in beeld zijn gebracht, zoals het geval was in een casus die speelde in een uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2012.
Verder geldt natuurlijk altijd het motiveringsbeginsel en het beginsel dat er deugdelijk onderzoek moet worden uitgevoerd ter voorbereiding van de besluitvorming.
Casus In dit geval ging het om een bestemmingsplan dat de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein mogelijk maakte. De gemeente stelde zich op het standpunt dat in dit geval geen MER of m.e.r.-beoordeling nodig was, omdat de oppervlakte van de uitbreiding van het bedrijventerrein onder de drempelwaarde viel en er tevens geen bijzondere omstandigheden speelden om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. In dit geval oordeelde de Afdeling dat de drempelwaarden weliswaar niet werden overschreden, maar dat sinds het arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009 geldt dat er tevens moet worden gekeken naar andere factoren, zoals bedoeld in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG. In de directe omgeving van het plangebied liggen twee Natura-2000 gebieden, op een afstand van respectievelijk 70 en 50 m tot het bedrijventerrein. Ondanks een uitgevoerde milieuaspectenstudie oordeelt de Afdeling dat de gemeente zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen m.e.r.-beoordeling hoefde plaats te vinden. Zie r.o. 2.11.4.
Welke factoren zijn van belang bij een m.e.r.-beoordeling?
  • cumulatie met andere projecten (zie ABRS 25 april 2012, no. 201108102/1/R2)
  • aard van voorgenomen activiteit
  • opnamevermogen van het natuurlijk milieu
  • ligging t.o.v. beschermde natuurgebieden, met name Natura 2000-gebieden
  • grootte van de activiteit
  • transformatie van bijv. bedrijventerrein naar wonen: levert het milieuwinst op?
Opletten geblazen bij stedelijke ontwikkelingsprojecten en mer-beoordeling
Woningen staan niet meer in bijlage C van het Besluit mer, maar vallen sinds 1 april 2011 onder de categorie ‘stedelijk ontwikkelingsprojecten’ in bijlage D. Het kan ook gaan om bioscopen, theaters, kantoorgebouwen of een combinatie. Onder de genoemde richtwaarden kan er al sprake zijn van een m.e.r.-beoordeling bij twee woningen! Zoals eerder vermeld vormen de drempelwaarden in kolom 2 slechts een indicatie voor eventuele milieugevolgen.

Mer-beoordeling bedrijventerrein en herontwikkeling

Mer-beoordeling bedrijventerrein en herontwikkelingmer-beoordeling bedrijventerrein

Bij de voorbereiding van een project is het belangrijk om altijd te checken of het project valt onder een activiteit zoals genoemd in bijlagen C en D van het Besluit mer. Helaas wordt dit in de praktijk niet altijd gedaan. Vaak schat men in dat het niet hoeft, zonder het project concreet te toetsen.

In de casus die aan de orde komt in ABRS 16 mei 2012, no. 201007346/1/R2 was er geen m.e.r.-beoordeling uitgevoerd voor de herontwikkeling van een industriegebied. In categorie 11.2 en 11.3 is bepaald dat een MER moet worden gemaakt of dan wel beoordeeld dient te worden of een MER moet worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bedrijventerrein in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 150 ha of meer onderscheidelijk 75 ha of meer. De uitbreiding van het terrein betreft ongeveer 30 hectare en valt dus onder de drempelwaarden (mer-beoordeling bedrijventerrein).

Zoals is bepaald in het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 15 oktober 2009, dient in dat geval ook te worden gekeken naar andere factoren, zoals bedoeld in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG (..) die aanleiding kunnen geven om toch een m.e.r.-beoordeling of MER op te stellen. (..). In de directe omgeving van het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden op een afstand van 50 en 70 meter. Gelet hierop zijn er volgens de Afdeling bijzondere omstandigheden waaronder de betrokken activiteit wordt ondernomen die belangrijke nadelig gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Dit klemt des te meer nu volgens het deskundigenbericht mogelijk sprake is van cumulatie van effecten vanwege de nabijheid van andere bedrijventerreinen.

