Gezondheid intensieve veehouderij en juridische werkelijkheid

Gezondheid intensieve veehouderij en juridische werkelijkheidgezondheid intensieve veehouderij

In een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied is een mogelijkheid opgenomen om vergroting van de oppervlakte van de agrarische gebouwen. Dit is geregeld via een afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan.

Hierbij is rekening gehouden met de zogeheten ‘stalderingsregeling’ van de provincie Noord-Brabant. Deze stalderingsregeling houdt kortweg in dat binnen een in de Verordening ruimte aangeduid stalderingsgebied de toename van de oppervlakte dierenverblijf van een hokdierhouderij binnen een bouwperceel uitsluitend wordt toegestaan als elders in dat gebied de oppervlakte dierenverblijf van een hokdierhouderij is afgenomen met tenminste 110%.

Hoewel er in de uitspraak ook interessante overwegingen zijn opgenomen over de stalderingsregeling, neem ik hier alleen de overwegingen over gezondheid intensieve veehouderij en woon- en leefklimaat over. Volgens appellanten 1 en 2 leidt het plan tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan maakt namelijk de uitbreiding van een intensieve veehouderij mogelijk. Wat betreft de bouwmogelijkheden die bij recht zijn opgenomen in het bestemmingsplan, is de gemeente van mening dat deze niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners. Bij de toets van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouwaanvraag bleek namelijk dat aan de gestelde normen voor geur, ammoniak en fijn stof kan worden voldaan. De Afdeling volgt de gemeente hierin.

Appellanten sub 3 en 4 stellen dat het plan zal leiden tot een verdere verslechtering van het leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Uit recente onderzoeken van het RIVM en de GGD volgt dat er een verband bestaat tussen gezondheidseffecten en woonafstanden tot intensieve veehouderijen. De GGD adviseert om binnen 250 meter van intensieve veehouderen geen nieuwbouw te realiseren en voor bouwplannen tussen de 250 en 1000 m een aanvullende risicobeoordeling uit te voeren. Eén van de appellanten kampt met ernstige luchtwegproblemen en vreest voor een verdere achteruitgang van zijn gezondheid als van de planologische ontwikkelingsmogelijkheden gebruik wordt gemaakt. Hij heeft een verklaring van zijn huisarts overgelegd.

Volgens de gemeente bevatten de planregels voldoende waarborgen om onaanvaardbare effecten op de volksgezondheid te voorkomen.

De Afdeling overweegt als volgt: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) is het effect dat nabij gelegen veehouderen op de volksgezondheid kunnen hebben een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar verslechtert. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Uit het voorgaande volgt dat de Wro in dit kader een aanvullend karakter heeft. (…)

Voor zover appellanten stellen dat, gelet op de adviesafstanden van de GGD, in het plan verdergaande beperkingen moeten worden opgelegd aan de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij heeft de raad daarvoor in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien. Uit het door appellanten genoemde advies van de GGD (…) volgt niet dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij vanuit het oogpunt van volksgezondheid moet worden verboden binnen een bepaalde afstand tot een woning. De keuze van de raad om bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen de adviesafstand van de GGD niet over te nemen is niet onredelijk. Dat binnen de gemeente (…) een groot aantal intensieve veehouderijen is gevestigd en dat maatschappelijke onrust is ontstaan over de gevolgen daarvan op de volksgezondheid, biedt op zichzelf (…) onvoldoende grond voor een verdergaande beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij. (…). Zie verder uitspraak ABRS 7 november 2018, no. 201605590/2/R2.

Noot MH: Tot nu toe valt er nog weinig te halen bij de Raad van State als het gaat om gezondheid en woon- en leefklimaat bij woningen die nabij intensieve veehouderijen liggen. Nog steeds wordt dezelfde standaardoverweging aangehaald: ‘bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, etc.‘ Dit moet erg frustrerend zijn voor individuele patiënten die met klachten kampen van de luchtwegen. Dit is helaas de juridische werkelijkheid die nogal eens afwijkt van de ‘normale’ werkelijkheid. [gezondheid intensieve veehouderij]

Agrarische bedrijfswoning noodzakelijk?

Agrarische bedrijfswoning noodzakelijk?agrarische bedrijfswoning

Over de noodzaak van bedrijfswoningen bij een agrarisch bedrijf is de laatste tijd veel te doen. Er zijn zelfs gemeenten die woningen bij een agrarisch bedrijf niet meer nodig vinden. Hoewel dat wellicht bij een tuinbedrijf niet echt nodig is, is het bij een veeteeltbedrijf echt om praktische redenen wel zo handig! Uiteraard is er van alles op afstand in de gaten te houden via camera’s, maar de praktijk van een veehouderij is weerbarstig!

