Spuitzone boomgaard bepalen afstand tussen woningen en boomgaard

Spuitzone boomgaard – bij bepalen afstand tussen woningen en spuitzone boomgaard speelt de vraag of een sloot al dan niet water bevat een rol 

Een teeltvrije zone is een strook tussen de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop, behoudens grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld. spuitzone boomgaard

Een teeltvrije zone kan een rol spelen bij het bepalen van een verantwoorde afstand tussen een woning en een agrarisch perceel met een boomgaard. Bij een teelt vrijezone dient de agrariër een afstand tot een watertoevoerende sloot in acht te nemen. Deze bepalingen staan genoemd in het Activiteitenbesluit. Het is echter wel zo dat het bestemmingsplan bij het bepalen van een verantwoorde afstand de belangrijkste component is. Het bestemmingsplan bepaalt immers wat er op gronden al dan niet is toegestaan. Meestal mogen de (fruit)bomen tot op de agrarische erfgrens worden geplant. Deze grens is meestal ook de grens van het agrarische bestemmingsvlak. Ga om die reden altijd uit van de grens van het agrarische bestemmingsvlak.

In een uitspraak van de Afdeling  14 augustus 2013, no. 201300484/1/R1 komt het belang van het al dan niet aanwezig zijn van water in een sloot in relatie tot de spuitzone aan de orde.

omgevingsjurist

 

 

Grondgebonden agrarisch bedrijf en afstand gronden

Grondgebonden agrarisch bedrijf en gronden die op enige afstand liggen

Het college van b&w heeft bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het bouwen van een agrarische bedrijfswoning. Via een binnenplanse vrijstelling onder bepaalde voorwaarden kan de woning worden opgericht.

Onder ‘grondgebonden agrarisch bedrijf’ moet volgens het bestemmingsplan worden verstaan: “een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf”. 

Volgens appellanten heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat geen sprake is van een agrarisch bedrijf waarvan de productie in overwegende mate afhankelijke is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf (grondgebonden agrarisch bedrijf). Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte slechts de afhankelijkheid van de zogenoemde huiskavel van belang geacht. Volgens hen kunnen, gelet op de advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (…) alle op een afstand van 15 km van het perceel gelegen onbebouwde gronden worden aangemerkt als gronden die zijn gelegen in de directe omgeving van het bedrijf.

De Afdeling overweegt als volgt: “Voorop wordt gesteld dat in het bestemmingsplan noch in de toelichting daarop is vermeld wat de planwetgever verstaat onder gronden in de directe omgeving. In de adviezen van de AAB is geconcludeerd dat gronden tot een afstand van ongeveer 15 km van de bedrijfslocatie kunnen worden aangemerkt als gronden gelegen in de directe omgeving van het bedrijf. In de adviezen is verwezen naar de toelichting op de Verordening Ruimte en de Handreiking Verordening Ruimte en Grondgebonden Melkrundveehouderij en uiteengezet dat de afstand van 15 km niet los kan worden gezien van de ontwikkeling die de agrarische sector, mede onder invloed van mechanisatie, de afgelopen decennia heeft doorgemaakt, waarbij bedrijfsvoeringen gebruik maken van gronden die op grotere afstand van de vestigingslocatie gelegen zijn. Deze afstand is de neerslag van de in de afgelopen jaren gegroeide praktijk om gronden tot een dergelijke afstand toe te rekenen aan een agrarische bedrijfsvoering op een bepaalde vestigingslocatie en om onbebouwde gronden tot een dergelijke afstand, gelet op de bedrijfstechnische relatie met de vestigingslocatie, aldus de AAB. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college, gelet op de in de adviezen gegeven toelichting, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat gronden tot een afstand van 15 km zijn gelegen in de directe omgeving van het bedrijf als bedoeld (…) in de planvoorschriften.”

Zie verder r.o. 4.3 van uitspraak ABRS 21 augustus 2013, no. 201210432/1/A1.

omgevingsjurist

geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij en overgangsrecht bestemmingsplan

geurgevoelig object Wet geurhinder en veehouderij en overgangsrecht bestemmingsplan

Bij de beantwoording van de vraag of een woning als een geurgevoelig object moet worden beschouwd, zoals bepaald in de Wet geurhinder en veehouderij, is de juridisch-planologische status van een woning van belang. Hierbij speelt ook het overgangsrecht van het bestemmingsplan een rol.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat op grond van de aangevoerde feiten en omstandigheden kan worden geoordeeld dat het gebruik van de woning als burgerwoning onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan viel, maar dat de werking van het overgangsrecht teniet is gegaan doordat de woning tussen 1991 en 15 oktober 1993 overeenkomstig de bestemming als bedrijfswoning bij de veehouderij is gebruikt. Het college geeft hierbij aan dat appellante de moeder is van de drijver van de veehouderij (…), dat zijn vanaf 17 april 1991 staat ingeschreven op het adres en dat de woning in de hiervoor genoemde periode voorkwam op de balans en de winst- en verliesrekening van het veehouderijbedrijf, maar niet langer als verhuurd object.

