Impulstoeslag tennisbaan meenemen in akoestisch onderzoek

Impulstoeslag tennisbaan meenemen in akoestisch onderzoekimpulstoeslag tennisbaan

In een bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het mogelijk maken van een tennisbaan. Het perceel van appellant grenst direct aan het wijzigingsgebied en zijn woning ligt op zo’n 4 meter afstand tot de grens van het aanduidingsvlak. Hij stelt dat het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De toepassing ervan zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege lichthinder en geluidshinder.

Volgens hem is in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening gehouden met een straffactor van 5 dB(A) voor impulsgeluid veroorzaakt door het slaan tegen een tennisbal. Bij de berekening van de geluidimmissies is een correctie van 5 dB(A) buiten beschouwing gelaten. In het akoestisch onderzoek staat dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau ter plaatse van de woning van appellant voldoet aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De grenswaarden die volgens het onderzoek moeten worden gehanteerd uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau, worden ter plaatse van de woning echter overschreden. Daarbij is ook het stemgeluid van bezoekers in aanmerking genomen. In geval van een oprichting van een gesloten scherm ter afscherming van het geluid met een hoogte van 2,5 m (…) kan aan de grenswaarden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening worden voldaan. Indien gerekend wordt met een impulscorrectie van 5 dB(A) (impulstoeslag tennisbaan), wordt bij de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook na afscherming de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde met 1-2 dB(A) overschreden bij de woning van appellant.

Maatregelen treffenNaar het oordeel van de Afdeling stelt appellant terecht dat uit de rapporten (…) kan worden afgeleid dat om een aanvaardbaar akoestisch (…) klimaat ter plaatse van het perceel van appellant te kunnen waarborgen maatregelen ter afscherming van het geluid zullen moeten worden getroffen. Lees meer in r.o. 4.4 van uitspraak ABRS 16 januari 2019, no. 201803367/1/R1. [impulstoeslag tennisbaan].

Laat een akoestisch onderzoek uitvoeren of checken. Lees meer…

Paarden buitengebied ongewenst bij gemeenten

Paarden in buitengebied ongewenstpaarden buitengebied

De titel is wat dik aangezet. Toch merk ik in de praktijk heel vaak dat mensen die al dan niet beroepsmatig paarden willen houden, veel weerstand ontmoeten van gemeenten. Het principeverzoek wordt afgewezen of de omgevingsvergunning wordt geweigerd. Voor veel initatiefnemers is dit onbegrijpelijk. Men heeft bijvoorbeeld een voormalige agrarische locatie in het buitengebied op het oog. De omstandigheden lijken ideaal: genoeg ruimte, bestaande (paarden)stalruimte en men is bereid de locatie op te knappen. Genoeg voordelen zou je zeggen! Helaas is de praktijk anders.

Gedimdam over definities paardenhouderij, paardenfokkerij, etc.

De meeste gemeenten hanteren de gangbare definities uit het bestemmingsplan buitengebied. Veel nieuwe vormen van het houden van paarden, zoals bijv. paardencoaching, dagbesteding met paarden voor volwassenen of kinderen met leerproblemen, zorgboerderijen met paarden, etc. vallen niet direct onder de bestaande definities uit het geldende bestemmingsplan, en dus wordt vaak de vergunning geweigerd. In juridisch opzicht helemaal juist. Maar de juridische wereld is niet de echte wereld. Het vreemde voor de ondernemer is bijv. dat de ambtenaar van de afdeling Welzijn (of iets dergelijks) vaak al wel positief heeft gereageerd op bijv. de zorgboerderij in de gemeente.

Paarden buitengebied eisen en oplossingen – In de praktijk zie ik dat veel van deze ondernemers gevechten moeten aangaan met gemeenten. Er worden eindeloos veel eisen gesteld of er wordt gehandhaafd wegens strijd met het bestemmingsplan. Dat is heel frustrerend en kost onnodig veel energie en geld bij de initiatiefnemer. Vooral omdat het ook om een bedrijf gaat of kan gaan met een behoorlijke omzet.