In een uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018 komt de al dan niet aanwezige noodzaak van een agrarische bedrijfswoning weer ter sprake. Een gemeente in Noord-Holland heeft een last onder dwangsom doen uitgaan over het vermeend illegaal gebruiken van een stolpwoning als agrarische bedrijfswoning en de bewoning te staken.

De maatschap exploiteert een melkveehouderij en een schapenhouderij. Het bedrijf is gevestigd op drie percelen. De afstand tussen de percelen is ten hoogste 3 km. De agrarische bestemming laat wonen ten behoeve van het agrarisch bedrijf toe. Onder een agrarische bedrijfswoning wordt verstaan: “een woning liggend op het erf of terrein van een agrarisch bedrijf, uitsluitend bestemd voor de huisvesting van één of meer personen wiens/wier huishouding daar, gelet op de bestemming, en bedrijfsvoering van het bedrijf, noodzakelijk is.”

De Afdeling overweegt het volgende: “Op het perceel is een agrarisch bedrijf toegestaan. Ingevolge artikel 3 (…) van de planregels is wonen ten behoeve van het agrarisch bedrijf toegestaan op het perceel. De eis dat ten behoeve van het agrarisch bedrijf mag worden gewoond brengt met zich dat er een zekere relatie moet bestaan tussen de woning en het agrarisch bedrijf, wat betekent dat het bedrijf er een redelijk belang bij moet hebben dat de woning op het perceel moet worde bewoond. Deze eis gaat, anders dan waarvan het college uitgaat, niet zover dat wonen op als ‘Agrarisch’ bestemde percelen alleen is toegestaan in het geval dat wonen bij het bedrijf noodzakelijk is. Het college heeft in de in bezwaar gehandhaafde besluiten (…) ten onrechte niet onderzocht of appellant de stolpwoning op het perceel bewoont ten behoeve van het bedrijf als bedoeld in artikel 3 (…) van de planregels. Het betoog slaagt”. 

Aanvraag omgevingsvergunning is geen simpele brief

Aanvraag omgevingsvergunning is geen simpele briefaanvraag omgevingsvergunning

Bij gemeenten komen dikwijls brieven binnen van grondeigenaren – gericht aan bijv. een wethouder – met een verzoek om wijziging van de bestemming of aanvraag omgevingsvergunning. Met name gebeurt dit in kleine gemeenten waar de lijntjes tussen burgers en politiek wat korter zijn.

Hoe dient de gemeente een dergelijke brief nu op te vatten? De Raad van State heeft over een dergelijk geval op 31 oktober 2018 uitspraak gedaan. De strekking van de brief was als volgt:

Al geruime tijd zijn wij ons aan het beraden wat te doen met ons pand op de genoemde locatie. Er is nu een autobedrijf met parkeren gevestigd. Gezien de marktontwikkelingen komt het pand mogelijk leeg. Het gebied waar het pand ligt, is niet geschikt voor een autobedrijf. Bouwtechnisch is het pand nog in goede staat. Gezien de huidige vraag naar dergelijke bedrijfsruimten en de al bestaande gemengde functies in het gebied lijkt een andere functie voor de hand te liggen. Door de ligging langs een goed bereikbare weg, aanwezigheid van voldoende parkeerplaatsen en de open ruimten is het pand geschikt voor detailhandel, echter de huidige bestemming is niet geschikt. Ik verzoek u dan ook hierbij er planologisch aan mee te werken dat de bestaande bebouwing ter plaatse kan worden gebruikt voor reguliere detailhandel. Graag zie ik uw besluit hiertoe tegemoet. Invulling om toekomstige langdurige leegstand te voorkomen zal ook het functioneren van de rest van het gebied ten goede komen (…).”

De Raad van State zegt er het volgende over:

De Afdeling heeft in een aantal uitspraken geoordeeld over met de huidige zaak vergelijkbare gevallen. In al deze gevallen is door de vastgoedeigenaar met enkel een globale schets van het initiatief, en zonder nader concrete uitwerking daarvan, verzocht om besluitvorming tot afwijking van de gebruiksbepalingen van een bestemmingsplan voor een bedrijfslocatie. Lees verder in r.o. 3.2 van uitspraak ABRS 31 oktober 2018, no. 201801046/1/A1.