Praktijktip: voer als overheid altijd een m.e.r.-beoordeling uit indien een project onder de omschrijving valt van een categorie zoals bedoeld in de bijlage C en D van het Besluit mer. De overheid heeft een belangrijke (voorbeeld) taak m.b.t. bescherming van het milieu. Naast de voorbeeldfunctie ‘scoort u punten’ bij eventueel beroep bij de Afdeling inzake de vaststelling van het bestemmingsplan. De procedure loopt in de regel vlotter indien er afdoende onderzoek is gedaan voor een project.

omgevingsjurist

Gezondheid bestemmingsplan en besmetting dierziekten

Gezondheid bestemmingsplan en besmetting dierziektengezondheid bestemmingsplan

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan speelt het criterium ‘een goede ruimtelijke ordening’ een belangrijke rol. Volgens vaste jurisprudentie wordt een goede ruimtelijke ordening verkregen door het coördineren en afwegen van de verschillende belangen die bij het gebruik van de in het plan begrepen gronden en opstallen zijn betrokken. Ook het aspect gezondheid kan onderdeel uitmaken van de afweging die het gemeentebestuur moet maken. In een uitspraak van 2 mei 2012, no. 201200307/1/R2 wordt dit nog eens bevestigd in r.o. 2.2.3:

Ten aanzien van de vrees van appellant voor gezondheidsrisico’s voor zijn veestapel wordt overwogen dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat voorziet in de vestigingsmogelijkheden van een veehouderij de mogelijke besmetting door dierziekten een mee te wegen belang is. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt zijn regeling echter primair in andere wetgeving.”

Hoewel het aspect gezondheid in de ruimtelijke ordening nog in de kinderschoenen staat, is het positief dat gezondheid ruimtelijk relevant kan zijn en dat de Afdeling dit ook bevestigt. Gezondheid kan ruimtelijk relevant zijn bij bijv. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij woningen, de vestiging van een nieuwe veehouderij, etc. Neem dit aspect dan ook mee!

Noot 2017: Gelukkig wordt dit aspect wel expliciet opgenomen in de Omgevingswet. ‘Een goede ruimtelijke ordening’ wordt vervangen door het onderdeel ‘fysieke leefomgeving’. Daar kan gezondheid worden meegewogen bij de vaststelling van bijv. omgevingsplannen.

omgevingsjurist

milieucategorie bedrijven in bestemmingsplan terugbrengen

Milieucategorie bedrijven in bestemmingsplan terugbrengenmilieucategorie bedrijven

Het onderhavige bestemmingsplan maakt de vestiging mogelijk van een te verplaatsen bedrijf naar een nieuwe bedrijfslocatie. De onderliggende bestemming liet bedrijven toe met een milieucategorie 4. De bestemming ‘Bedrijf’ had gemeente aangepast en in de regels was bepaald dat er bedrijven worden toegelaten tot maximaal milieucategorie 3. Appellant voert aan dat het terugbrengen van een toegestane milieucategorie nog niet betekent dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De woning van appellant staat op een afstand van 15 m tot het bedrijfsperceel. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt een afstand aanbevolen van 50 tot 100 m.

De Afdeling oordeelt dat het terugbrengen van een bestaande milieucategorie bij een bestemming nog niet betekent dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. “Nu de raad heeft aangegeven geen onderzoek te hebben gedaan naar de gevolgen van de vestiging van het metaalbedrijf voor het woon- en leefklimaat van appellant en gezien de korte afstand tussen het voorziene metaalbedrijf en de woning van appellant, zijn de gevolgen van het bestreden plandeel voor het woon- en leefklimaat van appellant onvoldoende inzichtelijk gemaakt.” Zie ABRS 9 mei 2012, 201106850/1/R2. (milieucategorie bedrijven)

Tip voor de praktijk: Onderbouw altijd waarom een afwijking van de aanbevolen afstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ of uit de bedrijvenlijst van het bestemmingsplan nodig is en neem dit op in de toelichting van het bestemmingsplan. Geef aan waarom de verkorte afstand niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat. Betrek hierin zowel de feitelijke situatie als de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Ondersteun dit met foto’s en een akoestisch onderzoek.