Zoals iedereen in de RO-praktijk weet is het buitengebied erg veranderd en nog steeds aan verandering onderhevig. Er komen nieuwe vormen van agrarisch ondernemerschap of andere niet-agrarische activiteiten met dieren. Dit betekent uiteraard niet dat alles maar moet worden toegelaten. Maar het houdt wel in dat op een meer creatieve manier moet worden gekeken naar nieuwe vormen van ondernemerschap met paarden in het buitengebied. Beste ambtenaar, probeer wat ruimer te kijken naar dergelijke initiatieven en wijs de aanvraag niet direct af. Geen enkel initiatief is hetzelfde.  Ook de weerstand van gemeenten tegen rijbakken is ergerniswekkend. Eventueel kan hier de eis gesteld worden de rijbak achter de bebouwing te situeren, mocht het directe zicht op de rijbak een probleem zijn. Paarden moeten immers bereden en getraind worden.

Waar moeten paarden anders gehouden worden? In de stad of het dorp? Het platteland is daar bij uitstek geschikt voor, zeker nu steeds meer (voormalige) agrarische locaties leeg staan.

De oplossing: kijk naar de planologisch impact van het initiatief en niet zo zeer naar strakke – veelal oude – definities uit het geldende bestemmingsplan. Die zijn niet meer van deze tijd! Onderken ook dat een bestemmingsplan geen vaststaand iets is. De omgeving is telkens in beweging en ontwikkelingen gaan snel. Te snel voor bestemmingsplannen en beleid.

Jurisprudentie over paarden [paarden buitengebied]

Hulp nodig bij een aanvraag om een zorgboerderij met paarden, paardencoaching of andere bedrijvigheid met paarden?

  • ruime ervaring met principeverzoeken/aanvragen in het buitengebied
  • we spreken de taal van de gemeente
  • u hoort vooraf of uw initiatief kansrijk is of niet

Bel 010 – 268 0689 of mail naar info@omgevingsjurist.nl

Belanghebbende geluid van festival

Belanghebbende geluid van festivalbelanghebbende geluid

Het college van B&W heeft een evenementenvergunning verleend voor het organiseren van een muziekfestival (hardcore). De rechtbank had het ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard.

Het festival vindt jaarlijks in augustus plaats van vrijdag tot en met zondag. Hierbij worden in de buitenlucht door middel van versterkende apparatuur hardcore, etc. gedraaid. In de vergunning is bepaald dat het geluidsniveau niet meer mag bedragen dan 75 dB(A) en 95 dB(C) op de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gevels in de omgeving.

Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hinder van enige betekenis ondervindt en daardoor geen belanghebbende is.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Als gevolgen van enige betekenis ontbreken wordt geen belanghebbendheid aangenomen. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor woon-, leef- of bedrijfssituatie van de betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zonodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Appellant woont ongeveer op een afstand van 7 km van het festivalterrein. Uit het meetverslag blijkt dat een geluidsniveau is gemeten van 49 dB(A) en 73,5 dB(C) en hierbij de opmerking is genoteerd: muziek goed hoorbaar, dreun ook. (…) Gelet op de hoogte van het geluidsniveau en de tijden waarop de muziek wordt afgespeeld, is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat appellant als gevolg van het festival gevolgen van enige betekenis ondervindt. Hij kan worden aangemerkt als belanghebbende (…).