Noot MH: Naar mijn mening is hier sprake van een principeverzoek en had de gemeente de initiatiefnemer hierover moeten inlichten door middel van een brief.

 

Dakterras en schuin uitzicht van buren

Dakterras en schuin uitzicht van buren

  • artikel 5:50 BW
  • evidente privaatrechtelijke belemmering
  • omgevingsvergunning
  • uitzicht buren op terras

dakterras

Dakterrassen kunnen een bron van ergernis vormen in stedelijke gebieden. Met name het aspect privacy (uitzicht) speelt vaak een rol. Wat is wel geoorloofd en wat levert hinder op? Het zal van geval tot geval verschillen. Iedereen ervaart dit anders. In deze zaak van de Raad van State komt dit uitvoerig aan de orde. Wat was er aan de hand?

De gemeente heeft een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van een woning. Het bouwplan bestaat onder meer uit het wijzigen van een dakterras voor een woning in de binnenstad en het toevoegen van een loggia aan de voorzijde. Het erf van appellant grenst direct aan het perceel en gaat het om schuin uitzicht op het dakterras.

De Afdeling is van oordeel dat uit de bewoordingen van artikel 5:50 van het BW kan worden afgeleid dat er een verschil bestaat tussen rechtstreeks uitzicht, rechthoekig gemeten vanaf de opening, en schuin uitzicht. Uit de bewoordingen van artikel 5:50 BW kan naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer worden afgeleid dat onder het daarin verwoorde verbod ook het schuin uitzicht dient te worden begrepen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het schuin uitzicht zoals hier aan de orde geen evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat.

Lees verder in uitspraak ABRS 31 oktober 2018, no. 201702237/1/A1

grotere milieubelasting toestaan op bedrijfswoning bedrijventerrein

Grotere milieubelasting toestaan op bedrijfswoning bedrijventerreingrotere milieubelasting

De relatie bedrijfswoning en bedrijventerrein is een ongelukkige. Meestal gaat het om situaties die lang geleden zijn ontstaan omdat in een ver verleden de ondernemer bij zijn bedrijf woonde. De ellende begint vaak als de ondernemer de betreffende woning verkoopt aan een derde die vervolgens gaat klagen over stank- of geluidsoverlast. Hoewel door de technologische ontwikkelingen al minder vaak is van geluid- of stankoverlast, zijn er vrijwel altijd factoren aanwezig die zorgen voor hinder voor omwonenden. Dat kan ook laden en lossen zijn in de vroege ochtend. Meestal wil men wel de lusten ervaren (goedkopere woning), maar niet de lasten. Men vergeet zich vaak de vraag te stellen: waarom woon ik eigenlijk op een bedrijventerrein?

In een uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018 komt de relatie bedrijfswoning en bedrijventerrein aan de orde. Wat was er aan de hand?

De raad heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor een bedrijventerrein. De appellant betreft een eigenaar van een bedrijfswoning op het bedrijventerrein. Op grond in de nabijheid van zijn woning worden in het nieuwe plan bedrijven toegestaan met een milieucategorie van 3.1 en 3.2 in plaats van milieucategorie 1 en 2, zoals in het voorheen geldende plan. Appellant vreest als gevolg hiervan een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij wijst erop dat niet aan de aanbevolen richtsafstand wordt voldaan zoals aangegeven in de VNG-brochure.

De Afdeling overweegt als volgt: “Aan een voorheen geldend bestemmingsplan kunnen in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels vaststellen. In dit geval heeft de raad ervoor gekozen om, met het oog op een aantrekkelijk vestigingsklimaat, ter plaatse van in het geding zijnde gronden, bedrijven van milieucategorie 3.2 en 3.1 toe te staan. (…)

De Afdeling stelt vast dat het aan de orde zijnde gebied gekwalificeerd kan worden als een ‘gemengd gebied’. De raad heeft vanwege de omstandigheid dat in dit geval sprake is van een bedrijfswoning op een bedrijventerrein aanleiding gezien voor de bedrijven van milieucategorie 3.2 een richtafstand van 30 meter te hanteren. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid  deze richtafstand heeft kunnen hanteren voor bedrijven van milieucategorie 3.2 tot de bedrijfswoning van appellant. Hierbij acht de Afdeling (…) het van belang dat voor een bedrijfswoning op een bedrijventerrein in het algemeen een grotere milieubelasting aanvaardbaar kan worden geacht dan voor een burgerwoning (…). Lees meer in r.o. 4.4 van uitspraak ABRS 19 september 2018, no. 201709944/1/R1.