Vragen over onderbouwing milieuzonering?

omgevingsjurist

 

Lichtmasten paardenhouderij en een goede ruimtelijke ordening

Lichtmasten paardenhouderij en een goede ruimtelijke ordeninglichtmasten paardenhouderij

Paardenhouderijen in het buitengebied blijven de gemoederen bezig houden. Er zijn tal van gemeentelijke beleidsnotities aan gewijd. Is het niet vanwege het vreemde en flinterdunne onderscheid tussen het opfokken of fokken van paarden, dan wel vanwege het plaatsen van lichtmasten bij paardenbakken. Het ruimtelijk relevante onderscheid tussen koeien in de weide of paarden ontgaat mij geheel.

Uit mijn woorden blijkt al mijn ergernis over dit soort vraagstukken. Wellicht dat ze paardenhouderijen en maneges voortaan naar de dorpskern kunnen verplaatsen. Weg met die paarden uit het buitengebied.

Lichtmasten paardenhouderij – In een uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2012 komt de plaatsing van lichtmasten aan de orde nabij een paardenhouderij. Het gaat hier om een reeds bestaande paardenhouderij die met het bestemmingsplan wordt gelegaliseerd. Het bestemmingsplan laat verder lichtmasten toe met een maximale hoogte van 6 m. Volgens de bewoners van een nabij gelegen woning – afstand tot woning is 40 meter – wordt met de lichtinval het woon- en leefklimaat aangetast.

De Afdeling overweegt in eerste instantie dat in de planregels ten onrechte geen beperking is aangebracht ten aanzien van het aantal lichtmasten. Evenmin is ten onrechte niet de plaats bepaald van de masten. Volgens de Afdeling had de raad moeten onderbouwen dat er met de plaatsing van de lichtmasten geen aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt.

Ter zitting werd duidelijk dat de eigenaresse voornemens is maximaal 6 lichtmasten te plaatsen bij de buitenbak op een afstand van tenminste 65 meter van de woningen. Volgens de raad is een regeling in de planregels niet nodig, omdat de paardenhouderij valt onder het Besluit landbouw milieubeheer en daarin het gebruik van verlichting tijdens de nachtelijke uren nader is gereguleerd.

De Afdeling draait bij en concludeert vervolgens dat een nadere regeling in de planregels ten aanzien van de lichtmasten niet noodzakelijk is, gezien het bepaalde in het Besluit landbouw milieubeheer en de afstand van 65 meter tussen de lichtmasten en de woningen.

Tip voor de praktijk: Hoewel de Afdeling uiteindelijk concludeert dat een nadere regeling in de planregels van het bestemmingsplan niet nodig is, raad ik aan om in elk geval in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht te besteden aan lichtmasten bij paardenhouderijen of maneges en eventuele hinder voor omliggende woningen. Betrek hierin de ook de feitelijke afstand van de lichtmasten tot de omliggende woningen. Ook kan m.i. een beperking in het aantal lichtmasten in de planregels geen kwaad, ondanks het bepaalde in het Besluit landbouw milieubeheer. Immers in het bestemmingsplan vindt de toets met betrekking tot een goede ruimtelijke ordening plaats en niet in het Besluit landbouw milieubeheer.

omgevingsjurist

 

kantoor geurgevoelig

Kantoor geurgevoelig?kantoor geurgevoelig

Het bestemmingsplan in kwestie maakt de vestiging van een siervissenkwekerij mogelijk. Appellant is voornemens een geitenhouderij te exploiteren nabij de locatie van de siervissenkwekerij en is in het bezit van een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer. Hij voert aan dat de gemeente ten onrechte niet heeft onderkend dat de woning en het kantoor in het plan binnen de geurcontour van zijn bedrijf zijn voorzien. Hij vreest dat de voorziene siervissenkwekerij belemmeringen met zich brengt voor zijn bedrijfsvoering. Bovendien is ter plaatse van de voorziene woning en kwekerij geen goed woon- en leefklimaat verzekerd.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de voorziene woning en het voorziene kantoor geen onevenredige geurhinder zal worden ondervonden, omdat de woning en het kantoor op meer dan 50 m afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van het agrarisch bedrijf van appellant zijn voorzien.