Zie verder r.o. 2 e.v. van uitspraak 27 december 2018, no. 201707909/1/A3. (belanghebbende geluid)

Bewoning recreatiewoning en onterechte dwangsom

Bewoning recreatiewoning en onterechte last onder dwangsombewoning recreatiewoning

Over de (permanente) bewoning van recreatiewoningen is veel te doen. In het algemeen kan gezegd worden dat bewoning permanente bewoning van recreatiewoningen niet is toegestaan vanwege strijd met het geldende bestemmingsplan. Ondanks dat worden er tal van huisjes op  vakantieparken gebruikt als woning, bijv. als noodoplossing bij scheiding, werkloosheid of bewoning wanneer men hoofdzakelijk in het buitenland woont. Ze voorzien dus in een ruime behoefte. De vraag is dan ook wat er zo erg aan is aan permanente bewoning (hoofdverblijf) van vakantiewoningen. Indien bijv. de toename van verkeer en/of parkeerproblemen kunnen worden opgelost zie ik niet zoveel verschil met een ‘normale’ woonwijk.

In het een uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018 komt iets soortgelijks aan de orde. De bewoner woont voor het overgrote deel in het buitenland, maar bewoont de woning als hij in Nederland is (1x per 6 weken). Volgens de gemeente wordt de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan gebruikt (hoofdverblijf). De gemeente heeft dan ook een last onder dwangsom opgelegd.

De Afdeling overweegt als volgt: “Niet in geschil is dat appellant ten tijde van de besluiten (…) in de Brp op het adres van de recreatiewoning stond ingeschreven. Evenmin is in geschil dat appellant zijn recreatiewoning voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking heeft laten komen. Deze omstandigheden vormen weliswaar aanwijzingen voor een gebruik van de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan, maar de Afdeling is in dit geval van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant in strijd handelt met het bestemmingsplan. Uit het door het college overgelegde inspectieformulier (…) blijkt dat er hoofdzakelijk telefonisch contact is geweest met appellant. Uit het formulier blijkt niet dat op het perceel controles zijn uitgevoerd naar de aanwezigheid van appellant. 

Lees verder in r.o. 3.2 van uitspraak ABRS 27 december 2018, no. 201801676/1/A1.

Huisvesting arbeidsmigranten op bedrijventerrein is mogelijk

Huisvesting arbeidsmigranten op bedrijventerrein is mogelijkhuisvesting arbeidsmigranten

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de tijdelijke huisvesting van maximaal 252 arbeidsmigranten op een bedrijventerrein. Dit voor een periode van 10 jaar. Het perceel ligt op een gezoneerd bedrijventerrein.

Volgens appellant zal de huisvesting van arbeidsmigranten hem belemmeren in de bedrijfsvoering.

De Afdeling overweegt als volgt: “Het bedrijventerrein is krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd, wat betekent dat er op grond van artikel 2.17 eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer geen geluidgrenswaarden gelden voor woningen op dat bedrijventerrein. Dit neemt niet weg dat artikel 2.12, eerste lid van de Wabo bepaalt dat het college de omgevingsvergunning niet mag verlenen als dat in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, waaronder begrepen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel. 

(…) Omdat er geen richtafstanden zijn voor woningen op een (gezoneerd) bedrijventerrein, heeft het college bij de beantwoording van de vraag of op het perceel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of bedrijven op het bedrijventerrein hun bedrijfsactiviteiten kunnen uitvoeren binnen aanvaardbare voorwaarden naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de in de VNG-handreiking opgenomen richtafstanden die dienen te worden aangehouden tussen een bepaald omgevingstype en een bedrijf van een bepaalde milieucategorie. Vaststaat dat de directe omgeving van het perceel niet kan worden aangeduid als omgevingstype ‘rustige woonwijk’ als bedoeld in de VNG-handreiking. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het gebied direct om het perceel heen wel aansluit bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ uit de VNG-handreiking. Het college heeft daarbij kunnen betrekken dat sprake is van enige mate van functiemenging als bedoeld in die handreiking, omdat het perceel is gelegen aan een hoofdontsluiting en nabij snelweg A59 en ter plaatse verder ook kleine bedrijfjes (…) aanwezig zijn. Dat voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat op het perceel is aangesloten bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ uit de VNG-handreiking maakt niet dat het college het bedrijventerrein daadwerkelijk als een omgevingstype ‘gemengd gebied’ in de zin van de beleidsregel of de VNG-handreiking heeft aangemerkt. De aard van het bedrijventerrein is immers niet veranderd. Lees verder in r.o. 4.6 van uitspraak ABRS 12 december 2018, no. 201710138/1/A1.   [huisvesting arbeidsmigranten]

Meer weten over huisvesting van arbeidsmigranten op een bedrijventerrein in uw gemeente? Bel 010 – 268 0689.