De Afdeling overweegt: “Dat appellante de moeder is van de drijver van de veehouderij (…) biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de woning in de door het college genoemde periode als bedrijfswoning bij de veehouderij is gebruikt. Ook de stelling van het college dat, zo begrijpt de Afdeling, de woning eigendom was van het veehouderijbedrijf en appellante deze woning in de genoemde periode heeft bewoond zonder daarvoor huur te hoeven betalen, is daarvoor niet voldoende. Appellante heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij, noch haar man, die de woning tot 7 mei 1992 met haar heeft bewoond, in de door het college genoemde periode actief zijn geweest in de veehouderij (…). Gelet hierop, mede in aanmerking genomen de gevorderde leeftijd en in aanmerking genomen de definitie van bedrijfswoning in artikel 1, onder l, van de planvoorschriften, kan niet worden geoordeeld dat de woning in de door het college genoemde periode als bedrijfswoning bij de veehouderij is gebruikt en dat om die reden de werking van het overgangsrecht teniet zou zijn gegaan.” 

Zie ABRS 7 augustus 2013, no. 201113089/1/A4

MER moet gebaseerd zijn op maximaal aantal intensieve veehouderijen waarin bestemmingsplan voorziet

MER moet gebaseerd zijn op maximaal aantal intensieve veehouderijen waarin het bestemmingsplan voorziet – begrenzingen aangeven in bestemmingsplan

Het bestemmingsplan voorziet in nieuwvestiging en omschakeling van intensieve veehouderijen. Appellanten vrezen dat het plan leidt tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van de inwoners van het plangebied. Zij stellen onder meer dat in het MER ten onrechte niet het uitgangspunt is genomen dat alle bestaande agrarische bedrijven kunnen worden gewijzigd in intensieve veehouderijen. Verder is geen rekening gehouden met de in het plan voorziene mogelijkheid dat alle agrarische bouwvlakken kunnen worden uitgebreid tot 1,5 hectare.

De Afdeling overweegt: “De Afdeling ziet zich in dit verband eerst gesteld voor de vraag of het MER is gebaseerd op het maximale aantal intensieve veehouderijen waarin het plan bij recht en na gebruikmaking van de in het plan vervatte wijzigingsbevoegdheden voorziet. Het plan maakt ter plaatse van de plandelen met de bestemming ‘Agrarisch’ bij recht intensieve veehouderij mogelijk. Anders dan de raad ter zitting heeft gesteld, is in de planregels niet bepaald dat de vestiging van intensieve veehouderijen ter plaatse van agrarische bouwvlakken alleen mogelijk is indien het bouwvlak op ten minste 100 meter afstand ligt van woonbestemmingen en andere intensieve veehouderijen. (…) Gelet hierop is het aantal intensieve veehouderijen dat zich in het plangebied kan vestigen niet in de planregels of in de verbeelding begrensd. Het plan staat er niet aan in de weg dat bij recht ter plaatse van alle veertien agrarische bouwvlakken een intensieve veehouderij wordt gevestigd. 

Zie verder nog de interessante overweging 12. waarin de Afdeling ingaat op wijzigingsbevoegdheden in het plan.

Zie uitspraak ABRS 21 augustus 2013, no. 201208004/1/R2.

 

Ruimtelijke relevantie Planregel met maximaal aantal nachten in recreatieverblijf

Ruimtelijke relevantie Planregel met maximum aantal nachten in recreatieverblijf

De gemeente heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor een recreatiepark. In de planregels van het bestemmingsplan is een zogenaamde gebruiksdagenregeling opgenomen. In artikel 1 van het bestemmingsplan is de volgende definitie opgenomen van hoofdverblijf: “een gebouw of een deel van een gebouw dat:

  • of door eenzelfde persoon of huishouden gebruikt wordt als woonruimte voor permanente bewoning;
  • of indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar bij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten, met dien verstande dat van een gebruik als hoofdwoonverblijf voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het  zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is, of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdwoonverblijf kan worden beschikt. 