Meer weten over richtafstanden, het verkorten ervan of een andere oplossing voor bedrijfswoningen op een bedrijventerrein?

de omgevingsjurist

gebruiksregel bestemmingsplan niet in definitie opnemen

Gebruiksregel bestemmingsplan niet in definitie opnemengebruiksregel bestemmingsplan

Een gemeente heeft in een bestemmingsplan een definitie opgenomen van ‘bedrijfswoning’ (artikel 1.16):

een woning die een functionele binding heeft met een op hetzelfde perceel gelegen bedrijf, instelling of inrichting, ten behoeve van beheer van en/of toezicht van het bedrijf, de instelling of de inrichting. Naast een bedrijfswoning is een bestaand bedrijf toegelaten tot maximaal milieucategorie 3.1, of hiermee vergelijkbaar, als aangegeven in de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten.”

De Afdeling zegt er het volgende over: “(…) Uit de SVBP 2012 volgt dat in hoofdstuk 1 van de planregels de begrippen worden verklaard die in de planregels voorkomen en een nadere beschrijving behoeven. In hoofdstuk 2 worden de bestemmingsregels opgenomen, waaronder specifieke gebruiksregels. De Afdeling stelt vast dat met de eerste zin van artikel 1.16 van de planregels (…) een omschrijving is gegeven van het begrip bedrijfswoning. De laatste zin van deze bepaling (…) betreft echter een gebruiksregel, die op grond van de SVBP2012 in de bestemmingsregels had moeten worden opgenomen. Derhalve heeft de raad in strijd met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling, in samenhang gelezen met artikel 1.2.6 van het Bro, zoals uitgewerkt in de SVBP 2012, een gebruiksregel opgenomen in de bedoelde begripsomschrijving. Het betoog slaagt.” Lees meer in uitspraak ABRS 19 september 2018, no. 201709944/1/R1, r.o. 3.3.

 

Bedrijfswoningen op bedrijventerreinen zijn onwenselijk

Bedrijfswoningen op bedrijventerreinen zijn onwenselijkbedrijfswoningen

De laatste jaren is het een trend om van (voormalige) bedrijventerreinen gemengde gebieden te maken, zoals wonen combineren met bedrijven. De bedrijven worden zo de stad uitgejaagd. Door het tekort aan woningen wordt op allerlei manieren creatief geprobeerd om waar dan ook wonen mogelijk te maken. Hoewel bij de lichtere vormen van bedrijvigheid wonen prima kan samenvallen, geldt in het algemeen dat bij bedrijven die wat meer geluiduitstoot produceren of verkeer aantrekken de combinatie niet gelukkig is. Persoonlijk vind ik dat gemeenten hier onvoldoende bij stilstaan. Met name in de situatie als ‘wonen’ op alles voorrang heeft. Naar de belangen van de zittende bedrijven wordt onvoldoende gekeken, met alle vervelende gevolgen vandien. Dit geldt eveneens voor bedrijfswoningen. Dit zijn woningen die vroeger bij een bedrijf behoorden en waar de ondernemer zelf woonde. De praktijk is meestal dat de woningen apart worden verkocht aan een derde die niet verbonden is met het bedrijf. Ook dit is een onwenselijke situatie voor de bestaande bedrijvigheid.

In een uitspraak van de Raad van State van 12 september 2018 geeft een gemeente wel het goede voorbeeld en wordt de gevraagde vergunning geweigerd. Wat was er aan de hand?

De initiatiefnemer heeft een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het wijzigen van gebruik van een bedrijfswoning naar wonen (burgerwoning). De gemeente heeft die vergunning geweigerd. De Afdeling overweegt als volgt:

Het college is bij het besluit om de vergunning te weigeren (…) aangesloten bij de uitgangspunten van het geldende bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’. Daar wordt voorop gesteld dat de bedrijfsfunctie de belangrijkste functie is in het plangebied en dat hoofduitgangspunt is dat de huidige ruimtelijk-functionele structuur wordt gehandhaafd en waar mogelijk wordt versterkt en opgewaardeerd. (…) Weliswaar is in beginsel juist dat beide soorten woningen niet tegen geluid worden beschermd indien zij zich op een gezoneerd bedrijventerrein bevinden, echter dit maakt niet dat het college de omgevingsvergunning voor het gebruiken van de bedrijfswoning als burgerwoning niet heeft mogen weigeren. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het verlenen van de vergunning zowel ongewenst is omdat ter plaatse van de woning van appellant geen goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd, als omdat dit de mogelijkheden van de op het bedrijventerrein aanwezige bedrijven beperkt. Lees meer in r.o. 4.1 van uitspraak ABRS 12 september, no. 201701695/1/A1

 

Geluid dakterras accepteren of niet?