 

beroep gezondheidsrisico antennemast zinloos

Beroep gezondheidsrisico antennemast is zinloosberoep antennemast

Een niet echt bemoedigende titel! Toch geeft dit op dit moment wel de juridische realiteit weer over (hoger) beroep inzake gezondheidsrisico’s van de plaatsing van antennemasten. U zult dus met iets beters moeten komen voor een geslaagd (hoger) beroep!

Wat was er aan de hand? 

Het college van B&W had een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de plaatsing van een antennemast voor mobiele telefonie. De betreffende antennemast is een vrijstaande stalen vakwerkconstructie met een hoogte van 39,90 m. Het bouwwerk is in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Appellanten betogen onder meer dat het college uit voorzorg had moeten afzien van de verlening van de omgevingsvergunning vanwege gezondheidsrisico’s. Zij verwijzen daarbij naar de EU-resolutie van 2 april 2009 (…) waaruit volgt dat nog veel onduidelijkheid bestaat over de gezondheidsrisico’s en de veiligheid met betrekking tot blootstelling van mensen aan elektromagnetische velden.

De Afdeling overweegtDe rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet gehouden was  de gevraagde omgevingsvergunning uit voorzorg te weigeren vanwege het onvoldoende bestaan van inzicht in de gezondheidsrisico’s. De rechtbank heeft daarbij terecht gewezen naar de uitspraken van (…), waarin de Afdeling heeft overwogen dat de Gezondheidsraad in het rapport ‘Elektromagnetische velden, jaarbericht 2008’ van maart 2009 heeft vermeld dat volgens de Commissie Elektromagnetische velden er geen aanwijzingen zijn dat blootstelling aan radiofrequente velden in de woonomgeving leidt tot gezondheidsproblemen. 

In de uitspraak (…) is voorts een door de Stichting (…) opgesteld deskundigenbericht genoemd. In dat deskundigenbericht is vermeld dat uit wereldwijde onderzoeken naar de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden blijkt dat radiofrequente elektromagnetische velden een nadelig gezondheidseffect kunnen hebben. Lees verder in r.o. 14.1 van uitspraak ABRS 5 december 2018, no. 201801062/1/A1.  [beroep gezondheidsrisico]

mestzak is geen bouwwerk

Mestzak is geen bouwwerkmestzak

Het college van B&W heeft aan appellant een last onder dwangsom opgelegd om een mestzak op het perceel te verwijderen. De mestzak heeft  1 à 2 jaar op het perceel gelegen. Volgens appellant kan de mestzak niet worden aangemerkt als een mestopslagvoorziening omdat de mestzak geen bouwwerk is.

Onder bouwwerk wordt in het bestemmingsplan verstaan: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.”

De Raad van State overweegt als volgt: “Niet in geschil is en ook de Afdeling is van oordeel dat artikel (…) van de planregels een bouwregel is. De mestzak kan dan ook alleen een mestopslagvoorziening in de zin van die bepaling zijn als de mestzak een bouwwerk is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de mestzak geen bouwwerk is als bedoeld in (…) de planregels. De mestzak is een platte zak van PVC die los op de grond ligt. De mestzak bevat derhalve geen constructief element en is daarmee geen bouwwerk (…)”. Lees meer in uitspraak ABRS 5 december 2018, no. 201800999/1/A1.

Twijfel of iets een bouwwerk is? Bel 010-268 0689.