Verder is er een planregel opgenomen dat onder gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval wordt begrepen permanente bewoning c.q. het gebruik als hoofdwoonverblijf, las nader omschreven bij de begrippen in artikel 1.

De eigenaar van het recreatiepark kan zich niet vinden in voorgaande definitie en stelt in beroep dat het bestaande gebruik van het recreatiepark door de gebruiksdagenregeling onredelijk wordt beperkt, nu de kavels zowel in het zomer- als in het winterseizoen worden gebruikt.

De Afdeling overweegt: “Uit de voormelde planregels volgt dat de persoon die niet aannemelijk kan maken dat hij elders over een hoofdwoonverblijf kan beschikken, wordt geacht te handelen in strijd met het bestemmingsplan indien hij buiten het zomerseizoen meer dan 70 maal nachtverblijf houdt op het recreatiepark. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op de bewijslastverdeling in het kader van de handhaving van het plan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) hoort een dergelijke bepaling niet thuis in een bestemmingsplan. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat artikel 1, lid 1.43, van de planregels, voor zover het betreft de zinsnede ‘met dien verstande dat van een gebruik als hoofdwoonverblijf voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdwoonverblijf kan worden beschikt’, is vastgesteld in strijd met artikel 3.1 van de Wro. Het betoog slaagt. 

Zie uitspraak ABRS 7 augustus 2013, no. 201206868/1/R2.

Evenementen binnen bestemming ‘Verkeer’ aantal evenementen regelen

Evenementen binnen bestemming ‘Verkeer’ regelen evenementen

De gemeente heeft binnen de bestemming ‘Verkeer’ onder meer terrassen en evenementen toegelaten. Appellant voert aan dat deze activiteiten zullen leiden tot onaanvaardbare hinder.

Over de terrassen overweegt de Afdeling het volgende: “Voor zover appellant heeft betoogd dat binnen de bestemming ‘Verkeer’ ten onrechte overal terrassen mogelijk zijn, wordt overwogen dat deze mogelijkheden op grond van de APV gebonden zijn aan nadere toestemmingen van het college van b en w, waarbij het college op grond van art. 2.17, zevende lid, APV regels kan stellen ter bescherming van het woon- en leefklimaat. In hetgeen appellant hierover heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid  op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voldoende is om eventuele hinder tegen te gaan.

Over de evenementen overweegt de Afdeling het volgende: “(…) ligt het op de weg van de planwetgever om een beoordeling en afweging te maken of een bestemming die evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Ook dient deze omtrent onder meer het toegestane aantal evenementen per jaar en de maximale bezoekersaantallen, voorschriften op te stellen voor zover dat vanuit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid op een locatie van belang is. Deze beoordeling en afweging is een andere dan die op grond van waarvan in een concreet geval voor een evenement al dan niet toestemming of een vergunning wordt verleend.”

Zie uitspraak ABRS 7 augustus 2013, no. 201300815/1/R4

omgevingsjurist

eerste agrarische bedrijfswoning is een reëel belang om te wonen bij het agrarische bedrijf voldoende

Eerste agrarische bedrijfswoning is een reëel belang om te wonen bij het agrarische bedrijf voldoendeeerste agrarische bedrijfswoning

Uit diverse uitspraken van de Afdeling blijkt dat het erg lastig is om in aanmerking te komen voor een tweede agrarische bedrijfswoning. Vanwege moderne technieken, zoals videosystemen, etc. achten de meeste Agrarische Adviescommissies de noodzaak voor een dergelijke woning niet meer aanwezig. Dat dit niet opgaat voor de eerste agrarische bedrijfswoning onderschrijft de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2013, no. 201208629/1/A1.

De Afdeling overweegt: Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in (…) volgt dat bij de oprichting van de eerste bedrijfswoning een reëel belang om te wonen bij het agrarische bedrijf, gelet op de aard en omvang daarvan, voldoende is voor de noodzakelijkheid van de bewoning.”

 

 

Geluid en bestemmingsplan Toename van 1 dB ten opzichte van feitelijke situatie bij woningen

Geluid en bestemmingsplan: toename van 1 dB ten opzichte van feitelijke situatie bij bouwplan voor woningen kan leiden tot strijd met een goede ruimtelijke ordening 

Het bestemmingsplan in kwestie voorziet in de bouw van een nieuwe woonwijk, waar naast woningen ook enkele maatschappelijke voorzieningen zullen worden gerealiseerd. In de woonwijk zal een 30 km-zone worden ingesteld. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient daarom te worden onderzocht of ter plaatse wat betreft de geluidbelasting sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Uit het akoestische onderzoek blijkt dat de hoogste geluidbelasting ter plaatse van al bestaande woningen 61 dB bedraagt.