Geluid dakterras accepteren of niet?geluid dakterras

In de binnenstad kan op zomerse dagen allerlei geluid ontstaan dat niet voor iedereen wenselijk is. Vaak is dat muziek of menselijk stemgeluid. Iedereen ervaart dit anders. Voor de een is dat gezelligheid en de ander ervaart het als storend. In veel bestemmingsplannen voor binnensteden is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om op daken van woningen dakterrassen aan te leggen. Indien aan de voorwaarden wordt voldaan verleent de gemeente in principe de omgevingsvergunning. Het vervelende is dat de buren vaak niet worden ingelicht en dat de onderlinge verhoudingen zo ernstig verstoord worden.

Eén van de voorwaarden is vaak dat er geen onevenredige geluidsoverlast mag optreden. Wat is ‘onevenredige geluidsoverlast’? Dit is een zeer breed begrip waar van alles onder kan vallen: stemgeluid, muziek, etc. In een uitspraak van de Raad van State van 12 september 2018 ging het ook over deze problematiek. De casus speelt zich af in de gemeente Amsterdam.

De gemeente heeft een omgevingsvergunning verleend voor het intern wijzigen van de zolderverdieping tot een woongedeelte en een dakterras. De Afdeling geeft het volgende aan (omgevingsvergunning geluid dakterras):

Bij een dergelijke beslissing moet het algemeen bestuur alle betrokken belangen tegen elkaar afwegen in dit geval ligt ter toetsing de vraag voor of in dit geval het algemeen bestuur in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij het verlenen van de vergunningen dan aan de belangen die zijn gebaat bij de weigering daarvan. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (…) volgt dat aan het wonen in een verstedelijkte omgeving enige mate van geluidhinder en een zekere mate van inbreuk van privacy inherent is (…). Dit laat onverlet dat het bevoegd gezag per geval zal moeten beoordelen of er geen onvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het algemeen bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afname van privacy van appellant en anderen door de realisatie van de dakterrassen relatief beperkt is. (…) Het belang van scheppen van buitenruimte voor bewoners in een stedelijke omgeving weegt daarbij zwaar. “Lees meer in r.o. 3.2. 

Met zinsnedes als ‘in redelijkheid’, ‘enige mate van geluidhinder’ en ‘relatief beperkt’ kan de praktijk niet veel. Het kan alle kanten opgaan. Naar mijn opvatting zouden gemeenten moeten vaststellen wat een acceptabel geluidniveau is in een binnenstad. Voor iedereen is dan duidelijk welke grenzen de gemeente hanteert. Nu is het voor buren vrijwel onmogelijk succesvol geluidsoverlast te bestrijden. Nog afgezien van het feit dat het bespreekbaar maken van geluidsoverlast tussen buren onderling nog altijd het beste is.

Gezondheidsverkenning omwonenden landbouwpercelen RIVM

Gezondheidsverkenning omwonenden landbouwpercelen RIVM: weinig nieuws onder de zon

De laatste tijd staat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten in een grote publieke belangstelling. Er is ongerustheid over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de effecten hiervan op de gezondheid van met name omwonenden. Via social media en krantenberichten worden paniekerige berichten geplaatst die zorgen voor de onnodige onrust. Ook lokale politici laten zich leiden door dergelijke berichten zonder eens goed de onderliggende publicaties te lezen. Eén van de publicaties die in juli 2018 is verschenen is een publicatie van het RIVM ‘Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen’. gezondheidsverkenning omwonenden