VNG-brochure is niet verplicht bij woon- en leefklimaat

VNG-brochure is niet verplicht bij bepalen afstanden woon- en leefklimaatVNG-brochure

De VNG-brochure is een handreiking voor maatwerk. In de praktijk worden de genoemde afstanden echter vaak als ‘waarheid’ gezien en niet als hulpmiddel. In de brochure is het uitgangspunt: gemotiveerd toepassen. In feite is er veel mogelijk, mits goed onderbouwd. Vaak wordt ook gedacht dat de toepassing van de VNG-brochure verplicht is bij het onderbouwen van afstanden tussen bijv. woningen en bedrijven. Dat is echter niet zo. In onderstaande uitspraak komt onder meer dit aan de orde.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt de uitbreiding van een staalbedrijf mogelijk. Appellanten zijn van mening dat de gemeente ten onrechte niet de richtafstanden uit de brochure heeft toegepast. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat gezien de ligging van de bedrijfswoningen op het bedrijventerrein een lager beschermingsniveau kan worden toegepast. Daarom is aansluiting gezocht bij de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit (tabel 2.17c). Als aan de geluidnormen voor gevoelige gebouwen op een bedrijventerrein uit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan acht de raad het plan ruimtelijk aanvaardbaar.

Op grond van artikel 2.17, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit gelden voor gevoelige objecten op een bedrijventerrein de geluidnormen die zijn opgenomen in voornoemde tabel 2.17c. De Afdeling acht de keuze van de raad (…) voor wat betreft het beschermingsniveau van de woningen, aansluiting te zoeken bij de geluidnormen van artikel 2.17c niet onredelijk. Indien vaststaat dat aan deze geluidnormen wordt voldaan, mag de raad ervan uitgaan dat in beginsel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit laat onverlet dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvullend dient te worden bezien of ter plaatse van de woningen wat betreft de geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Er bestaat echter geen grond voor het oordeel dat de raad daartoe de VNG-brochure had meoten toepassen. Overigens is in de brochure aangegeven dat de daarin opgenomen richtafstanden niet zonder meer kunnen worden toegepast op een bedrijventerrein.” Zie verder uitspraak ABRS 5 december 2018, no. 201701113/1/R2.

 

 

 

Golfbaan en woon- en leefklimaat omwonenden

Golfbaan en woon- en leefklimaat omwonendengolfbaan

Een bestemmingsplan maakt de bouw van woningen mogelijk dichtbij een golfbaan. Appellanten betogen dat de woningen te dicht bij de golfbaan mogelijk worden gemaakt. Zij betogen dat de locatie met woningen die wordt ontsloten via een route over het terrein van de golfbaan leidt tot een onevenredige beperking van het gebruik van de golfbaan vanwege veiligheidsrisico’s. Zij wijzen op de standaard veiligheidszone van 30 meter die in acht moet worden genomen tussen een golfbaan en een locatie waar mensen (niet golfers) zich begeven daaronder begrepen openbare wegen. Deze afstand wordt bij sommige holes niet in acht genomen.

Gelet op deze veiligheidsrisico’s kan op de locatie ook geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden verzekerd. Tevens zullen golfers moeten opletten op het verkeer dat over het terrein rijdt en kunnen zij daarom niet meer vrijspelen.

In het door de eigenaar overlegde rapport van de betreffende architect is opgenomen dat uit de ‘vuistregels baanveiligheid’ blijkt dat een afstand van minimaal 40-80 m tussen een hole en de buitengrens van een golfterrein een veilige afstand is. Er is sprake van een grote marge, omdat de veilige afstand afhankelijk is van wat er aan de buitengrens aan activiteiten plaatsvindt. Een snelweg heeft meer afstand nodig dan een bos. Tevens hangt de afstand af van eventueel aanwezige beplanting. De afstand wordt gemeten vanuit het hart van de fairway. Lees meer in r.o. 31.6 van uitspraak ABRS 14 november 2018, no. 201607156/1/R2.