De Afdeling overweegt: “Ongeacht of de in de Wgh genoemde aftrek van 5 dB plaatsvindt, blijft de geluidbelasting weliswaar onder de door de raad gehanteerde maximale grenswaarde van 63 dB, maar overschrijdt deze de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Omdat er sprake is van een toename van maximaal 1 dB ten opzichte van de huidige feitelijke situatie, kan volgens de raad niet gesproken worden van een relevante verandering van de geluidbelasting. Nu in de huidige feitelijke situatie de geluidbelasting ter plaatse reeds 60 dB bedraagt, heeft de raad met de enkele stelling dat de geluidbelasting slechts 1 dB toeneemt, naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende gemotiveerd dat deze geluidbelasting niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad geen rekening heeft gehouden met de binnenwaarde van de bestaande woningen, de aanvaardbaarheid van deze binnenwaarde, en of eventueel aanvullende geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn.”

zie uitspraak ABRS 14 augustus 2013, no. 201110192/1/R2

omgevingsjurist

Agrarisch bouwblok en uitbreidingsmogelijkheden bestemmingsplan

Agrarisch bouwblok en uitbreidingsmogelijkheden bestemmingsplan buitengebied

In het kader van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan worden in de praktijk meestal de geldende bestemmingen overgenomen uit het bestaande bestemmingsplan. De gedachtegang is meestal dat het gaat om bestaande rechten die je eigenaren niet zo maar kunt afnemen. Dat dit ‘gevaarlijk’ is blijkt weer eens uit een uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2013, no. 201109895/1/R3. In deze uitspraak ging het om een nieuw – in hoofdzaak – conserverend bestemmingsplan voor het buitengebied waar wijzigingsbevoegdheden voor het college van b&w zijn opgenomen voor het vergroten en/of veranderen van vorm van het bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

De Afdeling tikt de gemeente op de vingers: “Niet in geschil is dat binnen de agrarische bouwvlakken in het plan nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden bestaan, waardoor een feitelijke uitbreiding van de agrarische bedrijven ter plaatse niet is uitgesloten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) dient de raad de aanvaardbaarheid van een bestemmingsplan bij het vaststellen (opnieuw) te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving. Dat deze bouwvlakken voor agrarische bedrijven overeenkomen met de bouwvlakken in het voorheen geldende plan, leidt derhalve niet tot het oordeel dat het plan op dit punt in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998 en dat daarvoor geen passende beoordeling nodig is. Niet is gebleken dat de raad de mogelijke gevolgen van de genoemde uitbreidingsmogelijkheden heeft onderzocht in de passende beoordeling. Gelet op het voorgaande en nu uit het plan-MER volgt dat in het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (…) elke toename van de stikstof- en ammoniakdepositie reeds kan leiden tot een significant negatief effect op dat Natura 2000-gebied, heeft de raad de mogelijke gevolgen van de nog niet benutte uit het vorige plan overgenomen en de overige bij dit plan toegekende uitbreidingsmogelijkheden alsmede de mogelijke maatregelen en beperkingen ten onrechte niet onderzocht en inzichtelijk gemaakt in de passende beoordeling.”

omgevingsjurist

Aantal evenementen regelen in planregels bestemmingsplan

Aantal evenementen regelen in planregels bestemmingsplan

De gemeente heeft binnen de bestemming ‘Verkeer’ het mogelijk gemaakt om evenementen te houden. In de planregel is geregeld dat een evenement maximaal 7 aaneengesloten dagen mag duren. Voor een langere duur (max. 30 dagen) kan via een omgevingsvergunning medewerking worden verleend.

Uit een uitspraak van 10 juli 2013 (no. 201208101/1/R2) blijkt dat dit niet voldoende is.geluid evenementen

De Afdeling overweegt: Ook dient deze omtrent onder meer het toegestane aantal evenementen per jaar en de maximale bezoekersaantallen, voorschriften te stellen voor zover dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening op een locatie van belang is. Deze beoordeling en afweging is een andere dat die op grond waarvan in een concreet geval voor een evenement al dan niet vergunning wordt verleend. Ook ten aanzien van de mogelijkheid voor standplaatsen zal de planwetgever een beoordeling en afweging moeten maken inzake het aantal standplaatsen en de periode waarin deze standplaatsen mogen worden opgenomen, voor zover dit uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid van belang is. 

Zie verder r.o. 16.4

omgevingsjurist