Hoewel ik een zeer groot voorstander ben van (uitgebreid) onderzoek naar de effecten van deze middelen op de gezondheid is het naar mijn mening net zo belangrijk om ook eens naar de oorzaken te kijken waarom mensen hiervan hinder zeggen te ondervinden. In onze adviespraktijk gebeurt het regelmatig dat er particulieren aankloppen die graag een voormalige agrarische bedrijfswoning willen kopen op het platteland. Ik adviseer vrijwel altijd de locatie niet te kopen en informeer hen over de risico’s. De woning is relatief goedkoop en is om die reden aantrekkelijk voor veel mensen. Enthousist als ze zijn wordt er meestal niet verder gekeken dan hun neus lang is en gaan ze vervolgens dichtbij bijv. fruitteeltlocaties wonen. Naar mijn mening moeten gemeenten hier niet langer aan meewerken. Dat wil zeggen dat er eerst eens goed wordt gekeken naar de afstand van de tuin van de woning tot de grens van het agrarische perceel. Het uitoefenen van agrarische activiteiten – behalve het bespuiten van open teelten, geldt dit evenzeer voor oogsten, ploegen, etc. – staat meestal op gespannen voet met een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het begint hier! Bepaal vooraf eens wat een acceptabele afstand is. Besef dat agrariërs in het buitengebied ervoor zorgen dat er voldoende voedsel is en dat de voedselvoorziening in de supermarkt niet zo maar tot stand komt. De verwende consument wil nu eenmaal geen appels die er niet glimmend uitzien of die plekjes vertonen. Dit geldt evenzeer voor de aardappelteelt of andere open teelten.

Als mensen eenmaal in de plattelandswoning wonen gaan ze klagen over de bespuitingen over de gewassen of over stof dat in de tuin terechtkomt. Deze aspecten worden vaak onderschat bij gemeenten. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan voor een nieuwe gevoelige functie nabij open teelten kunnen deze aspecten worden meegewogen in de besluitvorming in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op deze manier kan voorkomen worden dat nieuwe bewoners te dichtbij agrarische percelen gaan wonen.

De voorlopige conclusie van het RIVM is trouwens dat er over het algemeen geen duidelijke verbanden bestaan tussen gezondheid en de nabijheid van landbouwpercelen. Wel verdienen sommige aspecten nader onderzoek. Lees het onderzoek naar de gezondheidsverkenning omwonenden hier.

Kamerverhuur studenten en woon- en leefklimaat omwonenden

Kamerverhuur studenten en woon- en leefklimaat omwonendenkamerverhuur studenten

De gemeente heeft een omgevingsvergunning verleend voor een ander gebruik voor 4 panden, te weten kamerverhuur aan studenten. Het gaat daarbij om de verhuur van 14 kamers met gedeelde voorzieningen. De achterbuurman heeft bezwaar tegen de verlening van de omgevingsvergunning omdat hij vreest voor overlast van kamerverhuur aan studenten. Het leidt volgens hem tot een aantasting van het karakter van de wijk vanwege een andere verhouding tussen gezinnen en kamerbewoners.

Het college van B&W voert aan dat in dit geval kon worden volstaan met een inventarisatie van de bestaande en de te verwachten concentratie van kamerverhuur in een straal van 50 meter rond de panden.

De Afdeling overweegt als volgt: Verandering karakter wijk door kamerverhuur studenten?Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank de uitgevoerde inventarisatie in dit geval onvoldoende inzichtelijk en te beperkt geacht. (…) De Afdeling acht op dit punt verder van belang dat partij in de procedure over het verlenen van de omgevingsvergunning heeft aangevoerd dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast door overlast van kamerbewoners in de omgeving van zijn woning. Hiervoor heeft het college een inventarisatie in een straal van 50 meter rond de panden in beginsel voldoende kunnen achten. Partij heeft echter ook aangevoerd dat sprake is van een oververtegenwoordiging van kamerbewoners in de wijk, waardoor ter plaatse een onevenredige toename van bepaalde leeftijdsgroepen. Dit laatste betoog heeft niet alleen betrekking op de directe overlast die partij stelt te ondervinden als gevolg van de verlening van de omgevingsvergunning, maar heeft eveneens betrekking op een volgens hem ongewenste verandering van het karakter van de wijk, (…). Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bij het maken van zijn inventarisatie en bij de vraag of de gevraagde omgevingsvergunning kon worden verleend niet had mogen voorbij gaan aan de door partij gegeven opsomming van panden in deze straten waar volgens hem reeds sprake is van kamerverhuur. Het betoog van het college faalt. 

Ruimtelijk relevant verschil tussen huishouden en studenten, ondanks zelfde aantal bewoners Zoals het college terecht heeft aangevoerd hoeft het bij kamerbewoning niet zonder meer te gaan om een groter aantal bewoners per pand dan in de situatie waarin een pand wordt bewoond door een gezin. (..) Dit neemt echter niet weg dat er een ruimtelijk relevant verschil bestaat tussen het gebruik van een pand voor kamerverhuur en de bewoning van een pand door één huishouden, omdat dit van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat van de omgeving. Lees meer in r.o. 11.1 van uitspraak ABRS 18 juli 2018, no. 201701425/ 1/A1.