De Afdeling geeft aan (vrij vertaald) “dat de gemeente zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant thans reeds wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering door de bestaande woningen en dat de voorziene woning en het kantoor bij de siervissenkwekerij geen verdere beperkingen met zich brengen. (..). Ter zitting is gebleken dat in de bedrijfsgebouwen een kantoor is voorzien waar minimaal twee personen gedurende de gehele dag werkzaam zullen zijn. De raad stelt zich blijkens de stukken op het standpunt dat naast de voorziene woning tevens het voorziene kantoor moet worden beschouwd als object dat bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat moet worden beschermd tegen onevenredige geurhinder. De raad heeft het daarom noodzakelijk geacht dat de woning en het kantoor op meer dan 50 m afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van het bedrijf van appellant zijn voorzien. (..)

Op grond van de planregels in het bestemmingsplan mogen evenwel binnen het gehele bouwvlak bedrijfsgebouwen worden gebouwd. (..) Nu de gemeente voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan het bij de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk heeft geacht dat het kantoor op meer dan 50 m afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van het bedrijf van appellant is voorzien, heeft de gemeente dit ten onrechte niet in het plan verzekerd.” Zie uitspraak ABRS 25 april 2012, LJN: BW3942.

omgevingsjurist

 

Uitwerkingsplan en milieuvergunning

Uitwerkingsplan en milieuvergunninguitwerkingsplan en milieuvergunning

Een bestemmingsplan maakt het mogelijk door middel van een uitwerkingsplan woningen te realiseren. Een agrariër die in de nabijheid van de toekomstige woningen een agrarisch bedrijf uitoefent, voert aan dat ten onrechte is voorzien in woningbouw binnen de geurcontour van zijn bedrijf, die nog geldt op basis van een geldende milieuvergunning op grond waarvan hij ter plaatse varkens mag houden.

De gemeente voert aan dat er tussen de agrariër en de gemeente afspraken zijn gemaakt over de mogelijke intrekking van deze vergunning en een onderdeel van die afspraken is dat de bestemming van het perceel van appellant zou worden aangepast in ruil voor een verzoek van appellant tot intrekking van zijn milieuvergunning.

De gemeente stelt dat rekening is gehouden met de geurcontour van het bedrijf door niet bij recht woningen mogelijk te maken, maar via een uit te werken bestemming. Zodoende is rekening gehouden met de milieuvergunning, aldus de gemeente.

De Afdeling overweegt de verhouding uitwerkingsplan en milieuvergunning: “Op grond van de uit te werken bestemming rust op het college de verplichting om deze bestemming binnen de planperiode uit te werken. Vast staat dat zolang voormelde milieuvergunning van kracht is door de daarbij toegestane geurbelasting vanwege de inrichting van appellant deze bestemming niet kan worden uitgewerkt, aangezien dit met zich zou brengen dat geurgevoelige objecten binnen de geurcontour kunnen worden gebouwd. Nu ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit geen zekerheid bestond over de intrekking van de milieuvergunning en er in het verband van de uit te werken bestemming geen planologische invulling van de gronden mogelijk is waarbij woningen kunnen worden gebouwd met inachtneming van de geurcontour, is de raad er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de uitvoerbaarheid van het bestreden plandeel binnen de planperiode niet aannemelijk is. Daarbij is van belang dat een vigerende milieuvergunning niet zonder meer door het bevoegd gezag kan worden ingetrokken en dat in dit geval de intrekking van de milieuvergunning op basis van een daartoe strekkend verzoek van appellant zou plaatsvinden“. Zie verder r.o. 2.9.4 van ABRS 25 april 2012, LJN: BW3848.

omgevingsjurist