Gezondheid intensieve veehouderij en juridische werkelijkheid

Gezondheid intensieve veehouderij en juridische werkelijkheidgezondheid intensieve veehouderij

In een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied is een mogelijkheid opgenomen om vergroting van de oppervlakte van de agrarische gebouwen. Dit is geregeld via een afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan.

Hierbij is rekening gehouden met de zogeheten ‘stalderingsregeling’ van de provincie Noord-Brabant. Deze stalderingsregeling houdt kortweg in dat binnen een in de Verordening ruimte aangeduid stalderingsgebied de toename van de oppervlakte dierenverblijf van een hokdierhouderij binnen een bouwperceel uitsluitend wordt toegestaan als elders in dat gebied de oppervlakte dierenverblijf van een hokdierhouderij is afgenomen met tenminste 110%.

Hoewel er in de uitspraak ook interessante overwegingen zijn opgenomen over de stalderingsregeling, neem ik hier alleen de overwegingen over gezondheid intensieve veehouderij en woon- en leefklimaat over. Volgens appellanten 1 en 2 leidt het plan tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan maakt namelijk de uitbreiding van een intensieve veehouderij mogelijk. Wat betreft de bouwmogelijkheden die bij recht zijn opgenomen in het bestemmingsplan, is de gemeente van mening dat deze niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners. Bij de toets van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouwaanvraag bleek namelijk dat aan de gestelde normen voor geur, ammoniak en fijn stof kan worden voldaan. De Afdeling volgt de gemeente hierin.

Appellanten sub 3 en 4 stellen dat het plan zal leiden tot een verdere verslechtering van het leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Uit recente onderzoeken van het RIVM en de GGD volgt dat er een verband bestaat tussen gezondheidseffecten en woonafstanden tot intensieve veehouderijen. De GGD adviseert om binnen 250 meter van intensieve veehouderen geen nieuwbouw te realiseren en voor bouwplannen tussen de 250 en 1000 m een aanvullende risicobeoordeling uit te voeren. Eén van de appellanten kampt met ernstige luchtwegproblemen en vreest voor een verdere achteruitgang van zijn gezondheid als van de planologische ontwikkelingsmogelijkheden gebruik wordt gemaakt. Hij heeft een verklaring van zijn huisarts overgelegd.

Volgens de gemeente bevatten de planregels voldoende waarborgen om onaanvaardbare effecten op de volksgezondheid te voorkomen.

De Afdeling overweegt als volgt: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is het effect dat nabij gelegen veehouderen op de volksgezondheid kunnen hebben een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar verslechtert. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Uit het voorgaande volgt dat de Wro in dit kader een aanvullend karakter heeft. (…)

Voor zover appellanten stellen dat, gelet op de adviesafstanden van de GGD, in het plan verdergaande beperkingen moeten worden opgelegd aan de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij heeft de raad daarvoor in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien. Uit het door appellanten genoemde advies van de GGD (…) volgt niet dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij vanuit het oogpunt van volksgezondheid moet worden verboden binnen een bepaalde afstand tot een woning. De keuze van de raad om bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen de adviesafstand van de GGD niet over te nemen is niet onredelijk. Dat binnen de gemeente (…) een groot aantal intensieve veehouderijen is gevestigd en dat maatschappelijke onrust is ontstaan over de gevolgen daarvan op de volksgezondheid, biedt op zichzelf (…) onvoldoende grond voor een verdergaande beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij. (…). Zie verder uitspraak ABRS 7 november 2018, no. 201605590/2/R2.

Noot MH: Tot nu toe valt er nog weinig te halen bij de Raad van State als het gaat om gezondheid en woon- en leefklimaat bij woningen die nabij intensieve veehouderijen liggen. Nog steeds wordt dezelfde standaardoverweging aangehaald: ‘bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, etc.‘ Dit moet erg frustrerend zijn voor individuele patiënten die met klachten kampen van de luchtwegen. Dit is helaas de juridische werkelijkheid die nogal eens afwijkt van de ‘normale’ werkelijkheid. [gezondheid intensieve veehouderij]